BLIJF WAKKER ! – DEEL III

WIE ZIJN JULLIE?

So when you look at me

you better look hard and look twice:

Is that me baby? 

or just a brilliant disguise.[i]

– Bruce Springsteen

Brilliant disguise – Tunnel of Love – 1987

Wat een rare vraag, Opa! Je weet toch wie wij zijn ?!?

Die vraag is, Eloïse, Edward en Elvire, toch niet zo raar als ze op het eerste zicht lijkt. In vorig deel zagen we dat er een wezenlijk verschil is tussen het helder bewustzijn(het Ik-bewustzijn) en het gekleurd bewustzijn (het mij-bewustzijn). Daardoor wordt de vraag voor elk van jullie : “Wie ben ik?” en daarbij bedoel ik jullie helder bewuste “Ik” en niet jullie gekleurd bewuste “mij”.

Wanneer mensen wordt gevraagd zich voor te stellen, stellen ze meestal de “mij” voor en zelden de “Ik”. Hoe komt dit? Wel, omdat de meeste mensen hun ware “Ik” niet kennen, zo eenvoudig is het!

Wij hebben in vorige column ook gezien dat de “Ik” de “mij” kan observeren. Dit is een interessant fenomeen dat nooit heeft opgehouden filosofen, mystici, wetenschappers, psychologen en psychiaters bezig te houden. Het blijkt dat dieren dit niet kunnen en dat er een zeker niveau van intelligentie nodig is om dit wel te kunnen. Ik wil het in deze column zo simpel mogelijk houden en dus geen metafysica, noch filosofie doceren. Toch is deze manier van observeren uiterst belangrijk, ook voor jullie. Het gaat in feite over iets dat eenvoudig lijkt: simpelweg observeren (uit je doppen kijken) en het gezond verstand gebruiken.  Het probleem met het ‘gezond verstand’ is dat zowat iedereen er zich op beroept en dat, zoals ik ooit een wijs man hoorde beweren, er op de dag van de schepping, wel gewogen 2784 gram ‘gezond verstand’ beschikbaar was … en dit voor de ganse mensheid over de eeuwen heen. Men gebruikt dus meestal niet het gezond verstand maar wel het gekleurd bewustzijn van het eigen mentaal model.

Het observeren van zaken wordt veelal gevolgd door het observeren van de daarbij opkomende gedachten (van de “mij”). Tenslotte worden wij ons (hopelijk) helder bewust van de ‘denker’ (van de “Ik”). Maar, nogmaals, wie is die “Ik”? Laat ik het praktisch houden en eerst beschrijven wie die “Ik’ nietis. Ik zal daarbij langzaam een en ander duiden. De kans is groot dat ik jullie ‘tegenvoets’ zal nemen. Het inzicht dat jullie hierbij zullen verwerven kan “super” of “schrikaanjagend” zijn, naargelang jullie gezichtspunt (en dus jullie huidig denkkader of mindset). Nu, vooruit met de geit!

Is jullie “Ik” de gedachten die in jullie opkomen? Natuurlijk niet, gedachten komen en gaan; dus jullie “Ik” is nietjullie gedachten! 

Is jullie “Ik” dan jullie lichaam? Wetenschappers leren ons dat miljoenen cellen van ons lichaam per minuut veranderen of vernieuwd worden en dat na zeven jaar geen enkele levende cel in ons lichaam te vinden is, die er al zeven jaar voordien was! Cellen komen en gaan en het lichaam vernieuwd zich quasi continu. Maar de “Ik” blijft overeind. Dus jullie “Ik” is nietjullie lichaam! 

De “Ik” is dus iets anders en meer dan het lichaam waarin de “Ik” huist. Jullie zouden wel kunnen stellen dat het lichaam een onderdeel is van de “Ik”. Het veranderende deel dan wel. Het lichaam blijft veranderen. Wanneer het dit niet meer doet, sterft het. We geven er blijvend de unieke naam ‘lichaam’ aan, hoewel het lichaam zelf het continu verandert. Zoals we dezelfde naam behouden voor de stad Antwerpen, hoewel Antwerpen bestaat uit elementen die continu veranderen en dus ook de stad Antwerpen quasi continu verandert. Ook om de Schelde te duiden gebruiken we blijvend dezelfde naam; voor een continu veranderende watermassa hebben we één unieke naam. Dat doet me denken aan de zinsnede “zoals de Schelde voorbij Antwerpen stroomt”, waarbij twee unieke namen voor twee veranderende grootheden worden gebruikt. Tussen haakjes: historisch gezien zou de Schelde, ter hoogte van Antwerpen, eigenlijk de Rupel moeten genoemd worden, maar dat verwerpen zeker de Antwerpenaren en ik weet niet hoe die van Rupelmonde tegenover een naamsverandering, van Rupelmonde naar Scheldemonde, zouden staan.

En hoe zit het overigens met jullie naam? Is jullie “Ik” dan jullie naam, respectievelijk Eloïse Jacobs, Edward Jacobs en Elvire Jacobs. Uiteraard niet, alleen al omdat die naam jullie werd gegeven volgens een conventie, althans wat jullie achternaam betreft. Indien jullie later waren geboren, hadden jullie, volgens een nieuwe conventie, Roels als achternaam kunnen hebben. En wat jullie voornaam betreft, die werd ‘toevallig’ gekozen door jullie ouders, zonder dat jullie daar inspraak in hadden. Indien jullie voornaam jullie niet bevalt, kunnen jullie die zelfs officieel wijzigen. Weliswaar met enige administratieve rompslomp en een paar honderd Euro, maar toch. Dus jullie zijn zeker nietjullie naam, al was het maar omdat jullie die kunnen wijzigen zonder dat jullie “Ik” zelf wijzigt.

Hetzelfde geldt voor: ik ben Belg, ik ben katholiek, ik ben ‘groen’, … Jullie kunnen van nationaliteit, van religie en politieke voorkeur veranderen zonder dat jullie “Ik” verandert.

Anders gesteld, we krijgen in ons leven ‘labels’ opgespeld. Sommige daarvan geven we ons zelf, andere krijgen we van anderen. Het is voornamelijk erg wanneer we onze “Ik” identificeren met die ‘labels’. Al die labels gaan nietover de “Ik”, die gaan over de “mij” en die verandert continu. Nogmaals, jullie “Ik” is geen enkele van de ‘labels’ die op jullie gekleefd worden (door jullie zelf én door anderen!). 

Wanneer jullie uit de cocon van jullie gecreëerde zelf stappen en de ‘mij” observeren met jullie helder bewustzijn, dan identificeren jullie zich niet meer met jullie “mij” en observeren die vanuit het standpunt van de “Ik”: de Creatieve Zelf. Ziedaar het antwoord. Jullie “Ik’ is jullie OrigineleCreatieve Zelf!

Wie lijdt pijn?

Sta mij toe om het onderscheid tussen de “Ik” en de “mij” nog iets scherper te stellen. Daarbij ga ik het even over “pijn” en “lijden” hebben. De vraag is uiteraard: “Wie voelt de pijn, wie lijdt?” De pijn wordt gevoeld door de “mij”. Het is zelfs zo dat wanneer men zich overmatig identificeert met de “mij”, het lijden eigenlijk start.

Stel dat jullie angstig, gretig of ongerust zijn. Wanneer de “Ik” zich niet identificeert met geld, naam, nationaliteit, personen of vrienden, of om het even wat, dan is die “Ik” nooit bedreigd. De “Ik” kan heel actief zijn (hopelijk wel, want het is de Creatieve Zelf), maar is nooit bedreigd. Denk eens aan iets dat jullie pijn doet lijden, of onrustig/angstig maakt. Zoek dan eens wat jullie verlangen onder dat lijden is.  De oorzaak van jullie lijden is namelijk dat jullie verlangen naar iets dat (nog) niet vervuld wordt. De vraag die jullie dienen uit te klaren is: “Waar verlang ik gretig naar dat niet wordt vervuld?” Bovendien gaat het niet enkel om een verlangen, het gaat hier ook om een identificatie. Jullie hebben jullie, op één of andere manier, het volgende wijsgemaakt: “Het welbehagen van “Ik”, omzeggens het bestaan van “Ik”, hangt vast aan het vervullen van het verlangen van de “mij””. Eloïse, Edward en Elvire, al jullie lijden – in het heden en in de toekomst – wordt veroorzaakt door jullie te identificeren met iets en dat iets kan zowel binnen als buiten jullie liggen. En laat mij duidelijk zijn, het is niet de “Ik” die zo verlangt. Dit is een illusie die jullie zichzelf wijsmaken. Het is de “mij” die naar alles en nog wat verlangt en onverzadigbaar lijkt.

Wie heeft negatieve gevoelens?

Laat ik het nu even hebben over iets waar ik zelf ook nog heel wat mee worstel, namelijk het hebben van negatieve gevoelens tegenover iets of iemand. Hoewel ik cognitief (verstandelijk) weet dat, wanneer ik negatieve gevoelens (emoties) heb tegenover iemand, ik eigenlijk in een illusie leef, laat ik mij vaak vangen door dit soort negatieve gevoelens. 

Dit komt omdat, wanneer ik negatieve gevoelens koester, ik voor een stuk blind wordt. Dat geldt overigens ook voor positieve gevoelens. Denk maar aan de spreuk “Liefde maakt blind.” Wanneer de “mij” in beeld komt, wordt alles minder helder. Met andere woorden, voordat dit gebeurde had ik één probleem en nu heb ik er twee. Menigeen denkt, verkeerdelijk, dat het niet hebben van negatieve gevoelens, zoals woede, wrok en haat, betekent dat men niets aan de situatie wilt doen.  Dat is niet het geval! Het is niet omdat je niet emotioneel aangegrepen bent door de situatie, dat je niet direct in actie schiet. Integendeel, het helder bewustzijn zorgt er voor dat je zeer gevoelig bent voor zaken en mensen rondom jou. Wat die sensitiviteit teniet doet, is de gecreëerde zelf. Wanneer men zich teveel met de “mij” identificeert, is er teveel “mij” betrokken om nog de zaken objectief te kunnen bekijken. Men kan de werkelijkheid niet op een afstandelijke manier zien. Het is uiterst belangrijk dat, vooraleer effectief in actie te komen, men bekwaam is de werkelijkheid afstandelijk te observeren. Eerst dan ziet men de werkelijkheid zoals die is (en niet zoals de “mij” is)[ii]. Negatieve emoties verhinderen het observeren omdat men door die negatieve emoties vereenzelvigd wordt met de “mij” en daardoor los geslagen is van de “Ik”.

Hoe kunnen we dan de soort passie voelen die de energie motiveert iets aan objectieve slechtheid te doen? Wat het ook is, het is niet een reactie, het is een actie!

Pijn bij overlijden van een familielid waar men een sterke band mee heeft

“Fasten seatbelts”, Eloïse, Edward en Elvire, want in wat volgt ga ik nog een stapje verder. Stel dat ik, jullie opa Johan, overlijd. Het lijkt mij normaal dat jullie wat bedroefd zullen zijn. Maar tracht u eens die droefheid voor te stellen. Hoe zou je die benoemen? Mag ik een suggestie doen? Ik gok op zelfmedelijden

De cruciale vraag is namelijk: “Waar ligt de oorzaak van jullie droefheid?” Denk daar eens even over na. Wat ik nu zal stellen zullen jullie misschien vreselijk vinden. Jullie pijn  zal te maken hebben met jullie persoonlijkverlies, toch?!? Jullie specifiek verlangen, om mij bij jullie te hebben, krijgt plots een onherroepelijke knauw en wordt dus niet meer vervuld, nooit meer! Jullie hebben medelijden met jullie “mij” en, dat denk ik, ook wel met Bonnie. Maar dat wil zeggen dat jullie medelijden hebben met iemand, in dit geval Bonnie, die medelijden heeft met haar “mij”. 

Indien jullie geen medelijden hebben met jullie zelf, met wie leven jullie dan mee? Met mij, jullie grootvader Johan? Sorry, die leeft niet meer, dus daar kan je niet met mede-leven, noch met mede-lijden. Mijn leven en lijden zijn namelijk onherroepelijk voorbij! 

De les die jullie hieruit kunt leren is de volgende: wij voelen nooit pijn wanneer we iets of iemand verliezen die we echte vrijheid toewensen; waarbij we nooit gepoogd hebben haar of hem te bezitten. Bedroefdheid is meestal een teken dat ik m’n geluk afhankelijk gemaakt heb van iets of iemand, ten minste tot op zekere hoogte. Wij zijn zo gewend het anders (gekleurd) te zien, dat wat ik hier neerpen jullie misschien zelfs onmenselijk lijkt. En toch is dit niet zo. Eerder het tegendeel is waar! Wat ik hier net neerschreef, is namelijk uiterst menselijk, want ‘des mensen’.  

Laat ik dit onderdeel eindigen met een gevleugeld woord van Maurice Raimbault. Hij was m’n directeur en die zei mij, een goede dertig jaar geleden, toen ik hem om een loonsverhoging vroeg wegens grote inzet en uitzonderlijke verdiensten: “Indien je enkel maar gelukkig kunt zijn wanneer je een Maserati bezit, Johan, zal je misschien je leven lang ongelukkig zijn!”

Wie is afhankelijk?

Met betrekking tot ‘afhankelijkheid’ zijn er verschillende graden: bij de geboorte zijn we totaal afhankelijkvan onze omgeving, ergens op het einde van de pubertijd denken we dat weonafhankelijkzijn, het is slechts wanneer we (terug) wijs worden dat we begrijpen dat we onderling interafhankelijkzijn. En dat is juist en zelfs fijn, we hebben de anderen (partner, kinderen, kleinkinderen, vrienden, bakker, slager, kok, …) nodig om een goed leven te hebben.

Edoch, psychologisch en emotioneel afhankelijk zijn van een ander betekent afhankelijk zijn van een ander menselijk wezen voor het eigen geluk! Indien dat het geval is, dreigt men het volgende te doen: die ander vragen(smeken, eisen, dreigen, …) om bij te dragen tot jouw geluk. Daarop volgt meestal iets dat nog erger is. Men krijgt angst. De angst om te verliezen, de angst om verworpen te worden,… Angst die uiteindelijk uitmondt in wederzijdse controle. Weten jullie, Eloïse, Edward en Elvire, echte liefde bant angst uit. Want echte liefde vraagt niets, eist niets, verwacht niets; er is geen afhankelijkheid. Echte liefde vraagt de ander niet jou gelukkig te maken. Daardoor hangt jouw geluk niet af van ‘de ander’. 

Een correcte levenshouding in het kader van liefde voor een andere persoon is wat volgt: “Indien je mij zou verlaten, dan zal ik geen zelfmedelijden hebben. Ik hou van jou, ik hou van jouw aanwezigheid, maar ik klamp mij niet aan jou vast.” Hierbij denk ik aan de liefde tussen Tereza, een van de hoofdpersonages van het boek “De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ van Milan Kundera[iii]– ik raad jullie overigens aan dat boek ooit eens te lezen – en haar hond Karenin. Volgende passage uit dit boek zal jullie hopelijk helpen begrijpen wat ik eigenlijk bedoel:

Uit deze warboel van denkbeelden ontkiemt de heiligschennende gedachte die ze niet van zich af kan zetten: de liefde die haar aan Karenin bindt is beter dan die tussen haar en Tomas. Beter, niet groter. Tereza wil Tomas noch zichzelf de schuld geven, ze wil niet beweren dat ze meer van elkaar zouden kunnen houden. Ze vindt eerder dat een mensenpaar zo geschapen is dat hun liefde a priori van een slechtere soort is dan (althans in het beste geval) de liefde die kan bestaan tussen een mens en een hond, het bizarre in de geschiedenis der mensheid dat door de Schepper waarschijnlijk niet was gepland.

Die liefde is onbaatzuchtig: Tereza wil niets van Karenin. Ze vraagt niet eens liefde. Nooit heeft ze zich de vragen gesteld die mensenparen kwellen: houdt hij van me? Heeft hij ooit van iemand anders meer gehouden dan van mij? Houdt hij meer van mij dan ik van hem? Misschien dat al deze vragen naar liefde, die liefde meten, doorgronden, onderzoeken, verhoren, haar tegelijkertijd in de kiem smoren. Misschien zijn we juist daarom niet in staat liefde te geven, omdat we ernaar verlangen liefde te krijgen, dat wil zeggen dat we steeds iets (liefde) van de ander willen in plaats van hem te benaderen zonder eisen en niets anders te willen dan zijn aanwezigheid.  En dan nog iets: Tereza accepteerde Karenin zoals hij was, ze wilde hem niet naar haar eigen beeld veranderen, ze was het bij voorbaat eens met zijn hondenwereld, ze wilde hem die niet afnemen, ze was niet jaloers op zijn geheime avonturen. Ze voedde hem niet op om hem te herscheppen (zoals een man zijn vrouw en een vrouw haar man herscheppen wil), maar alleen om hem de elementaire taal te leren die het mogelijk maakte elkaar te begrijpen en met elkaar te leven.

Makkelijk? Helemaal niet! Mogelijk, ook tussen mensen? Jawel! Bijvoorbeeld, mijn liefde voor jullie Eloïse, Edward en Elvire. Ik vraag jullie niet mij gelukkig te maken. Ik eis en verwacht niets en mijn geluk hangt daardoor niet af van jullie. Wanneer jullie mij zullen ‘verlaten’ (lees minder contact met mij zullen hebben, omdat jullie nu eenmaal andere dingen aan jullie hoofd zullen hebben dan een stokoude grootvader), zal ik daar niet treurig om zijn; want dit is de normale gang van zaken. Kleinkinderen dienen, zeker indien het nog arenden zijn, op een zeker moment met eigen vleugels te vliegen. “Het is wat het is!” zei Spinoza al. Ik ben weerbaar omdat ik dat voorzie; ik ben als het ware pro-actief en aanvaard deze werkelijkheid. Ondertussen geniet ik wel ten volle van onze liefde en ons samenzijn. Tereza parafraserend: “We hebben een gemeenschappelijke taal die het mogelijk maakt elkaar waarderend te begrijpen en van elkaars gezelschap te genieten.”

Het gaat inderdaad over het genieten van iemands aanwezigheid en belangrijkheid, zonder zich aan haar of hem vast te klampen. Ik wens jullie ook niet te herscheppen! Ik wens jullie wel, onder meer door deze reeks columns, te helpen, zodat jullie zichzelf kunnen creëren. Waar ik van geniet, is dus niet alleen jullie ‘as such’; het is iets dat groter is dan beide: jullie en mezelf. Het is echt ‘het één en het ander & verschillend van’. Dit is wat echte Creatieve wisselwerkingverwezenlijkt. Creatieve wisselwerkingis een gegeven, wij zijn er mee geboren en zelfs wanneer we niet meer bereikbaar zijn voor elkaar, blijft Creatieve wisselwerkingovereind. Ook als ik er niet meer zal zijn, blijft Creatieve wisselwerkingleven, namelijk in jullie. Jullie zullen andere mensen in jullie leven ontmoeten waarbij je Creatieve wisselwerkingop een andere, even goede en hopelijk nog betere en vollere, manier zullen beleven.

Dit is wakker blijven! Wakker blijven is eenieder laten zijn wie ze zijn, hen toelaten de richting te kiezen die ze willen kiezen, hen hun keuzes laten maken en ook mede daarom van hen houden en respecteren. Dit doet me denken aan een oud middeleeuws verhaal van Sir Gawain en de liefde van z’n leven. Een verhaal dat ik ooit hoorde vertellen door Fred Kofman[iv]en dat ik zelf een paar keer vertelde. Het verhaal gaat over de cruciale vraag: “Waar verlangt een vrouw het meest naar?” en geeft er ook het correcte antwoord op. Ik wil het jullie niet onthouden. Het is één van die typische Koning Arthur verhalen en is gekend als “The Wedding of Sir Gawain and Dame Ragnelle[v].” Het gaat als volgt: 

Op een zekere dag was King Arthur aan het jagen in zijn geliefd woud ‘Inglewood’. Hij zat een prachtig everzwijn achter na. Uiteindelijk zat het dier uitgeput in de val en Arthur sprong van zijn paard. Toen Arthur op het punt stond het dier met z’n dolk te doden, realiseerde Arthur zich plots dat hij niet alleen was. Hij voelde priemende ogen in z’n rug, draaide zich om en zag dat een enorme speer op z’n hart gericht was. Die speer werd gehanteerd door een reusachtige zwarte ridder gezeten op een groot zwart paard.

“Arthur, bereid je voor om te sterven. Je hebt heel wat verknald in jouw leven en het is hoog tijd om voor je zonden te boeten!”

Arthur had geen flauw idee wie deze immense zwarte ridder was en vroeg om tijd te winnen: “Wie ben jij?” “Dit doet niets te zake, ik wil jouw hoofd!” was het antwoord.

Arthur verdedigde zich wanhopig: “Indien jij mij doodt dan zit daar voor jou toch geen eer in. Een ongelijk gewapende ridder heeft geen enkele kans. Jouw gedrag is eerlijk gezegd onridderlijk. Je dient mij een kans te geven, toch?!?”

De zwarte ridder zag daar de redelijkheid van in en zei: “Ik stel jou het volgende voor. Ik zal je een raadsel geven en een vol jaar om het op te lossen. Indien je mij op het einde van dat jaar het correcte antwoord kan geven, laat ik jou leven. Indien je dit niet lukt, dan ga je er alsnog aan!”

Arthur had geen andere keus dan het voorstel te aanvaarden. En de zwarte ridder zei ten slotte: “Volgend jaar op hetzelfde tijdstip verwacht ik jou hier terug op deze plek met het correcte antwoord op m’n vraag: “Waar verlangt een vrouw het meest naar?”

Toen hij de vraag waarderend begrepen had, was Arthur als het ware aan de grond genageld. Hij had geen schijn van kans en was dus reeds zo goed als dood. Vooraleer Arthur het besefte, was de zwarte ridder verdwenen.

Terug in Camelot zag Sir Gawain, Arthur’s neef en de jongste, koene ridder van de Ronde Tafel, dat Arthur er zeer bedrukt bij liep. Arthur vertelde zijn wedervaren en Gawain stelde hem gerust: “Ik weet wat wij moeten doen, een heus onderzoek! Ik stel voor dat wij een bevraging doen met de beste steekproefmethode die ik nog aan het SUI heb geleerd. Wij gaan die doen over het hele land en gaan de vrouwelijke populatie van jouw koninkrijk, met de leeftijd tussen de 18 en de 48 jaar, bevragen. Op hun antwoorden laten we een analyse los. Met de hulp van alle ridders van de Ronde Tafel en hun schildknapen zal het ons zeker lukken.”

Zo gezegd, zo gedaan. Alle ridders van de Ronde Tafel gingen samen met hun schildknapen in de vier windstreken op pad. Aan elke vrouw die ze tegenkwamen stelden ze de cruciale vraag: “Waar verlang je het meeste naar?” De antwoorden tekenden de schildknapen vlijtig op. Nogal wat antwoorden kwamen terug: een lieve trouwe echtgenoot, een prachtig huis, een mooie garderobe van Dries van Noten, veel chocolade, …

Terug in Camelot werden alle antwoorden door de Management Assistenten van de Ridders verwerkt in spread sheets en behandeld met regressie analyse en het volledige gereedschap van de Kwaliteitswetenschap. Toen koning Arthur de print-outs zag, twee dikke farden, zei hij “Dit voelt niet goed aan”, maar sir Gawain verzekerde hem dat hij op z’n twee oren mocht slapen.

Edoch van slapen kwam er niet veel meer in huis. Arthur was er niet gerust in. Met nog twee maanden te gaan, ging hij hoe langer hoe meer gaan wandelen in z’n vertrouwde bos om tot rust te komen en het antwoord in de natuur te vinden. Een paar dagen voor de cruciale ontmoeting met de zwarte ridder werd hij plots uit zijn overpeinzingen gerukt door een verschrikkelijke geur. Die stank was onbeschrijfelijk walgelijk. Bah!!! Het was alsof duizend kadavers aan het rotten waren. Op dat ogenblik hoorde Arthur een krijsende stem die koude rillingen over z’n rug joeg. Jullie kennen dat wel: het geluid van krijsend krijt op het schoolbord. Die stem schreeuwde: “Arthur geen enkel van de antwoorden, die uw ridders verzameld hebben, zal jouw leven redden! Alleen ik ken het correcte antwoord op de vraag van de zwarte ridder!” Arthur, heel nieuwsgierig en sterk geïnteresseerd, hoe zouden jullie zelf zijn, trotseerde de stank en ging in de richting van de stem. Plots ziet hij op een hoop rottend hout een vormeloze, etterende massa vlees ‘getooid’ met slierten geklit vaal blond haar. Een heks, zoals hij nog nooit aanschouwde, met een werkelijk afgrijselijk wegrottend aangezicht. Het walgelijk geheel krijste: “King Arthur, dame Ragnelle heeft een levensreddende boodschap voor U!” Arthur kwam wat nader en terzelfdertijd maakte de gestalte zich los van de hoop hout en kwam ook dichter. De stank was niet te harden en Arthur zag geen andere keus dan het afschuwelijk gezicht, met een tandeloze mond en praktisch kale schedel met wat plukken geel vettig haar, te aanschouwen. De heks, die blijkbaar Ragnelle heette, vervolgde: “De antwoorden die uw ridders verzameld hebben, houden geen steek. Alleen ik ken het antwoord dat jouw leven zal redden.” Ofschoon walgend van het onwaarschijnlijke geheel bleef Arthur, nu wel uiterst geïntrigeerd, staan. Dame Ragnelle kwam nog een paar stappen nader… squash, squash, was het geluid van haar sompige voetstappen… en volgende dialoog ontspon zich toen:

“Ik weet wat je de zwarte ridder moet antwoorden om jouw vel te redden.”

“Als je die kennis hebt, Lady Ragnelle, zeg het jouw koning! Waar verlangt een vrouw het meeste naar?”

“Ik vertel het u wanneer je me belooft een dienst te bewijzen.”

“Ik schenk je de helft van m’n koninkrijk indien jouw antwoord m’n leven red.”

“Niet zo vlug, Arthur, ik hoef jouw eigendommen niet; ik wens een heel specifieke gunst.”

“Kom er mee voor de dag!”

“Ik zal u mijn wens enkel kenbaar maken indien mijn antwoord werkelijk jouw leven heeft gered. U dient mij echter nu, op jouw eer van Koning, te beloven mijn wens in dat geval in te willigen.”

Ook nu had King Arthur weinig keus, en hij zei: “OK, indien jouw antwoord m’n leven redt, dan zal ik uw wens gestand doen!”

Uiteindelijk gaf Lady Ragnelle haar unieke antwoord prijs:

“Wat een vrouw het liefste wil is

in haar leven haar eigen keuzes te mogen maken,

teneinde te leven zoals haar hart haar ingeeft,

en bemind en gerespecteerd te worden om wat ze is.”

Arthur’s Euro viel onmiddellijk. Hij kreeg de innerlijke zekerheid: dit was het antwoord!

Exact één jaar na z’n eerste ontmoeting met de Zwarte Ridder stond King Arthur oog in oog met z’n belager, en die zei: “Ah, den Arthur. Welke zijn jouw antwoorden op m’n gemakkelijk raadsel, m’n simpele vraag?” “Hier zijn de boeken met m’n antwoorden” en Arthur gaf de Zwarte Ridder de fardes met alle antwoorden die z’n ridders van de Ronde Tafel verzameld hadden. De zwarte ridder keek die door en gaf bij elk antwoord een passende reactie: “Een lieve trouwe echtgenoot, bah! Een prachtig huis, nope! Een mooie garderobe van Dries van Noten, te gek! veel chocolade, je meent dat niet!, …” De Zwarte Ridder scheurde elk antwoord uit de boeken en gooide uiteindelijk de kaften naar het hoofd van King Arthur, roepend: “Arthur, je bent zo goed als dood!”

Op dat ogenblik zei Arthur: “Ik heb nog één verlossend antwoord”. “Kom op ermee!” Uiteindelijk gaf King Arthur lady Ragnelle’s antwoord:

“Wat een vrouw het liefste wil is

in haar leven haar eigen keuzes te mogen maken,

teneinde te leven zoals haar hart haar ingeeft,

en bemind en gerespecteerd te worden om wat ze is.”

Het antwoord van de Zwarte Ridder kwam terstond: “Aah!!! Die verdoemde Lady Ragnelle!! Zij gaf jou het correcte antwoord!” schreeuwde hij en vervolgde: “Jouw lot zal nu erger zijn dan dat je dood ware geweest” en weg was hij.

King Arthur, uiteraard verrukt omdat z’n leven was gered, was er toch niet geheel gerust in. Dit wegens de dreigende laatste woorden van de Zwarte Ridder. Met enige siddering ging hij op zoek naar Lady Ragnelle. 

