SAWUBONA, HANNAH ARENDT – DEEL IV

Waar zijn we wanneer we denken?

In haar boek Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) stelt Hannah Arendt na het beantwoorden van de vraag “Wat zet ons aan het denken?” volgende bijkomende vraag: “Waar zijn we wanneer we denken?”

We leerden al dat het denken een activiteit is die zichzelf tot doel heeft en dat de enig passende metafoor ervoor het gevoel is ‘in leven te zijn’. “Ik denk, dus ben ik in leven” wat het vertrekpunt was van de filosofie van Descartes.

Maar, waar vertoeven we als we aan het denken zijn, vraagt Hannah Arendt zich af.

Zoals in vorige columns aangetoond, wordt het denken gevisualiseerd door de linker lus van m’n Cruciale Dialoogmodel:

Dus zou ik Hannah’s vraag kunnen beantwoorden met: “We bevinden ons in de linker lus van het Cruciale Dialoogmodel.” Dit antwoord leidt dan automatisch naar volgende vraag: “Maar waar bevindt die linker lus zich?”

Tantôt je pense et tantôt je suis (Valéry): het nergens

De dichter Paul Valéry verdraaide de beroemde formule van Descartes en zette daarmee de Franse nationale trots een dot van een neus. Terzelfdertijd zet die uitspraak de filosofische kwestie van het Denken en het Zijn op scherp. Het is alsof denken en werkelijk zijn elkaars tegengestelde zouden zijn. Descartes leidt het bestaan van zichzelf (en dus van mensen) af uit hun vermogen om te redeneren. Valéry nuanceert de conclusie van Descartes met een vermakelijke elegantie: natuurlijk denk ik soms, en laten we wel wezen… ik denk alleen maar soms! Hannah Arendt gebruikt die oneliner van Paul Valéry meesterlijk om haar punt te maken. 

Hannah Arendt (2021, pp. 218-220) formuleert drie stellingen:

1. Het denken gebeurt altijd wanneer men in rust is. Het denken onderbreekt alle gewone activiteiten en wordt door die activiteiten onderbroken;

2. Het denken lijkt ‘werkelijk’, terwijl al wat enkel ‘is’, zo vluchtig lijkt dat het net is alsof het niet bestaat. Arendt citeert daarbij Hegel’s stelling: “Was gedacht ist, ist; und was ist, ist nur, insofern es Gedanke ist.” (Wat gedacht wordt, is; en wat isis alleen maar voor zover het gedacht wordt);

3. Deze vreemde kenmerken van het denken komen voort uit de terugtrekking die inherent is aan alle mentale activiteiten; het denken laat zich altijd in met dingen die afwezig zijn; het verwijdert zich uit wat aanwezig en dicht bij de hand is. 

Uiteindelijk komt ze tot het besluit dat het denkende ego ‘nergens’ is:

Het denkende ego, dat zich in het universele beweegt, tussen onzichtbare essenties, is strikt genomen nergens: het is in een nadrukkelijke zin ontheemd – wat het vroege ontstaan van een kosmopolitische geest onder filosofen zou kunnen verklaren. (Arendt, 2021, p. 220)

Volgens haar was Aristoteles zowat de enige grote denker die dat besef had. Deze prijst in Protreptikos de bios theôrêtikos, omdat “die noch middelen noch plaatsen nodig heeft om te worden beoefend; wie zich, waar op aarde ook, aan het denken wijdt, zal overal de waarheid bereiken alsof ze daar aanwezig is”. (Arendt, 2021, p. 221)

Om nadien te stellen dat haar vraag naar de plaats van het denkende ego een misplaatste vraag is en dat omdat:

Het denkende ego is “overal” – het verzamelt in zijn aanwezigheid al wat het belieft, vanuit gelijk welke afstand in tijd en ruimte, want die doorkruist het met een snelheid, groter dan die van het licht. Maar bekeken vanuit het perspectief van de alledaagse wereld van de verschijnselen, is dit “overal” een “nergens”. (Arendt, 2021, p. 221)

En gezien we bestaan, want we denken, is dit ‘nergens’ niet het tweevoudig nergens van voor en na ons bestaan. Wat Arendt (2021, p.222) dan weer aanzet om na te denken over onze eindigheid:

De eindigheid van de mens is onherroepelijk, krachtens zijn eigen korte tijdsspanne in de tijd, die zich zowel in het verleden als in de toekomst oneindig uitstrekt. Deze eindigheid is als het ware de infrastructuur van alle mentale activiteiten: ze manifesteert zich als de enige werkelijkheid waarvan het denken als denken besef heeft, wanneer het denkende ego zich uit de wereld van de verschijnselen heeft teruggetrokken en het gevoel van werkelijk-zijn, inherent aan de sensus communis waarmee we ons in de wereld oriënteren, verloren heeft. 

Daaruit besluit Arendt dat Valéry’s opmerking – die ze interpreteert als wanneer we denken, zijn we niet – juist zou zijn indien ons gevoel van werkelijk te bestaan enkel zou bepaald worden door ons ruimtelijk bestaan. Wij zijn echter niet enkel in de ruimte, we zijn ook in de tijd, merkt Arendt (2021, p. 222) fijntjes op. Tijdens het denken herinneren we ons zaken, plukken die uit het geheugen en met de wil anticiperen we tijdens het denken op (en plannen we) wat nog niet is. De conventionele tijdlijn is dwingend in haar opvolging, vandaar dat in m’n Cruciale Dialoogmodel de linker lus het verleden, het midden het heden en de rechter lus de toekomst is.

De bres tussen verleden en toekomst: het nunc stans

Arendt stelt dat tijdens het denken over ‘wat niet meer is’ gaat over wat achter ons ligt en denken over ‘wat nog niet is’ ons van voren nadert (en duidt dat laatste met het Duitse ‘zukunft’ en het Franse ‘avenir’, als “wat toekomt”). Daarmee wordt het tijdscontinuüm verdeeld in drie tijdsdimensies: verleden, heden en toekomst. Arendt (2021, p. 224) ziet verleden en heden als elkaar tegenstanders en begrijpt ze als antagonistische krachten. Die krachten grijpen aan in het heden, dat ze ziet als de bres tussen verleden en toekomst. Die visie is ook gesymboliseerd in de tegenstrijdige krachten tussen de gewenste realiteit (de toekomst) en de huidig realiteit, die gecreëerd werd door het verleden. Deze spanning tussen verleden en toekomst werd door Fritz (1989) ‘structurele spanning’ genoemd:

Origineel concept is van Robert Fritz. Figuur uit Senge, P.M. (1992) De vijfde discipline, p. 153

De bres tussen verleden en toekomst wordt gezien als de arena van de vechter. Die vechter, de mens, is continu gevangen tussen zijn verleden (links) en de toekomst (rechts) en de spanning grijpt in op diegene die zijn heden beleeft. Dit heden is zowat het vluchtigste wat er is, terwijl je het aanwijst is het reeds verleden. De mens leeft in dit ‘tussen’ tijdsgewrocht en vecht een levenslange strijd tegen het dode gewicht van het verleden dat hem tegen wil houden en de hoop op de toekomst die hem voortstuwt, of anders gesteld, de hoop die hem vooruit stuwt naar een betere toekomst en een vrees voor die toekomst (met als enige zekerheid de dood) die hem terugdrijft naar de zekerheid van het verleden. Met nostalgie naar en herinnering aan de enige werkelijkheid waar de mens zeker van kan zijn, schrijft Arendt (2021, p. 226). 