“Ik heb goed nieuws Dame Ragnelle” zei hij, wanneer hij het hoopje ellende gevonden had, “Uw antwoord heeft mijn leven gered, ik schenk jou de helft van m’n koninkrijk!”

“Ik zei je een paar maand geleden al dat ik jouw bezittingen niet hoef en dat ik, nadat je leven gered was, jouw deel van de afspraak kenbaar zou maken” repliceerde Lady Ragnelle “en dat is: dat je mij uithuwelijkt aan Sir Gawain!”

“Maar dat kan ik niet waarmaken!” schreeuwde Arthur, waarop Lady Ragnelle rustig riposteerde: “Beloofd is beloofd en een koning houdt z’n beloftes!”

Heel bedrukt vertrok Arthur dan naar Camelot, waar de ridders hem stonden op te wachten om z’n overwinning op de Zwarte Ridder te vieren. Maar aan z’n gezicht zagen ze dat het verre van een feestdag was. Arthur maakte Gawain deelgenoot van z’n ervaring en die antwoordde onmiddellijk: “Sire, ik was bereid om voor u te sterven, dus zal ik met plezier huwen met Dame Ragnelle, hoe afschuwelijk ze ook moge wezen.”

“Je weet niet wat je zegt, m’n jongen. Uw offer heeft m’n leven gered en enkel de dood kan u van uw belofte verlossen.”

Alles werd in gereedheid gebracht om het huwelijk van Sir Gawain en Dame Ragnelle groots te vieren, want daar stond de Lady op. Ondanks hun verwoede pogingen om de dame enigszins op te kalefateren en ze te besprenkelen met de duurste en krachtigste parfums, werd het een echte ramp. De gêne van allen zette een grote domper of het huwelijksfeest. Ook het tafelgedrag van Lady Ragnelle was een kaakslag in het gezicht van de koninklijke familie. Iedereen walgde bovendien van de stank en was door dat alles helemaal niet in de stemming om te vieren. Het kon voor iedereen niet rap genoeg middernacht zijn, edoch niet voor Sir Gawain… Om klokslag middernacht verliet het pas gehuwde paar het huwelijksfeest. In een oogwenk lag Lady Ragnelle op het bed. Sir Gawain stond nog even aan de haard en poogde zich enige moed in te rammen…

“Waar is mijn lieve echtgenoot, komt die mij niet ten minste een kus geven?”

“Ik zal je een kus geven, my Lady, en ook m’n plicht als echtgenoot vervullen.”

Toen Sir Gawain het hemelbed opende zag hij de meest betoverende verschijning die hij ooit mocht ontwaren. Bovendien had de onbeschrijfelijke stank plaats gemaakt voor een betoverende geur. De mooiste vrouw van Camelot verwelkomde hem met uitgestoken zachte armen … Gawain stamelde… “Wat is er gaande!?!” en Dame Ragnelle antwoordde: “Ik werd door m’n stiefmoeder betoverd en zou, zolang ik niet gehuwd was met de moedigste ridder van de Ronde Tafel, verder leven als de meest afschuwelijke heks.” “Dus als ik het goed begrijp, dit is jouw Originele Zelf?” Lady Ragnelle knikte.

Naast andere dingen, die jullie, Eloïse, Edward en Elvire, zich al misschien kunnen voorstellen, praatten Gawain en Ragnelle heel wat die nacht en werden ze smoor verliefd op elkaar. Uiteindelijk vielen ze uitgeput in elkaars armen in slaap. 

Bij zonsopgang werd Gawain wakker door het gefilterde zonlicht in z’n ogen en een hevige stank in z’n neus. Hij rook weer die afschuwelijke geur en toen hij z’n ogen van het zonlicht afwende zag hij dat hij de afschuwelijke heks, waarmee hij de dag voordien was gehuwd, in z’n armen hield.

“Wat gebeurt er nu weer’ schreeuwde hij. Lady Ragnelle schoot wakker en antwoordde: “Ons huwelijk heeft de betovering van m’n stiefmoeder maar voor de helft gebroken, mijn liefste. Voor de helft van de tijd zal ik zijn zoals je mij deze nacht zag en voor de andere helft zoals ik nu ben. En jij mag kiezen, lieve man Gawain: Ik kan mooi zijn voor je vrienden overdag en lelijk voor jou gedurende de nacht of andersom, lelijk voor jouw vrienden overdag en mooi voor jou ’s nachts.”

Wat een keuze! Wat zouden jullie kiezen, Eloïse, Edward en Elvire? Gawain wist het niet direct; hij ijsbeerde door hun slaapkamer, bedaarde plots want begreep het enige correcte antwoord en sprak het uit: “Wat wenst u zelf, m’n liefste. Jij mag kiezen en wat je ook kiest, ik zal je blijven beminnen en respecteren.”

Op dat moment werd Dame Ragnelle de wondermooie prinses die zij in werkelijkheid was en sprak: “Liefste Gawain, jij hebt de vloek nu volledig doorbroken. De tweede helft zou doorbroken worden indien m’n echtgenoot, de moedigste ridder van de Ronde Tafel, mij de gift zou geven waar elke vrouw het meest naar verlangt[vi].”

Wakker blijven is vooral, zoals het verhaal ons leert, iedereen (dus ook de mannen onder ons, Edward) toelaten te zijn wie ze zijn, hen toelaten de richting te kiezen die ze willen kiezen. Hen de keuzes, die hun hart en ingeeft, niet alleen laten maken, maar daarom ook van hen houden en hen respecteren. Wakker blijven is van iemand houden en deze los kunnen laten. Wakker blijven is niemand ketenen aan jezelf. Wakker blijven is niet afhankelijk zijn, noch onafhankelijk; het is interafhankelijk zijn van elkaar in de echte realiteit. Wakker blijven is illusies laten vallen voor de realiteit[vii]. Wakker blijven is jullie vereenzelvigen met jullie echte “Ik”, jullie Origineleof Creatieve Zelfen niet met jullie “mij”,  jullie actuele gecreëerde zelf. 

De vraag en ook titel van dit Deel III: “Wie zijn jullie?” heeft hiermee een definitief antwoord gekregen: “Jullie zijn jullie Creatieve Zelf(en dus niet, wat veel wordt gedacht, jullie gecreëerde zelf)!”[viii]


[i]Bruce Springsteen. Quote uit Brilliant disguisesong uit de studioalbum Tunnel of Love, Columbia Records, 1987.

[ii]“We don’t see things as they are, we see them as we are.” Quote van Anaïs Nin. Dezelfde quote wordt ook toegeschreven aan vele anderen, waaronder Stephen Covey. Ere wie ere toekomt, hoewel er veel quotes bestaan die in de richting gaan, is het Anaïs Nin die het adagium in haar boek ‘The seduction of the Minotour’ als dusdanig verwoorde. Opmerkelijk is wel dat haar personage – Lillian – in het boek refereert naar een Talmud tekst: Lillian was reminded of the talmudic words: “We do not see things as they are, we see them as we are.”Bij nadere analyse gaat de religieuze tekst eigenlijk essentiëel over de interpretatie van dromen, dus besluit de ‘quoteinvestigator’ (https://quoteinvestigator.com/2014/03/09/as-we-are/) dat Anaïs Nin met de eer gaat lopen.

[iii]Milan Kundera. De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.Amsterdam: Ambo/Anthos uitgevers, 2014.

[iv]Fred Kofman. Revealing the Heart of the Learning Organization. Boston MA: Systems Thinking in Action™ Conference: Building Learning Organizations through Communities of Commitment, 1993.

[v]Zie onder meer: http://www.lone-star.net/mall/literature/gawain.htmen http://www.eleusinianm.co.uk/middle-english-literature-retold-in-modern-english/arthurian-legends/the-wedding-of-sir-gawain-and-dame-ragnelle

[vi]Waar elke vrouw het meest naar verlangt wordt in het originele verhaal geduid met het begrip Sovereigntyof in het Nederlands: Sovereniteit, i.e. volledige recht en macht om over zichzelf te beschiken zonder enige inmenging van anderen. In de oorspronkelijke tekst, vertaald in hedendaags Engels, vind men:

We desire most from men,

From men both lund and poor,
To have sovereignty without lies.
For where we have sovereignty, all is ours,
Though a knight be ever so fierce,
And ever win mastery.
It is our desire to have master
Over such a sir.

Such is our purpose.

[vii]Illusies die de druk van de werkelijkheid niet aankunnen zijn onder meer:

  • de illusie van ‘zekerheid’ (het principe van ‘onzekerheid’ van Heisenberg)
  • de illusie van ‘stabiliteit’ (verandering is de enige constante)
  • de illusie van ‘beheersing’ (controle van buitenaf heeft afgedaan)
  • de illusie van ‘veiligheid’ (‘security’ – gevoel van veiligheid is een illusie)
  • de illusie van ‘onafhankelijkheid’ (wij zijn interafhankelijk – ‘alles is met alles verbonden’)

[viii]Anders gesteld, jullie zijn een Boeddha! Elke volledig ontwaakte persoon is een Boeddha. De naam Boeddha (‘De Verlichte’) verwijst naar het hoogste niveau van ‘wakker zijn’.

BLIJF WAKKER ! – DEEL II

HOE, ZOVEEL ALS MOGELIJK, JE ‘CREATIEVE ZELF’ BLIJVEN?

 

Well, my feet they finally took root in the earth,      But I got me a nice place in the stars.

And I swear I found the key to the universe in the engine of an old parked car.

I hid in the mother breast of the crowd,when they said: “Pull down”, I pulled op

Ooh, ooh, growin’ up[i]

– Bruce Springsteen

 Growin’ Up – Greetings from Ashbury Park, N.Y. – 1973

 

Beste Eloïse, Edward en Elvire, we worden geboren als onze Creatieve Zelf. Deze noem ik om die reden soms ook de Originele Zelf. Praktisch eenieder wordt echter, in de loop der tijd, min of meer geconditioneerd tot haar of zijn gecreëerde zelf[ii]. Gelukkig zijn jullie nog voor een stuk, en zeker nog stukken meer dan ik zelf, jullie Creatieve Zelf[iii]. Graag zou ik dit bestendigd zien. Dit is de reden waarom de hamvraag van dit deel “Hoe, zoveel als mogelijk, je Creatieve Zelf blijven?” is.

Laat me starten met de basisbegrippen Creatieve Zelf en gecreëerde zelf zo goed mogelijk te duiden en te verbinden. Hierbij stel ik van meet af aan wat volgt. Enerzijds bestaan er geen twee separate zelven; er bestaan wel twee aspecten van één zelf. Zoals een muntstuk twee facetten heeft en toch één muntstuk is, zijn wij één zelf met twee facetten: de Creatieve Zelf en gecreëerde zelf. Anderzijds bestaan er ook twee soorten bewustzijn[iv]. Elke ‘zelf’ – de Creatieve en de gecreëerde – beschikt namelijk over een specifiek bewustzijn. Ik had het al in Deel I over dit tweespan: het helder en het gekleurd bewustzijn. Het heeft, zoals ik al schreef, lang geduurd vooraleer ik dit onderscheid goed inzag. Omdat a) het onderscheid tussen die twee zo belangrijk is voor jullie opdracht, wendbaar en weerbaar blijven (zie vorige column), en b) ik wens te vermijden dat jullie ook zo lang zullen moeten worstelen met dit inzicht, ga ik in deze column er dieper op in.

De Engelse taal beschikt over twee verschillende woorden om die twee soorten bewustzijn te duiden; dit zijn de begrippen ‘awareness’ en ‘consciousness’. In het Nederlands worden deze steevast vertaald als ‘bewustzijn’. Dat is één van de oorzaken dat het voor mij, Nederlandstalige, lang duurde voordat ik doorhad dat ‘awareness’ en ‘consciousness’ twee verschillende vormen bewustzijn zijn. Met name de bewustzijnsvormen van onze onderscheiden ‘zelven’. Om het voor mij, en hopelijk ook voor jullie, duidelijk te maken, heb ik een nieuwe Nederlandse vertaling van deze Engelse begrippen ‘ontdekt’. Awareness vertaal ik als helder bewustzijn. Onze Originele of Creatieve Zelf komt helder bewust (‘aware’) ter wereld. Dit helder bewustzijn wordt langzamerhand geconditioneerd tot het gekleurd bewustzijn van de gecreëerde zelf; dus vertaal ik ‘consciousness’ als gekleurd bewustzijn.

Je zou met een metafoor kunnen stellen dat het helder bewust-zijn van de Creatieve Zelf als helder ‘wit’ licht is dat door de gecreëerde zelf, fungerend als een prisma, gebroken wordt in de kleuren van de regenboog. Vandaar ook dat ik, voor het bewustzijn horend bij de gecreëerde zelf, koos voor de naam gekleurd bewustzijn. Opvallend is dat gedurende het conditioneringsproces (met o.a. de opvoeding, school, vrienden, gemeenschap …), de meesten onder ons hoe langer hoe meer gekleurd bewust worden en, dat is dan het ergste, zich gaan vereenzelvigen met het gekleurd bewust aspect van hun gecreëerde zelf. Kortom, mensen worden hoe langer hoe meer gekleurd bewust (‘conscious’) en hoe langer hoe minder helder bewust (‘aware’). Dit alles zou je dus kunnen voorstellen als een muntstuk met aan de ene zijde de Creatieve Zelf met z’n helder bewustzijn en aan de andere zijde de gecreëerde zelf met z’n gekleurd bewustzijn.

De hamvraag van dit deel II: “Hoe, zoveel mogelijk, je Creatieve Zelf blijven?” zou kunnen geparafraseerd worden als: “Hoe, zoveel mogelijk, Helder Bewust blijven?” Hiermee wordt, beste Eloïse, Edward en Elvire, ook duidelijk waarom deze column in deze serie “Blijk Wakker!” columns hoort!

Fasten seat belts! Het helder bewustzijn is non-duaal, onbevooroordeeld, niet-lineair en neutraal. Het heeft als kenmerken transcendentie[v], vrijheid, openheid en vertrouwen. Het is kalm en vredig. Heel jonge kinderen zijn nog hoofdzakelijk helder bewust. Dit is niet verwonderlijk, gezien zij nog hoofdzakelijk hun Originele Zelf zijn. Daar het pure helder bewustzijn een ervaring is van het heel jonge kind – een ervaring die volwassenen grotendeels kwijt gespeeld zijn – is het begrip helder bewustzijn moeilijk te verwoorden. Dit is de reden, Eloïse, Edward en Elvire, waarom het voor mij, de zeventig voorbij, echt moeilijk is om het helder bewustzijnook helder te beschrijven. Het helder bewustzijn leent zich bovendien niet tot volzinnen, concepten, uitleg en/of definities. Toch zal ik, tegen beter weten in, het concept helder bewustzijn in wat volgt beschrijven. Omdat men nu eenmaal zo veel mogelijk haar of zijn Creatieve Zelf blijft in de mate dat men Helder Bewust blijft.

Het helder bewustzijn

Tegenwoordig maakt het begrip Mindfulness opgang als synoniem voor helder bewustzijn. Mindfulness wordt wel eens leven met aandacht genoemd. Het is een vorm van meditatie die zijn oorsprong vindt in het Boeddhisme. Het Boeddhisme is, eerder dan een religie, een spirituele en psychologische strekking die tot meer bewustzijn of verlichting (‘’enlightment’) leidt. Boeddha wordt overigens ook de Verlichte genoemd, want de naam betekent “hij die verlicht (ontwaakt) is.” Verschillende auteurs geven aan het concept ‘Mindfulness’ heel verschillende definities; dus helpt dit begrip ons niet echt om het helder bewustzijn te definiëren.

Om het helder bewustzijn toch enigszins in woorden te vatten, vraag ik jullie, Eloïse, Edward en Elvire, te denken aan een pasgeborene. Een pasgeborene is autentiek, helder bewust, open en vol vertrouwen. Een van de sleutel elementen van z’n openheid en vertrouwen is z’n capaciteit om te observeren. Van zodra de oogfunctie het toelaat, observeert de pasgeborene de omgeving met het helder bewustzijn. Zij of hij kleurt die werkelijkheid nog niet in, met andere woorden, het brein van een pasgeborene fungeert nog niet als een prisma.

Observeren[vi] kan worden onderscheiden van percipiëren[vi], maar is er niet van gescheiden. Perceptie steunt op observeren en voegt er, gekleurd bewust, onderwerp/object onderscheiden, positieve/negatieve oordelen, het lineair en ‘het één of het ander’ denken aan toe. Dit in een streven naar verschillende betekenissen, met als onderliggend doel zich aan te passen aan de sterk veranderende wereld en daarin goed overeind te blijven. Observatie van z’n kant blijft vrij van onderwerp/object onderscheiden, is onbevooroordeeld (oordeelt dus niet in positief/negatief), is niet-lineair en streeft niet naar het kleven van labels. Observatie streeft wel naar een klaar zicht krijgen op de dingen en het bekomen van ‘het één en het ander verschillend van’ denken.

Observeren blijkt voor volwassenen een aartsmoeilijke taak. Hoewel het observeren echt zien en echt luisteren mogelijk maakt, zaken die volwassenen brood nodig hebben. Toch staan volwassenen weigerachtig tegen goed observeren. Volwassen willen niet echt observeren omdat ze intuïtief aanvoelen dat ze daardoor zullen aangezet worden te veranderen. Men wordt inderdaad door observeren uitgenodigd het persoonlijk denkkader te veranderen. Daarbij komt nog dat door echt observeren we helder bewust worden en we daardoor de controle dreigen te verliezen over onze manier van leven. Een manier waar we ons toch zo krampachtig aan vastklampen. En toch, wat een volwassene blijvend nodig heeft, is haar of zijn bereidheid iets nieuws te leren. En dus te veranderen; want leren is veranderen en veranderen is leren. De mate dat een volwassene (terug) wakker wordt, is recht evenredig met de mate waarin zij of hij een portie ‘waarheid’ tot zich kan nemen zonder er van weg te vluchten. De vraag, die elke volwassene zich dient te stellen, komt neer op: “Hoeveel van waar ik mij aan vastklamp, kan door observatie worden losgeweekt vooraleer ik mij verschans in m’n gesloten denkkader?” De eerste reactie van een volwassene, wanneer die tegenvoets genomen wordt door echte observatie, is blijkbaar angst. Het is niet dat zij of hij angst heeft voor het onbekende. Men kan nu eenmaal geen angst hebben van iets dat men niet kent. Daarom ook is een heel jong kind zo onbevreesd. Wat de volwassene bij echte observatie vreest, is het mogelijk verlies van wat hij wel weet, waar hij zich aan vastklampt, en wat door echte observatie op losse schroeven dreigt te worden gezet.

Wanneer de pasgeborene ouder wordt en zich ontwikkelt, wordt perceptie, als onderdeel van z’n aanpassing aan de wereld, hoe langer hoe dominanter. Het kind richt zich hoe langer hoe meer op het gekleurd bewustzijn ten koste van het helder bewustzijn. Het adaptieve conditioneringsproces heeft bovendien de neiging onze intenties vorm te geven en bijgevolg te dicteren waar we onze aandacht dienen op te richten. Ouders, leraars, vrienden en de samenleving verwachten en eisen dat we onze aandacht richten op hoe, welke en van wie we waardering, applaus en lof kunnen oogsten. Dit is een zowel positief als negatief proces. In de poging van het kind om zich aan te passen aan de wereld, is de neiging sterk om dit te doen ten koste van het helder bewust blijven. Ten slotte verliest het kind het onderscheid tussen het helder bewustzijn en het gekleurd bewustzijn. Gelukkig zijn jullie, Eloïse, Edward en Elvire als puntje bij paaltje komt, zich in de praktijk nog helderder bewust van dit onderscheid dan ik, jullie grootvader Johan.

Het helder  en het gekleurd bewustzijn zou ik ook kunnen duiden als het ‘Ik-bewustzijn’ en het ‘mij-bewustzijn’. “Ik”, de Creatieve Zelf observeert en “mij”, de gecreëerde zelf, percipieert. Wij zijn bekaam om beiden te doen: observeren en percipiëren. Nochtans, werden we geconditioneerd om ons voornamelijk te identificeren met het ‘mij-bewustzijn’, eerder dan men het ‘Ik-bewustzijn’.

Omdat de Creatieve Zelf het helder bewustzijn én het gekleurd bewustzijn omvat, kan deze zowel de percepties van de gecreëerde zelf als de observaties van de Creatieve Zelf bevatten. Deze extra kwaliteit van de Creatieve Zelf vormt de basis voor authenticiteit. Authenticiteit is beide, “Ik” én “mij”. Een en ander kan als volgt voorgesteld worden:

Er kan worden gesteld dat de Creatieve Zelf zich tezelfdertijd helder bewust is van “Ik” helder bewust zijnde en van “mij” gekleurd bewust zijnde. Anderzijds is de gecreëerde zelf er zich zelden gekleurd bewust dat “Ik” helder bewust ben van “mij” gekleurd bewust zijnde. Met andere woorden, gekleurd bewust zijn is slechts een deel van het verhaal.

Het helder zelf-bewustzijn

Het helder bewustzijn van de Originele Zelf of ‘Ik-bewustzijn’ wordt ingezet wanneer we ons denken, geloven, voelen, waarderen, en gedrag observeren zonder te oordelen. Met andere woorden, wanneer tijdens het observeren we ons oordeel opschorten. De eenvoudige handeling van het observeren is metacognitief[vii] en maakt ons denken, percipiëren, interpreteren, oordelen en beslissen intentioneel, en richt ook onze aandacht. Het helder zelfbewustzijn stelt ons in staat om het gewone gekleurd zelfbewustzijn of ‘mij-bewustzijn’ te overstijgen en daarmee ook het innerlijk gekakel van wat sommigen de ‘monkey-mind’ noemen.

Het helder zelfbewustzijn observeert ook hoe we interpreteren, anticiperen en reageren op een persoon, situatie of gebeurtenis. Zoals reeds gesteld, zijn de meesten onder ons zich niet meer bewust van hun vermogen om te observeren of, indien er zich wel van bewust, zijn ze te bang dit te doen. Wij richten onze aandacht op wat en hoe we iets zeggen, iets voelen en iets doen, eerder dan te bemerken hoe en waar we onze aandacht op richten. Wij identificeren ons met, en worden daardoor, onze gedachten, gevoelens, emoties en gedragingen. Wij zijn ons er bovendien niet meer van bewust dat we bekwaam zijn onszelf te observeren als diegene die zich identificeert met dit alles. Ons teveel identificeren met onze gedachten, emoties en gedragingen (acties) is bedrieglijk. Het is van groot belang zich blijvend voor te houden dat zowel het helderals het gekleurd bewustzijn een onderdeel is van wie we werkelijk zijn. Wij hebben het vermogen om te observeren waarop, en in welke mate, wij onze aandacht richten; edoch, dat vermogen gebruiken volwassenen meestal niet. Eloïse, Edward en Elvire, mijn aanbeveling is eenvoudigweg: “Blijf jullie observatie vermogen inzetten!”

Het helder zelfbewustzijn kan naar buiten gericht zijn op wat we uiten, zeggen, en doen én het kan naar binnen gericht worden op wat we denken, voelen, en zelfs op het helder bewustzijn zelf. Het is één zaak om zich helder bewust te zijn wat er zich afspeelt in ons gekleurd bewustzijn; het is andere koek zich helder bewust te zijn dat men helder bewust is!

Zoals reeds eerder gesteld, Eloïse, Edward en Elvire, het helder bewustzijn en het gekleurd bewustzijn zijn twee facetten van een geheel. Het helder bewustzijn is los van en overstijgt zelfs de grenzen van ons mentaal model. Overstijgen betekent letterlijk “verder dan de limieten gaan.” Ons mentaal model of mindset legt limieten op door het filteren van data en informatie met behulp van vooronderstelde interpretaties, meningen, waarden en aannames. Deze filters limiteren en vormen onze perceptie. Het helder bewustzijn overstijgt deze limieten en maakt de werking van de filters ongedaan.

Het helder bewustzijn zet, met andere woorden, onze gebruikelijke overtuigingen, vooronderstellingen, betekenissen en waardeoordelen buiten spel. Het laat zich niet knechten door onze intenties, ons streven en onze beslissingen teneinde lof te oogsten. Het bevindt zich in de sfeer van intuïtie en de Creatieve Zelf. De Creatieve en gecreëerde zelf ondersteunen elkaar onderling door geïntegreerde creativiteit. Daardoor transformeert de gecreëerde zelf in de richting van de Originele Zelf. Het gekleurd bewustzijn krijgt informatie van het helder bewustzijn en de interpretatie wordt op een hoger peil getild door zuivere intuïtie. Het is enkel wanneer we ons te veel identificeren met onze gecreëerde zelf dat we niet meer helder bewust zijn van onze Creatieve Zelf. Er zelfs bang van worden. Daardoor wordt uiteraard het creatief wisselwerkingsproces belemmerd.

Het helder bewust zijn van anderen

Wat hiervoor werd besproken m.b.t. het helder zelfbewustzijn van zichzelf is ook van toepassing op het helder bewust zijn van anderen. Het is in dit verband belangrijk te beseffen dat wij eerder anderen percipiërendan dat we hen observeren. Dit betekent dat we eerder de anderen percipiëren zoals wij zijn en hen niet observeren zoals zijwerkelijk zijn. Dit interfereert met ons vermogen om empatisch te zijn en dus met ons denkkader of mentaal model teneinde de ander waarderend te begrijpen. Het zich helder bewust zijn van anderen houdt ons ‘objectief’ en authentiek. Dit voornamelijk wanneer wij onze zienswijzen met hen delen of luisteren naar die van hen. Hoe helderder wij ons bewust zijn van de interpretaties die wij maken, betekenissen die wij toekennen, de meningen die wij projecteren, en de conclusies die wij trekken, hoe nauwkeuriger ons begrip van de bedoelingen, woorden, en gedrag van anderen zal zijn.

Het is essentieel dat we niet onze motieven en/of intenties aan anderen toeschrijven of op anderen projecteren. Wij moeten ons terdege helder bewust zijn van onze tendens onze focus te verliezen en dat we daardoor geen aandacht meer geven aan hoe en wat anderen communiceren. We dienen echt te luisteren en ons helder bewust te zijn van het verschil tussen wat hun intentie werkelijk is en hoe wij die interpreteren, evalueren en er op reageren. Aanhoudende aandacht is moeilijk en vereist discipline. De ‘monkey-mind’ wordt eindeloos afgeleid en dit in een fractie van een seconde. Zeker wanneer die ‘monkey-mind’ een iPhone in de hand houdt. De meeste mensen hebben de gewoonte hun ‘monkey-mind’ klakkeloos te volgen. Ze zijn zich daardoor niet helder bewust van het feit dat ze niet meer horen wat en zien hoe iets gezegd wordt en wat er gaande is. Zij zijn niet langer ten volle aanwezig in de conversatie.

Het helder bewust zijn van situaties

Het verschil tussen observeren en percipiëren van gebeurtenissen, omstandigheden en situaties is een uitbreiding van het helder bewustzijnvan zichzelf en anderen. Verschillen observeren, zonder er direct een interpretatie aan vast te knopen, is uiterst moeilijk. Het is van het grootste belang om objectief te zijn en niet te vervallen in stereotypering en projecteren[viii]. Hoe beter we observeren, hoe groter de kans dat wij zullen responderen[ix] en niet automatisch reageren, gebaseerd op onze interpretaties. Die interpretaties komen mogelijks voort uit foutieve vooronderstellingen, veronderstellingen en veralgemeningen (en misschien zelfs vooroordelen).

In het geval van creatieve wisselwerking komt responderen vanuit een intentie om te ‘zien’ en te ‘horen’ wat er werkelijk gebeurt en wordt gezegd. Dit vooraleer over te gaan tot interpreteren, toekennen van een betekenis of evalueren wat er gebeurt. Responderen is een bewuste reactie om de werkelijkheid beter te kunnen ‘zien’ en ‘horen’. Reageren, daarentegen, is een reflexmatige reactie met geen of zeer weinig voorafgaande positieve intentie. Die reflex wordt eenvoudigweg geïnitieerd door een ingesleten gewoonte patroon. Responderen is een dialoog tussen het gekleurd en helder bewustzijn. Reageren is doorschieten naar beslissing en actie.

Het gekleurd bewustzijn

Het gekleurd bewustzijn omvat dus perceptie en geeft zaken een ‘label’: voordelig-nadelig, akkoord-niet akkoord, inclusief-exclusief, goed-slecht, en juist-fout. Let wel, Eloïse, Edward en Elvire, perceptie is essentieel om zich te kunnen aanpassen en daardoor te kunnen overleven in deze steeds maar sneller veranderende wereld. Percepties zorgen er voor dat er voorkeuren, betekenissen en waarden ontwikkeld worden en kleuren daardoor ons bestaan.

Door interpretatie, evaluatie en beslissing wordt, wat bekomen wordt door observatie met het helder bewustzijn, getransformeerd. Dit door de perceptie van het gekleurd bewustzijn. Daardoor wordt de “één en het ander verschillend van” observatie van het helder bewustzijn vaak de “het een of het ander” perceptie van het gekleurd bewustzijn. We komen terecht in wat veelal het “in-the-box” denken wordt genoemd. Die ‘box’ (doos) wordt gevormd door de grenzen van onze ‘fixed’ (gesloten) mindset. Door ons gekleurd bewustzijn appreciëren we de werkelijkheid op een bepaalde manier en de aldus gewaardeerde werkelijkheid wordt als het ware in de doos van onze ‘mindset’ (denkkader, mentaal model) gestopt. In feite bepaalt die gekleurde appreciatie wat er in de doos terecht komt en, wat nog belangrijker is, wat er uit wordt geweerd. Anders gesteld, we voegen toe wat we waarderen en weren wat we niet waarderen. We zien de werkelijkheid niet zoals ze is, we zien deze zoals wij zijn!

Onze voorkeuren maken dat verschillen gepolariseerd worden. Het gekleurd bewustzijn werkt inderdaad polarisatie in de hand. Er is geen sprake meer van “het één en het ander”; inderdaad, de ‘en’ is een ‘of’ geworden. We leggen onszelf op te kiezen. Een van de twee tegenstrijdige polen wordt daarbij gekozen ten nadele van de andere pool. Dit werkt uiteraard polarisatie in de hand.

Deze splitsing, de verschuiving van ‘en’ naar ‘of’, heeft meerdere gevolgen; zowel positieve als negatieve. Een van de gevolgen is dat elk idee wordt gecatalogeerd als een goed of slecht idee. Dit niettegenstaande in werkelijkheid elk idee beide eigenschappen in zich heeft. Inderdaad, elk idee en elke situatie kan gepercipieerd worden als positief én als negatief. Het begrip ‘appreciatie’ wordt in veel gevallen geassocieerd met onze voorkeuren, dus wat we percipiëren als positief. We worden als het ware blind voor de andere zijde van de medaille en dus voor de niet voorziene, niet geanticipeerde en collaterale schade. We zien die laatste niet omdat we enkel percipiëren doorheen de gekleurde bril van onze voorkeuren. We zien enkel wat goed is in een idee, dus wat we als ‘goed’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke negatieve effecten van het idee. Het tegenovergestelde is ook waar: we zien enkel wat slecht is een idee, dat we als ‘slecht’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke positieve effecten van het idee. Dit alles zorgt er voor dat we afglijden naar een gekleurd denkkader ten koste van een helder én gekleurd denkkader.

Een bekend metaforisch verhaal heeft mij duidelijk doen inzien dat de vraag “Wat is correct a of b?” in alle gevallen, wat de a en b ook mogen zijn, met een klare JA! dient beantwoord te worden. Het is het aloude verhaal van ‘De Boer en zijn Zen Meester’ met de terugkerende vraag “Is dit goed of is dit slecht?” Van dit verhaal bestaan er tientallen versies. Ik vertel het als een Zen story hoewel het oorspronkelijk een Tao story zou zijn[x]. Ik hoorde het ooit in Atlanta vertellen door Guido Vander Aa die daar, gedurende zijn talloze omzwervingen, tijdelijk bij een kennis van Charlie Palmgren was beland. Ik ontmoette Guido toen ik in die periode bij Charlie op werkbezoek was.

De Boer en zijn Zen Meester

Een oude arme boer bewerkte jarenlang, geholpen door z’n enige zoon en z’n enig paard, z’n hectare grond en kon daardoor ternauwernood met z’n familie van drie het hoofd boven water houden. Op een dag liet z’n vrouw het hek van het erf openstaan en daardoor liep het paard naar de vrijheid. De boer was er het hart van in en ging om advies naar z’n Zen Meester. Na het horen van het trieste verhaal van de boer, vroeg de Zen Meester: “Is dat goed of is dat slecht?” en ging verder met z’n meditatie.

De boer ging beduusd naar huis en vertelde z’n vrouw wat de Zen Meester had gezegd. Ook zij begreep diens boodschap niet. Het was toch erg dat hun enig paard de benen had genomen, toch?!? Beiden concludeerden dat de tijd misschien raad zou brengen.

De volgende ochtend zag de zoon een stof wolk naar de boerderij komen. Hij opende intuïtief het hek en … hun paard, een hengst, was teruggekeerd vergezeld door twee wilde merries. De boer ging de dag daarop terug naar de Zen Meester. Die was diep verzonken in een Mindfulness sessie, maar keek toch op toen de boer binnenstormde en luisterde aandachtig naar diens euforisch verhaal. Nadien vroeg de Zen Meester: “Is dat goed of is dat slecht?” en ging verder met z’n meditatie.

De boer ging terug naar huis. Nog verbaasder dan de vorige keer. En ook nu konden de boer en z’n vrouw geen touw knopen aan de vraag van de Zen Meester. Het was toch goed dat ze nu drie paarden hadden, toch?!? Beiden concludeerden dat de tijd misschien raad zou brengen.

De dag daarop probeerde de zoon de ongetemde merries te berijden. Bij de eerste merrie ging het uitstekend. Edoch, de tweede merrie wierp hem af en de zoon brak z’n rug. De toegesnelde dokter besloot dat de zoon verlamd was van het middel af, en dat dit zo zou blijven. Nogmaals ging de boer naar z’n Zen Meester voor advies. Toen hij diens kamer binnen kwam was de Zen Meester in diepe meditatie verzonken. Licht geïrriteerd keek de Zen Meester toch op en luisterde aandachtig naar het dramatische verhaal van de boer. Ook nu herhaalde hij na het aanhoren van het verhaal dezelfde vraag: “Is dat goed of is dat slecht” en hervatte hij z’n meditatie.

Nu liep de boer erg boos de kamer van de Zen Meester uit, de deur met een harde smak achter zich toe klappend. Nu concludeerden de boer en z’n vrouw dat de Zen Meester z’n verstand verloren had en dat het geen zin meer had hem nog te gaan opzoeken. Dat hun kind voor het leven half verlamd was, was toch uiterst slecht ?!?

Enkele dagen later brak de oorlog uit. Militaire ambtenaren kwamen in het dorp alle jonge mannen opeisen om hen in het leger in te lijven en met hen ten oorlog te trekken. De zoon van de boer werd uiteraard ongeschikt voor de legerdienst verklaard en mocht bij z’n vader en moeder blijven. Hij zou niet verschrikkelijk omkomen in die oorlog.  De boer vertrok toch naar z’n Zen Meester om hem dit heugelijke nieuws te vertellen. Zoals gebruikelijk was de Zen Meester verzonken in een meditatie. Hij schrok op toen de boer binnenstormde en aanhoorde diens jubelend verhaal. Ook nu stelde hij, na het aanhoren van het verhaal, dezelfde vraag: “Is dat goed of is dat slecht” en hervatte hij z’n meditatie. 

Het gekleurde zelf-bewustzijn

Het gekleurde zelf-bewustzijn steunt voornamelijk op conditionering door externe feedback. Het is gebaseerd op de aangeleerde perceptie dat onze eigenwaarde stoelt op acceptatie, goedkeuring, lof, en applaus van anderen. Onze zelfwaardering steunt op de veronderstelling dat onze waarde verdiend dient te worden en afhangt van de evaluatie ervan door anderen. Helaas, wanneer we gekleurd zelfbewust worden en ons richten op onze extrinsieke waarde[xii] dan doen we dit ten koste van ons helder bewustzijnen van onze Intrinsieke waarde[xiii]. Extrinsieke waarde veronderstelt dat waarde kan gekocht, verworven of verdiend worden en dus ook kan worden geweigerd of afgenomen. In feite gaat het over eigenwaarde. Daardoor komt het dat menigeen zich tot doel stelt goedkeuring te verkrijgen en verwerping te voorkomen. Dit is in feite gedrag dat wij door onze Vicieuze Cirkel hebben aangeleerd. Eloïse, Edward en Elvire, dit soort gedrag zien we ook veel bij jongeren; bijvoorbeeld bij hun pogingen om op sociale media, zoals Facebook en Instagram, zoveel mogelijk ‘volgers’ en ‘likes’ te verzamelen.Intrinsieke en extrinsieke waarde worden gepercipieerd als zijnde wederzijds exclusief; alweer een geval van ‘het een of het ander’ denken. Op beide soorten waarden gaan we in een latere column dieper in.

Blijkbaar zijn we veel waard als we ‘het goed doen’ en niets waard als we ‘falen’; onze waarde blijkt voorwaardelijk. Voor de meesten onder ons wordt het leven gereduceerd tot alles goed voor elkaar krijgen en het beheersen van het risico verworpen te worden. En dit bij zowat alles wat we denken, voelen en doen. De potentiële pijn die we ervaren wanneer we ons zelf verwerpen, wordt een constante bedreiging en een onuitputtelijke bron van stress. Deze imminente dreiging noopt ons ertoe om onze aandacht te richten op het vermijden van afwijzing en te starten met een continue zoektocht extrinsieke waarde via anderen te verkrijgen. In dit proces van continu streven naar extrinsieke waardering worden we minder helder bewust van onze Intrinsieke waarde. Met andere woorden, we raken daardoor hoe langer hoe meer verstrikt in de gesloten mindset van onze persoonlijke Vicieuze Cirkel. Deze onophoudelijke drive naar het gevoel van (extrinsieke) eigenwaarde en het vermijden van afwijzing, is de basis voor de meeste van onze verslavingen, dwanggedachten, obsessies en fobieën[xiv].

Het gekleurd bewust zijn van anderen

Het gekleurd bewust zijn van anderen zou eigenlijk dienen te gaan over het waarderen van de Intrinsieke waarde van anderen. Elke mens heeft een Intrinsieke waarde en geen enkel mens kan z’n Intrinsieke waarde verhogen of verminderen. Ze kan niet worden bekomen of verdiend; we komen daar, zoals zojuist gesteld, nog op terug! Ook heeft iedereen een Creatieve Zelf en een actuele gecreëerde zelf. De Creatieve Zelf van de ander observeert zoals de onze en hun gecreëerde zelf percipieert vanuit hun uniek perspectief en unieke ervaring, zoals onze gecreëerde zelf dat doet vanuit ons uniek perspectief en onze unieke ervaring. Op het intrinsieke niveau zijn we allen gelijk en even waardig. Dezelfde levenskracht en helder bewustzijn vloeit in ons. Deze levenskracht is in feite het creatief wisselwerkingsproces dat doorheen elk van ons vloeit (Cf. Flow[xv]). Op het extrinsieke niveau is geen enkel van ons gelijk aan een ander. Wij zijn allen vergelijkbaar en toch verschillen we danig; elk van ons is uniek. (maar ik ben iets unieker dan jullie, Eloïse, Edward en Elvire… grapje!). Indien we ons enkel identificeren met onze actuele gecreëerde zelf, richten we ons voornamelijk op de verschillen tussen onszelf en de anderen. Wanneer we helder bewust zijn en ons identificeren met onze intrinsieke Creatieve Zelf, kunnen we ons zowel richten op onze wederzijdse overeenkomsten als op onze unieke distincties[xvi](verschillen).

Een vereiste voorwaarde voor Creatieve wisselwerking is ons engagement om helder bewust én gekleurd bewust te zijn van zowel onze intrinsieke waarde als de Intrinsieke waarde van anderen. Indien we onszelf of de anderen om één of andere reden ‘ontwaarden’ (devalueren), wordt het creatief wisselwerkingsproces zwaar gehinderd. Creatieve wisselwerking vereist wederzijds respect en een engagement tot het creëren van manieren om eventuele extrinsieke verschillen wederzijds te aanvaarden en inclusief te maken. Een gevolg van dat wederzijds respect is de intentie om te luisteren naar en waarderend te begrijpen van het perspectief van de ander; perspectief dat ontsproten is uit haar of zijn uniek referentie kader (denkkader, mindset en mentaal model). Idealiter luisteren en begrijpen wij niet vanuit onze eigen voorkeuren, waarden, meningen en overtuigingen; dus niet vanuit onze eigen mindset. Wanneer we de bedoeling hebben om anderen op een authentieke manier te begrijpen en te appreciëren, bevorderen we de werking van het creatief wisselwerkingsproces. Het is een doorgedreven inspanning om echt empatisch te worden en anderen te observeren zoals ze zijn en niet zoals wij zijn. Het is effectief helder bewust worden van wat wij denken over, interpreteren van, voelen, beslissen en reageren op wat wij observeren. Wat wij waarnemen dient, vooraleer we er op reageren, eerst uitgezuiverd te worden in een dialoog tussen ons helder en gekleurd bewustzijn. Deze dialoog kan zelfs een ‘cruciale’ zijn.

Het gekleurd bewustzijn apprecieert de anderen. Appreciëren betekent zowel de positieve als de negatieve elementen zien in de ideeën, perspectieven en situaties. Let wel wat ‘positief’ en ‘negatief’ wordt genoemd is op zich ook een inkleuring! Het is, op z’n best, het vermogen om te denken en te evalueren in zowel “het één of het ander” als “het één en het ander” termen. Alleen door het kijken naar het volledige spectrum van positieve en negatieve aspecten van een persoon, idee, zaak of situatie kan men authentiek waarderend begrijpen. Het gekleurd of ‘mij-bewustzijn’ splitst verschillen in tegenstellingen, paradoxen[xvii] en polarisatie[xviii]. Bij polarisatie worden de verschillen gezien als exclusief, met andere woorden ze sluiten elkaar uit; eerder dan als potentieel inclusief (ze kunnen potentieel in elkaar opgaan en elkaar versterken). Creatieve wisselwerkingis inclusief, behalve in die gevallen dat het opnemen van een idee, mening, zaak of persoon, de voortschrijdende integratie en transformationele verandering zou belemmeren.

 Het gekleurd bewust zijn van situaties

Situationele waardering van situaties met het gekleurd bewustzijn gebruikt idealiter een “het één en het ander” observatie, perceptie en cognitie. Dus een volledig spectrum evaluatie en interpretatie van situaties en gebeurtenissen. Dit veronderstelt ook dat er variërende graden van nauwkeurigheid en onnauwkeurigheid in alle evaluaties en interpretaties zijn. Men aanvaardt dus dat elke interpretatie mogelijks foutief en dus voor correctie vatbaar is. Een dusdanige situationele waardering is verbonden met de idee van wetenschappelijke objectiviteit. Het doel is de bias[xix] in iemands perceptie, denken, voelen, beslissen en gedrag te verminderen. Men zoekt naar de ‘feiten en waarheid’ betreffende de ‘werkelijkheid’ in elke bepaalde situatie.

Besluit

De hamvraag van dit deel : “Hoe, zoveel mogelijk, je ‘Creatieve Zelf’ blijven?” heeft dus als antwoord: “Door, zoveel mogelijk, helder bewust te blijven!”. Dit komt neer op terug, zoveel mogelijk, als jong kind onbevangen naar de werkelijkheid te kijken. Dus te observeren wat er werkelijk aan de hand is. Dit alles door Creatieve wisselwerking blijvend van binnen uit te beleven en zich niet te laten ringeloren door de Vicieuze Cirkel. Theoretisch kinderlijk eenvoudig, want elke baby en peuter doet het moeiteloos; praktisch … wel, dat is andere koek! De volgende delen zullen jullie, Eloïse, Edward en Elvire, heel wat bijkomende inzichten geven die jullie kunnen helpen jullie taak tot een goed einde te brengen. Het aansluitend werk zullen jullie zelf blijvend dienen te doen!

___________________________________________________________________________

[i]Bruce Springsteen, Quote uit song Growin’ Up uit album Greetings from Asbury Park, N.J., Columbia Records, 1973

[ii]Conditioneren is gedrag of gewoonten aanleren door straf of beloning (de gekende stok en wortel – dit gebeurt al vanaf de prille jeugd: denk maar aan het zinnetje van een aloud Sinterklaasliedje: “wie stout is krijgt de roe”). Ik noem de actuele zelf de gecreëerde zelf en zou hem ook de geconditioneerde of aangeleerde zelf kunnen noemen. Om het verschil tussen creatieveen gecreëerde in de verf te zetten heb ik voor gecreëerde zelf gekozen als naam voor onze actuele zelf.

[iii]De Creatieve Zelfis op de keper beschouwd onveranderlijk en zit nog altijd ergens in ons, maar meestal heel diep; wij vereenzelvigen ons namelijk veeleer met onze actuele gecreëerde zelf.

[iv]Bewustzijn: staat van zijn, bekwaam zijn om verschillen te onderkennen.

[v]Transcendentie is een filosofisch begrip dat kan gedefinieerd worden als het overstijgen van de mens; het zich verheffen boven de dualiteit van het zich vereenzelvigen met de werkelijkheid, het hier en nu bewustzijn; het gekleurd bewustzijn.

[vi]Observeren: Het aandachtig en nauwkeurig bekijken (waarnemen) van dingen zonder te oordelen.

[vii]Percipiëren: Waarnemend begrijpen door te beoordelen wat geobserveerd werd.

[viii]Metacognitief:Metacognitie betekent letterlijk “denken over denken” (meta = over, cognos = denken). Metacognitie is het actief monitoren (meten & evalueren) en daarop gebaseerd sturen (regelen) van cognitieve processen om cognitieve doelen te bereiken. Het begrip cognitief doelt op alle informatieprocessen die zich afspelen in de hersenen.

[ix]Projectie (psychologie): Van projectie kan sprake zijn wanneer men eigenschappen of emoties van zichzelf tracht te ontkennen, verbergen of verdringen door deze toe te schrijven aan iets of iemand anders. De klassieke opvatting en uitleg van projectie is dat het een afweermechanisme is tegen negatieve emoties.

[x]Responderen: Behoedzaam antwoorden, dus eerst nadenken en afwegen vooraleer te antwoorden.

[xi]Alan Wilson Watts. Tao: The Watercourse Way. New York NY: Pantheon Books, 1975

[xii]Extrinsieke waarde: de waarde die [iemand] aantrekkelijk en bruikbaar maakt; de kwaliteit die kan gekocht, verworven of verdiend worden.

[xiii]Intrinsieke waarde: de kwaliteit die [iemand] waardevol maakt; de kwaliteit binnenin de persoon die waardering of respect afdwingt.

[xiv]Fobie: een (irreële) angst voor situaties waar geen aanwijsbaar groot gevaar aanwezig is. Voorbeelden: bloedangst, pleinvrees en angst voor spinnen.

[xv]Flow: refereert aan een mentale toestand waarin een persoon volledig opgaat in zijn of haar bezigheden. Belangrijkste theoreticus achter dit concept is de Amerikaanse psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi.

[xvi]Distinctie: verschil, onderscheid; vb. De distinctie tussen lage en hoge klassen. Quote Peter M. Senge: “Do we hear with our ears? Do we see with our eyes? Or do we see and hear with our distinctions?”

[xvii]Paradox: Schijnbare tegenspraak. Stijlfiguur die op het eerste gezicht op een tegenstelling of tegenspraak lijkt, maar die bij nader inzien toch een waarheid lijkt te bevatten. Bijvoorbeeld: “Ik leg mij toe op het schrijven van begrijpelijk Nederlands. Maar ik ben een ingenieur.” (Johan Roels – Multatuli parafraserend)

[xviii]Polarisatie: (politiek): het veroorzaken van een conflict of het versterken van tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen

[xix]Bias: vertekening van de evaluatie; een systematische fout door het gekleurd bewustzijn. De vertekening kan bedoeld zijn (dan spreken we van manipulatie) of niet bedoeld (te wijten dus aan de ‘gekleurde bril’).

BLIJF WAKKER ! – DEEL I

HOE WENDBAAR EN WEERBAAR BLIJVEN?

For what are we
Without hope in our hearts
That someday we’ll drink
From God’s blessed waters
And eat the fruit from the vine?
– Bruce Springsteen

Across the Border – The Ghost of Tom Joad (1995) [i]

Dit is de cruciale vraag! In dit eerste deel zal ik die, zo goed en zo kwaad ik kan, beantwoorden. Edoch, deze vraag zal slechts volledig beantwoord zijn nadat alle hoofdstukken (columns) zijn geschreven. Ik ben er mij bovendien van bewust dat dit deel niet eenvoudig is en dat jullie deze tekst heel waarschijnlijk niet direct ten volle zullen begrijpen. Dat is niet erg, Eloïse, Edward en Elvire! Het gaat hier om materie waar ik zelf een twintigtal jaar voor nodig had om ze enigszins te begrijpen. En wat meer is, mijn begrijpen ervan verbetert nog stelselmatig. Het gaat, ook voor mij, om een voortschrijdend inzicht in de opdracht die we eigenlijk allemaal hebben: wendbaar en weerbaar blijven/worden. En ik dien ergens te beginnen, toch?!?

Laat ik, gevolg gevend aan het eerste van het tweeledig engagement van Henry Nelson Wieman, beginnen met het beste van m’n weten:

Om wendbaar en weerbaar te blijven dienen jullie, Eloïse, Edward en Elvire, een tweeledige beslissing te nemen, dit teneinde blijvend:

  1. jullie ver van de Vicieuze Cirkel te houden en

  2. het Creatief wisselwerkingsproces van binnen uit te beleven.

Ik ben mij er van bewust dat ik in raadsels spreek. Om die raadsels op te lossen, verwijs ik naar gedeelten van m’n vorige boeken. Zo is de Vicieuze Cirkel een concept dat ik leerde van Charlie Palmgren. Charlie beschreef dit concept uitvoerig in ‘The Chicken Conspiracy’[ii]. Zelf beschreef ik de Vicieuze Cirkel in m’n reeds geciteerde boeken en heb er letterlijk uren lezingen over gegeven. Ik raad jullie aan om eens hoofdstuk 3 van ‘Cruciale dialogen’[iii] te lezen. Wat het Creatief wisselwerkingsproces betreft: dit is het levensproces – ook leer- en transformatieproces genoemd – waarmee jullie alle drie geboren zijn. Het is het natuurlijk proces dat in elk gezond kind bij de geboorte wordt ‘ingebed’. Jullie hebben ondertussen wel al begrepen dat cruciale dialogen een praktische toepassing zijn van Creatieve wisselwerking. Het lijkt mij dan ook nuttig dat jullie Deel III van ‘Creatieve wisselwerking’ [iv] ooit eens zouden lezen.

Neem daar gerust jullie tijd voor. Wat er ook van zij, deze gedeelten dienen, ook door mij, af en toe eens nagelezen te worden. Ik noem die boeken daarom naslagwerken. Ik heb er zelf naar gegrepen telkens het leven me ‘tegenvoets’ nam of er iets gebeurde dat ik niet direct kon plaatsen. Zoals jullie weten ligt er voor elk van jullie een exemplaar van elk boek klaar.

Hoe je het draait of keert, het is en blijft geen makkelijke materie. Ook niet voor mezelf. Het meeste verwonderlijke is dat we als baby en peuter met die materie helemaal geen moeite hadden. Dat ik er jullie, via deze column, nu mee lastig val, is omdat ik het zo belangrijk vind jullie deze kennis, die niet in scholen onderwezen wordt, nu mee te geven. Ik kan echt niet wachten tot het moment dat jullie deze materie makkelijker zullen kunnen vatten. Want dan zal ik er denkelijk zelf niet meer zijn. Ik doe het, eerlijk gezegd, ook voor mezelf: het geeft mij een goed gevoel!

Indien gewenst, kan ik jullie drie ook een lezing geven over deze twee belangrijke onderwerpen; dit op jullie simpele vraag (smiley).

Hoe blijvend uit de greep van de Vicieuze Cirkel blijven?

Blijvend uit de greep van de Vicieuze Cirkel blijven, komt eigenlijk neer op het verbonden blijven met uw Intrinsieke Waarde. Dit begrip heb jij Eloïse dit najaar (2018) in de Godsdienstles op het SUI[v] geleerd!

Eerst en vooral dient men daartoe het gevaar – met name de gevangene te worden van z’n persoonlijke Vicieuze Cirkel– te onderkennen. Men dient als het ware de eigen ‘kooi’ te herkennen en te erkennen dat men er in dreigt te verzeilen.

Een van de grootste talenten van de mens is dat zij of hij helder bewust kan zijn van zichzelf en ook bewust kan zijn van het inkleuren (‘consciousness’) van dat helder bewustzijn (‘awareness’). Zoals jullie zien, gebruik ik regelmatig de Engelstalige begrippen ‘awareness’ en ‘consciousness’. Dit omdat het mij belangrijk lijkt dat jullie het verschil tussen die twee termen leren kennen; termen die in het Nederlands steevast als ‘bewustzijn’ vertaald worden. Ik kom er zeker in volgende columns (hoofdstukken) nog op terug.

Het gaat om het waarderend begrijpen van z’n eigen unieke individualiteit en denkkader (‘mindset’). Dit wordt ook soms de eigen identiteit genoemd. Het waarderend begrijpen van de eigen identiteit komt neer op zich helder bewust (‘aware’) zijn van het feit dat men gedreven is z’n zelfachting te beschermen tegen negatieve evaluaties, door anderen, van haar of zijn gecreëerde zelf. Deze zelfbescherming is een de hoofdoorzaken van de vertekening van het waarderend begrijpen van de realiteit. Deze vertekening leidt onvermijdelijk naar een vals inzicht van de werkelijkheid. De werkelijkheid betreffende zichzelf, anderen, omstandigheden en ervaringen is dus vertekend. Men dient bovendien te begrijpen dat, wegens deze vertekening, het eigen waardesysteem niet op dezelfde golflengte zit met de werkelijkheid. Dit heeft effecten op de waarachtigheid van iemands intuïtie.

Wanneer men (h)erkend dat men de gevangene dreigt te worden van de Vicieuze Cirkel, wordt men er zich bewust van dat de eigen perceptie ontwricht is. Men ziet met andere woorden in dat men de werkelijkheid niet ziet zoals die is. Men ziet daarbij ook in dat men de werkelijkheid ziet zoals men zelf is. Dit dubbel inzicht kan de start worden van het proces om uit de Vicieuze Cirkel te blijven. Met andere woorden, door het risico te herkennen is het al onderweg beheerst te worden. Dit betekent dat men bekwaam is om eigen oordelen, reacties en gedrag (i.e. eigen acties) kritisch te beoordelen, waardoor betrouwbaardere observaties doorheen het ‘ego systeem’ (i.e. de eigen mindset) kunnen breken. Kortom, iemand kan min of meer bevrijd worden van het risico van een gesloten denkkader (‘closed mindset’) en dit denkkader blijvend open houden, zodat men betrouwbaardere inzichten bekomt.

Een tweede onderdeel van het proces om uit de Vicieuze Cirkel te blijven, is dat men zich bewust blijft van het gevaar beïnvloed te zijn door de cultuur van de sociale groep waartoe men behoort. Het perspectief van de gemeenschap waarin men is opgegroeid, beïnvloedt het persoonlijk oordelen. Anders gesteld, iemands persoonlijk denkkader (mindset) wordt sterk beïnvloed door het collectieve denkkader van de gemeenschap en dus de cultuur waartoe men behoort.

Men kan zich daar tot op zekere hoogte uit bevrijden door te herkennen en erkennen dat men zich bevindt in deze situatie van culturele beïnvloeding. Dit kan dan de start zijn voor het stellen van kritische vragen omtrent de geldigheid van oordelen die men, of de eigen gemeenschap, maakt betreffende de ‘ander’. Wanneer men diep overtuigd is van dit feitelijk gegeven, betreffende zichzelf en z’n cultuur, kan men blijvend zoeken naar feiten en bewijzen aangaande de werkelijkheid. En dit met een opener geest, dan het geval zou zijn indien men deze waarheid niet zou erkennen.  Met andere woorden, het ogenblik dat men zich volledig bewust is dat iemands inzichten en daardoor conclusies wazig kunnen zijn door diens denkkader – denkkader dat sterk beïnvloed wordt door het collectief denkkader (d.w.z. de cultuur waartoe men behoort) – kan men het aldus gekleurd bewustzijn openbreken en in vraag stellen. Ik noem dit een dialoog tussen het gekleurd en helder bewustzijn. Op die manier, is het helder bewustzijn terug aan zet en wordt het ondergaan van een creatieve transformatie, naar correctere inzichten en oordelen betreffende iemands eigen cultuur en de collectieve cultuur waartoe zij of hij behoort, mogelijk!

Het derde onderdeel van deze ontwijkingsaanpak vloeit voort uit het feit dat eenieders actuele ‘zelf’, eigenlijk onaf en in transitie is. Ik noem die actuele zelf steevast de gecreëerde zelf. Menselijke wezens zijn nu eenmaal onvoltooid. Zij zijn op weg om te transformeren tot een ‘hogere’ zelf, ten minste indien ze zich niet vastklampen aan hun actuele zelf. Met andere woorden, als jullie Eloïse, Edward en Elvire, uw Creatieve Zelf (waarmee jullie geboren zijn en nog voor een behoorlijk stuk zijn) z’n werk laat doen, zal jullie gecreëerde zelf een voortdurende transformatie ten goede ondergaan. Op die manier wordt jullie gecreëerde zelf een continu evoluerende zelf in de richting van de Originele Zelf.