Zelf zie ik dat als een continu gevecht tussen het gecreëerde zelf, die door z’n Vicieuze Cirkel vastzit in z’n ‘gouden kooi’ en het Originele Zelf die het actuele zelf aantrekt in de richting van z’n hoogste niveau en hopelijk het (continu) evoluerend zelf wordt. Dus terug de twee raderen die in elkaar inwerken, niet af en toe, eerder quasi continu (Roels, 2012, p. 305). Dit gevecht wordt enig mooi beschreven door Henry Nelson Wieman (1990, p. 72):

Man is made for creative transformation as a bird is made for flight. To be sure he is in a cage much of the time. The bars of the cage are the resistances to creative transformation which are present in himself and in the world round about. Also, like most birds when long confined, he settles down in time and loses both the desire and the ability to undergo creative transformation. But in childhood creativity dominates. The mind expands its range of knowledge and power of control, its appreciative understanding of other minds and its participation in the cultural heritage. At no other time is there so much expansion and enrichment of the mind and of the world which the mind can appreciate. But resistances are encountered, which bring on anxiety, frustration, failure and misunderstanding. To avoid suffering, the mind becomes evasive and creativity dies down.  The bird ceases to beat against the bars of the cage.

Arendt (2021, p. 225) citeert een allegorie van Friedrich Nietzsche uit diens Aldus sprach Zarathoestra. De allegorie start wanneer Zarathoestra aankomt bij een doorritpoort, die kan gezien worden als het gemeenschappelijk punt van twee wegen. Een weg naar en een weg van de poort.  

Twee wegen komen hier te zamen; die wegen liep niemand nog ten einde. Deze lange weg terug: die duurt een eeuwigheid. En die lange weg rechtuit – dat is een andere eeuwigheid. Ze spreken elkander tegen, deze wegen; ze stoten elkaar recht voor het hoofd: – en hier bij deze wegpoort is het, dat zij elkander raken. De naam van de poort staat er boven geschreven: “ogenblik” (“Augenblick”). … Zie dit ogenblik! Vanuit deze doorrit-poort “Ogenblik” loopt een lange eeuwige weg terug: achter ons ligt een eeuwigheid. [En voorwaarts leidt een andere weg in een eeuwige toekomst.] 

De persoon die in die in de doorritpoort staat ziet dit als twee wegen, van op een afstand bekeken is er uiteraard enkel een doorlopende weg. De ‘botsing’ ervaart enkel diegene die op dat ogenblik op die bewuste plaats staat. Zij of hij staat dan in het ‘nu’. Enkel voor haar of hem is het alsof Verleden en Toekomst tegenelkaar knallen. De eeuwigheid (en dus Nietzsche’s eeuwige terugkeer) is het ‘nu’.

In het dagelijkse leven bestaat die bres omzeggens niet, de continuïteit van onze activiteiten zorgt voor een tijdscontinuüm: we doen vandaag verder met wat we gisteren begonnen en morgen hopen af te maken. De bres tussen verleden en toekomst opent zich alleen in reflectie. Tijdens die reflectie wordt wat afwezig is, want we zijn niet aanwezig in het heden, binnen de aanwezigheid van de geest getrokken. Arendt (2021, p. 227) ziet die denkactiviteit als een gevecht met de tijd zelf:

Alleen omdat “hij” denkt, en dus niet langer meegesleept wordt door de continuïteit van het dagelijkse leven in een wereld van verschijnselen, kunnen het verleden en de toekomst zich als pure entiteiten manifesteren, zodat “hij” een besef kan krijgen van een niet- meer dat hem vooruitduwt en van een nog-niet dat hem terugduwt. 

Die bres kan gezien worden vanuit het standpunt van het denkende ego als een onbeweeglijkheden, een nunc stans. Dit is de betekenis van de stop in ‘stop and think’ van reflectie. De tijd wordt bevroren tot het staande nu, het nunc stans. En gedurende dit staande nu wordt het Cruciale Dialoogmodel doorlopen en dat in alle richtingen en aan lichtsnelheid.

Arendt (2021, p. 232) zegt nog over het nunc stans het volgende:

De temporele dimensie van het nunc stans die in de denkactiviteit ervaren wordt, brengt de afwezige dimensies, het nog-niet en het niet-meer, samen in zijn eigen heden. Dit is Kants “land van het zuivere verstand” (Land des reinen Verstandes), “een eiland, dat door de natuur zelf met onveranderlijke grenzen is ingesloten” en “dat wordt omgeven door een wijde en stormachtige oceaan”, de zee van het alledaagse leven. Ik denk niet dat dit “het land van de waarheid” is, maar het is zeker het enige domein waar het betekenisvolle geheel van iemands leven zichzelf kan tonen. Voor sterfelijke mensen, wier bestaan, in tegenstelling tot alle andere dingen die pas echt beginnen te zijn wanneer ze voltooid zijn, eindigt wanneer het niet meer is, blijft dit betekenisvolle geheel ongrijpbaar (nemo ante mortem beatus esse dici potest). Alleen in de bres van het nunc stans kan dit ongrijpbare geheel van het menselijk bestaan zich tonen als de zuivere continuïteit van het ik-ben, een durende aanwezigheid te midden van de altijd veranderende vergankelijkheid van de wereld. 

Bij het begrip nunc stans denk ik steevast aan de tekst van Leonard Cohen’s lied ‘Anthem’ uit z’n album ‘The Future’ (1992), met de boodschap van hoop in donkere tijden. De eerste strofe maakt mij duidelijk dat je elke dag opnieuw het creatief wisselwerkingsproces dient te beleven; dus in het nu. Dat je bovendien niet langer achteruit mag kijken dan strikt nodig, en dan enkel om lessen uit dat verleden te trekken teneinde er effectief iets mee te doen in het nu. Je mag zich ook niet verliezen in dromen over de toekomst. Op zich is het hebben van een droom goed, het zich verliezen in dromerij is dat helemaal niet. Een droom is een richtsnoer, dat men nodig heeft om het in het nu te volgen. Je creëert de toekomst die je wil in het nu; niet in het verleden en ook niet in de toekomst! 