Gezien elke mens in transitie is, dus nog niet het wezen dat zij of hij zou kunnen worden, dient zij of hij – indien zij of hij überhaupt wil blijven ten goede evolueren – te streven naar het bekomen van een denkkader dat continue transformatie omarmt. Dat geldt uiteraard ook voor jullie. Deze continue creatieve transformatie mag geenszins stoppen. Indien dit gebeurt, blijft de gecreëerde zelf op een bepaald ‘onvoltooid’ niveau steken en sterft de aangeboren creativiteit. Waardoor het individu achterblijft met een op dat niveau vastgeroest, niet-veranderend denkkader. Anders gesteld, het individu wordt de gevangene van z’n eigen mindset. Men wordt de gevangene van z’n eigen Vicieuze Cirkel.

Het is dus erg belangrijk dat jullie, Eloïse, Edward en Elvire, waarderend begrijpen dat continue creatieve transformatie de sleutel is tot het verbeteren van jullie (nog) niet complete gecreëerde zelf. Ook dienen jullie die sociale relaties en later een werkomgeving te zoeken, waardoor het tweeledig engagement – dat zo dadelijk aan bod komt – jullie creativiteit naar een hoger niveau tilt. Dit zowel in jullie eigen persoon als in jullie sociale relaties.

Hoe blijvend het Creatief wisselwerkingsproces van binnenuit te beleven?

De tweede beslissing betreft een persoonlijk tweeledig engagement[vi] om het creatief wisselwerkingsproces, waarbij iemands talenten ten volle worden ingezet, blijvend van binnen uit te beleven. Maar hoe doe je dat in de praktijk?

Bij een dusdanige beslissing wordt er, beste Eloïse, Edward en Elvire, eerst en vooral van uitgegaan dat men z’n studies en later z’n werk kiest in lijn met z’n talenten. Daarbij zullen jullie ook dienen na te gaan of de organisatie waar jullie zullen studeren en werken zorgt voor (ten minste een aantal van) de condities die nodig zijn voor de transformatie van de mens. Als dit niet het geval is, dienen jullie die organisatie links te laten liggen en uit te kijken naar een alternatief. Dat klinkt cru. Men moet toch de eerste beste job aanpakken? Nee, dat moeten jullie niet. Uit ervaring weet ik dat het moeilijker is van job te veranderen – wanneer later blijkt dat er te weinig van de nodige condities op het werk (nog) voor handen zijn – dan wat meer tijd te steken in de keuze van een goede werkplek.

Over deze condities kunnen jullie veel lezen in m’n boek ‘Cruciale dialogen’. Ik beperk me hier tot de opsomming ervan. Ik kom er later nog uitvoerig op terug. Het zijn wel condities die jullie initieel van de natuur mee kregen en die spijtig genoeg binnen nogal wat organisaties beknot worden:

  • Vertrouwen
  • Openheid
  • Nieuwsgierigheid
  • Kunnen omgaan met onzekerheid
  • Het kunnen verbinden van ogenschijnlijk los val elkaar staande zaken
  • Creativiteit
  • Doorzettingsvermogen
  • Interafhankelijkheid

Ten tweede,  jullie dienen zich ‘volledig’ te geven. Dit betekent dat jullie, waar het gaat om het beleven van het creatief wisselwerkingsproces, niets mogen achterhouden. Ook niet jullie miskleunen, tekortschieten, schaamte en uiteraard niet jullie kernkwaliteiten en sterktes. Door zowel het ene als het andere te onderkennen, zullen jullie nederig blijven en zich verre van arrogantie houden. Door nederig te blijven, kent men zichzelf beter, stelt men de juiste vragen en tolereert men beter ambiguïteit en onzekerheid. Dit zorgt ervoor dat jullie niet direct de ‘waarheid’ inkleuren en doorschieten naar niet erg gefundeerde conclusies. Daardoor voelen jullie zich ook niet ‘beter dan’ of ‘superieur aan’ anderen en blijven jullie dankbaar dat jullie creatieve wisselwerking blijvend van binnen uit kunnen beleven. Dit alles betekent dat jullie ten volle Reinhold Niebuhr’s ‘Gebed om Kalmte’ beleven:

God, schenk mij de kalmte om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen,
de moed om te veranderen wat ik kan veranderen
en de wijsheid om het verschil tussen beide te zien.

Nogmaals, dit alles komt neer op het erkennen van het gevaar van z’n eigen Vicieuze Cirkel en op het zich ten volle inzetten voor het levensproces waarmee men geboren is: Creatieve wisselwerking.

Ten derde,  heeft dit engagement, tot het blijvend beleven van Creatieve wisselwerking van binnen uit, nood aan intensiteit en volharding. Jullie dienen van binnen uit het beleven van Creatieve wisselwerking te beheersen. En dus open te staan voor het nieuwe, het betere en het vollere. Daartoe bestaat er geen stappenplan of een sluitend theoretisch concept. Overigens indien een dusdanige richtlijn zou bestaan, zou dit neerkomen op controle ‘van buiten naar binnen’. Om effectief te zijn, dienen jullie het van binnen uit beleven van Creatieve wisselwerking niet ‘tweedehands’ over te nemen van een derde. Ook niet van jullie grootvader! Integendeel, dit beleven dient ontwikkeld te worden door eenieder van jullie op een manier die passend is voor jullie eigen specifieke talenten en noden.

L’homme est une aventure dont il peut être le créateur

Het doel van dit engagement is jullie Creatieve Zelf in te zetten voor actie met als doel een nieuw denkkader te creëren en zich te verbinden met de belangrijkste opdracht die er is, met name de creatieve transformatie van jullie gecreëerde zelf. Daardoor blijven jullie wendbaar en weerbaar.

Albert Camus schreef ooit: “… l’homme n’a pas de nature humaine donnée une fois pour toutes, … il n’est pas une créature achevée, mais une aventure dont il peut être le créateur [vii] (in het Nederlands wordt dit: … de mens heeft geen definitieve menselijke natuur … hij is geen afgewerkte creatie, maar een avontuur waarvan hij de schepper kan zijn).“ Ook Friedrich Nietzsche, JP Sartre, G.B. Shaw en anderen hebben dit idee geopperd. Deze schrijvers hadden niet hetzelfde idee over welke soort transformatie de mens op het hoogste niveau zou brengen. Ze verschilden ook van mening betreffende de procedures die gevolgd dienden te worden om dit te bewerkstelligen. Ze kwamen wel overeen dat het menselijk wezen a) niet compleet en b) een wordingsproces is. Anders gesteld, de mens dient zich continue te transformeren teneinde (hopelijk) uiteindelijk de finale staat te bereiken. Ook hier is het proces belangrijker dan het doel!

Het transformatie proces, dat ik Creatieve wisselwerking (Creative Interchange) noem, transformeert de geest – die zichzelf niet kan transformeren – zodat de aldus getransformeerde geest accurater helder bewust (aware’) kan zijn van ervaringen. De geest is zich dus helderder bewust van de werkelijkheid en kan daardoor meer leren. De transformatie gebeurt door het vormen van steeds correcter gekleurd bewuste (conscious) niveaus van de geest. Die transformatie – van het gekleurd bewustzijn (duaal bewustzijn in de zin van consciousness) door gebruik te maken van het helder bewustzijn (niet duaal bewustzijn, zijnde awareness) – is noodzakelijk voor a) het correct omgaan met ‘donkere’ realiteiten, zoals ongevallen en ziekte, b) het vormen van betrouwbare intuïtie waardoor effectieve handeling mogelijk wordt, c) in actie brengen van alle beschikbare talenten en middelen, en tot slot, d) het voldoen van zichzelf in de heelheid van haar of zijn wezen.

Kortom, het doel van dit persoonlijk tweevoudig engagement voor het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking is de transformatie van de gecreëerde zelf, en deze van anderen, in de richting van de Originele Zelf. Edoch, de beslissing nemen is slechts een eerste stap. De beslissing effectief uitvoeren is de volgende en dat is, eerlijk gezegd, andere koek. Jullie werkelijk blijvend uit de Vicieuze Cirkel houden én het Creatief wisselwerkingsproces van binnen uit beleven is inderdaad de cruciale tweede stap. Beslissend om werkelijk wendbaar en weerbaar te blijven.

Living Richly with Dark Realities [viii]

Nog een stukje over het omgaan met de donkere realiteiten van het leven, zoals de dood of een onvoorziene ramp. Het gaat hierbij om het omgaan met realiteiten die niet kunnen worden beheerst. Dit brengt mij terug, lieve Eloïse, Edward en Elvire, tot het ‘Gebed om Kalmte’ van Reinhold Niebuhr en tot het feit dat men, bijvoorbeeld in het geval van de dood, die realiteit onmogelijk kan veranderen. De dood is nu eenmaal een intrinsiek onderdeel van het leven. Men kan echter wel zijn perceptie (d.w.z. het inkleuren) van de werkelijkheid beheersen. Inderdaad kan men, enerzijds, de dood niet elimineren, noch ontwijken in het menselijk leven en, anderzijds, kan de dood wel degelijk geïntegreerd worden in de heelheid van iemands wezen.

Het zich volledig realiseren wat goed is kan maar ten volle gebeuren indien ook wat niet goed is (‘de donkere realiteiten’) waarderend begrepen wordt. Die donkere realiteiten worden ten volle zichtbaar wanneer de geest er zich helder van bewust is. Die donkere realiteiten zijn ‘niet goed’ op zich zelf én dit negatieve wordt versterkt wanneer men weigert hen te zien zoals ze werkelijk zijn.

Men kan maar creatieve transformatie beleven tijdens periodes van diepe miserie, waarin men geconfronteerd wordt met donkere realiteiten, indien men het tweeledig engagement voor Creatieve wisselwerkingheeft beleefd voordat het uur van die donkere realiteiten toeslaat.

Het ergste wat jullie, Eloïse, Edward en Elvire, kunnen doen wanneer jullie geconfronteerd worden met een donkere realiteit, zoals de dood van iemand die jullie  lief is of een ongeneeslijke ziekte, is die werkelijkheid ontwijken. Met ontwijken bedoel ik hier de weigering om de donkere realiteit in de ogen te kijken. Dat deed ik niet toen ik het verdict van darmkanker kreeg. Gezien ik Creatieve wisselwerkingreeds in goede tijden van binnen uit had beleefd, kon ik dit ook toen ik geconfronteerd werd met deze donkere realiteit. Ik keek de kanker in de ogen en ging er mee in dialoog. Weliswaar een ‘cruciale’ en gebaseerd op het Creatief wisselwerkingsproces. Ik beleefde m’n eigen boek!

Wanneer we, ten volle helder bewust, een donkere realiteit ontwijken, dan ondermijnen we ook het zich ten volle gekleurd bewust zijn van al het andere, dus ook van het ‘goede’. Kortom, niemand kan ten volle en uitbundig leven, tenzij zij of hij in staat is om de duistere realiteiten waarderend te begrijpen. Zo kan men uitbundig leven in onzekerheid. Deze donkere realiteiten zijn niet ‘goed’ als zodanig, verre van, en toch leidt het volledig waarderend begrijpen ervan tot een uitbundiger leven. Daarin domineert Creatieve wisselwerking de Vicieuze Cirkel. Die laatste draait als het ware terug door de kracht van de eerste, zodat men terug in verbinding komt met z’n Intrinsieke Waarde. Een ruwe versie van deze metafoor werd mij door jullie moeder Daphne aangereikt in Atlanta, toen we daar samen ‘op toer’ waren (1995). De uiteindelijke versie in het Nederlands (de Engelse versie zien jullie bovenaan mijn website):

Wanneer dit plaatst vindt – en alleen in dat geval – zullen deze donkere realiteiten uiteindelijk een positieve waarde hebben. Wees er echter klaar van bewust, Eloïse, Edward en Elvire, dat de donkere realiteit niet noodzakelijkerwijs tot de noodzakelijke transformatie leidt. Dat zal ze niet, tenzij de donkere realiteit een aanzet is voor het van binnen uit beleven van jullie tweeledig engagement inzake Creatieve wisselwerking. Dit engagement is geen garantie voor succes én het is – voor zo ver ik, jullie grootvader Johan, weet – de enige weg voor het vrijmaken van alle talenten en middelen van jullie (Originele) Creatieve Zelf ten behoeve van constructieve, dus opbouwende, actie.

___________________________________________________________________________

[i] Bruce Springsteen, Across the Border uit The Ghost of Tom Joad, Colombia Records, 1995 (Geïnspireerd door ‘The Grapes of Wrath’, John Steinbeck’s epos, 1939; John Ford’s film adaptatie, 1940; alsook Woody Guthrie’s The Ballad Of Tom Joad, 1960 – Tom Joad de hoofdfiguur zijnde van het boek van John Steinbeck). Wanneer ik het begrip ‘God’ gebruik, bedoel ik daarmee – zoals Henry Nelson Wieman – het Creatief wisselwerkingsproces.

[ii] Stacie Hagan & Charlie Palmgren. The Chicken Conspiracy, Breaking the Cycle of Personal Stress and Organizational Mediocrity, Baltimore, MA: Recovery Communications, Inc., 1998.

[iii] Johan Roels. Cruciale dialogen, Het dagdagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’, Antwerpen-Apeldoorn, Garant, 2012. pp. 103-121.

[iv] Johan Roels. Creatieve wisselwerking, Nieuw business paradigma als hoeksteen voor veiligheidszorg en de lerende organisatie, Leuven-Apeldoorn: Garant, 2001, Deel III, pp. 257-296.

[v] SUI: afkorting van het Sint-Ursula-Instituut, een katholieke school voor secundair onderwijs van de zusters Ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver.

[vi] Dit is het tweeledig engagement van Henry Nelson Wieman en luidt als volgt:

  1. Geef steeds het beste van jezelf;
  2. Blijf daarbij open voor het proces dat dit beste verandert in iets dat nieuwer, beter en voller is (dit proces is uiteraard het Creatief wisselwerkingsproceszelf).

[vii] Albert Camus. L’Homme Révolté, Paris: Gallimard, Collection nrf, 1951.

[viii] Henry Nelson Wieman. Man’s Ultimate Commitment. Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958, Chapter 3.

 

BLIJF WAKKER ! – INLEIDING

I’ve looked at life from both sides now
From up and down, and still somehow
It’s life’s illusions I recall
I really don’t know life at all
– Joni Mitchell

Both Sides Now – Clouds – 1969 

1969 – het wonderbaarlijkste jaar van m’n leven – totnognu

Jarenlang zocht ik naar de basiscondities en vaardigheden die het dagelijks beleven van het creatief wisselwerkingsproces[i] daadwerkelijk ondersteunen. Uiteindelijk begreep ik dat dit beleven plaats vindt bij het succesvol voeren van moeilijke gesprekken; gesprekken die ik uiteindelijk ‘Cruciale dialogen’ noemde. Het boek ‘Cruciale dialogen’[ii] beschrijft dan ook de acht basiscondities en zestien vaardigheden die ingezet dienen te worden bij het voeren van succesvolle stevige babbels; dit onder meer bij het oplossen van problemen en het beantwoorden van belangrijke vragen. Langzamerhand werd, gedurende deze tien jaar durende queeste, de vlinder – het Cruciaal Dialoogmodel – geboren. Eens zich met grote moeite uit z’n cocon vrijgemaakt, kon ook deze vlinder heerlijk vliegen!

Dat ‘Cruciale dialogen’ eerder een doe boek dan een leesboek is, werd mij pijnlijk en glasscherp duidelijk toen ik nog geen jaar na de publicatie ervan geconfronteerd werd met een tweede levensbedreigende ziekte in nog geen vijf jaar tijd: darmkanker stadium III. Gelukkig bleek ik bij deze tegenslag wendbaar en dus pro-actief. Zo gaf ik m’n huisarts van bij het begin m’n vermoeden mee dat de oorzaak van m’n klachten dikke darmkanker was. M’n huisarts verwierp deze diagnose, zich steunend op m’n medisch dossier, dat via z’n grootvader en vader bij hem terecht gekomen was en dat hij al een tiental jaar bijwerkte. Gedurende ettelijke maanden beweerde hij bij hoog en bij laag dat dikke darmkanker in mijn geval onmogelijk was. Nadat medicatie geen soelaas bracht, besloot hij na een maand toch een paar onderzoeken te laten doen: longfoto’s, een paar CT-scans en uiteindelijk, op m’n verder aandringen, ook nog een MRI onderzoek. Dat laatste bracht ‘iets’ aan het licht dat volgens de beschrijving van de specialist “datgene was waardoor m’n huisarts het MRI onderzoek had voorgeschreven.” M’n huisarts begreep de cryptische taal van de specialist niet en las die mij voor. Ik vertaalde dat ‘iets’ als ‘darmkanker’. Op dat moment ging hij eindelijk overstag en schreef een onderzoek voor bij een internist. Het werd mij later overduidelijk dat m’n huisarts toen geleid werd door z’n gekleurd, vastgeroest denkkader (of mindset) en te weinig open stond voor dissidente data en dus voor het klaar bewustzijn; dit laatste omschrijft de Engelse taal kernachtig met het begrip ‘awareness’. Daardoor geloofde m’n huisarts m’n ‘innerlijke zekerheid’ (een begrip dat ik van Paul de Blot SJ leerde) niet en werd m’n pro-activiteit vier maanden lang de mond gesnoerd. Hij was tenslotte dokter, ik een leek en hij beschikte over m’n medisch dossier dat een halve eeuw overspande. Zelf had ik ook nogal wat moeite om onder mijn aangeleerde loyaliteit t.o.v. m’n huisarts uit te komen en dus m’n eigen gekleurd bewustzijn af te zweren. Ook dat werd uiteindelijk een ‘Creatieve wisselwerking’ levensles!

Dus na heel wat getreuzel stuurde m’n huisdokter Dirk Bafort mij – op m’n nadrukkelijk aandringen en na vier maanden darmklachten – door naar een specialist. Ik volgde – wat de specifieke dokter die hij voorstelde betrof – z’n advies niet en koos zelf voor dr. Bruno Vermeersch. Ik had ondertussen geleerd dat ik zelf in de zogenaamde ‘drivers seat’ diende plaats te nemen en m’n toekomst zelf in handen te nemen en had dus m’n huiswerk, voordat het verdict viel, al gemaakt (had er ook voldoende tijd voor gekregen). Op 19 augustus 2013 duurde het welgeteld een minuut om een joekel van een gezwel via endoscopie in beeld te brengen.

Had dr. Dirk Bafort een zogenaamde ‘touché’ toegepast, was het gezwel al vier maand daarvoor ‘boven water’ gekomen. Blijkbaar wordt deze techniek niet meer door huisartsen toegepast. Door specialisten, zoals ik in de maanden nadien ondervond bij dr. Vermeersch, dr. De Meester en dr. Feryn, nog wel!

Bruno stelde mij gerust: “er is nog niets zeker…, het is mischien niet kwaadaardig…”. Hij had een biopsie van het gezwel genomen en schreef direct een serie bijkomende tests voor. Bruno vroeg mij om geduldig de ‘uitslag’ – die ik al met innerlijke zekerheid wist – af te wachten; veertien dagen later zouden namelijk alle puzzelstukjes samenvallen. Op 3 september 2013 hoorde ik uit de mond van dr. Bruno Vermeersch wat ik al maanden vermoedde: darmkanker; nog niet uitgezaaid, edoch bijna! Toen ging alles in een stroom versnelling: twee dagen nadien werd een port-a-cath geplaatst en een combinatie van chemo sessies en bestralingen vastgelegd. Doel was het terugdringen en verkleinen van de tumor. Daarna zou een operatief ingrijpen volgen. Gezien de plaats van de tumor was een permanente stoma meer dan waarschijnlijk. Ik ging niet in op z’n voorstel om het finale operatief ingrijpen door een collega van AZ Alma in Sijsele te laten uitvoeren en maakte hem de slotsom van m’n huiswerk bekend. Die operatie zou worden uitgevoerd door dr. Tom Feryn van het AZ St. Jan te Brugge, waar ook de voorafgaande bestralingen zouden doorgaan. Hij beloofde de nodige contacten voor bestraling en operatie aldaar te maken.

Nu was het hoog tijd om weerbaar te zijn. In het geval van darmkanker is volharden in de boosheid van het gekleurd denkkader en dus het niet inzetten van het helder denkkader (‘awareness’) echt geen optie. Wel een optie is jezelf de cruciale vraag: “Hoe wil je dat jouw kleinkinderen je later zullen herinneren?” stellen. Want hoewel mij, niettegenstaande Stadium III, een grote overlevingskans werd toegedicht, vergeet ik nooit het empathisch schouderklopje dat dr. Geertrui De Meester, hoofd van de dienst radiotherapie van AZ St Jan in Brugge, mij gaf na het eerste consult dat we met haar hadden. Het was werkelijk ‘vijf voor twaalf’!

Ondertussen had ik een Cruciale dialoog met mezelf gevoerd en tot het besluit gekomen én beslist dat ik direct zou opveren en doorgaan. En dat ik dit met een ‘opgeruimd gemoed’ zou doen. Dit is wat ik bedoel met weerbaar zijn; niet bij de pakken blijven zitten en transformerend handelen. Het hoeft geen betoog dat ik bij het beantwoorden van vorige cruciale vraag enorm geholpen werd door m’n eigen boek ‘Cruciale dialogen’. Quad erat demonstrandum … m’n boek is wel degelijk een doe-boek en het hielp mij om gans die periode – met daarin: een kleine chirurchische ingreep-chemo-bestraling-invasieve chirurchische ingreep-permanente stoma-dertig dagen verblijf in AZ St Jan-nachemo en herstel – het hoofd koel en meer dan boven water te houden. Dat ik ondertussen m’n boek ‘Cruciale dialogen’ aan het vertalen was naar het Frans – een belofte aan m’n Franse vriend Guy Bérat nakomend – maakte dat m’n boek ook letterlijk nooit veraf was. Hoe langer hoe meer zag ik in wat ik nog voor m’n kleinkinderen zou kunnen betekenen. Naast het zijn van een sparringpartner bij hun schooltaken en alles wat een normale grootvader zoal doet, begon ik hoe langer hoe meer met hen over creatieve wisselwerking en de toepassing ervan, Cruciale dialogen, te praten. Uiteindelijk rees langzamerhand in mij het plan om de serie columns te schrijven, waarvan deze de inleiding is.

Normaal zijn het de kinderen die hun meter en peter nieuwjaarsbrieven schrijven. Met m’n serie columns draai ik de rollen om. Edoch, ik schrijf m’n kleinkinderen geen nieuwjaarsbrieven met m’n beste wensen. Ik schrijf hen een serie doe-columns met m’n beste adviezen waarmee ze wendbaar en weerbaar en dus wakker zullen blijven! Met andere woorden: ik ben er rotsvast van overtuigd dat wanneer jullie, Eloïse, Edward en Elvire, deze adviezen ter harte zullen nemen jullie wendbaar en weerbaar zullen blijven in deze VUCA[iii] wereld. Ik zal jullie echter niet bestoken met oude consultant wijsheden in nieuwe zakken, maar eerder jullie gids zijn op wat ik de ‘Mahatma Ghandi’ manier noem.

Mahatma Gandhi leefde, wanneer hij niet politiek ergens in de wereld doende was, heel sober in z’n hut ‘Sevagram Ashram’; dit vanaf het moment van de afwerking van die hut (1936) tot aan z’n gewelddadige dood (1948). Wanneer Mahatma Gandhi in Sevagram toefde kreeg hij voortdurend bezoek. Zeer gekend zijn de bezoeken die Jawaharial Nehru, de latere eerste minister-president van onafhankelijk India (overigens met de daadwerkelijke steun van Gandhi), hem daar bracht. Ghandi had onder meer ook veel kennis over alles wat met gezondheid te maken heeft. Daarom kwamen heel wat mensen bij Mahatma over de vloer met hun gezondheidsvragen. Over een van die vragen en Ghandi’s antwoord daarop gaat volgende anekdote, die Charlie Palmgren mij zo’n vijfentwintig jaar geleden vertelde:

Op een dag kwam er een welstellende familie afgezakt naar Sevagram Ashram met de vraag of Mahatma Gandhi hun zwaarlijvige dochter kon helpen weer fit en gezond te worden. Mahatma stelde heel wat vragen en luisterde aandachtig, af en toe parafraserend om het probleem waarderend te kunnen begrijpen. Toen Ghandi het probleem op die manier begrepen had, vroeg hij z’n bezoekers een paar maand later terug te komen. Hij noteerde de nieuwe datum zonder enig advies te verstrekken. Ietwat beduusd vertrokken de bezoekers. Twee maand na het eerste gesprek meldde het echtpaar zich terug in Sevagram Ashram vergezeld van hun, uiteraard, nog steeds obese dochter. Nu was het Mahatma Gandhi die het woord voerde en die het heel strikt dieet, dat de dochter zou moeten volgen, uit de doeken deed. Daarbij zorgde Mahatma ervoor dat ook hij waarderend begrepen werd. Indien de dochter daadwerkelijk de adviezen van Gandhi strikt zou opvolgen, verzekerde Mahatma, zou zij binnen de korste keren terug fit en gezond zijn en dus verlost van haar obesitas. De vader had opgewonden naar Mahatma Gandhi geluisterd en bleek helemaal niet tevreden. Hij vroeg op een nogal scherpe manier waarom Mahatma Gandhi dit advies niet twee maand eerder gedurende hun eerste bezoek had gegeven. Dan hadden ze ten minste geen twee maand verloren en bovendien een peperdure reis uitgespaard! Mahatma Ghandi bleef z’n faam gestand en antwoordde kalm: “Twee maand geleden wist ik dit alles nog niet. Na ons vorig gesprek heb ik diep nagedacht over uw dochters probleem en kwam ik tot een mogelijke oplossing. Dit dieet heb ik dan zeven weken lang zelf strikt gevolgd om te zien of m’n oplossing de goede was. Nu kan ik u, ‘met de hand op het hart’, verzekeren dat dit wel degelijk het geval is!”

De mens is pas mens als hij tot zelfbeheersing in staat is                   en eigenlijk pas als hij haar in de praktijk brengt.

– Mahatma Gandhi

Get started!

Graag start ik deze serie columns met het verhaal ‘De Gouden Arend’ van Anthony de Mello SJ[iv]. Toen ik het voor het eerst hoorde, Eloise, Edward en Elvire, dacht ik dat Anthony dat verhaal voor mij geschreven had. Het is het verhaal hoe we, geboren als arend door conditionering (lees opvoeding en dus de werking van de Vicieuze Cirkel) hoe langer hoe meer een ‘kieken’ worden.

The Golden Eagle

A man found an eagle’s egg and put it in a nest of a barnyard hen. The eaglet hatched with the brood of chicks and grew up with them.All his life the eagle did what the barnyard chicks did, thinking he was a barnyard chicken. He scratched the earth for worms and insects. He clucked and cackled. And he would thrash his wings and fly a few feet into the air. Years passed and the eagle grew very old.

One day he saw a magnificent bird above him in the cloudless sky. It glided in graceful majesty among the powerful wind currents, with scarcely a beat of its strong golden wings. The old eagle looked up in awe. “Who’s that?” he asked. “That’s the eagle, the king of the birds,” said his neighbor. “He belongs to the sky. We belong to the earth—we’re chickens.” So the eagle lived and died a chicken, for that’s what he thought he was.

Anthony  de Mello SJ  ‘The song of the Bird’

Een Nederlandse vertaling van het verhaal:

De Gouden Arend

Een man vond een ei van een arend en legde het in het nest van een boerenerf hen. Het arendsjong werd uitgebroed samen met een heel nest kuikens en groeide met hen op.Omdat hij geloofde dat hij een boerenerf kip was, deed hij net als zij. Hij scharrelde in de aarde om te zoeken naar wormen en insecten. Hij klokte en kakelde.Hij spreidde zijn vleugels en vloog een paar stappen de lucht in, net zoals het een kip betaamt.

Jaren verstreken en de arend werd erg oud.Zekere dag zag hij een prachtige vogel boven hem in de wolkenloze hemel. Die gleed met gracieuze majesteit op de krachtige windstromingen, met nauwelijks een slag van z’n sterke goude vleugels.De arend keek vol ontzag naar omhoog.“Wie is dat?” vroeg hij zijn buur.“Dat is een arend, de koning van de vogels”, antwoordde die. “Hij behoort tot de hemel, wij behoren de aarde – wij zijn kippen.” Dus de arend leefde en stierf als een kip, want hij dacht dat hij er een was.