Het helder bewust leven in het nu is verre van gemakkelijk. Dit is een van de weinige zekerheden die in het nieuwe paradigma overheid is gebleven. Het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking (waarvoor in het lied de duif als metafoor wordt gebruikt) is en blijft vechten tegen de persoonlijke Vicieuze Cirkel

The birds they sang At the break of day   Start again
I heard them say
Don’t dwell on what  Has passed away
Or what is yet to be  Yeah the wars they will Be fought again
The holy dove
She will be caught again Bought and sold
And bought again
The dove is never free 

Het refrein herinnert mij er aan dat ik het beste van mezelf dien te geven en niet mag wachten tot wat ik doe perfect is. Imperfectie is geen probleem, want door elke imperfectie (‘the crack’) komt The Ligth (het licht) binnen. The Light is wat Yoda The Force noemt (Keshner, 1980) en ik Creatieve wisselwerking (Roels, 4 februari 2018). Leonard Cohen zei ooit, vertaald in het Nederlands, naar verluid over dat refrein het volgende (Werber; 11 november 2016): 

De toekomst is geen excuus om afstand te doen van je eigen persoonlijke verantwoordelijkheden ten opzichte van jezelf, je werk en jouw liefde. “Laat de klokken, die dat nog steeds, kunnen klinken.” Ze zijn met weinig, maar je kunt ze vinden. 

Het refrein gaat als volgt: 

Ring the bells (ring the bells) that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack in everything (there is a crack in everything)  That’s how the light gets in

Er bestaan verschillende verhalen over waarop Leonard Cohen zijn beroemd geworden quote – “There is a crack in everything. That’s how the light gets in” – baseerde . De meest geciteerde verklaring over de bron van die quote is een verhaal uit het boek van de Boeddhist Meditatie leraar, Jack Kornfield (2002), ‘A Path With Heart’. Reden voor die verklaring is waarschijnlijk dat Cohen zelf Boeddhist werd met de bedoeling ‘heel’ uit een zware depressie te komen. Dit lukte hem uiteindelijk na jaren verblijf in een Californisch Zen Boeddhistisch klooster (Abramović, 14 november 2016). 

Het bewuste verhaal gaat over een jonge man waarvan een been diende geamputeerd te worden teneinde hem te redden van een gewisse dood. Die jongen leed aan een agressieve beenkanker. De kanker werd effectief overwonnen. Om het trauma veroorzaakt door het verlies van een been te kunnen verwerken, werd hij intensief begeleid door een vrouwelijke dokter, Naomi Remen. Deze arts gebruikte onder meer kunst en meditatie om mensen, niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk, te genezen. In het begin van zijn therapie tekende de jongen op de rand van razernij zichzelf als een vaas met een lelijke barst. Wanneer hij, na jaren therapie en meditatie, de innerlijke vrede teruggevonden heeft, door de arts wordt hij confronteerd met een van z’n eerste tekeningen. Zijn directe reactie was: “Oh, deze tekening is niet afgewerkt.” De arts suggereerde om alsnog de tekening af te werken, wat hij deed. Hij bewoog een vinger over de dikke barst en zei tot de dokter: “Kijk eens naar die barst, daar komt het licht doorheen.” Hij nam een geel potlood en tekende het stromend licht doorheen de barst van het lichaam van de vaas en zei: “Onze harten kunnen sterk groeien op de gebroken plaatsen.” 

Hoe mooi deze verklaring ook is, ze is onmogelijk. Jack Kornfield’s boek werd voor het eerst gepubliceerd in 1993 en de song ‘Anthem’ werd uitgebracht in 1992. In een interview met singersongwriter Paul Zollo (Zollo, 1992) verklaarde Leonard Cohen dat “it took a decade to write Anthem” en met betrekking tot de quote: 

That’s old, that’s very old. That has been the background of much of my work. I had those lines in the works for a long time. I’ve been recycling them in many songs. I must not be able to nail it. (Zollo, 2003).  

Ook de tweede strofe is een ode aan die imperfectie. Direct perfect, de oude slogan van de kwaliteitsgedachte van de jaren tachtig, is een leugen. Imperfectie verbonden aan continue verbetering door transformatie is het nieuwe normaal. 

Het eigen commentaar van Leonard Cohen luidt als volgt (Werber; 11 november 2016): 

Deze situatie kent geen perfecte oplossing. Dit is ook niet de plaats weer men dingen pefect maakt; noch in je huwelijk, noch in je werk, noch in je liefde voor jouw familie of land. Het leven is onvolmaakt. 

De strofe zelf luidt: 

We asked for signs  The signs were sent  The birth betrayed  The marriage spent Yeah the widowhood  Of every government  Signs for all to see 

En terzelfdertijd dienen we er ons bewust te zijn van de hypocrisie van wat Leonard Cohen de “lawless crowed” en de “killers in high places” noemt. The Crack kan dus ook gezien worden als de scheur in de muren van corruptie, in regeringen en in de machtigen van deze aarde. Het gaat om structuren die ons omwikkelen, gevangen houden, van buiten naar binnen controleren en die mensen tot slaaf maken en de middelen van de wereld knechten. In mijn optiek gaat het om de Vicieuze Cirkel. Zoals Leonard Cohen heb ik besloten mij niet te laten knechten en dus niet tevreden te zijn met de status quo. Het gaat niet alleen om persoonlijke groei, het gaat ook om anderen te inspireren. 

I can’t run no more
With that lawless crowd
While the killers in high places
Say their prayers out loud
But they’ve summoned, they’ve summoned up  A thundercloud
And they’re going to hear from me 

Die laatste zin doet mij dan weer denken aan een uitspraak van Martin Luther King (1967): “We must speak with all the humility that is appropriate to our limited vision, but we must speak.” 

De strofe wordt gevolgd door het refrein, dat oproept om zowel wakker als authentiek te blijven. Leonard Cohen zegt daarover (Werber; 11 november 2016): 

Er is een scheur in alles wat je kunt samenstellen: fysieke objecten, mindsets, kortom constructies van welke aard dan ook, fysiek of mentaal. Er is echter hoop, want een scheur is waar het licht binnenkomt, waar de opstanding is, waar de terugkeer en de berouw is. Het is de confrontatie van de gebrokenheid der dingen. 

Door die gebrokenheid groeien we omdat we beseffen dat alles wat gebroken is op een of andere manier kan hersteld worden, terug ‘heel’ gemaakt worden. 

(Ring, ring, ring, ring)
Ring the bells that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in 

De laatste strofe is een oproep tot synergie. Hetgeen ik uiteraard interpreteer als een oproep tot het van binnenuit beleven van Creatieve wissselwerking, dat ook voor Leonard Cohen synoniem is van Liefde: 

You can add up the parts  You won’t have the sum  You can strike up the march There is no drum  Every heart, every heart to love will come  But like a refugee 

Om die laatste zin ‘But like a refugee’ waarderend te kunnen begrijpen dien je te overwegen dat Leonard Cohen sterk beïnvloed was door het Boedhisme. Dus kan die zin een specifieke Boedhistische betekenis hebben. Er bestaat een Boedhistische ceremonie, “Taking Refuge (Toevlucht zoeken)” genaamd. De uitgesproken geloften tijdens deze ceremonie zijn: “Ik zoek toevlucht bij de Boeddha (de leraar), ik zoek toevlucht bij de darhma (de leerstellingen), ik zoek toevlucht bij de sangha (de gemeenschap van Boeddhisten).” Je doet deze geloften om jou< toewijding aan het boeddhistisch pad te versterken. Het is niet verwonderlijk dat ik daarin Man’s Ultimate Commitment (Wieman, 1990) voor Creatieve wisselwerking zie. Ook Henry Nelson Wieman was beïnvloed door het Boeddhisme (Rice, 1017). 

De betekenis van ‘toevlucht zoeken’ is een ietwat complex en potentieel verwarrend. Maar is Creatieve wisselwerking ook niet ‘Kunnen omgaan met ambiguïteit’?!? Volgens mijn interpretatie betekent ‘toevlucht zoeken’ het tegenovergestelde van wat men zou kunnen denken. Men zoekt geen toevlucht om veilig te zijn, toevlucht zoeken is een verplichting die men zich oplegt om de realiteit van ongegrondheid te ervaren (i.e. het tegenovergestelde van veiligheid in de betekenis van ‘securitiy’). Die veiligheid is overigens een illusie gebleken. Toevlucht zoeken tot Creatieve wisselwerking is bereid zijn om het eigen denkkader (Mindset) in vraag te stellen en zich volledig open op te stellen en compleet wakker (i.e. helder bewust) te zijn. Het eigen referentiekader mordicus vasthouden komt neer op vasthouden wat een veilig en stabiel gevoel geeft. Dit is de identiteit van de gecreëeerde zelf. Meestal laat je jouw gecreëerde zelf maar los in tijden van wanhoop en wanneer je zekerheden uit elkaar ziet vallen. 

Er is ook een link met de vluchteling (refugee) in de gebruikelijke zin van het woord. Die vlucht voor vervolging of nare situatie in haar of zijn thuisland, in de hoop vrijheid en een betere situatie te vinden in een ander land. Het boeddhisme zegt, vertaalt in Creatieve wisselwerking taal, dat we in onze gecreëerde zelf vast zitten. Dat we gevangenen zijn van onze eigen Vicieuze Cirkel met z’n gehechtheden aan eigen concepten en denkkaders. We zitten gevangen in onze Mindset en dienen toevlucht zoeken in het creatief wisselwerkingsproces teneinde onszelf te bevrijden van die boeien. Daartoe dienen we op elk ogenblik open en wakker te zijn. 

(Ring, ring, ring, ring)
Ring the bells that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in
Ring the bells that still can ring (ring the bells that still can ring) Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in (3x)

En tot slot nog een ‘wijze gedachte’ in de vorm van volgende quote: 

The real act of discovery consists not in finding new lands, But in seeing with new eyes. – Marcel Proust

Bibliografie

Abramović, M. (24 november 2016). My Dinner Date With Leonard Cohen. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://time.com/4570605/marina-abramovic-leonard-cohen/  

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Cohen, L. (1992). Anthem lied uit studio album The Future, Columbia Records.

Fritz, R. (1989). The Path of Least Resistance. New York: Fawcett-Columbine.

Keshner, I. (Regisseur). (1980). Star Wars Episode V – The Empire Strikes Back [Film], Lucasfilm, Ltd./20th Century Fox Home Entertainment.

King, M.L. (4 April, 1967). Excerpts of Dr. Martin Luther King Jr’s speech on war on April 4, 1967. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://www.soundvision.com/article/excerpts-of-dr-martin-luther-king-jrs-speech-on-war-on-april-4-1967

Kornfield, J. (2002). A Path With Heart. The Classic Guide Trhrough the Perils and promisses of Spiritual Life. London: Rider, an imprint of Ebury Press, Random House. p. 48

Rice, D. F. (2017). Henry Nelson Wieman on Religion and Reinhold Niebuhr. https://doi.org/10.1111/zygo.12333

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Roels, J. (4 februari 2018). The Force (i.e. Creative Interchange). Geraadpleegd op 22 juni 2021 via http://www.creativeinterchange.be/?p=822 

Penge, P.M. (1992). De vijfde discipline. De Kunst & Praktijk van de Lerende Organisatie. Tielt: Lannoo.

Werber, M. C. (11 november 2016). “There is a crack in everything, that’s how the light gets in”: The story of Leonard Cohen’s “Anthem”. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://qz.com/835076/leonard-cohens-anthem-the-story-of-the-line-there-is-a-crack-in-everything-thats-how-the-light-gets-in/

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

Zollo, P. (1992). Leonard Cohen. Los Angeles 1992. Geraadpleegd op 22 juni ’21 via https://www.leonardcohenfiles.com/zollo.html

Zollo, P. (2003). Songwriters on Songwriting. New York: Hachette Books (vierde druk).

sawubona, hannah arendt – deel iii

Wat zet ons aan het denken?

We beschouwen de menselijke behoefte om te denken als iets vanzelfsprekend en gaan uit van de veronderstelling dat het doel van de denkactiviteit simpelweg nadenken is en niet per sé een tastbaar eindproduct wenst te realiseren.

Zoals in vorige columns aangetoond wordt het denken gevisualiseerd door de linker lus van m’n Cruciale Dialoogmodel:

Vooronderstellingen van de Griekse filosofie

In haar boek Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) gaat Hannah Arendt om een antwoord te vinden op de vraag “Wat zet ons aan het denken?” eerst te rade bij de Griekse denkers.

Hannah Arendt (2021, p.152) stelt:  

Een deel van het Griekse antwoord ligt in de overtuiging van alle Griekse denkers dat de filosofie sterfelijke mensen in staat stelt om in de nabijheid van onsterfelijke dingen te vertoeven en op die manier in zichzelf “zoveel onsterfelijkheid” te verwerven of te onderhouden “als de menselijke natuur toelaat”.

Centraal in die visie staat het begrip ‘onsterfelijken’. Daarin speelden de nieuwe soort goddelijke wezens, de dichters en de barden een belangrijke rol. Deze hielpen de mensen op weg naar onsterfelijkheid, want “het verhaal van de daad, overleeft de daad” en ‘iets wat gezegd is, treedt, wanneer het goed gezegd is, de onsterfelijkheid binnen” (Arendt, 2021, p. 155). Deze quote deed mij denken aan een lied van Bram Vermeulen (Vermeulen, 1991):

En als ik doodga, huil maar niet
ik ben niet echt dood moet je weten
het is het verlangen dat ik achterliet
dood ben ik pas als jij dat bent vergeten
dood ben ik pas als jij me bent vergeten.

Dood ben je pas wanneer jouw verhaal niet meer wordt verteld. Iemand verontsterfelijken is voor mij het blijvend vertellen van verhalen over haar of hem.