Anthony  de Mello SJ  ‘Het lied van de vogel’

Carl Puccio, een kennis van jullie mama en vriend van Charlie Palmgren, maakte van dit verhaal een mooie video clip. Daarin vertelt Charlie het verhaal. Je kan de video clip hier vinden:

Eigenlijk zijn, in de ogen van Tony de Mello, alle mensen ‘gouden arenden’; wel zijn de meesten zich niet helder bewust van de hoogten die ze zouden kunnen bereiken. Anthony de Mello stelde zich tot doel de mensen wakker te maken voor de realiteit van hun grootheid.

Een ander verhaal dat aangeeft dat we eigenlijk beter zijn dan we beseffen, is een tekst die op het internet veelal verkeerdelijk toegeschreven wordt aan Nelson Mandela. Nelson zou, althans volgens ‘het internet’, die uitgesproken hebben tijdens een van z’n inauguratie redes toen hij, na tientallen jaren gevangenschap, als president van z’n land werd ingezworen. Edoch, er is een klein probleem: Nelson gebruikte die tekst niet in z’n inauguratie redes. Een prachtig voorbeeld van een zogenaamde internet hoax. Een hoax is in het Engels een woord voor poets nep, bedrog, truc en oplichterij . Het als begrip ‘internet hoax’ is ondertussen zo goed als ingeburgerd in het Nederlands. Volgende tekst komt wel uit een boek van Marianne Williamson[v]:

Our Deepest Fear

Our deepest fear is not that we are inadequate,

Our deepest fear is that we are powerful beyond measure.

It is our Light, not our darkness, that most frightens us.

We ask ourselves, who Am I to be brilliant, Gorgeous, talented, Fabulous?

Actually, Who are you NOT to be?

You are a child of Spirit.

Your playing small Does not serve the World.

There is Nothing enlightened About shrinking so that Others won’t feel Insecure around you.

We were born to Manifest the glory Of Spirit which is Within us. It is not Just in some of us; It is in everyone.

And as we let our Light shine, we give Others permission to Do the same.

As we Are liberated from Our own fear, our Presence liberates Others

Een mogelijke vertaling:

Onze grootste angst

Onze grootste angst is niet dat we onvolmaakt zijn.

Onze grootste angst is dat we mateloos krachtig zijn.

Het is ons licht, niet onze schaduw, die ons het meest beangstigt.

We vragen onszelf: wie ben ik om briljant te zijn, prachtig, talentvol, fantastisch?

Edoch, wie ben jij om dat NIET te zijn?

Jij bent een kind van God.

Je onbelangrijk voordoen bewijst de wereld geen dienst. Er is niets verlichts aan je klein te maken opdat andere mensen zich bij jou niet onzeker zouden voelen.

Wij zijn geboren om de glorie van God die in ons is, te openbaren. Deze is niet alleen enkel in sommigen onder ons; deze is in iedereen!

En als wij ons licht laten stralen, geven we onbewust andere mensen toestemming om hetzelfde te doen.

Eens van onze angst bevrijd, bevrijdt onze aanwezigheid anderen.

De serie columns, waarvan deze column de inleiding is, had overigens ook als titel “Blijf Arend!” kunnen krijgen of ook nog: “Blijf het Kind in U!”.

Beide verhalen gaan, dat hadden jullie begrepen, over het Creatief wisselwerkingsproces (‘de glorie van God’) dat het kind in zich heeft en ten volle beleeft en waar de volwassene bang van (geworden) is… mede omdat het beleven van dit levensproces neerkomt op zichzelf continu bijschaven, veranderen, transformeren. Van dat alles zijn de meeste volwassenen nu eenmaal bang van; blijkbaar blijven ze liever in de ‘gouden kooi’ van hun Vicieuze Cirkel[vi].

Ik weet dat jullie Eloïse, Edward en Elvire, nogal eens surfen op het internet en dat Youtube daar één van jullie pleisterplekken is. Daar vond ik ook volgende clip dat het citaat uit het boek van Marianne Williamson dat ik hierboven gebruikte nog uitbreidt. Deze clip geeft voor mij ook aan waarom de ontdekker van Creatieve wisselwerking, Henry Nelson Wieman die een religieus filosoof was, uiteindelijk schreef dat voor hem God geen super natuurlijke persoon was, maar het proces dat hij Creative Interchange had genoemd.

___________________________________________________________________________

[i]Het Creatief Wisselwerkingsproces is de naam die ik (in navolging van m’n mentor Charles Leroy ‘Charlie’ Palmgren) geef aan het natuurlijk leer en transformatie proces, waar alle kinderen mee worden geboren. Ik beschreef het voor het eerst in m’n boek ‘Creatieve wisselwerking’, Leuven-Apeldoorn: Garant (2001).

[ii]Johan Roels, Cruciale Dialogen, het dagelijks beleven van Creatieve wisselwerking. Antwerpen-Apeldoorn: Garant, 2012.

[iii]VUCA is een acroniem dat oorspronkelijk door Amerikaanse militairen is bedacht voor het beschrijven van het slagveld. VUCA wordt nu hoe langer hoe meer gebruikt  staat voor: de huidige “snelle, onzekere, complexe en vage” wereld:

  • V= volatility: de onvoorspelbaarheid en snelheid van veranderingen
  • U= uncertainty: onzekerheid over wat er staat te gebeuren
  • C= complexity: veelheid aan krachten, chaos en verwarring rondom ons
  • A=ambiguity: oorzaak en gevolg zijn onduidelijk en moeilijk verklaarbaar

[iv]Anthony de Mello, S.J. The Song of the Bird.New York, NY: Doubleday, 1984.

[v]Marianne Williamson. A Return to Love:  reflections on the principles of a course in miracles. New York, NY: HarperCollins Publishers, 1992.

[vi]De Vicieuze Cirkel is de naam die ik (in navolging van m’n mentor Charlie Palmgren) geef aan het aangeleerde proces dat Creatieve wisselwerking hindert en afremt en waar alle kinderen tijdens hun opvoeding mee te maken krijgen. Ik beschreef het voor het eerst in m’n boek ‘Creatieve wisselwerking’.

BLIJF WAKKER ! – VOORWOORD

Well if I had one wish for you
in this god-forsaken world, kids
It’d be that your mistakes will be your own
That your sins will be your own
It’s been a long time comin’, my dear
It’s been a long time comin’, 
but now it’s here.
 – Bruce Springsteen

Long time Coming – Devils & Dust – 2005

 

Mijn vorig boek, ‘Cruciale dialogen’ (2012), beschrijft een model om dagelijks handen en voeten te geven aan het creatief wisselwerkingsproces. Dit laatste was dan weer het hoofdthema van het boek dat ik daarvoor schreef: ‘Creatieve wisselwerking’ (2001). Toen dit boek werd gepubliceerd had ik nog geen kleinkinderen. In de tijdspanne tussen de publicaties van die twee boeken werden onze drie kleinkinderen – Eloïse, Edward en Elvire – geboren. Ook in die periode bleef de wereld hoe langer hoe sneller veranderen. Die veranderingen nopen ons – en vooral onze kleinkinderen – hoe langer hoe meer ‘wendbaar en weerbaar’ te worden. Die uitdrukking wordt onder meer vaak gebruikt door Fons Leroy, directeur van de VDAB (2005-2019), zoals in een interview op het vrt één journaal van 7 oktober 2016, daags na de aankondiging van het massa ontslag van medewerkers bij ING België. Fons stelde in dat interview dat we in de toekomst ons de sleutelvaardigheden, om in een snel veranderende omgeving wendbaar en weerbaar te zijn, dringend eigen dienen te maken. Het werd mij toen direct duidelijk dat, om wendbaar (i.e. pro-actief) en weerbaar (i.e. re-actief) te zijn men creatieve wisselwerking (Creative Interchange) van binnen uit dient te beleven.

In dezelfde week besloot ik een punt achter m’n vierde professionele leven te zetten en plotseling werd mij m’n laatste persoonlijke missie overduidelijk:

Helping my Grandkids Creating their Lives while Staying their Original Self through Consistent Living Creative Interchange from Within.

Het is dus het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking dat ik, zo goed en zo kwaad dat ik dit kan, sedert eind 2016 bewust aan m’n drie kleinkinderen meegeef. Ik zal dit doen zolang dit mij gegeven is. Ik ben er mij maar al te goed van bewust dat op een dag ook daar een einde zal aan komen. Het leven – ook het mijne – is eindig, dat is een natuurwet. Wat wel voortleeft, is het creatief wisselwerkingsproces. Het wordt namelijk steeds opnieuw in elk geboren kind ingebed. Hopelijk blijven m’n drie kleinkinderen – dit is m’n vurigste wens – dit proces continu beleven en blijven ze niet steken in het denkkader van hun persoonlijke Vicieuze Cirkel.

Om hen een blijvend ruggensteuntje te geven, start ik deze serie columns. Deze zouden uiteindelijk een heus boek kunnen vormen. Hoogst waarschijnlijk zal het nooit gepubliceerd worden; want, zoals reeds gesteld, ik schrijf deze teksten vooral voor m’n kleinkinderen. Vandaar ook de titel: ‘Blijf Wakker!”, omdat zij nog steeds verbonden zijn met hun Originele Zelf. Indien ik dit boek ook voor anderen zou schrijven, dan zou de titel “Word Wakker!” luiden. Voor Eloïse, Edward en Elvire gebruik ik dus “Blijf Wakker!” omdat ik er van overtuigd ben dat zij nog steeds uit de ijzeren greep van de Vicieuze Cirkel gebleven zijn en dus nog steeds verbonden zijn met hun Intrinsieke Waarde (Intrinsic Worth).

Gezien voor alle drie E’s (zoals ik m’n drie kleinkinderen soms noem) exemplaren van mijn reeds geciteerde boeken klaar liggen, zal ik in deze serie columns verwijzen naar passages uit die boeken. Anderen die onverhoopt deze columns – die ik op m’n webstek publiceer – onder ogen krijgen, beschikken waarschijnlijk over hun eigen exemplaar van die boeken. Zo kunnen ook zij mijn nieuwste ideeën in verband met de Vicieuze Cirkel (Vicious Circle) en Creatieve wisselwerking (Creative Interchange) linken aan wat er in ‘Creatieve wisselwerking’ en ‘Cruciale dialogen’ staat geschreven.

Eind oktober 2016 sloot ik m’n professionele leven af met een spetterende vijftiende bijeenkomst van het Cruciale Dialogen Genootschap. Na vier professionele levens (ik ben inderdaad zelf wendbaar en weerbaar gebleken) – waarover uitvoerig werd geschreven in m’n reeds geciteerde boeken – vond ‘ons Rita’ dat het welletjes was geweest. Het Cruciale Dialogen Genootschap werd dan ook ontbonden en, zoals dat zo vaak gaat in het leven, verloren de leden ervan mij min of meer uit het oog. Van mijn kant schreef ik hen maandelijks nog wel een e-mail met de link naar m’n nieuwste column. Eind 2018 liet ik hen weten dat ook aan deze gewoonte een einde kwam. Ik zal uiteraard wel verder blijven schrijven aan ‘Blijf Wakker!’ Wat ook blijft zijn m’n veertiendaagse skype gesprekken met Charlie Palmgren. Charlie van zijn kant is, naast heel wat andere activiteiten, nog steeds aan het schaven aan z’n ultieme beschrijving van Creative Interchange; terwijl ik aan dit ‘boek’ ten behoeve van Eloïse, Edward en Elvire hoofdstukken (columns) zal blijven toevoegen. Het is de bedoeling dat dit met de regelmaat van een klok gebeurt. Het dient gezegd dat ik hoop dat die klok niet rap stilvalt …

Een speciaal woord van dank gaat uit – naast uiteraard de drie kleinkinderen waarvoor deze teksten bedoeld zijn – naar m’n echtgenote Rita, beter gekend als ‘ons Rita’ – en dochter Daphne, moeder van de drie E’s. Zij geven mij de noodzakelijke ruimte en voornamelijk het onuitputtelijk terrein om m’n nieuwste ideeën aan de werkelijkheid te toetsen.

 

Johan Roels

Creative Interchange and pop songs

 

Since January this year I go out for a walk every day. I’m living near a little wood and this daily exercise regulates my blood sugar level, makes me less stressful and gives me lots of ideas. Most of the time, while walking at a reasonable speed (6 km per hour), I’m listening to pop music, mostly of my younger days. It struck me that a lot of those songs make me think of the Creative Interchange process. I’ve learned years ago – from books and videos of the late Stephen R. Covey – that one does not appreciate reality as it is; one appreciates reality as one’s mindset allows one to. Since my mindset is Creative Interchange ‘colored’, my thus way colored spectacles see Creative Interchange almost everywhere; even in the lyrics of pop songs, as you can read in the following pages.

Sometimes Creative Interchange is hidden in an expression or a line, at other times in a verse or the chorus. On a rare occasion the whole song brings my thoughts back to the process we’re all born with and to which we should be ultimately committed (cf. Henry Nelson Wieman, ‘Man’s Ultimate Commitment[i]).

 

A song that describes the struggle of being and staying committed to Creative Interchange is Billy Joel’s “The River of Dreams”. In this song the wording of the chorus changes slightly each time it’s sung and the song starts with a first version of it:

In the middle of the night
I go walking in my sleep
From the mountains of faith
To a river so deep

Indeed, one has to have faith to commit oneself to live Creative Interchange because living this life giving process is far from easy.

The first verse explains why Billy Joel goes to the deep river:

I must be looking for something
Something sacred I lost
But the river is wide
And it’s too hard to cross

The metaphor Billy Joel uses here to explain the goal of his action is “crossing a deep river, to find what he’s looking for” and what he’s looking for is ‘something sacred” he “lost”. In my mind that “something” is what Charlie Palmgren calls one’s Intrinsic Worth. The second verse digs deeper in the task:

And even though I know the river is wide
I walk down every evening and I stand on the shore
And try to cross to the opposite side
So I can finally find out what I’ve been looking for

Living Man’s Ultimate Commitment (cf. Henry Nelson Wieman’s book) from the inside out is not only far from easy and does need courage; it’s a never-ending story (“every evening”) that demands persistency in action.

Then the second version of the chorus follows:

In the middle of the night
I go walking in my sleep
Through the valley of fear
To a river so deep

“The valley of fear” sounds to me as the danger of the Vicious Circle, which has to be overruled in order to be able to stay committed to Creative Interchange.

Verse three digs still deeper regarding what he’s been looking for:

And I’ve been searching for something
Taken out of my soul
Something I would never lose
Something somebody stole

As already pointed out, what’s “taken out of my soul” is one’s Intrinsic Worth that one “would never lose and has been stolen.” That “somebody” is the Vicious Circle. Looking to regain one’s Intrinsic Worth, i.e. living Creative Interchange from within, makes one tired and frustration is looming around the corner according to the next verse:

I don’t know why I go walking at night
But now I’m tired and I don’t want to walk anymore
I hope it doesn’t take the rest of my life
Until I find what it is that I’ve been looking for

Indeed, living Creative Interchange does not equal immediate success. Yoda would say: “May the Force be with you!” In the next version of the chorus:

In the middle of the night
I go walking in my sleep
through the jungle of doubt
to a river so deep

The changed line – “Through the jungle of doubt” – underlines the fact that one has to tolerate ambiguity while living Creative Interchange! This is explained in the next verse:

I know I’m searching for something
something so undefined
that it can only be seen
by the eyes of the blind

In the middle of the night

The “Something so undefined, that it can only be seen by the eyes of the blind” is, to me, Creative Interchange itself. This verse makes me think of the end paragraphs of Henry Nelson Wieman’s ‘Man’s Ultimate Commitment’, book that describes Creative Interchange in all its forms:

“I know that I cannot be in error in holding the belief that I am at least partially in error concerning the character of the reality to which I am ultimately committed. Hence I know with certainty that I am ultimately given to what is more than, and in some respects different from, everything affirmed in this book. With this triumph over error I make my last commitment: I cast my error, my failure, and my guilt into the keeping of creative and transformative power.”[ii]

The next verse:

I’m not sure about a life after this
God knows I’ve never been a spiritual man
Baptized by the fire, I wade into the river
That runs to the promised land

This means to me: don’t count on a life after this and the “unbearable lightness of being” resides in living Creative Interchange from within, here and now in order to reach, perhaps, the “promised land”.

The last version of the chorus:

In the middle of the night
I go walking in my sleep
through the desert of truth
to the river so deep

Points out that, to find the Promised Land, one has to cross “the desert of truth”. Truth means here, to me, not the truth with a major ‘T’: it means seeing reality as it is. Which makes me think of a famous quote of Marcel Proust, which I used in the introduction of my book Creatieve Wisselwerking [iii](Creative Interchange):

“The real act of discovery consists not in finding new lands,

but in seeing with new eyes.”

The last verse closes Bill Joel’s description of Creative Interchange:

We all end in the ocean
We all start in the streams
We’re all carried along
By the river of dreams

In the middle of the night

“We all start in the streams” means, to me, we’re all born with this process; the process Henry Nelson Wieman discovered seeing with new eyes and which he coined Creative Interchange. We all start in the Flow, so to speak, having the Forceto “be carried along by the river of dreams.”

 

An example of a song having a chorus related to Creative Interchange and the living of it is Bob Seger’s “Against the wind”. As you know, and as we’ve seen above, the chorus of a song is not only the most repeated section; it is there where you can find the real meaning of a song. The chorus is supposed to be the most memorable part of the song and is almost always of greater musical and emotional intensity than the verses. That’s definitely the case in “Against the wind”:

Against the wind

We were running against the wind

We were young and strong,

we were running Against the wind

Someone who’s committed to live Creative Interchange is someone who Friedrich Nietzsche calls a “Free Spirit”[iv]; one “who goes against the herd” and “onwards along the path of wisdom” in order to “improve society.” Henry Nelson Wieman calls this the Creative Selfwho transforms the created self towards the Original Selfand in doing so one improves one’s culture. Such a one is definitely “running against the wind.”

As some of you know, I’m still writing columns and essays around Creative Interchange for the sake of my three grandchildren. If life taught me one thing, it is that we have the responsibility to prepare them to be able to cope with the difficulties of life. In other words that they become agile and resilient. One of the side effects of accepting this responsibility is that one will be remembered positively by one’s own kind and therefor will live longer. To me, my ‘end’ task is that I introduce my three grandchildren to Creative Interchange, the Process of Life. Of course, they are at the moment on the one hand too young to grasp the real meaning of Creative Interchange, its conditions and the needed behaviors and, on the other hand, I will probably not live long enough to explain them the process in detail. Therefor I live Creative Interchange as good as I can, use every opportunity to talk and write about it and store my ramblings in the cloud, by publishing them on my own website and on public sites as Slideshare, YouTube. This is also the reason that this particular column will be my last one written on behalf of a lager ‘public’. From today on I’ll only write columns for the sake of Eloïse, Edward and Elvire. I’ve started already and the columns I’ll write in the course of let’s say a year could be published (but will not) as a book with the title ‘Stay Awake!”.

 

A song about helping others to discover and live Creative Interchange is Billy Joel’s “Innocent man”. Let’s take a close look at the lyrics of that song, and I give you some personal interpretations:

Some people stay far away from the door
If there’s a chance of it opening up
They hear a voice in the hall outside
And hope that it just passes by

Which means to me that some people stay away from Creative Interchange and hope that “it just passes by”. They want to stay at the level of their current created self; they don’t want to make it an evolving self.

Some people live with the fear of a touch
And the anger of having been a fool
They will not listen to anyone
So nobody tells them a lie

This explains the reason for their behavior. They live in the cage of their Vicious Circle and do not want to break free; they do not want to listen to anyone, let alone to appreciative understand what others try to convey:

I know you’re only protecting yourself
I know you’re thinking of somebody else
Someone who hurt you
But I’m not above
Making up for the love
You’ve been denying you could ever feel
I’m not above doing anything
To restore your faith if I can

I understand why people can be victim of their Vicious Circle and hide themselves in their closed mindset, the ‘demands and expectations’ frame of reference that they won’t let being changed Charlie Palmgren would argue.

Some people see through the eyes of the old
Before they ever get a look at the young
I’m only willing to hear you cry
Because I am an innocent man
I am an innocent man
Oh yes I am

Indeed, people look through their colored glasses en don’t see reality in a fresh young way. Since I’m not responsible of the fact that the other is prisoner of their Vicious Circle; “I am an innocent man” and “ I’m only willing to hear you cry.”

Some people say they will never believe
Another promise they hear in the dark
Because they only remember too well
They heard somebody tell them before

People who hide in their closed mindset don’t want to believe anything that would rescue them from that mindset, since “they heard somebody tell them before.”

Some people sleep all-alone every night
Instead of taking a lover to bed
Some people find that it’s easier to hate
Than to wait anymore

Those people are not really interconnected anymore with others and therefor Creative Interchange with others has no chance.

I know you don’t want to hear what I say
I know you’re gonna keep turning away
But I’ve been there and if I can survive
I can keep you alive
I’m not above going through it again
I’ve not above being cool for a while
If you’re cruel to me I’ll understand

I appreciatively understand the mindset of the people victim of the Vicious Circle, since I’ve been there too and I know how I survived, so thus know by experience what can keep others alive. “I’m not above going through it again” and help others to discover Creative Interchange. And if the other does not accept my offer I’ll understand.

Some people run from a possible fight
Some people figure they can never win
And although this is a fight I can lose
The accused is an innocent man
I am an innocent man
Oh yes I am
An innocent man

I know the flight syndrome all too well and thus know that “some people figure they can never win” and although I know that helping others to discover Creative Interchange – which is according to the lyrics here “a possible fight” – is never easy, and the risk is always there that I won’t succeed, I’ll go ahead with it, since “I am an innocent man.”

You know you only hurt yourself out of spite
I guess you’d rather be a martyr tonight
That’s your decision
But I’m not below
Anybody I know
If there’s a chance of resurrecting a love
I’m not above going back to the start
To find out where the heartache began

Still knowing that some people won’t leave their cage (i.e. Vicious Circle), if “there’s a chance of resurrection a love” (i.e. resurrection Creative Interchange), “I’m not above going back to the start to find out where the heartache began”, which means fueling the Creative Interchange process, so that the Vicious Circle spins backwards until one is reconnected with one’s Intrinsic Worth; pictured here as the two spinning raders:

Some people hope for a miracle cure
Some people just accept the world as it is
But I’m not willing to lay down and die
Because I am an innocent man

I am an innocent man
Oh yes I am
An innocent man

Living Creative Interchange from within is not a miracle cure, it’s “accepting the world as it is” and “I’m not willing to lay down and die” because of my Vicious Circle. “I am an innocent man” who lives Creative Interchange from within as good as he can; rising strong each time he stumbles and falls because of his own Vicious Circle.

 

Another, more recent, pop song that has a chorus that is, to me, related to Creative Interchange and the living of it is Mumford & Sons: “Sigh no More”. This chorus is even repeated three times, so you can’t miss it.

Love that will not betray you, dismay or enslave you,
It will set you free
Be more like the man you were made to be
There is a design,
An alignment to cry,
Of my heart to see,
The beauty of love as it was made to be

Since one of the synonyms for Creative Interchange is unconditional love, you understand that this chorus caught my ear. The fact that it’s repeated three times helped of course. I know from experience that Creative Interchange will a) “not betray you, dismay or enslave you” and that b) “it will set you free”. And although I know that I’m not there yet (and most probably never will be), Creative Interchange helps tremendously to “be more like the man you were made to be” i.e. your Original Self. That Original Self is Mumford & Sons “design”, “an alignment to cry, of my heart to see”. So one has to be aware of “the beauty of love as it was made to be.” Indeed, “Sigh no More”, that’s the way, it’s not an easy path (it’s “an alignment to cry”) and it’s the only path I know. In other words: Becoming a Leader is Becoming Your Original Self [v].

 

Another song of Mumford & Sons is, to me, about the eternal struggle between Creative Interchange and the Vicious Circle. Let me present how I appreciatively understand Roll Away Your Stone:

Roll away your stone I will roll away mine
Together we can see what we will find
Don’t leave me alone at this time
For I am afraid of what I will discover inside

“Roll away your stone I will roll away mine”, means to me: ‘Take of your mask, I’ll take of mine’ or ‘let’s take down the barriers of our Vicious Circle and let’s reconnect with our Original Worth. “Together we can see what we will find”, being authentic and aware we will discover our truth together. “Don’t leave me alone at this time, for I am afraid of what I will discover inside”; let’s continue to stay in creative interchange, since I am afraid what I will discover through awareness. What I will discover are the ‘demons’ of my Vicious Circle and I do not want to face them alone and awareness will make clear that I have to transform myself, which is scaring.

You told me that I would find a home
Within the fragile substance of my soul
And I have filled this void with things unreal
And all the while my character it steals

‘You’ in this verse is ‘God’, thus Creative Interchange (according to Henry Nelson Wieman) and without God/Creative Interchange our soul is a void, which is filled up “with things unreal”, due to the Vicious Circle. “And all the while my character it steals”: the Vicious Circle is deluding us and only Creative Interchange can bring us true happiness.

And darkness is a harsh term don’t you think
And yet it dominates the things I see

We’re unwilling to transform ourselves and although “darkness is a harsh term” for staying in our present state (the created self), we appreciatively understand that this state dominates the things we see. If we really want to transform, we “shall have to pay to pay the price” (of living Creative Interchange) in order to be able “to keep the change” (my preferred quote of Charlie Palmgren).

It seems that all my bridges have been burned
But you say ‘That’s exactly how this grace thing works’
It’s not the long walk home that will change this heart
But the welcome I receive with every start

The singer realizes it seems that God/Creative Interchange is the only real answer, even though it doesn’t make sense to him that he would deserve God/Creative Interchange after all he has done, being prisoner of his own Vicious Circle. But grace isn’t something you earn, it’s given freely, that’s “how it works”. “It’s not the long walk home that will change this heart” refers to the Bible story ‘The Prodigal Son’, which demonstrates that the journey home is long and hard and comes before the joy. The story is about a son who dishonors his father and takes his inheritance and moves out of the house. He ends up gambling away all his money and having to humble himself to go home and beg his father to take him back. His journey home is hard and he doesn’t think his father will welcome him home. “But the welcome I receive with every start”, refers to the welcome of the father in this Biblical story, who gives a feast to welcome the return of his son. This means that after each time we fell, due to our Vicious Circle, we can rise up again; which makes me think of Brené Brown’s book ‘Rising Strong’ [vi]

Darkness is a harsh term don’t you think
And yet it dominates the things I see
Darkness is a harsh term don’t you think
And yet it dominates the things I see

See above for my interpretation of the chorus.

Stars hide your fires
For these here are my desires
And I will give them up to you this time around
And so I’ll be found
With my stake stuck in this ground
Marking the territory of this newly impassioned soul

(x2)

“Stars hide your fires, for these here are my desires ” is a reference to Macbeth: “Stars, hide your fires; let not light see my black and deep desires” showing that the singer is ashamed of his sins and does not want them seen in the light. “And I will give them up to you this time around” meaning that he surrenders to God/Creative Interchange. “And so I’ll be found, with my stake stuck in this ground, making the territory of this newly impassioned soul” meaning that through Creative Interchange one is reborn an has an enhanced passion, which one did not have before.

And you, you’ve gone too far this time
You have neither reason nor rhyme
With which to take this soul that is so rightfully mine

The ‘You’ in these sentences is the old you, prisoner of the Vicious Circle. The ‘new you’ takes over the control of his soul from the inside out through his ultimate commitment to Creative Interchange.

 

In fact, a lot of songs of the group Mumford and Sons make me think of Creative Interchange. It would take many more pages to discuss them all. For obvious reasons I finish this column presenting Awake My Soul. This song is, to me, about wanting desperately to live Creative Interchange, which is far from easy, knowing that a) I can’t live it as much as I need it and b) I’m too often stuck in my personal Vicious Circle, which prohibits my living Creative Interchange. The song starts with the chorus:

How fickle my heart and how woozy my eyes
I struggle to find any truth in your lies
And now my heart stumbles on things I don’t know
My weakness I feel I must finally sho

“How fickle my heart” means to me, I often can’t make up my mind and “how woozy my eyes,” makes me think of how often I felt the pain that has been inflicted upon me through my personal Vicious Circle.”I struggle to find any truth in your lies”: my Vicious Circle has lied that many times to me, so that now I don’t know any more what to trust. “And now my heart stumbles on things I don’t know, this weakness I feel I must finally show”: I’m struggling with the truth that has come out and I must learn to tolerate my ambiguity. If I want to be authentic, I must admit and show, without fear, my confusion and don’t be ashamed of it.