Arendt (2021, pp. 159-160) gaat dieper in op het begrip ‘onsterfelijkheid’:

De mens kon zijn onsterfelijkheid bij leven verwerkelijken, zonder hulp van zijn medemensen of van de dichters, die hem in vroegere tijden roem konden verschaffen en zo zijn naam konden vereeuwigen. Hij moest daarvoor in de nabijheid verblijven van de onvergankelijke dingen, en het nieuwe vermogen dat dit mogelijk maakte, werd nous of geest genoemd. De term is ontleend aan Homerus, waar noos niet alleen verwijst naar de specifieke mentaliteit van één persoon, maar daarnaast ook alle mentale activiteiten omvat. De nous beantwoordt aan het Zijn, en als Parmenides zegt “to gar auto noein estin te kai einai” (“zijn en denken [noein, de activiteit van de nous] zijn hetzelfde”), zegt hij al impliciet wat Plato en Aristoteles later expliciet zullen zeggen: er is iets in de mens wat exact beantwoordt aan het goddelijke, want het stelt hem in staat als het ware te leven in zijn nabijheid. Het is deze godheid die maakt dat Denken en Zijn hetzelfde zijn. Als hij zijn nous gebruikt en zich mentaal onttrekt aan alle vergankelijke dingen, maakt de mens zichzelf gelijk aan het goddelijke. En dat moet vrij letterlijk genomen worden. Want juist zoals het Zijn de god is, zo is de nous volgens Aristoteles (die hier ofwel Hermotimus ofwel Anaxagoras citeert) “de god in ons”, en “elk sterfelijk levensproces draagt een deel van een god in zich”. […] Kortom, zich inlaten met wat Aristoteles de theôrêtikê energeia noemde, die identiek is aan de activiteit van de god (hê tou theou energeia), betekent “verontsterfelijken” (athanatizein). Verontsterfelijken betekent zich inlaten met een activiteit die ons uit zichzelf, “zoveel als mogelijk”, onsterfelijk maakt; het betekent “ons uiterste best doen om in overeenstemming te leven met het meest verhevene in ons.”

“God in ons” gekoppeld aan “elk sterfelijk levensproces draagt een deel van een god in zich” lees ik als dat wij geboren zijn met het creatief wisselwerkingsproces. God is namelijk voor mij Creatieve wisselwerking! Daarin ben ik een volgeling van de Amerikaanse (religieus) filosoof Henry Nelson Wieman (Wieman, 1990). De laatste zin van bovenstaande paragraaf lees ik als “ons uiterste best doen om in overeenstemming te leven met onze Originele Zelf” en daarvoor dient men het gecreëerde zelf dichter bij het Originele Zelf te brengen. Deze interpretatie wordt ondersteund door Arendt, die stelt: “… het object van onze gedachten schenkt het denken onsterfelijkheid. Het object is altijd het onvergankelijke: wat was, is en zal zijn, wat dus niet anders kan zijn dan het is, en wat ook niet kan niet-zijn. “(2021, p. 160) Dit ‘onvergankelijke’ is het Originele Zelf.

De filosofie betekende voor de Grieken “het verwerven van onsterfelijkheid”. En dat verwerven gebeurde door twee opeenvolgende acties. De activiteit van de nous (het denken) en het vertalen van het aanschouwde, de logos. Dit laatste, ‘zeggen wat is’, is een kenmerkend vermogen van de mens.

De vraag “Wat zet ons aan het denken” kent bij de Grieken nog een tweede antwoord, met name de verwondering, die volgens Plato de oorsprong van de filosofie is. Het is de verwondering gevoedt door het niet weten. Arendt (2021, p.166) stelt het zo:

… wat mensen tot verwondering brengt, is iets vertrouwds, wat echter meestal onzichtbaar is en mensen dwingt om het te bewonderen. De verwondering, die het vertrekpunt van het denken is, is noch verwarring, noch verrassing, noch verbijstering; het is een bewonderend zich verwonderen. Datgene waarover we ons verwonderen wordt bevestigd en beaamd in de bewondering, die uitbarst in woorden – de gave van Iris, de regenboog, de bode van de goden.

Die verwondering leidt via nieuwsgierigheid tot denken in woorden en dit duo, denken en spreken, is sterk genoeg om vergissingen en illusies te verdrijven. Vergissingen die hun oorsprong vinden het gekleurd bewustzijn. Hoe die Platoonse verwondering in onze tijd opnieuw tot leven kwam, geeft Arendt (2021, pp. 168-169) aan door naar Leibniz te verwijzen:

Leibniz’ Principes de la nature et de la grâce: “Pourquoi il y a plutôt quelque chose que rien?” Want aangezien “le rien est plus simple et plus facile que quelque chose”, moet er voor het bestaan van dit ‘iets’ een voldoende oorzaak zijn, en deze oorzaak moet op haar beurt weer door iets anders veroorzaakt zijn. Als men deze gedachtegang volgt, komt men uiteindelijk uit bij de causa sui, iets wat zijn eigen oorzaak is. Het antwoord van Leibniz leidt dus tot de ultieme oorzaak, “God” genoemd, en dit antwoord treffen we ook al aan in Aristoteles’ “onbewogen beweger” – de god van de filosofen. 

Dit doet me denken aan een nogal vermakelijke anekdote uit m’n leven. In september 1997 trok ik voor de zoveelste keer naar Atlanta en bracht, zoals gewoonlijk, op een zondag een bezoek aan m’n geestelijke vader Frank E. Bird Jr. Naar diens gewoonte was Frank in z’n imposant bureel aan het werk. Deze keer lagen rondom hem heel wat magazines en dagbladen, deels in het Engels en deels in het Frans. Schreeuwerige titels en dito foto’s maakten mij duidelijk dat deze gingen over het drama dat prinses Diana van Wales een paar weken voordien overkomen was. Ik kon niet nalaten Frank te zeggen dat het bestuderen van de schielijke dood van Diana meer iets was voor m’n schoonmoeder dan voor hem. Direct kreeg ik de wind van voor. Hij vroeg mij of ik m’n oorzaken en gevolgen methodieken al op dit drama had losgelaten? Toen ik negatief antwoordde, werd Frank’s wind een storm. Die namiddag hebben we samen feiten verzamelend uit de publicaties die hij voorhanden had en een Oorzakenboom, gebruik makend van Dean Gano’s Apollo Root Cause Analysis (Gano, 1999), opgesteld. Frank’s humeur verbeterde toen ik hem passages uit ‘Le Monde’, ‘Le Figaro’ en ‘Paris-Match’ vertaalde en samen met hem de Feitenboom van Diana’s ongeval opstelde. Als basisoorzaken vonden we de paparazzi, het feit dat er steunzuilen in de tunnel aanwezig waren, het feit dat de prinses geen veiligheidsgordel droeg, … Die middag vertelde ik hem wel niet dat de hoofdreden van m’n reis naar Atlanta die keer een Root Cause Analysis (RCA) driedaagse was, gedurende dewelke ik met Stacie Hagan een dag opleiding Creative Interchange zou verzorgen. Een paar weken later, oh Synchronicity, vroeg schoonmoeder Magdalena mij of ik de grondredenen van het ongeval van Diana al gevonden had. Ik deed alsof mijn neus bloedde. Toen stelde Magdalena dat ze het niet fijn vond dat haar schoonzoon, die wel RCA-cursussen in Terneuzen voor Dow gaf, blijkbaar geen zin had een degelijk antwoord op haar vraag te geven. Zij had er zelf over nagedacht, zoals ik al vermoedde, en hoewel volgens haar de paparazzi een oorzaak waren van de dood van Diana, was naar haar mening Queen Elisabeth II de grondoorzaak van dat drama. Ik repliceerde verbaasd dat ze blijkbaar in de ‘Conspiracy theory’ geloofde. Niets daarvan zei ze. Dan vroeg ik haar via welke gedachtegang ze bij de Queen of England terecht gekomen was. Nogal simpel, zei Magdalena, als Elisabeth haar zoon Charles met diens lief Camilla (Parker Bowles) had laten huwen en niet haar moeder (Queen Elisabeth, The Queen Mother) had gevraagd een eega voor Charles op te snorren, dan was Diana (Spencer) nooit gehuwd met Charles en zou ze nooit opgejaagd geworden zijn door paparazzi en dus nooit aan haar einde gekomen zijn in een tunnel aan de Seine. Daar had ik niet van terug. Ik vertelde haar niet dat ze dicht bij de ‘Griekse waarheid’ gekomen was… want is Queen Elisabeth II niet de verpersoonlijking van God volgens de Anglicaanse Kerk en is God niet de ultieme ‘Griekse’ basisoorzaak van alles? Deze anekdote heb ik daarna tientallen keren verteld gedurende RCA-cursussen die ik animeerde.