Lend me your hand and we’ll conquer them all
But lend me your heart and I’ll just let you fall
Lend me your eyes I can change what you see
But your soul you must keep, totally free
Har har, har har, har har, har har

“Lend me your hand and we’ll conquer them all, but lend me your heart and I’ll just let you fall”: is about collaboration the Creative Interchange way, this can be seen as Love in the sense of Agape, not in the sense of ‘falling in love’. I need authentic interaction, and through ‘falling in love’ we’ve learned to play the Vicious Circle games.
“Lend me your eyes I can change what you see, but your soul you must keep, totally free”: I can show you the world, I can show you things beyond your wildest imagination, but you have to keep your soul free from me. I can make you see and what you make of what you see is up to you. I refuse to ‘control’ you (from the outside in); you’ll have to control yourself (from the inside out).

Awake my soul
Awake my soul

(followed by the chorus):
How fickle my heart and how woozy my eyes
I struggle to find any truth in your lies
And now my heart stumbles on things I don’t know
My weakness I feel I must finally show
Har har, har har, har har, har har

“Awake my soul” is a plea for Creative Interchange and makes me think of Anthony de Mello SJ’s “Wake up!”[vii].

In these bodies we will live, in these bodies we will die
And where you invest your love, you invest your life
In these bodies we will live, in these bodies we will die
And where you invest your love, you invest your life

We’re body and soul. “In these bodies we will live, in these bodies we will die” that’s right, and “where you invest your love, you invest your life”. Investing in your life means investing in Creative Interchange: your created self becomes an evolving self, towards the Original Self. In order to do that, the following is necessary:

Awake my soul
Awake my soul
Awake my soul
For you were made to meet your maker

(2x)

Wake up to Creative Interchange, become aware of Creative Interchange, break free from the Vicious Circle and commit yourself to Creative Interchange: “For you were made to meet your maker”, you were made to become the leader you were born.

 

I could go on with ‘Learning to Fly’ by Pink Floyd, ‘Psycho Chicken’ by The Fools, ‘What if God was one of us’ by Joan Osborn and my other songs. Let’s conclude with a wish: next time you’re listening to a song, listen well and do appreciatively understand the lyrics, perhaps they will learn you something about Creative Interchange, like I do.

___________________________________________________________________________________________________

[i]Wieman, Henry Nelson. Man’s Ultimate Commitment. Lanham, MA : University Press of America®, Inc. 1991 (Originally published: Carbondale, IL: Southern Illinois University Press, 1958).

[ii]Ibid. pp. 305-306.

[iii]Roels, Johan. Creatieve wisselwerking. Nieuw business paradigma als hoeksteen voor veiligheidszorg en de lerende organisatie.Leuven-Apeldoorn: Garant. 2001. p. 13.

[iv]http://www.creativeinterchange.be/?p=972

[v]Moxley, Russ S. Becoming a Leader Is Becoming Yourself.Jefferson, NC: McFarland & Company, Inc. 2015.

[vi]Brown, B., Rising Strong. New York, NY: Spiegel & Grau. 2015.

[vii]De Mello, A., Awareness: a de Mello spiritual conference in his own words.Edited by J. Francis Stroud. New York, NY: Image Books, Doubleday. 1992.

The Decision Required of Us

 

Henry Nelson Wieman states in his book ‘Man’s Ultimate Commitment’ [i] that a two-fold decision is required of us. He indicates that one has to decide to:

  • Liberate oneself from the Vicious Circle [ii] and;
  • Practice a personal commitment to Creative Interchange [iii].

 

Liberate oneself from the Vicious Circle

In order to reconnect oneself with one’s Original Worth one has to break free from one’s personal Vicious Circle. To realize this following prerequisites are necessary:

First of all, one has to recognize that she or he is prisoner of one’s personal Vicious Circle; this means that one has to recognize one’s own ‘cage’.

One of the supreme endowments of the human being is that it can be aware of itself and be conscious of one’s coloring of one’s awareness. It’s about appreciatively understanding one’s own unique individuality and mindset. This boils down to being aware that, unfortunately, one is driven to protect one’s own self-esteem against evaluations made by others of one’s created self. This protection is one of the main causes of the distortion of one’s appreciative understanding of reality. This distortion leads inevitably to a false vision of reality regarding oneself, others, circumstances and experiences. One has to appreciatively understand that, due to this distortion, one’s own value system is of sync, which has its effects on the rightness of one’s intuitions.

When one recognizes that she or he is the prisoner of the Vicious Circle cage, one becomes aware of the fact that one’s evaluations are distorted and this can be the start of the liberation process. In other words, an error which one recognizes being an error is already on its way to correction. This means that one is able to examine critically one’s judgments, reactions and behavior (i.e. one’s own actions), so that more reliable observations can break through the ‘ego system’. Thus one can be liberated more or less from one’s own closed mindset and rise toward an opening of it, so that one becomes more trustworthy insights.

The second feature of this liberation process is that one becomes aware of one’s dependence upon one’s particular social group and culture. The perspective of the community in which one has been reared influences human judgments. In other words, one’s personal mindset is strongly influenced by the collective mindset of the community and thus by the culture to which one belongs.

One can be liberated to some degree by recognizing that one is in this condition of cultural influence. This can be the start of critically questioning the validity of judgments made by one-self and one’s own community regarding the ‘other’. If one is profoundly convinced of this fact about human beings, including one-self, one can start to search for evidence about reality with a mind more open than in the case that one does not know and recognize this own particular condition. In other words, the moment one is fully aware that one’s insights and (therefor) conclusions can be blurred by one’s mindset – mindset being strongly influenced by the collective mindset (i.e. the culture to which one belongs) – one can open up his thus colored consciousness and question it. In this way, one restores one’s awareness and might gradually undergo creative transformation towards insights and judgments more correct concerning one’s own culture and the culture to which others belong.

The third feature of this liberation arises out of the unfinished, transitional quality of each human being’s actual state, i.e. one’s actual created self. Human beings are an unfinished lot. They are on their way to become another kind of being, provided that they not cling themselves to their actual state of being. In other words, if they let the Creative Self do its work, the created self will undergo a continual transformation. In this way the created self becomes a continuous evolving self.

Since each human being is in transition, not yet the being one could become, and – if  she or he wants to continue to exist at all – one has (to strive) to obtain the kind of mind that embraces undergoing a continuous creative transformation. This continuous creative transformation should not stop. If it does, the created self stays at a certain ‘unfinished’ level and creativity dies, leaving the individual with a fixed, non-evolving, mindset; in other words the individual becomes a prisoner of that mindset; the prisoner of the individual’s Vicious Circle so to speak.

So, first is needed that the individual appreciatively understands that continuous creative transformation is the key to enhance one’s incomplete created self. Secondly, the individual has to seek out those social relations, kind of work so that practicing the kind of commitment – that will be described next – which will bring creativity to a higher level of reality in one’s own person and in one’s social relations.

 

Practice a personal commitment to Creative Interchange

The second decision concerns practicing a personal commitment to Creative Interchange during which one’s resources are most fully brought into action.

Commitment to this end assumes first of all choosing work in line with one’s own talents and work that provides (at least some of) the conditions required for the creative transformation of man. If this is not the case, one should look for other work.

Secondly, it assumes a complete self-giving. This means in particular that one gives, to the service of Creative Interchange, one’s failures, guilt, shame and anger, as well as one’s virtues and strength. This enables the individual to stay humble and far from arrogance. Humility knows itself and tolerates ambiguity and uncertainty
.One does not feel oneself ‘better’ than, or ‘superior’ to others; one is thankful that one has discovered Creative Interchange and is committed to live it from the inside out. This means that one lives Reinhold Niebuhr’s ‘Serenity Prayer’:

God, grant me the serenity to accept the things I cannot change,

Courage to change the things I can,

and wisdom to know the difference.

All this boils down to accept one’s own Vicious Circle and gives oneself in the wholeness of one’s being to Creative Interchange.

Thirdly, this commitment to Creative Interchange needs intensity and persistence in its practice. One controls from the inside out the practice of the commitment to Creative Interchange. There is no guidebook to that, since if such a book existed this would be control from the inside out. To be effective, this practice should not be taken secondhand from any other person but developed by each to fit one’s own need.

The goal of this commitment is to unify the Creative Self for action in order to create a newer mindset and to join oneself with the most important reality there is, which is the creative transformation of the human being.

Albert Camus once said: “… man has not been endowed with a definite nature … is not a finished creation but an experiment of which he can be partly the creator.” [iv] Friedrich Nietzsche, JP Sartre, G. B. Shaw, G. W. F. Hegel, Karl Marx and many others have expressed the same idea. These men do not agree on the kind of transformation that will bring the human being to the level needed to thrive; nor do they agree on the procedures to be followed to this end. They all did agree that the human being is a) not complete; b) in the process of becoming, thus being created and must be further transformed before attaining its definitive nature.

The transformation through Creative Interchange transforms the mind – which cannot transform itself – so that the thus transformed mind can be more accurately aware of more experience, i.e. more of reality and can therefor learn more, i.e. transform ever more, through the conscious levels of the mind.

The transformation of the conscious (dual consciousness) and unconscious (non dual awareness) levels of the human beings is necessary in order to a) cope with dark realities or mishaps, b) form reliable intuitions that make one act effectively, c) bring all the resources into action and finally d) satisfy oneself in the wholeness of one’s being.

The goal of this personal two-fold commitment to Creative Interchange is to bring about this creative transformation of one’s own self and the selves of others.

Dealing with the dark realities of life as death or an unforeseeable disaster, for instance, are realities that cannot be controlled. This brings us back to the Serenity Prayer of Reinhold Niebuhr and to the fact that, for example in the case of death, one can not change the reality that death is an intrinsic part of life; one can only modify his perception (i.e. coloring) of that reality. Indeed, on one hand, death cannot be eliminated or avoided in human life and, on the other; death can be integrated in the wholeness of one’s being. For sure, these dark realities are not ‘good’ in themselves and the full appreciative understanding of them leads one to a more abundant life in which Creative Interchange dominates over the Vicious Circle; when this happens – and only in this case – these dark realities have a positive value of their own.  Be aware though, dark realities do not necessarily bring about the needed transformation. They will not, unless they are a trigger for practicing one’s two-fold commitment towards Creative Interchange. This commitment is not a guarantee for success and it is the only way, as far as I know, to release all the resources of the Original Self  for constructive action.

___________________________________________________________________________________________________

[i]Wieman, Henry Nelson. Man’s Ultimate Commitment. Lanham. MA: University Press of America®, Inc., 1991. pp. 284-306.

[ii]Hagan, Stacie and Palmgren, Charlie. The Chicken Conspiracy. Breaking the Cycle of Personal Stress and Organizational Mediocrity.Baltimore. MA: Recovery Communications, Inc. 1998.

[iii]Palmgren, Charlie. Ascent of the Eagle. Being and Becoming Your Best.Dayton. Ohio: Innovative Interchange Press. 2008.

[iv]Camus, Albert. The Rebel. An Essay on Man in Revolt.New York. NY: Vintage Books (Alfred A. Knopf), 1954. p. 106.

Mijn zomer van 2018

 

Naast het schrijven van vijf columns over Friedrich Nietzsche en Henry Nelson Wieman blies ik deze zomer een oude gewoonte nieuw leven in: het suggereren van nummers aan ‘radio één’.

De oorsprong van die gewoonte ligt eigenlijk niet bij mezelf. De aanstoker was m’n jongste broer Luk (wij begroetten elkaar steevast met “Dag, jongste broer” en waren de enigen in ons gezin van zeven kinderen die dat konden doen). Op een van de nieuwjaarbijeenkomsten in de jaren tachtig van vorige eeuw verklaarde Luk dat hij de volgende week het ‘onmogelijke’ voor mekaar zou brengen. Hij zou elke werkdag van die week, via de presentator van dienst van radio één, om kwart voor zes een song aandragen. Meer bepaald in het luik ‘Luisteraarseiland’. Het format van dit luik bestond er in dat een luisteraar een zevental platen uitkoos om een week te vertoeven op een ‘verlaten’ eiland. Luk had bericht gekregen dat de week nadien elke dag een van z’n voorgestelde nummers – met telkens de reden van z’n keuze – te horen zou zijn. Hij liet mij zachtjes verstaan dat men, om dit te kunnen verwezenlijken, wel jong en dynamisch diende te zijn en hij voegde er fijntjes aan toe dat dit voor mij, een elf jaar oudere burgerlijke ingenieur die aan z’n carrière timmerde, niet meer mogelijk was.

Uiteraard nam ik de handschoen op en … het jaar nadien vertoefde ik de eerste week van het nieuwe jaar met mijn songs op ‘luisteraarseiland’. Het daaropvolgend jaar was Mieke, de eega van Luk, te gast op dat eiland. Mij was het duidelijk dat Luk haar als dekmantel had gebruikt. Ook dat kon ik parafraseren; dus het volgend jaar vertoefde ‘ons Rita’ op dat paradijselijk eiland, met haar songs (die ik uiteraard zorgvuldig had uitgekozen: onder meer een prachtig nummer op van Billy Joel dat op Rita’s lijf geschreven is: ‘She’s always a Woman to me’). Het jaar nadien was Marieke Roels (dochter van Luk) de gast op dat eiland, gevolgd door – de eerste week van het daaropvolgend jaar – m’n dochter Daphne.

Toen werd ‘luisteraarseiland’ afgevoerd en vervangen door ‘kippenvel blues’. In dit vernieuwde luik dienden liedjes aangevraagd worden die voor ‘kippenvel’ zorgden en … onze liedjescarrousel startte opnieuw. Mijn songs uit die periode waren onder meer ‘Don’t cry for me Argentina’van Julie Covington (voor moeke Roels) en ‘I think too much (b)’ van Paul Simon (voor vake Roels). Kortom Luk en ik hebben onder eigen naam en onder de aliassen van eega en oudste dochter meer dan een decennium lang de eerste week van het nieuwe jaar kleur gegeven. Toen vond radio 1 het welletjes en voerde ook ‘kippenvel blues’ af. En ik haakte af. Luk boerde wel voort en liet me af en toe weten in wat voor programma dit hem weer was gelukt. Luk deed dit tot een paar maand voor z’n dood, toen zakte een presentator zelfs naar Eeklo af om hem te interviewen over z’n geboortestad en z’n liedjeskeuze.

Deze zomer, negen jaar na de zomer dat ik uit het diepe dal van een massieve depressie kroop en Luk ons verliet, hernam ik dus, ‘met pensioen’ zijnde, m’n ‘oude’ gewoonte. Dit ook al omdat ik het format van ‘De zomer van’ leuk vond. Elke werkdag werd een thema aangesneden door de ‘gast van de dag’ en konden luisteraars via de website van radio 1 suggesties doen. Vroeger gebeurde dit per reguliere post (ik hou van Engels begrip daarvoor: ‘snailmail’); nu wordt het internet ingeschakeld. Dit is niet het enige verschil met vroeger. Indien jouw suggestie door de redactie wordt opgepikt dan wordt je nu meteen opgebeld. Eerst door de producer of andere medewerker van het programma en tien minuten nadien door de presentator zelf. Jouw tekst wordt nu niet meer voorgelezen, in plaats daarvan ontspint zich een IRL conversatie waarin je de keuze van de door jou gekozen song kunt duiden.

Zo werd ik deze zomer zes maal door radio 1 opgebeld, waaronder vijf maal gedurende een  uitzending van ‘De Zomer van 2018’. Uiteraard stuurde ik meer suggesties in; voor mij was het een dagelijkse oefening van het verbinden van een opgelegd thema met m’n denkkader, dus een beleven van creatieve wisselwerking.  Toch mag ik niet ontevreden zijn over het resultaat; ik schat dat ik een scoringspercentage heb behaald van zo’n 25%. De laatste vrijdag van augustus werd het programma ‘De Zomer van 2018’ eenmalig vervangen door ‘De Lage Landenlijst’ en ook nu belde de presentator van dienst – de ook al gepensioneerde Jan Hautekiet – mij teneinde m’n verhaal te horen rond m’n suggestie: “De Verdwenen Karavaan” van Jan De Wilde (en van de hand van Lieven Tavernier).

Hierna volgen chronografisch de verschillende songs met hun respectievelijke contekst:

 

Jersey Girl – Tom Waits – 15 juni: Rika Ponnet zoekt liedjes over de liefde (met Annelies Moons)

Zowat iedereen kent ‘Martha’ van Tom Waits. Dit nummer scoort altijd hoog in de diverse top 100 ‘aller tijden’. Heel wat minder bekend echter is zijn originele versie van Jersey Girl, een prachtige, praktisch vergeten parel.

Toegegeven, ook ik heb die song leren kennen via ‘The Boss”. Op Bruce’s box-set Live 75-85 is Jersey Girl het sluitstuk, de hoeksteen als het ware. Via die box kwam ik erachter dat het origineel van Tom Waits is. Tom schreef het in 1980 samen met zijn latere vrouw Kathleen Brennan, die in New Jersey opgroeide, vandaar de titel. Toen ik dan Tom Waits’ versie voor het eerst hoorde, dacht ik onwillekeurig aan The Drifters, uit m’n vroege jeugd. Dit omdat Tom een trage ‘Under the Boardwalk’ riff uit z’n oude gitaar tovert.

Jersey Girl is een van Tom Waits zachte nummers, heel romantisch met toch wat ranzige kantjes, die Bruce Springsteen uit z’n versie filterde. Lees eens de beginstrofe:

Got no time for the corner boys

Down in the street making all that noise

Don’t want no whore’s on 8thavenue

Cause tonight I want to be with you.

Een van de bovenstaande regels deed mij ogenblikkelijk denken aan m’n lijflied ‘The Boxer’ van Paul Simon en uiteraard aan de zin: “Just a common from the whores of 7th avenue”. Een regel die Paul verkneukelde toen hij voor het eerst de versie van Emmylou Harris, een ander jeugdidool van mij, hoorde; maar dit geheel ter zijde.

Omdat Bruce Springsteen Jersey Girl veel zong in de begin jaren tachtig – vooral, hoe kan het ook anders, tijdens diens New Jersey shows – werd het uiteindelijk een van de favoriete songs van z’n fans. Tom vergezelde Bruce soms op het podium voor de vertolking van Jersey Girl. Tom Waits zei daarover in 1987 in een interview met Bill Flanagan: “Bruce Springsteen? Well, I’ve done all I can for him. He’s on his own now.”

Hierna kan je beluisteren wat ik effectief vertelde tijdens de uitzending, gevolgd door Jersey Girl van Tom Waits:

 

Lullaby (Good night my angel) – Billy Joel – 25 juni: Marieke Dilles zoekt liedjes die eigenlijk kinderliedjes zouden kunnen zijn (met Annelies Moons)

Een zo’n ‘kinderliedje’ kleurde ons leven méér dan énig ander: Billy Joel’s ‘Good Night my Angel’. Hoewel dochter Daphne al volwassen was toen het album, waarop die Lullaby staat, uitkwam, dacht ik aan haar toen ik het lied voor het eerst hoorde. Het leek mij toen (en nu nog steeds) een perfect lied om de liefde voor je kind uit te drukken. Toen ze me een achttal jaar later vroeg welk lied ik wenste voor de tweede dans op haar huwelijksfeest – je weet wel de geijkte dans van de bruid met haar vader – twijfelde ik geen moment om Billy’s Lullaby te sugereren. Ook al om de onvergetelijke strofe:

And like a boat out on the ocean
I’m rocking you to sleep
The water’s dark and deep
Inside this ancient heart
You’ll always be a part of me

Het lied verscheen op zowat het meest indringend album van Billy Joel: ‘The River of Dreams’ en zowel het titellied en de lullaby prijken sedert 1993 op m’n persoonlijke lijst van ‘evergreens’. Daphne vindt het zelf ook een mooi lied en heeft het laten horen tijdens elke doopplechtigheid van haar drie kinderen: Eloïse, Edward en Elvire.

Hierna volgt een stukje klankband van deze uitzending, gevolgd door de song ‘Lullaby (Good night my angel) van Billy Joel:

 

Le Moribond – Jacques Brel – 26 juli: Alain Vande Putte zoekt liedjes over sterfelijkheid (met Evert Venema)

Als vorig lied al een soort testament is, dan is Le Moribond van Jacques Brel dat explecieter en gezien die dag Alain Vande Putte naar liedjes over sterfelijkheid hengelde, dacht ik direct aan dit lied. Ook deze keer werd m’n lied er uitgepikt. Toen ik al aan de lijn met Evert Venema hing, kon ik het gesprek tussen Alain – onder meer de tekstschrijver van zowat alle K3 liedjes – en Evert goed volgen. Alain het had over een andere lied van Jacques dat ook kon dienen voor het thema ‘sterfelijkheid’. Alain citeerde uit Brel’s ‘Le Dernier Repas’:

Et puis je veux encore
Lancer des pierres au ciel
En criant Dieu est mort
Une dernière fois.

Gezien ik toen  – Oh Synchronicity! – juist doende was met het afronden van deel drie van m’n serie columns rond ‘Friedrich Nietzsche vs. Henry Nelson Wieman’, deel met als onderwerp “God is dead”, kon ik niet nalaten dit in ons gesprek te vermelden. Daarop vroeg Evert om het werkstuk, van zodra het af was, door te sturen. Daar Alain het nadien ook nog had over z’n filosofische studies en vooral over de workshops die hij organiseert in Spanje met Vlaamse filosofen, stuurde ik de column ook aan Alain. Deze serie columns – die uiteindelijk in een soort essay zullen worden gebundeld – gaan namelijk over de hoofdthema’s van twee filosofen Friedrich Nietzsche en – de mentor van m’n mentor – Henry Nelson Wieman.

Hierna kan je horen wat zich effectief afspeelde tijdens de uitzending, gevolgd door Le Moribond van Jacques Brel:

 

Road to Joy – Bright Eyes – 16 augustus: Piet Chielens zoekt anti-oorlogsliedjes (met Koen Fillet)

De uitzending van die dag begon met ‘Ode an die Freude’ van Beethoven en de toon was gezet. Ik stuurde als suggestie ‘Road to Joy’ van Bright Eyes en dit niet alleen omwille van de titel van het lied.   Daar Piet Chielens directeur is van het Ieper’s ‘In Flanders Fields’ museum dacht ik uiteraard aan m’n beide grootvaders aan moederskant. Bij m’n suggestie schreef ik dan ook summier het unieke ‘Groote Oorlog’ verhaal van Gustaaf en Medard Rieberghe, de vader en stiefvader van ‘moeke Roels’, Donatine Rieberghe.

Dit liefdesverhaal ‘over de dood heen’ gaat, gebaseerd op de broze herinnering van een 72 jarige, als volgt. Gustaaf Rieberghe was in het voorjaar van 1913 ‘op logement’ in Waremme. Hij werkte als Vlaming in Walonië bij het aanleggen van wegen. De logies werd gerund door de ouders van een jonge freule, Marie Van Brabant. Gustaaf en Marie mochten elkaar wel en het resultaat bleef niet uit, Maria zwanger raakte zwanger en dus werden de trouwklokken geluid. Omdat Gustaaf niet eeuwig in de streek rond Waremme zou blijven, besloten ze dat het beter was dat Marie voorlopig in Maldegem bij haar schoonouders zou intrekken. Die spraken wel geen Frans en Marie geen Nederlands, maar het echtpaar besloot dat het kind zou geboren worden in Maldegem… Dit was zonder de kindjes, want het ging om een tweeling, gerekend. Tijdens de tocht begonnen de weeën en uiteindelijk beviel Marie in Elsene, deelgemeente van Brussel en dit op 2 januari 1914. Het jongetje stierf kort na de geboorte en het meisje, dat dus later m’n moeder werd, kwam kort nadien met haar ouders aan in Maldegem. Eind juli van dat jaar werd Gustaaf gemobiliseerd en kort nadien brak de eerste wereldoorlog uit.

In die wereldoorlog diende Gustaaf bij de Genie en werd een van de talloze slachtoffers van de Duitse gasaanvallen. Zijn longen werden door de chlorine zwaar aangetast en Gustaaf werd overgebracht naar het Albert I ziekenhuis in Parijs. Z’n jongere broer Medard, ook frontsoldaat, bezocht de stervende Gustaaf en die vroeg Medard hem te beloven voor z’n vrouw Marie en dochter Donatine te zorgen. Gustaaf overleed kort nadien op 18 oktober 1916.

Na de oorlog kweet Medard zich aan de taak die hij had aanvaard en die Jacques Brel in het vorig lied bezong. Hij deed dit zeer consentieus en in die mate dat z’n toemalig lief het zodanig op haar heupen kreeg dat hun relatie afsprong. Uiteindelijk huwde Medard een paar jaar later met ‘moeder Maria’, zoals de kleinkinderen haar later noemden. Het paar kreeg te maken met heel wat tegenslagen: Medard heb ik nooit volledig hersteld geweten van de gasaanvallen, die ook hij te verduren had gekregen een dertig jaar voor m’n geboorte en het echtpaar verloor drie kinderen op heel jeugdige leeftijd, door ziekte of ongeval. Uiteindelijk had m’n moeder twee drie-kwartbroers en twee drie-kwartzusters.

Een anekdote die mij altijd zal bij blijven gaat over de laatste keer dat m’n moeder haar tweede vader sprak. Hij had haar gevraagd naar z’n ziekbed te komen en toen zij aankwam verzocht hij iedereen die in de kamer was die te verlaten. Toen ze alleen waren overhandigde vader Médard m’n moeder een ‘envelop met inhoud’, met de woorden: “Je staat dan wel niet op m’n boek, ik heb je altijd beschouwd als m’n dochter en ik wil er zelf voor zorgen dat je krijgt waar je volgens mij recht op op hebt.”

Ook die ochtend van 16 augustus 2018 werd ik opgebeld en begreep uiteindelijk dat niet alleen de liedjeskeuze maar dat vooral de onderliggende reden ervan er voor zorgde dat m’n liedje uit de honderden uitzendingen werd uitgepikt. Ik had mede voor ‘Road to Joy’ ook gekozen omdat dit bijtend anti-oorlogslied de muzieklijn van ‘Ode an die Freude’ parafraseert.  Na het lied in kwestie, zei Koen Fillet dat hij die muzieklijn niet herkend had en volgens Piet was die melodie ‘ver weg’. Nu weet ik dat Koen geen goed luisteraar is (wat hij ook in die uitzending een paar keer toegaf) en dus stuurde ik hem een mailtje, met het verzoek toch maar eens goed naar de song van ‘Bright Eyes’ te luisteren. Prompt kreeg ik een half uurtje na de uitzending een ‘reply’ van Koen waarin hij mea culpa sloeg en zich excuseerde. Ook met Piet Chielens had ik die dag een e-mail conversatie. Piet schreef daarin, en ik citeer:

… ik had wel degelijk de parafrase herkend, maar vermits Koen kennelijk niet, en het geen letterlijk citaat was, zei ik op antenne zei dat het ‘ver’ zat. Mocht ik het opnieuw horen, zou ik dat wellicht niet doen. Ik wil Koen zeker verontschuldigen want zo’n programma, even sereen en geordend als het overkomt bij de luisteraar thuis, is het hectisch in de studio… telefoons die binnenkomen, volgende plaat die klaarstaat, babbel afspreken met de gast, verkeersinfo in de gaten houden… Er is echt geen tijd om te LUISTEREN! Wat echt zonde is. Zoals hier blijkt. Ik beluister Bright Eyes zeker opnieuw, want ook ik heb iets bijgeleerd.

Hierna kan je de captatie van m’n bijdrage aan die uitzending horen gevolgd door ‘Road to Joy’ van Bright Eyes:

 

Believe – Cher – Sofie Lemaire zoekt liedjes met vervormde stemmen (met Koen Fillet)

Die dag zocht Sofie Lemaire naar vervormde stemmen. Eerst dacht ik aan een nummer van Bruce Springsteen waarbij hij z’n falsetto stem gebruikt – “All I’m Thinkin’ About” – maar dat mocht niet volgens de regels van het thema. Dus sprong, uiteraard, Believe van Cher in m’n herinnering en stuurde ik die song als suggestie in. Ook deze keer werd ik gecontacteerd en kreeg ik Koen life aan de lijn.

Ik had nog met Koen Fillet een rekening van de vorige keer te vereffenen en daarom liet hem, voor het antwoord op z’n directe vraag, even op z’n honger zitten en dwong hem als het ware goed te luisteren. Je kan het ongeduld van Koen in het onderstaand geluidsfragement duidelijk horen; hoewel … deze ‘aanname’ zal ook wel met m’n denkkader te maken hebben. Uiteindelijk laat ik de naam ‘Cher’ vallen en Koen springt er op  – ‘als de bok op Geeraard’ zou moeke Donatine gezegd hebben – en onthult de titel ‘Believe’ en ik zeg ‘Yes!’. Heerlijk vond ik dat.

Oordeel zelf maar tijdens het beluisteren van volgend geluidsfragment met aansluitend ‘Believe’ van Cher:

 

De Verdwenen Karavaan – Jan De Wilde – 31 augustus: Jan Hautekiet zoekt nummers die nog niet in de lage landenlijst zijn opgenomen

De dag nadat er een punt achter het radio 1 programma “De Zomer van 2018” was gezet, nam Jan Hautekiet die vrijdag éénmalig over met een drie uur durend programma rond “De Lage Landenlijst”. Op de radio 1 website vond ik een lijst met honderd nummers uit de huidige ‘de Lage Landenlijst’, Nederlandstalige liedjes van na 1945, en de website riep op om zelf een mini lijst van drie nummers door te sturen. Die morgen hengelde een andere radio 1 website bladzijde, deze gewijd aan het programma van die dag, naar het nummer dat de luisteraar zelf zou toevoegen aan de huidige lijst en dat nummer, ‘met redenen omkleed’, elektronisch kenbaar te maken. Uiteraard dacht ik aan De Verloren Karavaan, m’n persoonlijke nummer 1 in de Lage Landenlijst. En bovendien, Oh! Synchronicity! bis, gebeurde Jan Hautekiet ‘s oproep op de dag voor de intrieste verjaardag van het plotse overlijden van broer Luk. Komt daarbij dat Luk en ik speciaal dit nummer koesterden omdat het ons deed terugdenken aan vake en moeke Roels die, bij het uitkomen van Jan De Wilde ‘s nummer, reeds lid waren van ‘onze’ verdwenen karavaan. Sedert 1990 werd de ledenlijst van mijn verdwenen karavaan stelselmatig aangevuld en uitgerekend negen jaar geleden vervoegde Luk zelf die lijst.

Het verwonderde mij helemaal niet dat ik ook die vrijdagmorgen door Radio 1 werd opgebeld. Het gesprek dat ik met Jan Hautekiet had, gevolgd door het door Lieven Tavernier gecreëerde, maar eerst door Jan De Wilde op plaat vastgelegde lied, hoor je hierna; de laatste zinnen van dit lied werden ook deze keer werkelijkheid:

 

Je ziet, deze zomer was er zowel een van nostalgisch terugblikken met bovenstaande songs als het blijven timmeren aan de weg met m’n columns rond Nietzsche en Wieman, die je ook op deze website terugvindt.

Friedrich Nietzsche vs. Henry Nelson Wieman (V)

Part V: Eternal Return

 

Friedrich Nietzsche’s ‘Eternal Return’

Nietzsche’s last great concept at the heart of Zarathustra is the ‘Eternal Return’.

This idea even constitutes, according to Nietzsche, the essential thought of Zarathustra.

 

What does this thought consist of?

Nietzsche wonders what could be the most fertile value, the most useful to life, the most creative, the most positive. This value should correspond to “the highest statement”. It’s in the hypothesis of an eternal return of all that has already been that Nietzsche finds the strongest expression of this statement. He exhibits for the first time this thought, which he calls “the heaviest thought”, in the Gay Science (Aphorism 341):

 

The greatest weight:[i] What, if some day or night a demon were to steal after you into your loneliest loneliness and say to you: “This life as you now live it and have lived it, you will have to live once more and innumerable times more; and there will be nothing new in it, but every pain and every joy and every thought and sigh and everything unutterably small or great in your life will have to return to you, an in the same succession and sequence – even this spider and this moonlight between the trees, and even this moment and I myself. The eternal hourglass of existence is turned upside down again and again, and you with it, speck of dust!”

Would you not throw yourself down and gnash your teeth and curse the demon who spoke thus? Or have you once experienced a tremendous moment when you would have answered him: “You are a god and never have I heard anything more divine.” If this thought gained possession of you, it would change you as you are or perhaps crush you. The question in each and every thing, “Do you desire this once more and in- numerable times more?” would lie upon your actions as the greatest weight. Or how well disposed would you have to become to yourself and to life to crave nothing more fervently than this ultimate eternal confirmation and seal?[ii]

A very beautiful text, isn’t?

What is striking is that Nietzsche first presents, in more than half of the text, this thought as an absolutely frightening prospect: this thought would “crush you”, “You would throw yourself on the ground,” he said. But it is Nietzsche’s strategy to make the hypothesis of an eternal return of the same on the one hand as scary as possible, and on the other extremely desirable.

The exhortation which is here implicit, and which will become explicit in the Zarathustra, is the following: let us evacuate the negative affects of our existence (the bad conscience, guilt, fear, mistrust, shame, disgust, contempt, weariness, and fatigue) so as to live a life that is fully affirmative, that assumes each of its moments, without regret, without remorse, with joy and impatience, so much so that we can only want relive it identically an eternity of times.

 

Where comes Nietzsche’s idea of ​​an eternal return, an idea that is still rather singular, from?

Certainly from his readings of different philosophies and mythologies: the idea of ​​a cycle of nature that inexorably returns, a new beginning. Identical life is present in many Indian or pre-Socratic myths, Pythagoreans in particular.

And Nietzsche, very early on, incorporated into his reflections this mythological motif. For example, in a text written at the age of 18, entitled “Fate and History”, Nietzsche evokes this cyclical dimension of existence by comparing it to the path of a needle on the dial of a clock:

Has this eternal becoming no end? What are the mainsprings that drive this great clockwork? They are hidden. But they are the same in the great clock we call history. Events are its face. From hour to hour the hand moves ahead; at twelve o’clock its course begins anew: a new world-period dawns.[iii]

This metaphor of the clock and in particular of the hand placed on the number twelve, indicating noon, and therefore a new beginning, will mark Nietzsche since it is found, twenty years after this text of youth, in the Zarathustra.

In the meantime, Nietzsche certainly noticed that Schopenhauer himself evoked the present as “eternal midday” and that the will, constantly reiterated and manifesting itself in the immediacy of the present, was, for Schopenhauer, the mainspring, the motor of the eternity of existence. These reflections will undoubtedly influence Nietzsche.

What is a bit confusing is that Nietzsche will actually give a double foundation to the thought of eternal return: an ethical and existential foundation,

This eternal return, Nietzsche seems to want to present it as a physical law. In fact, he tries to give scientific credibility – and material evidence – to his philosophical speculations. He is aware of the danger represented by the radical perspective that he is developing in his philosophy, and which may endorse any theory, any vision of the world and engender a total and inconsistent relativism.

And while defending the irreducible singularity of all existence, he is wary of the whims of the individual. He speaks about the “selfishness as error” and about the necessity to “experience in a cosmic way”. So he tries to somehow moor his reflections to a form of universal necessity.

Nietzsche reads various physical science works, notably those of Julius Robert Mayer, one of the founders of thermodynamics, who published from the 1840s studies on “mechanics of the heat” (“Mechanik der Wärme”) and who postulates, in his works, the hypothesis of conservation of quantities of heat and energy in nature. Nietzsche is seduced by this theory, certainly keeping what he wants to keep, remembering the great ancient myths about the cycles of the universe and ends up to persuade that there may be a scientific justification for these myths. If the quantity of forces and energies in the universe does not change, he concludes that on the one hand, the universe is closed, and if on the other hand time is infinite, we are able to make the hypothesis of a number, certainly immense but all the same limited, of possible combinations. And so he comes to the hypothesis of a repetition, at one time or another, of each of the combinations that have already taken place.

So, we find in the writings of Nietzsche, and in particular in posthumous fragments, reflections that show that he adheres to this hypothesis. At the same time, there are also many traces of his skepticism. Nietzsche is aware, inevitably, that the theory of an eternal return is at the end of the day not very credible, despite his efforts to try to found it scientifically: the eternal return is more myth, metaphysics than science.

Nietzsche, for example, expresses his skepticism in Zarathustra’s monologue entitled “The stillest Stunde” – The Stillest Hour. This is the time when Zarathustra is alone with himself at the end of Book II, and dare not confess – much less confess to his disciples – the revelation that he had; that of an eternal return of all things. It is a conversation with his mistress (i.e. ‘The Stillest Hour’):

Then without voice it spoke to me: “You know it, Zarathustra?” –

And I cried out in terror on hearing this whispering, and the blood drained from my face, but I kept silent.

Then it spoke to me once more without voice: “You know it Zarathustra, but you do not speak it!” –

And at last I answered defiantly: “Indeed, I know it, but I do not want to speak it!”

Then it spoke to me again without voice: “You do not want to, Zarathustra? Is this even true? Do not hide in your defiance!” –

[…]

That is what is most unforgivable in you: you have the power, and you do not want to rule.” –

And I answered: “I lack the lion’s voice for all commanding.”

Then it spoke to me again like a whispering: “The stillest words are those that bring the storm. Thoughts that come on the feet of doves steer the world.

Oh Zarathustra, you shall go as a shadow of that which must come; thus you will command and lead the way commanding.” –

And I answered: “I am ashamed.”

Then it spoke to me again without voice: “You must become a child again and without shame (“Ich schäme mich”). [iv]

This shame is the shame attached to the old Christian culture; culture which gives rise to it. It is also, probably, the embarrassment that Zarathustra feels to reveal a so foolish ‘truth’ (everything that happens will happen again). And it is here that we slide towards the second meaning of this thought of the eternal return: its ethical, existential sense.

Then it spoke to me again without voice: “You must become a child again and without shame.

The pride of youth is still on you, you became young at a late time; but whoever would become a child must also overcome his youth.” –

And I thought for a long time and trembled. At last however I said what I had said at first: “I do not want to.”

Then laughter broke out around me. Alas, how this laughter tore my entrails and slit open my heart!

And it spoke to me one last time: “Oh Zarathustra, your fruits are ripe but you are not ripe for your fruits!

Thus you must return to your solitude, for you shall yet become mellow.” –

And again there was laughing and it vanished; then it became still around me as if with twofold stillness. But I lay on the ground and the sweat poured from my limbs.

– Now you have heard everything, and why I must return to my solitude. I withheld nothing from you, my friends.

But hear this from me as well, I who am still the most tightlipped of human beings – and want to be so!

Oh my friends! There is still something I could tell you, there is still something I could give you! Why do I not give it? Am I stingy? – [v]

The shame reported by Zarathustra is probably also a form of “modesty” (The word “Scham”, in German, which appears in the text, precisely means “modesty”): modesty that there is in fact, for Zarathustra, and through him, for Nietzsche to communicate, the bottom fruit – modest and very personal – of his own experiences, the conclusion of his years of experimentation and reflection, the summary of his wisdom, which states, simply and sincerely: one must live one’s life with such intensity that one could only want to revive it exactly the same.

But this thought, however simple it may seem, contains a real strength. In formulating the idea that one must love one’s life, and all the moments that constitute it, to the point of wanting to relive it strictly identically an infinity of times, this thought provides the ultimate criterion for intensifying our existence. This intensification is based on the affirmation of our will. What kind of life do we really want to lead? What are we willing to accept? What would we like to refuse? The “you have to” imposed by the commandments, moral and religious, is thus replaced by an “I want” that obeys its own law and tests its own relevance, its own consistency by confronting it to the prospect of its infinite reiteration.

The will is thus eternal. For Nietzsche, the test of good will is not conformity with the other wills, the criterion is the power of affirming one’s will and its infinite reiteration: “What you want, you must want it to happen an infinite number of times!” He said that we should not reduce the “I want” to the somehow brutal expression of self-assured subjectivity that makes fun of rules and conventions. What is behind this “I want” is above all a certain attitude towards life: an active acceptance, an impatient and grateful consent, and a “say-yes”. A “Ja-sagen”, Nietzsche states, an amor fati. By accepting life in its entirety, with its share of punishments and cruelties, being ready to take risks, one ensures a more intense and lighter existence, free from fears, freed from paralysis. By acting, one discourages the resentment, which develops in general in helplessness and inaction.

I mentioned the idea of ​​eternity and that the will is for all eternity. In fact, Nietzsche wants to replace Christian belief in eternal life after the death by an ethic of the eternal existence here below. Religion promised eternity, Nietzsche’s philosophy somehow puts it into practice. Christianity achieved something incredible by replacing death by everlasting life – by drawing pretense to better despise life here below, which is necessarily ephemeral, transient. Nietzsche counter-attacks and proclaims that eternity indeed exists – and that she is of this world! Every second lived must contain a drop of eternity, a potential of eternity.

The figure, par excellence, who acquiesces in life to the point of wishing it to return eternally; he who is capable of living every second with the greatest intensity, is the “superhuman” (Übermensch), a form of superior affirmative humanity to which all our efforts must be directed, as we have seen in part IV.

What is interesting to note is that Nietzsche presents the thought of the eternal return as a belief that needs to be gradually incorporated into the human being, in the same way that the belief in eternal life was inoculated Christians over centuries and centuries to succeed, according to Nietzsche, to specimens of contemporary nihilists. For the philosopher, it has been said, mind and body are indissoluble; the belief in the eternal return must therefore take possession of our organisms and regulate our equilibrium, the drive to make us whole beings devolved to the enjoyment of the moment, to the carelessness of becoming and always taken by a happy astonishment regarding the effects of their will.

 

Henry Nelson Wieman’s ‘Creative Good’

Nietzsche’s take on the “Eternal Return” brings me to Henry Nelson Wieman’s view on the “Creative Good”. While Nietzsche was wondering what could be the most fertile value, the most useful to life, the most creative, the most positive, the value that would correspond to “the highest statement” and finally found the ‘Eternal return’; Henry Nelson, searching the same value, found the ‘Creative Good”. While Nietzsche wanted to replace Christian belief in eternal life after the death by an ethic of the eternal existence here below, Wieman replaced the Christian belief in eternal life by a belief in the “Creative Good.” While Nietzsche was aware, inevitably, that the theory of an eternal return is at the end of the day not very credible, despite efforts to try to found it scientifically, for Wieman the “Creative Good” is real and stayed all his life the focus of his quest, although he admitted that he had not fully described it, yet.

In ‘The Source of Human Good’, Wieman identifies ‘God’ as the ‘Creative Good’. In thinking of God as ‘Creative Good’, Wieman follows the Jewish tradition in giving priority to the creative event, while rejecting the transcendental. An analysis of our experience, Wieman argues, shows that no transcendental reality could ever do anything, could ever make any difference to our lives in the form of some events.

Wieman distinguishes this ‘Creative Good’ from the ‘created good’ and he argues that not all created goods carry in themselves the nature of goodness: “Something, over and above their bare existence, must pertain to them to make them truly good.” [vi]For Wieman this ‘Something’ is the ‘Creative Good’, which, to him, is what others meant by God.

The ‘Creative Good’ is for Wieman the reality doing the work in history, and it is this work that has been understood mythically in the western religious tradition as the work of a transcendental person. This mythical understanding, however, involves a contradiction between belief in an absolute beyond history, time and space and belief in God as a person. If we examine the concept of the Creative Good, argues Wieman, we can see how this has come about. The Creative Good at the level most important for human persons takes place between persons. It depends upon the interaction between persons in creating human personality with all its values, and has the potential to save it from values that have become demonic. The necessity of interactions between persons however does not always require physical presence. There can even be an interval of time between the persons in their interactions, and this may extend indefinitely so that the most important participants may have died before the present participants in the communication were even born. Wieman admits that the mythical symbol of God as transcendent person may be indispensable for the practice of worship, and says that the best in Christianity can be put quite simply as:

 … the reversing of the order of domination in the life of man from domination of human concern by created good over to domination by creative good. This event saves the world when it includes the establishment of a community which carries the new order down through subsequent history. [vii]

So, the real living ‘Creative Good’ is Wieman’s view of Nietzsche’s myth know as his concept of  ‘Eternal Return’. To Henry Nelson Wieman the ‘Creative Good’ is the ‘absolute goal’:

An absolute goal, as I see it, is a goal intrinsic to human existence of such sort that human being could not exist without it. It is absolute in the sense that the very continuance of human life requires it. Stated in the simplest possible form, the absolute goal is the creation of coherence, the recovery of coherence when it is disrupted, and the extension of coherence by absorbing new insights, when conditions make this possible. This coherence is never perfect and complete. It is always in process of being formed. All development of knowledge is by expanding the range of theories which distinguish and relate events in such a way that inference can be extended more widely from what is now observed to other events and possibilities more or les remote in time and space or otherwise inaccessible to immediate observation. No child could develop a human mind without the widening range of coherence in the form of knowledge. [viii]

According to Wieman, knowledge, human association and culture depend upon this coherence. And he continues:

This continual recovery of coherence together with acceptance of innovations, this widening of coherence in the life of every individual as he matures from infancy to some level of attainment, and this extension of coherence through a sequence of generations when a culture is being created, is what Hocking calls the work of the “whole idea”. I call it creativity, or the continuous creation of coherence by the way of creative interchange between individuals and peoples. [ix]

Wieman does not believe that there is any final form of this coherence that eternally comprehends all reality. In other words, there is no final ‘created good’. Even if there were an eternal being, Wieman argues, it would not be possible for us to recognize or worship such a being except in the creativity operating in human life, i.e. the ‘Creative Good’. Wieman continues:

The actual empirical reality, which we find occurring in human life, is creativity operating to create coherence in the forms of language and logic, in the forms of science and art, friendship and community of minds, in the forms of a coherent culture and the continuity of history. [x]

This brings us back to the crucial question Wieman wanted to be answered by his empirical philosophy: “To what must our commitment be given if the appreciative consciousness of man is to be created in each individual beginning with infancy, is to be saved from perversion into hate, fear, arrogance and is to be expanded indefinitely?” The answer to this question is to Wieman what ‘Eternal Return’ meant to Nietzsche. It is not the eternal return of a human being; it is the eternal return in each human being of the Creative Interchange process. The objectors to his vision are tackled this way:

An objector might reply that the eternal being does operate in human life in the form of the creativity [Creative Interchange] mentioned. If that is so, then my contention is granted. This creativity operating in human life calls for our religious commitment. If the objector insist that our ultimate commitment must be given to the eternal being, because the creativity derives from that source, I reply: It is impossible for any man to adore, worship or otherwise recognize the eternal being, except as the creativity in human life creates in him the appreciative consciousness which is able to worship such a being, supposing that there is any eternal coherence of all reality. Therefor, no matter how we take it, religious commitment must be given first of all to the creativity which expands and deepens the appreciative consciousness of man. [xi]

So Henry Nelson Wieman makes it very clear that Nietzsche’s ‘God is dead’ is a lie; on the contrary God [Creative Interchange] is alive in every human being, so Creative Interchange eternally returns in every born soul, which is his take on Nietzsche’s ‘Eternal Return’. Wieman continues explaining, one more time, what he means by Creative Interchange:

The expansion and deepening of appreciative consciousness is accomplished by the kind of interchange which (1) creates in me some apprehension of what the other person values and (2) integrates this newly acquired form of appreciation with my own coherent appreciative consciousness. The integration may take the form of recognizing what the other person values without adopting his liking as me own, but nevertheless keeping his values in mind so that I can understand him by putting myself more or less in his place. In this way the appreciative consciousness of man is expanded and deepened. [xii]

Finally Wieman underlines once more the need of Man’s Ultimate Commitment to Creative Interchange:

The empirical philosophy of religion [i.e. Wieman’s philosophy] insists that religious belief should be shaped to direct the ultimate commitment of human life to what does in truth create, sustain, save and expand that coherence which sustains human life and deepens the appreciative consciousness to apprehend the greatest human good human life can ever attain. [xiii]

 

Nietzsche’s ‘Eternal return’ vs. Wieman’s ‘Creative Good’

Both, Nietzsche and Wieman, understood that the ‘Creative Good’ couldn’t be commanded. It has to work from the ‘inside-out’, so you have to want it in the first place. Wanting is necessary but not enough, the conditions so that the ‘Creative Good’ can thrive should be present.

While Nietzsche’s ‘Eternal return’ is a myth, Wieman’s ‘Creative Good’ is a reality.

Both, Nietzsche and Wieman, proclaim an active acceptance and ‘yes-saying’ to life; they accept life in its entirety and choose to live ‘Richly with Dark Realities’.[xiv]  This ‘yes-saying’ is, to both, based on the affirmation of our will.

Nietzsche wanted to state with his ‘Eternal return’ that the will is eternal, while Wieman wanted to state that the ‘Creative Good’ is eternal. Indeed the commitment to Creative Interchange should be ‘eternal’ as the living of Creative Interchange from within. This commitment to Creative Interchange provides the ultimate criterion for intensifying our existence. This intensification is based on the affirmation of our commitment.

Finally, it’s interesting to note that both, Friedrich Nietzsche and Henry Nelson Wieman, state that their belief – respectively the ‘Eternal Return’ and the commitment to live Creative Interchange from within, thus the ‘Creative Good’ – needs to be gradually incorporated in the human being.

 

___________________________________________________________________________________________________

[i]Nietzsche, Friedrich,The Gay Science, Translation by Walter Kaufmann, New York, NY: Vintage Books, A division of Random House, 1974, footnote 71, page 273:

Das grosste Schwergewicht. Literally the noun means heavyweight and this term is actually used to designate the heaviest class in boxing; but it is also used quite commonly for “main emphasis” or “stress.” In an earlier version of this aphorism, I rendered the title “The greatest 
stress!’ My reasons for concluding that Weight” is better are spelled out in the section on the Eternal Recurrence in the Introduction. Nietzsche himself considered section 341 the first proclamation of “the basic idea of Zarathustra” (Ecce Homo, BWN, 752), meaning the eternal recurrence.

[ii]Ibid. Aphorism 341, pp. 271-274.

[iii]The Nietzsche Reader, Edited by Keith Ansell Pearson and Duncan Large. Oxford, UK: Blackwell Publishing, 2006, p. 13.

[iv]Nietzsche, Friedrich. Thus Spoke Zarathustra. A Book for All and None.Translated by Adrian Del Caro. Cambridge, UK: Cambridge University Press. 2006, p. 115

[v]ibid. pp. 116-117.

[vi]Wieman, Henry Nelson. The Source of Human Good. op. cit. p. 10.

[vii]Ibid. Page 269.

[viii]Wieman, Henry Nelson. Seeking the Faith for a New Age. op. cit. p. 151

[ix]ibid.

[x]ibid. p. 152.

[xi]ibid. p. 153.

[xii]ibid.

[xiii]ibid. pp. 162-163.

[xiv]Wieman, Henry Nelson. Man’s Ultimate Commitment. Carbondale, IL.: Southern Illinois University Press. 1958, Chapter 3.

Friedrich Nietzsche vs. Henry Nelson Wieman (IV)

 

Part 4: The Übermensch (Superhuman)

  

Friedrich Nietzsche’s ‘Übermensch’

 

Towards the Superhuman

The antithesis of the last human being is the Overman. A word first on the lexicon used by Nietzsche and its translation in English. The German concept is “Übermensch”. “Mensch” is man in the sense generic – man and woman, the human being. For a long time “Übermensch” was translated in English as Overman, and later as Superman, but today we prefer to translate Übermensch by Superhuman, both to defuse a connotation too masculine, even macho and to avoid a too fast association with a figure of superhero or man of superior race.

The misunderstandings and racist interpretations of the concept have been numerous, as one knows. However, if the concept of Übermensch concerns humanity in its various polarities, we cannot deny that Nietzsche makes a rather virile representation of his concept of Superhuman. All examples of great personalities he cites in his work, which gives an idea of the type of human achievement that Nietzsche calls for (artists, politicians, writers), are men.

 

What is the Superhuman, according to Friedrich Nietzsche?

In Zarathustra’s Prologue [i], when Zarathustra is speaking to the crowd, he gives several definitions:

In the prologue chapter 3: “I teach you the superhuman. Human being is something that must be exceeded. What did you do to overcome him? “.

Or, in the prologue, chapter 4: “Mankind is a rope fastened between the animal and the superhuman – a rope stretched over an abyss.”

How to understand Zarathustra’s idea of ​​‘overcoming”?

This overcoming is above all a work on oneself, a creation of oneself, a self-discipline, which consists mainly of the elimination of negative affects: resentment, the desire for revenge.

For that mankind be redeemed from revenge:  that to me is the bridge to the highest hope and the rainbow after long thunderstorms. [ii]

Nietzsche formulated this requirement already in the 1870s. It is a common thread in fact in his life and work; and this thread is strongly tinged with biographical considerations. Thus, he wrote to an Italian correspondent in 1874 (10 years before the Zarathustra): “I can not set myself higher goals than to become one day, one way or another, an “educator” in a higher sense: but I am very far from this goal. I must first eradicate from myself any controversy, any negation, all hatred, all malice, and I tend to think that to be free we must first of all sum up what we flee, fear, hate: but then, never look back for the negative and the sterile! From then on it will be no-thing more than to plant, to build and create!” Letter to Emma Guerrieri-Gonzage (May 10 1874).

Nietzsche therefore conceives the education of himself as an internal struggle to extirpate resentment. This self-transcendence is not only an individual affair. Because what you need to neutralize, is more generally the ascetic morality conveyed by our Christian culture, the morality of renunciation and contempt, contempt for life and body. This implies expelling ascetic values, so a good deal of inherited culture.

This re-education of the self exposes a danger, the danger of isolation, of being alone against all (the danger for an exceptional human being who tries to rise above the mass), danger of inner emptiness – we have to replace the old values, the old illusions, which were perhaps partly harmful, but which structured us despite everything.

This reeducation and transformation requires necessarily time. It’s a slow process, a passage, a progress. From there this image of a rope stretched towards the superhuman, above of an abyss: the abyss is the risk of cynicism, nihilism, a relapse in bestiality. This passage, this tension is at the same time transition and decline: Übergang and Üntergang.

What is great about human beings is that they are a bridge and not a purpose: what is lovable about human beings is that they are a crossing over and a going under.

I love those who do not know how to live unless by going under, for they are the ones who cross over.[iii]

Indeed, we must accept to decline, to deny a part of oneself, to perish (this is the Üntergang idea) to cross the bridge that separates the human being from the Superhuman (this is the Übergang idea) and Zarathustra love those who can only live if they can perish, because by perishing they go beyond themselves.

The Superhuman is in fact the one who fully acquiesces in life. To life in all its aspects: destruction and creation, suffering and enjoyment, malice and goodness. In this respect, one of the most fantastical incarnations of the superhuman is undeniably Dionysus. This reference allows us to visualize what Zarathustra means when he says in chapter 3 of the prologue (still a defining element):

The superhuman is the meaning of the earth. Let your will say: the superman shall be the meaning of the earth! [iv]

So the Superhuman is the meaning of the earth (“der Sinn der Erde”). This means in fact a sanctification of life here below, earthly, corporal, of its pleasures, of his sensual, sexual, instinctual truths. And, the reverse, it is the rejection of all the metaphysical, idealistic projections that construct imaginary worlds; “back-worlds,” [“Hinterweltern”] says Nietzsche, to better despise this world, the only one yet truly existent. Let me refer to the speeches of Zarathustra: “Of the Hinterworldly”, “On the Despisers of the Body” or even “On the Bestowing Virtue” (Book I):

I beseech you, my brothers, remain faithful to the earth and do not believe those who speak to you of extraterrestrial hopes! They are mixers of poisons whether they know it or not. [v]

 

Nietzsche’s idea of Superhuman, where does it come from?

First of all, from the Greek culture. The idea is fed of Greek mythology. Friedrich Nietzsche’s early writings testify his interest in the Titans, in Prometheus (the one who steals fire from the Gods to offer it to men – this makes one think of Zarathustra, who goes down into the valley carrying the fire of his wisdom). Greek culture is also a culture of aristocrats, which exalts personalities of exception, the exploits of an Achilles or a Ulysses. This aristocracy is naturally magnetized, in Nietzsche, towards the creative geniuses, the artists, poets, and writers.

It is also during his schooldays in Pforta, in a piece devoted to the English poet Byron, that Nietzsche would have used, for the first time, the term Übermensch. He characterizes Byron as a “Übermensch who commands over spirits”, like a man who has known how to make of his life a work of art.[vi]

So Greek culture and classical culture – Friedrich Schiller, for example – are an important source of inspiration for Nietzsche, as a teenager, especially the young Schiller of the Sturm und Drang period who magnifies herofigures. At 15, Nietzsche writes: “I reread yesterday The Brigands: each time, it gives me a singular feeling. The characters seem to me almost superhuman. It looks like a titanic fight against religion and virtue, a struggle at the end of which it is the celestial omnipotence that wins an infinitely tragic victory “[FP 6 [77], August 24, 1859].

Nietzsche bathes in all this mythology, at once classic and romantic, which celebrates the aristocratic ideal of the great man. Another reference, generally less well known, more discreet in the work of Nietzsche is that of the American philosopher Ralph Waldo Emerson, attached to the transcendentalist movement, who is developing on the east coast of the United States towards the middle of the nineteenth century. Nietzsche discovers Emerson from his high school years. In 1881 Nietzsche will say, regarding Emerson’s Essays: “Never did I feel so much at home in a book “[FP 12 [81], autumn 1881]. He enjoys among other things in the American his gaiety of mind, the famous “Heiterkeit”, and his ability to create a beautiful interiority, as he says – to acquire a true culture, and not a simple erudition.