Het Romeinse antwoord

De gangbare opinie over filosofie werd gevormd door de erfgenamen van de Grieken: de Romeinen. De aanzet werd wel gegeven door een Griekse slaaf Epictetus (ca. 50 – ca. 135). Volgens hem diende het denken niet zozeer aangeleerd worden om het leven draaglijk te maken, maar wel “het juiste gebruik van de verbeelding”, omdat dat laatste het enige is dat we volledig in onze macht hebben.” (Arendt, 2021, p. 177) Waar het om gaat is niet de abstracte theorie (die opgebouwd wordt door het doorlopen van de linker lus van m’n Cruciale Dialogenmodel) maar het gebruik ervan (de rechter lus); het denken en begrijpen waren volgens Epictetus enkel maar een voorbereiding op het handelen. Hannah Arendt (2021, pp. 177-178) verwoordt het zo:

Met andere woorden, het denken is een technê geworden, een bijzonder soort van ambachtelijkheid, misschien wel de hoogste soort – ongetwijfeld die waar we het meest behoefte aan hebben, want haar eindproduct is de manier waarop je je eigen leven leidt. Hiermee werd niet een wijze van leven bedoeld in de zin van een bios theôrêtikos of politikos, een leven dat aan een of andere bijzondere activiteit is gewijd, maar wat Epictetus “actie” noemde – een actie waarin je met niemand eendrachtig samenwerkt, een die geacht wordt alleen het eigen zelf te veranderen, en die alleen kan verschijnen in de apatheia en ataraxia van de “wijze man”, d.w.z. in zijn weigering om te reageren op wat hem ook mag overkomen, zowel ten goede als ten kwade. “Ik moet sterven, maar moet ik ook zuchtend sterven? Ik kan niet verhinderen dat ik geketend word, maar moet ik daarom wenen? … Je dreigt me in de boeien te slaan. Man, wat zeg je toch? Je kan me niet in de boeien slaan; je boeit alleen mijn handen. Je dreigt ermee me te onthoofden; heb ik misschien ooit beweerd dat mijn hoofd niet kan worden afgehakt?” Het is overduidelijk: dit zijn ternauwernood oefeningen in denken, het zijn oefeningen die de macht van de wil moeten vergroten. “Vraag niet dat dingen zouden gebeuren zoals jij het wil, maar laat het uw wil zijn dat de dingen zo gebeuren zoals ze gebeuren, en je zult er vrede mee hebben” – dat is de kwintessens van deze “wijsheid”; want “wat gebeurt kan onmogelijk anders gebeuren dan het gebeurt”. 

Dit doet mij dan denken aan JF Kennedy’s beroemde uitspraak van zijn inaugurale rede: “Ask not what your country can do for you – ask what you can do for your country.” Hier is het handig om het midden van m’n model erbij te halen:

Dit midden geeft aan dat het los staat van het denken (linker lus) en handelen (rechter lus) en dus een andere mentale activiteit is dan het denken. Ook volgens Epictetus vereist het willen een radicale terugtrekking uit de werkelijkheid en valt het accent niet langer meer op de reflectie, maar op de verbeelding in de zin van een utopisch verbeelden van een andere en betere wereld, wat in de figuur wordt weergegeven als de ‘gewenste situatie’. Let wel, Epictetus heeft het over de “wijze” man, een die geacht wordt alleen het eigen zelf te veranderen. Dit laatste zie ik dan weer als het quasi continu veranderen van het gecreëerde zelf in de richting van het Originele Zelf. Het zelf is voor mij eigenlijk een ‘evoluerend zelf’. Hannah Arendt (2021, p. 178) beschrijft het zo: 

… het doel is veeleer de oorspronkelijke verstrooide afwezigheid van het denken dermate te versterken dat de werkelijkheid helemaal verdwijnt. Is het denken normaal het vermogen om het afwezige aanwezig te stellen, dan wordt het bij Epictetus het vermogen “om correct met indrukken om te gaan”, d.w.z. het vermogen om het feitelijk aanwezige weg te toveren en afwezig te maken. Het enige wat jou, levend in de wereld van verschijnselen, existentieel aanbelangt, zijn de “indrukken” waardoor je aangedaan wordt. Of datgene waardoor je aangedaan wordt echt bestaat dan wel een pure illusie is, hangt af van jouw beslissing om het al dan niet als werkelijk te erkennen. 

Hiermee geeft ze aan dat het willen wel degelijk door gevoelens wordt aangewakkerd, zoals m’n figuur weergeeft. Dit ‘tussen haakjes zetten’ van de werkelijkheid is volgens Arendt niet dankzij de aard van de wil, maar dankzij de eigen aard van het denken. Epictetus ontdekte dat de mentale activiteiten dankzij het bewustzijn op zichzelf kunnen terugslaan. Daarom mag men hem een filosoof noemen (Arendt, 2021, p. 178). Hannah Arendt (2021, pp. 178-179) werkt dit verder uit: 

Wanneer ik, tijdens het waarnemen van een object buiten mij, beslis om mij te concentreren op mijn waarneming, op de act van het zien in plaats van op het geziene object, dan is het alsof ik het oorspronkelijke object kwijtraak, omdat het zijn impact op mij verliest. Ik heb, bij wijze van spreken, het onderwerp veranderd – in plaats van met de boom, laat ik mij nu alleen in met de waargenomen boom, d.w.z. met wat Epictetus een “indruk” noemt. Dat heeft het grote voordeel dat ik niet meer opgeslorpt word door het waargenomen object, iets buiten mij; de geziene boom is in mij, onzichtbaar voor de buitenwereld, alsof hij nooit een object van de zintuigen is geweest. Het punt hier is dat de “geziene boom” geen gedachteding is, maar een “indruk”. Het is niet iets afwezigs, dat in het geheugen opgeslagen wordt met het oog op het ontzinnelijkingsproces – dat de objecten van de geest klaarmaakt voor het denken, en dat altijd voorafgegaan wordt door de ervaring in de wereld van de verschijnselen. De geziene boom is “in” mij in zijn volle zintuiglijke aanwezigheid. Het is de boom zelf, alleen beroofd van zijn werkelijk-zijn; het is een beeld, en geen gedachte naderhand. De truc die de Stoïcijnse filosofie ontdekt heeft, bestaat erin de geest op zo’n manier te gebruiken dat de werkelijkheid het denkende subject niet kan raken, zelfs wanneer dit subject zich niet uit de werkelijkheid heeft teruggetrokken; in plaats van zich mentaal terug te trekken uit wat aanwezig en binnen handbereik is, heeft het subject alle verschijnselen naar binnen getrokken, in zichzelf getrokken; zijn bewustzijn wordt een volwaardig substituut voor de buitenwereld, die nu als indruk of als beeld aanwezig gesteld wordt. 