When Nietzsche wrote The Gay Science, he was reading Emerson, and in the first edition of The Gay Science he paraphrases Emerson: “Dem Dichter und Weisen sind alle Dinge befreundet und geweicht, alle Erlebnisse nützlich, alle Tage heilig, alle Menschen götlich.” Litterally: To the poet and sage, all things are friendly and allowed, all experiences profitable, all days hole, all men divine. Emerson’s original wording being: “To the poet, to the philosopher, to the saint, all things are friendly and sacred, all events profitable, all days holy, all men divine”.[vii]

Emerson is also developing a concept which owes much to his reading of Eastern philosophy, especially Buddhism and Hinduism – and this will interest Nietzsche: this concept is the “over-soul” (or the supreme soul). By this concept, as Nietzsche understands it, Emerson means the result of a process of appropriation by the individual of experiences historical and cultural extra-individual, the reception in itself of multiple potentialities of existence. Nietzsche has a dynamic conception of self, of individuality; a self in motion, in extension.

And besides the obsession of the great personalities, the other spring of the reflection of Nietzsche concerning the Superhuman, as we have just mentioned, it is the obsession with education, which must create a surpassing of oneself. Basically, Nietzsche is an educator, of himself and others. The Self-formation is certainly a personal asceticism, but it needs encouragement, It is for this reason that Zarathustra decides to dispense his wisdom.

This figure of the educator, Nietzsche approaches it from 1874, especially in his third Untimely consideration, entitled ‘Schopenhauer educator’, of which he says himself in Ecce Homo that it could have been called Nietzsche educator:

The way I understand the philosopher, as a terrible explosive that is a danger to everything, how remote my idea of a philosopher is from anything that includes even a Kant, let alone academic ‘ruminants’ and other professors of philosophy. The piece gives an invaluable lesson here, if we admit that what is basically at issue is not ‘Schopenhauer as Educator’ but instead it’s opposite, ‘Nietzsche as Educator’.  [viii]

In Schopenhauer educator Nietzsche claims:

[…] for your true nature lies, not concealed deep within you, but immeasurably high above you, or at least above that which you usually take yourself to be. Your true educators and formative teachers reveal to you that the true, original meaning and basic stuff of your nature is something completely incapable of being educated or formed and is in any case something difficult of access, bound and paralyzed; your educators can be only your liberators. [ix]

This quote contains a paradox: trainers are supposed to unveil something that escapes any training. This paradox is found in Nietzsche’s well-known aphorism, which he borrows from the Greek poet Pindar: “Become the one you are”. Indeed the ‘Gay Science’ aphorism 270 reads:

What does your conscience say? – ” You shall become the person you are.” [x]

Nietzsche gave later his Ecce Homo the subtitle: “How one becomes what one is.”

Nietzsche is not very faithful in paraphrasing Pindar’s idea. This can be translated into English as “As you have learned to know yourself” or even better as “Become as you have learned to be, to know yourself.” In this translation we find two things: a) the dimension of action (i.e. to become) and b) the dimension of knowledge (i.e. what you’ve learned). And it is this last dimension that will disappear in Nietzsche. Indeed, the concept of Pindar is: “As you have learned to know yourself through action.”  Pandor writes this sentence in a poem to Hieron who has just been victorious in the Pythian games (in this case the second Pythian games). These are athletics games, which measure the human potential (such as the Olympic Games). So it is about what Hieron is able to do and, in this case, he won. He is glorious and the task of Pindar is to manifest this glory, to versify it so that it does not fall into oblivion. In other words, to eternalize the glory of Hieron so that indeed something remains. The task of the poet is indeed essential for Hieron to become aware of and know what he has learned to be, what he has become by his action.

To “become the one we are”, means, to Nietzsche, not to attain a certain fulfillment of oneself, which would have been predetermined, as all the characteristics of an adult apple tree are in power in an apple seed; but rather to give shape to its existence according to unexpected experiences, experiments, without preconceived ideas, without a path drawn in advance, but with the desire to confront the contradictions of life, to open up to the multiplicity of the perspectives and not to be evasive and avoids the struggles. It must be remembered that Pindar launches his exhortation to a Pythian winner: the context is that of struggle, of rivalry and heroic surpassing oneself.

The action is to excel at games includes the idea of ​​being better than others and, as a result, one learns to know the qualities that make one better, so exceed the one we were before, in other words, what one is really capable of doing, and, at the same time, what other men are capable of doing; this also compared to other men. If I exel, I’m the best. This is related to another maxim in ancient Greek, maybe even more known, which is “Know yourself.” A precept engraved on the pediment of the temple of Delphi. This adage has been interpreted traditionally, more than an exhortation to self-knowledge, as a call to the awareness of one’s own limitations; in other words, take the measure of the human being and know that this measure of man is different from the divine measure. Since beside the “Gnauthi seaton” (“Become the one we are”) we have the phrase “Mêden agan” (“Nothing too much”), an obvious appeal to moderation; all this warns, according to Pindar, the human not to take himself for a God (if he does so he will burn his wings …).  Pindar invites us to understand the radical difference between the human species and the species of the gods, and Pindar in his odes, especially in the one he addresses to Hieron, puts the dimension of the action in the center. It’s about becoming who we are and in order to do so, we must act.  And that’s probably what interests Nietzsche the most and he takes it a step further when he says “Werde der du bist” (Becomes the one you are) and so the dimension of knowledge disappears.

The reason for this, Nietzsche explains in his more mature texts – from Gay Science and Zarathustra. He writes that to him, the concept of knowledge, as it is developed in Western philosophy – ie the concept of objective, adequate knowledge, etcetera – is devoid of meaning. He writes that the concept has a lot of lead in his wing; since when one knows, one only assimilates, one only appropriates, the exteriority, the otherness so that one misses the otherness for itself. So knowledge is always biased, since to Nietzsche, one can not think independently of one’s head.

The problem that Nietzsche has with the formula: “Become what you are!”, is that it states that you have to become this ‘thing’: the true self which would be at the bottom of us. As we have already seen, Nietzsche wrote: “The true nature [self] is not hidden deep within us, it is on the contrary infinitely beyond us; or at least above of that which you usually take yourself to be[what we commonly take as our true self].”, so according to Nietzsche, this true self is not to be reconstituted, it is not to be rediscovered”; we are not at Plato’s point of view, the real self is in Nietzsche to be build.

So according to Nietzsche, we must not think of knowledge as we do classically, but as an interpretation; knowledge is only interpretative and suddenly the question of knowing in an interpretative way becomes a knowledge that is also energizing; that is to say, a dynamic interpretation of Self, affirmative of Self, which enables us to go forward, towards a beyond Self. “To become self” to Nietzsche is a paradox, since it is always about overcoming oneself, surpassing oneself, there is a kind of dynamic tension in always renewing oneself.

On the other hand, education, rather than revealing content (for example, a set of virtues that would be necessary to develop), has to assert a principle: that of a transformation of oneself in adverse circumstances and self-transcendence. This is the very principle of the Superhuman. For Nietzsche the aim of a good education is to create the best conditions so that the true true philosopher can appear. What’s really interesting, in the second part of the above cited text from the 3rd untimely Meditation, is that the educator is not only the one that makes the qualities fructify, the educator is also the one who in this attempt, at a given moment, will discover something that resists. This resistance, basically, is what in a certain sense makes us original and what must be overcome to become our real Self. Because, and this is my Wiemanian interpretation, becoming one’s Original Self is becoming Authentic and overcoming an obstacle (i.e. freeing oneself from the Vicious Circle).

Moreover, we read in aphorism 2 of the Antichrist that in having to overcome an obstacle, on the path of becoming Self, lies a true joy in the strong sense.

What is good? – Everyting that enhances people’s feeling of power; will to power, power itself.

What is bad? – Everything stemming from weakness.

What is happiness? – The feeling that power is growing, that some resistance has been overcome. [xi]

So happiness is also about overcoming obstacles. Happiness is not a kind state, not a ‘democratic’ happiness, a state without waves and pure simple pleasure at bottom. Reading the above lines of Nietzsche regarding ‘walking the path of becoming Self’ with a Wieman mindset is, to me, really amazing:

What is good? – Everything that enhances people’s living of Creative Interchange (Nietzche’s Power being Yoda’s Force, being Wieman’s Creative Interchange), commitment to Creative Interchange (cf. Man’s Ultimate Commitment’), Creative Interchange

What is bad? – Everyting stemming from being a prisoner of the Vicious Circle.

What is happiness? – The feeling that (one’s ability to live ) Creative Interchange is growing; that the negative working of the Vicious Circle has been overcome.

In a posthumous fragment of 1882, Nietzsche confirms this existential ontology: “I want to teach men the meaning of their being: who is the superhuman”. If this idea of transformation, surpassing, perfecting of the self has in the beginning especially a psychological meaning it is, from the 1880s, taking in a biological connotation. When Nietzsche makes his Zarathustra say (Prologue, §3): “You have made the path from the earthworm towards becoming human, and you still have a lot of earthworms in you. In the past, you were monkeys, and even today the human being is more ape than any other monkey “, we can not but see an allusion to the theory of evolution species of Charles Darwin. The Origin of Darwin’s Species has been published in 1859; it is therefore a theory, for Nietzsche, of a burning topicality – and it is indeed extensively discussed in the second half of the nineteenth century.

How does Nietzsche relate to Darwin’s theory? Let’s say Nietzsche, like many of its contemporaries, is interested by the idea of an evolution of species, but he questions the principle of a struggle for survival. Nietzsche considers that life is “wealth, opulence” and not “scarcity” – and that if there is a struggle, it is most of all a struggle for power. In addition, he does not believe in Darwinist idea that during the course of natural selection the strong would prevail over the weak.

Nietzsche rather thinks opposite:

What surprises me most when surveying the great destinies of man is always seeing before me the opposite of what Darwin and his school see or want to see today: selection in favor of the stronger, in favor of those who have come off better, the progress of the species. The very opposite is quite palpably the case: the elimination of the strokes of luck, the uselessness of the better-constituted types, the inevitable domination achieved by the average, even below-average types.[xii]

Unless our-ape-genealogists gave him reasons why Homo sapiens were an exception to Darwinian evolution, Nietzsche was persuaded that “the school of Darwin has everywhere deceived itself.” [xiii]In struggle for man’s existence, it is not the highest, the strongest, the fittest and the fortunate that survive but the lower and the weaker who “predominate through numbers, through prudence, [and] through cunning.” Nietzsche argued that chance variation, contrary to Darwinian’s survival for the fittest, does not yield any benefit to the fittest. He observed that “nature is cruel towards its favourites, it spares and protects and loves the humble.” [xiv]

To use the vocabulary of Zarathustra, Nietzsche considers that the last human beings outweigh the supermen, he means that the reactive forces (anger, instinct of revenge, weak will, …) prevent the emergence of superior human types (creative, original, …). It is to remove this obstacle that he supports the project of training, a breeding (“Züchtung”) of humanity. Nietzsche writes in a posthumous fragment of 1885 (NF-1885,35 [72] & NF-1885,35 [73] May-July 1885):

There must be many superman: all goodness evolves only among its equals. A god would always be a devil! A ruling race. To “the lords of the earth.”[xv]

The hierarchy carried out in a systems of earth government: the lords of the earth last, a new ruling caste. Emerging from them here and there, quite Epicurean God, the Superman, the transfigurer of existence.[xvi]

Thus, becoming a Superhuman is certainly a work that the human being must lead on his own. And it is also a collective project. Nietzsche does not have a clear and detailed representation of the work to be done, and he does not imagine a specific political and institutional system that would dominate the caste of supermen. But he does speak of a hierarchical system. He draws up a typology of types of humanity (priest, scientist, philosopher, man of action, warrior) according to the degree of development of the vital forces within these types. The Superhuman is of course the type of superior fulfillment.

It should be noted that the emergence of the Superhuman is, according to Nietzsche, possible within many different cultures. This emergence has even already taken place at other times, in others places, and those have always been lucky shots of fate. He presents thus in L’Antichrist the men of the Italian Renaissance. The “philosopher-legislator”, which Nietzsche gives as an example, is he, who, by creating and teaching new values, helps to reduce the element of chance and favors the conditions for the advent of the Superhuman.

This is the meaning of this rather disturbing idea of dressage and breeding:

[…] what type of human must be bred, should be willedas having greater value, as being more deserving of life, as being more certain of future. [xvii]

We will come back on this problematic aspect of Nietzsche’s theory, notably certain eugenic traits; rather disturbing and which cannot be ignored.

 

Henry Nelson Wieman’s ‘Human committed to creative transformation’

Nietzsche’s point of view of the “Übermensch” brings me to Henry Nelson Wieman’s view of the “Human committed to creative transformation”.

According to our interpretation of Henry Nelson Wieman’s philosophy Nietzsche’s Superhuman is the Human who is committed to creative transformation, thus committed to the Greatest Good, to Creative Interchange. He wrote an entirely book on this concept: ‘Man’s Ultimate Commitment’. That this ‘Ultimate Commitment’ will lead to conflict is, according to Henry Nelson, inevitable, since the Human committed to creative transformation will go against the grain:

One cannot escape the conflict by abandoning society because interchange with others is necessary for any creative transformation of the mind at the highest human level.

[…] man is made not for human life as it is,  but for the creativity which transforms life. Therefor he must seek his freedom, his peace and his power, and all the great human values by commitment to a creativity, which overcomes the world as now existing by giving it a dimension and form of possibility beyond the compass of human ideals. [xviii]

We’ve already seen that to Wieman ‘creativity’ is a synonym of ‘creative interchange’. As Nietzsche’s ‘Superhuman’, Wieman’s ‘Human committed to creative transformation’ is constantly evolving. Another synonym that Wieman uses for Creative Interchange is ‘The Greatest Good’. With that in mind the following paragraph shows that Creative Interchange is a state of becoming and that there exists two processes of change: one that we call Creative Interchange and another that Charlie Palmgren coined the Vicious Circle:

The greatest good is not a changeless state of being. The most complete satisfaction can only be found in a process of change but this change must have the character which satisfies. If the process ceases to be the kind of change which satisfies and becomes the kind of change which frustrates and reduces satisfaction to a minimum, it is no longer good. [xix]

Indeed the Vicious Circle frustrates and leads to stress and to evasion and to a changeless state of being. Henry Nelson Wieman has described the opposite, the process of change which satisfies, repeatedly. About this creative transformation of the human, he writes, for instance:

It is that creative transformation of the individual which enables him to enter into fuller and more enriching interchange with other individuals, which enable him to find more to appreciate in a greater diversity of situations. […]

This process which expands and enriches the appreciable world cannot stop if the individual is to experience the greatest good. No matter what range and depth of positive value the individual may have reached, he cannot find satisfaction of his individuality in its wholeness unless the expansion and enrichment continue. If it stops at any level, no matter how rich his life may be, misery, frustration, and desperation can occur of the creative transformation does not continue. [xx]

This brings us back to ‘my’ formula: CI2: Continuous Improvement through living Creative Interchange. And Wieman writes repeatedly: “The individual must commit himself to creative good, here called creative transformation, to find satisfaction.”[xxi]

This ‘ultimate commitment’ requires work, hard work:

This commitment requires action to modify all the conditions of human existence in such a way that this creative transformation can operate most effectively throughout society ad human history. [xxii]

These conditions must enhance the probability that Creative Interchange thrives and The Vicious Circle slows down. I’ve always presented this with following picture:

 

 

Wieman’s take on, what Charlie Palmgren coined decades later the Vicious Circle, was based on what Harry Stack Sullivan called “security operations”[xxiii]. He paraphrase’s Sullivan’s thoughts as follows:

These are devices by which the individual protects his self-esteem. The individual ordinarily is not conscious of his own security operations; but he uses them to protect that sense of his own self-worth without which he cannot live with any hope nor any confidence. These security operations, however, do not give the individual a correct knowledge of himself nor of his own worth. They are essentially deceptive.

[…]

Yet the individual’s own idea of himself is very largely shaped by what others think of him, not that he necessarily agrees with what others think, but what he thinks of himself is built up in defense of their judgments. Consequently security operations are ways of thinking, feeling and acting performed to build and perpetuate a false picture of oneself, a false picture of other people and of the social situation.

These security operations which misrepresent oneself and others and the conditions of human existence cannot guide one into situations, which satisfy the individual in his true character and wholeness. They do the contrary. They mislead. Yet these security operations determine in great part what the individual thinks is his own worth and the worth of other people and what he thinks are the good things to seek and cherish in life. Yet so far as security operations dominate the individual, he seeks the opposite of what can satisfy himself in the wholeness of his being. [xxiv]

In other words: When one is committed to his Vicious Circle (cf. Charlie Palmgren) one is everything but committed to Creative Interchange (cf. Henry Nelson Wieman), so this human is no Superhuman (cf. Friedrich Nietzsche). A Human who is committed to creative transformation is living from its original worth, or, in Wieman’s words, from “the unity of the self”:

The chief evil of security operations is that they disrupt the unity of the self. Evidence seems to indicate that the newly born are unified as individuals and continue to have this unity until it is disrupted by security operations. [xxv]

Wieman states here that we are born as unifiedand that this unity is broken by the Vicious Circle. The unity of self is what sometimes is called the Creative Self or even the Original Self living from his Intrinsic Worth. Wieman goes on to describe the reunion of the created self with the Creative Self, the goal of the Human committed to creative transformation, in his words the ‘unified self’, as follows:

A unified self does not mean a self free of all conflicts. It does mean a self, free of conflicts which cannot be treated in such a way as to promote creative transformation. The unified self is not a static or completed condition but the very opposite. It cannot be achieved or approximated except by commitment to creativity [i.e. creative interchange]. Only by learning from others in depth and others learning for oneself in depth, thus releasing the wholeness of individuality in each, can man be unified and this unity be satisfied. But this involves continuous creative transformation with inner conflicts continuously undergoing modification.

This seems to indicate that man in his present condition is transitional to something beyond what he is now. He must either destroy himself or rise toward a level of being not yet within his reach of imagination. This was the teaching of Nietzsche and many others. But the imaginative picture of the super human set forth by Nietzsche cannot be correct precisely because no man in his present state can imagine what that higher level of being may be. The chief thing to be transformed in man is imagination [his mind], not his biological organism. Since the higher being will be chiefly distinguished by a transformed imagination, the imaginings of man today, including the imaginings of Nietzsche, cannot picture that transformed imagination. [xxvi]

Thus Nietzsche’s ‘Superhuman’ is Wieman’s ‘Human committed to creative transformation’. A transformation, which has to be continuous and the final outcome is not known, cannot be imagined. We’re talking about the Creative Self who transforms the created self continuously and that transformation cannot be controlled from the outside-in. That creative transformation is a reality, which Wieman explains as follows:

The goal of this commitment is to unify the self for action, to attain that reorganization which will have right intuitions, and to join oneself with the most important reality there is. The most important reality is the creative transformation of man, which is going on in human history.

That man can undergo creative transformation is demonstrated by the fact that it has actually occurred to various degrees in many cases. […]

Albert Camus has said, “man has not been endowed with a definite nature… is not a finished creation but an experiment of which he can be partly the creator.” Nietzsche, Paul Sartre, G.B. Shaw, Hegel, Karl Marx, Arnold Toynbee and others have expressed the same idea. […] These men do not agree on the kind of transformation, which will bring man to the kind of being which he must become if he is to be saved from degradation or destruction, nor do they agree on the procedures to be followed to this end.  But that man is not complete, that he is in process of being created, that he must be further transformed before he can attain his definitive nature, on this crucial issue they all agreed.[xxvii]

This transformation we consider is in fact a transformation of the mind. We’re coming back to one of Wieman’s basic questions: “What can transform the mind, since the mind can’t do this on its own?” Henry Nelson Wieman claims in this context:

The reorganization of the conscious and unconscious levels [of the mind] of the human being is the greatest good to be sought because [1] it is triumphant over the dark realities, [2] it enables one to act effectively under the guidance of reliable intuition, [3] it unifies the self so that all the resources of his life can be bought into action, [4] it satisfies the wholeness of his being as nothing else can do. [xxviii]

The commitment to Creative Interchange has thus four major benefits: it is triumphant over the dark realities, including death; it enables one to make the right decision in the midst of a crisis and the accompanying ambiguity; it reconnects with the OIriginal Self so that the whole self can brought into action and it is incredible satisfying. The goal of personal commitment to Creative Interchange is to bring about this creative transformation of the self and like transformation in others. Wieman sees technology as one of the needed conditions that must be present for creativity to operate widely and securely throughout human life:

A technology must be created capable of providing all men with the utilities and environmental conditions to undergo creative transformation indefinitely beyond the present state of human existence. Such a technology carries with it a system of communication and interdependence reaching all people of the planet. This magnified power of control and this worldwide interdependence can bring on great evils and can reduce creativity to a minimum. In many cases such has been the consequence and it will continue to be so, with greater evils to come, unless a [last] condition is added to [this one]. [xxix]

So Henry Nelson Wieman predicted the invention of communication systems like the worldwide Internet and the interdependence of all people, together with some of the great dangers of this technology, like the potential danger of Artificial Intelligence. To cope with this dangers he identifies his ‘last’ condition, that our world must bring forth the next two or three hundred years, in order to reach the fullest attainment of human good:

The [last] condition is what we have been describing throughout this writing. It is change of institutions and action of individuals resulting from recognition of the moral predicament of man and from practice of personal commitment. It is a change in institutions and action of individuals which will bring into the lives of many people the dominance of creativity which in the past has occurred only in the lives of a few. This is not only our vocation and opportunity. It is a demand forced by a peril hanging over us more deadly than ever before threatened the whole of humanity at once. This peril may never cease to threaten so long as civilization continues. But it may be mastered by turning it into a servant of man’s creative transformation. [xxx]

In this part Henry Nelson Wieman is in fact talking about the Vicious Circle and the Creative Interchange process, and states that we must know them both and understand them appreciatively if life is ever to rise to greatness. But understanding both is not a guarantee for success. We must live up to the responsibility to choose for the commitment to Creative Interchange. We won’t live the process always perfectly. Fact is that a human being has now the power to meet the demands of Creative Interchange as it could not before. Henry Nelson Wieman closes his book ‘Man’s Ultimate Commitment’ with following remarkable paragraphs:

I have explained what I mean by creative and transforming power. I mean two things [1] interchange which creates appreciative understanding of unique individuality; [2] integration within each individual of what he gets from others in this way, thus progressively creating his own personality in power, knowledge, and capacity to appreciate more profoundly diverse individuals, peoples and things.

I know that I cannot be in error in holding the belief that I am at least partially in error concerning the character of the reality to which I am ultimately committed. Hence I know with certainty that I am ultimately given to what is more than, and in some respects different from, everything affirmed in this book. With this triumph over error I make my last commitment: I cast my error, my failure, and my guilt into the keeping of creative and transforming power. [xxxi]

 

Nietzsche’s ‘Superhuman’ vs. Wieman’s ‘Human committed to Creative Interchange’

Nietzsche’s and Wieman’s thinking are both unfinished works. This is in adequacy with their major subjects: the ‘Superhuman’ and the ‘Human committed to Creative Interchange’. Indeed, both are promises open on the future, a steep path without a predefined goal; it’s a direction towards a higher level of humanity.

To Nietzsche, the ‘Superhuman’ is “the meaning of the earth” and to Wieman, the ‘Human committed to Creative Interchange’ is committed to “what operates in all human life to create, save and transform.”

Both, Nietzsche and Wieman have a dynamic conception of self: a self in motion, extension, and expansion. They are paraphrasing somehow Pindar’s formula “Become what you are.” The difference between the two is that Nietzsche denies and Wieman embraces that it states that you have to become your Original Self. To Nietzsche, the real self is to be build and to Wieman the Original Self is to be re-discovered; both agree that this can only happen through struggle and action.  “To become self” is to Nietzsche about surpassing yourself and to Wieman about becoming your Original Self by surpassing your actual created self using your Creative Self, core part of your Original Self.

A main difference between Nietzsche’s ‘Superhuman’ and Wieman’s ‘Human committed to Creative Interchange’ is that Nietzsche speaks of a hierarchical system, so the Superhuman is still part of the happy few and according to Wieman everybody can commit himself to Creative Interchange and obtain superior fulfillment that way.

Both, Nietzsche and Wieman were interested in Buddhism. In this essay Nietzsche’s interest in Buddha and Buddhism has been described several times. Less known is that Wieman has been considered as a Buddhist by several writers and even by his daughter. For instance, in his article, “Creativity in the Buddhist perspective” Nolan Pliny Jabobson cites a paragraph of Wieman’s ‘Intellectual Autobiography’ that “might have been written by a Buddhist” [xxxii]You can find more in ‘Buddhism and Wieman on Suffering and Joy’ written by David Lee Miller, chapter 6 of a book edited by Kenneth K. Inada and Nolan P. Jacobson ‘Buddhism and American Thinkers’. [xxxiii]

In another book, Nolan P. Jacobson cites Miller: “Creative interchange as the Bodhisattva Ideal is a model that calls for a certain kind of rationality that is integral to the flow of life, centering us in the depths of the sustaining and transformation foundations of life.” And continues:

On hearing Miller’s paper at the Conference, Wieman’s wife Laura, came forward to tell Miller that Wieman’s daughter, Kendra, had come to much the same conclusions, presenting a paper entitled “Creation Without a Creator” at a recent meeting in Berkeley. “I’ve always believed,” Kendra Smith says, “that there was more similarity between my fathers thinking and Buddhism than he ever conceded.”[xxxiv]

__________________________________________________________________________________

[i]Nietzsche, Friedrich. Thus Spoke Zarathustra. A Book for All and None.Translated by Adrian Del Caro. Cambridge, UK: Cambridge University Press. 2006, pp. 3-16.

[ii]ibid. – On the Tarantulas – p. 77.

[iii]ibid. Prologue 4,p. 7.

[iv]ibid. Prologue 3,p. 6.

[v]ibid. Prologue 3,p. 6.

[vi]Safranski, Rüdiger, Nietzsche A Philosophical Biography, Translated by Shelley Frisch, London: Granta Books, 2002, p. 35.

[vii]Nietzsche, Friedrich,The Gay Science, Translated by Walter Kaufmann, New York, NY: Vintage Books, A division of Random House, 1974; Translator’s Introduction, pp. 7-8.

[viii]Nietzsche, Friedrich, The Anti-Christ, Ecce Homo, The Twilight of the Idols, and Other Writings. Translation Judith Norman. Cambridge UK: Cambridge University Press, 2005, p.115.

[ix]Nietzsche, Friedrich, Untimely Meditations,Translated by R. J. Hollingdale. Cambridge, UK: Cambridge University Press. 2007, p. 129.

[x]Nietzsche, Friedrich,The Gay Science, Transl. by Walter Kaufmann, op. cit. aphorism 270, p. 219.

[xi]Nietzsche, Friedrich, The Anti-Christ, Ecce Homo, The Twilight of the Idols, and Other Writings. Translation Judith Norman. Op. cit. p. 4.

[xii]Nietzsche, Friedrich, Writings from the late Notebooks, Translated by Kate Sturge, Cambridge, UK: Cambridge University Press. 2003, p. 258.

[xiii]ibid. p. 259.

[xiv]ibid. p. 260.

[xv]http://www.nietzschesource.org/#eKGWB/NF-1885,35[72]

[xvi]http://www.nietzschesource.org/#eKGWB/NF-1885,35[73] II

[xvii]Nietzsche, Friedrich, The Anti-Christ, Translated by Judith Norman, Cambridge, UK: Cambridge University Press, 2006. Aphorism 3, p. 4.

[xviii]Wieman, Henry Nelson. Man’s Ultimate Commitment, Lanham, Maryland: University Press of America ®, Inc. Reprint, Originally published: Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958, p. 73.

[xix]ibid. p. 105.

[xx]ibid. pp. 105-106.

[xxi]ibid. p. 107.

[xxii]ibid. pp. 107-108.

[xxiii]Sullivan, Harry Stack. The Interpersonal Theory of Psychiatry,New York NY: Norton, 1953, pp. 261-263 and 290-291.

[xxiv]Wieman, Henry Nelson. Man’s Ultimate Commitment, op. cit. pp. 108-109.

[xxv]ibid. p. 109.

[xxvi]ibid. pp. 109-110.

[xxvii]ibid. p. 294.

[xxviii]ibid. p. 295.

[xxix]ibid. p. 303.

[xxx]ibid. p. 304.

[xxxi]ibid. pp. 305-306.

[xxxii]Jacobson, Nolan, Pliny. Creativity in the Buddhist Perspective. The Eastern Buddhist, New Series, Vol. 9, No. 2, October 1976, p. 55.

[xxxiii]Ed. Inada, Kenneth, K. & Jacobson, Nolan P. Buddhism and American Thinkers, Albany: State University of New York Press, 1984, pp. 90-110.

[xxxiv]Jacobson, Nolan Pliny. Understanding Buddhism, Carbondale ILL: Southern Illinois University Press. 1986, p. 125.

Johan Roels