In deze paragrafen heeft Arendt het over observeren en niet over interpreteren. Observeren doe je met het helder bewustzijn. Zich op die manier afkeren van de wereld en zich terugtrekken in zichzelf heeft het voordeel dat ze de ‘angst’ en de ‘vrees’ verzacht. Inderdaad niet observatie en wel interpretatie leidt naar ‘angst’ en ‘vrees’. Dit is het oude Stoïcijnse advies: wat je in het denken negeert, kan je niet raken. Negeren in deze context zie ik als niet interpreteren. Dit advies wordt door de Boeddhisten het advies van de Verlichte (Boeddha) genoemd. Boeddhisten willen zich niet tot slaaf van hun angsten maken en bannen daarom angstgedachten uit hun denken. Ze leiden die gedachten naar de uitgang en laten ze los.

De twee werelden vergeleken

De twee werelden, de ene Grieks, de ander Romeins, verschillen zo sterk van elkaar dat ze als het ware twee verschillende facetten van hetzelfde muntstuk zijn. Aan de Griekse kant de bewonderende verwondering over het werelds schouwspel en aan de Romeinse kant een vijandige wereld waarin de vrees een hoofdrol speelt en waaruit men uit alle macht wil ontsnappen. Toch hebben volgens Arendt de twee filosofieën een aantal dingen gemeen. Ze verklaart zich als volgt nader:

In beide gevallen verlaat het denken de wereld van de verschijnselen. Alleen omdat het denken met een terugtrekking gepaard gaat, kan het gebruikt worden als een middel om te ontsnappen. Bovendien – ik heb het al beklemtoond – gaat het denken gepaard met een verlies aan besef van het lichaam en van het zelf. In de plaats daarvan komt een ervaring van zuivere activiteit, die volgens Aristoteles meer genoegen verschaft dan de bevrediging van al de andere verlangens, omdat we bij elk ander verlangen van iets of iemand anders afhankelijk zijn. Denken is de enige activiteit die voor haar uitoefening alleen zichzelf nodig heeft. “Een vrijgevig mens heeft geld nodig om vrijgevige daden te stellen … en een mens met zelfbeheersing heeft de gelegenheid van de verleiding nodig.” Elke andere activiteit, hoog of laag in rang, moet iets buiten zichzelf overwinnen. Dit geldt zelfs voor de uitvoerende kunsten, zoals fluitspelen, waarvan het doel in de uitvoering zelf ligt – en dan zwijgen we nog over het productieve werken, dat niet om zichzelf, maar omwille van het resultaat uitgeoefend wordt, en waarbij het geluk, de voldoening over een goed uitgevoerde taak, pas achteraf gevoeld wordt, nadat de activiteit aan haar einde gekomen is. De soberheid van filosofen is altijd spreekwoordelijk geweest, en Aristoteles zegt het volgende: “Een mens die zich inlaat met een theoretische activiteit heeft geen behoeften … en vele dingen hinderen die activiteit alleen maar. Alleen in zoverre hij een menselijk wezen is … zal hij dergelijke dingen nodig hebben, terwille van het mens-zijn [anthrôpeuesthai]” – dat men een lichaam heeft, met andere mensen samenleeft, enzovoort. In dezelfde geest beveelt Democritus voor het denken onthouding aan: zo leert men dat de logos zijn bevrediging uit zichzelf haalt (auton ex heautou). (Arendt, 2021, p. 185-186)

Het antwoord van Socrates

In Het Leven van de Geest stelt Hannah Arendt dat ze de bovenstaande antwoorden van beroepsfilosofen verre van bevredigend vindt. En ze gaat op zoek naar een aanvaardbaar antwoord:

De beste, in feite de enige manier die ik zie om greep te krijgen op deze vragen, is dat we zoeken naar een model, een voorbeeld van een denker die geen vakfilosoof was, die in zijn persoon twee ogenschijnlijk tegenstrijdige passies verenigde, de passie voor het denken en de passie voor het handelen – niet in de zin dat hij erop gebrand was om zijn gedachten toe te passen of theoretische maatstaven voor het handelen vast te leggen, maar in de veel meer relevante zin dat hij in beide sferen evenveel thuis was, en in staat om met het grootste gemak van de ene naar de andere sfeer te bewegen, bijna zoals wij zelf voortdurend heen en weer bewegen tussen onze ervaringen in de wereld van de verschijnselen en de behoefte om over die verschijnselen na te denken. Het meest geschikt voor deze rol zou iemand zijn die zich noch tot de velen noch tot de weinigen rekende (een onderscheid dat minstens zo oud is als Pythagoras), die niet de ambitie had om over mensen te heersen, die er zelfs geen aanspraak op maakte dat hij, op grond van zijn superieure wijsheid, bijzonder goed geschikt was om als adviseur van de machthebbers op te treden, maar tegelijk iemand die er ook niet gedwee mee zou instemmen om overheerst te worden; kortom, een denker die altijd een mens onder de mensen bleef, die de marktplaats niet schuwde, die burger onder de burgers was, die niets anders deed dan wat, naar zijn mening, elke burger zou moeten doen, en die niets anders eiste dan wat, naar zijn mening, elke burger rechtens toekwam. Zo iemand moet wel moeilijk te vinden zijn: als hij in onze ogen de feitelijke denkactiviteit belichaamt, zal hij geen leer hebben nagelaten; hij zal er niet om gegeven hebben zijn gedachten neer te schrijven, zelfs niet wanneer er, aan het einde van zijn denkactiviteit, nog iets zou zijn overgebleven, tastbaar genoeg om het zwart op wit neer te schrijven. De lezer zal al geraden hebben dat ik aan Socrates denk. We zouden niet veel weten over hem, althans niet genoeg om veel indruk op ons te maken, als hij niet zo’n enorme indruk op Plato had gemaakt. En waarschijnlijk zouden we niets over hem weten, wellicht zelfs niet via Plato, als hij niet beslist had zijn leven te geven, niet voor een of ander specifiek geloof of specifieke leer – die had hij immers niet – maar gewoonweg voor het recht om de opinies van andere mensen te onderzoeken, erover na te denken en aan zijn gesprekspartners te vragen hetzelfde te doen. (Arendt, 2021, pp. 190-191)

Het eerste wat opvalt in Plato’s Socratische dialogen is dat ze niet bedoeld zijn om een antwoord te vinden of een probleem op te lossen. Het in vraag stellen van het denkkader lijkt wel de bedoeling. Socrates stelt vragen waarop hij de antwoorden niet weet. Eens Socrates antwoorden gekregen heeft, stelt hij zonder schroom voor opnieuw te beginnen en verder te onderzoeken wat rechtvaardigheid, of vroomheid, of kennis of geluk is (Arendt, 2021, p. 192). Hoe Socrates zichzelf zag, leren we in volgende passage:

Hij noemde zichzelf een horzel en een vroedvrouw; volgens Plato noemde iemand anders hem een “sidderrog”, een vis die zijn prooi verlamt en verdooft, en Socrates erkende de toepasselijkheid van de gelijkenis, op voorwaarde dat de toehoorders zouden begrijpen dat “de sidderrog anderen alleen verlamt omdat hij zelf verlamd is … Het is niet zo dat ik andere mensen in de war breng, terwijl ik zelf de antwoorden ken. De waarheid is veeleer dat ik hen besmet met de radeloosheid die ik zelf voel.” (Arendt, 2021, p. 195)

Ten eerste is Socrates een horzel: hij weet hoe hij anderen moet steken. Met z’n steken maakt hij de ander wakker, want zonder hem zouden ze hun ganse leven ongestoord slapen. Hij wekt hen om na te denken en daarbij hun eigen denkkader te onderzoeken. Dit denkkader is verantwoordelijk voor de interpretatie van de observatie en dient continu in vraag gesteld te worden. “Is mijn inkleuring de enige mogelijke of ben ik te prooi aan  de bias van m’n eigen specifiek denkkader?” is een vraag die men zich vaak dient te stellen. Ten tweede is Socrates een vroedvrouw: hij kan anderen verlossen van hun gedachten omdat hij zelf onvruchtbaar is. Volgens Plato zuiverde hij de mensen van hun ‘opinies’, van hun ongegronde vooroordelen. Kortom Socrates hielp mensen hun denkkader uit te zuiveren, zonder hen ‘zijn’ waarheid te geven. Ten derde: Socrates is een siderrog; hij verlamde iedereen waarmee hij in aanraking kwam en bleef vastberaden in z’n ‘radeloosheid’. Hij wist dat hij niet wist en was bereid dat te aanvaarden. Hij bleef denken en gebruikte voor dat denken een metafoor:

Socrates, die er zich terdege van bewust was dat hij zich in zijn onderneming bezighield met ‘onzichtbaarheden’, maakte gebruik van een metafoor om de denkactiviteit toe te lichten – de metafoor van de wind: “De winden zelf zijn onzichtbaar, maar wat ze doen kunnen we wel zien, en we voelen ze in zekere zin ook opsteken.” (Arendt, 2021, p. 197)

Het probleem is dat die wind, telkens wanneer hij opsteekt, de vorige denkbeelden wegjaagt, dit verklaart waarom Socrates kon gezien worden en zichzelf zag als een horzel en een sidderrog. Het gevolg is ook dat het denken destructief is voor het eigen vastgeroest denkkader en verklaart waarom mensen met een fixed denkkader liefst niet te veel nadenken, tenminste indien ze hun denkkader wensen te behouden. Zo’n denkkader is toch zo handig, want je kunt het ‘al slapend’ gebruiken, maar als de stormwind van het denken je klaarwakker schudt dan blijf je meestal over met verwarring. Je blijft over met onzekerheid en daarom is een van de vaardigheden voor diepe reflectie over de werkelijkheid het oscilleren tussen het helder en gekleurd bewustzijn. Het kunnen omgaan met onzekerheid (ambiguiteit) is terecht een van de basiscondities van de karakteristiek Waarderend Begrijpenvan Creatieve wisselwerking. Gelukkig kan je die verwarring, wanneer je met anderen in Creatieve wisselwerkingbent, met elkaar delen. Over die verlamming schrijft Arendt het volgende: 

De verlamming die door het denken tot stand wordt gebracht, is dus tweevoudig: ze is inherent aan het stop-en-denk, de onderbreking van alle andere activiteiten – psychologisch zou je een probleem inderdaad kunnen definiëren als een “situatie die om een of andere reden het organisme merkbaar ophoudt in zijn inspanning om een doel te bereiken”; maar het denken kan ook een bedwelmende nawerking hebben wanneer je ermee ophoudt, omdat je je onzeker voelt over wat je boven elke twijfel verheven leek toen je nog onnadenkend opgeslorpt werd in wat je aan het doen was. Indien je bezigheid erin bestond algemene gedragsregels toe te passen op bijzondere gevallen, zoals ze zich in het gewone leven voordoen, dan zul je verlamd zijn omdat geen enkele van deze regels bestand is tegen de stormwind van het denken. (Arendt, 2021, p. 198)

Nogmaals, het vastgeroest ‘handig’ denkkader wordt bij nadenken op losse schroeven gezet. De zo handige passe-partout regels blijken op drijfzand te steunen.  De schrijfster wijst op een gevaar bij het denken:

De zoektocht naar betekenis lost meedogenloos alle aanvaarde doctrines op en onderzoekt ze opnieuw. Ze kan zich op elk moment tegen zichzelf keren, de oude waarden omkeren en de tegenovergestelde waarden tot “nieuwe waarden” uitroepen. [] Dergelijke negatieve resultaten van het denken worden dan met dezelfde onnadenkende routine gebruikt als voorheen; zodra ze op het domein van de menselijke aangelegenheden toegepast worden, is het alsof ze nooit door het denkproces heen gegaan zijn. [] Elke kritische analyse doorloopt noodzakelijkerwijze een fase van minstens hypothetische negatie van aanvaarde opinies en “waarden”, omdat het hun implicaties en stilzwijgende veronderstellingen onderzoekt. In deze zin kan het nihilisme beschouwd worden als een altijd aanwezig gevaar van het denken. 

Maar dit gevaar ontspringt niet aan de Socratische overtuiging dat een niet-onderzocht leven niet waard is geleefd te worden, maar integendeel aan het verlangen resultaten te vinden die verder denken overbodig zouden maken. [] Denken betekent, praktisch gesproken, dat je, wanneer je in je leven met een of andere moeilijkheid geconfronteerd wordt, telkens opnieuw moet denken. (Arendt, 2021, pp. 199-200)

En misschien heb ik samen met Paul Simon (1982) dan toch geen gelijk… Het niet-denken heeft volgens de schrijfster ook zo z’n risico’s: 

Door mensen af te schermen voor de gevaren van onderzoek leert men hen zich vast te klampen aan om het even welke voorgeschreven gedragsregels zoals die op een bepaald ogenblik in een gegeven samenleving gelden. Mensen raken dan niet zozeer gewend aan de inhoud van de regels – een grondig onderzoek hiervan zou hen altijd radeloos maken – als wel aan het bezit van regels, die ze op alle bijzondere gevallen kunnen toepassen. Als iemand verschijnt die, om welke reden ook, de oude “waarden” of deugden wenst af te schaffen, dan zal hem dat niet zwaar vallen op voorwaarde dat hij een nieuwe gedragscode aanbiedt, en hij zal relatief weinig geweld en geen overreding nodig hebben – d.w.z. bewijsvoering dat de nieuwe waarden beter zijn dan de oude – om die code op te leggen. Hoe sterker mensen zich aan de oude code vastklampen, hoe gretiger ze zich aan de nieuwe zullen aanpassen. In de praktijk betekent dit: de meest respectabele steunpilaren van de samenleving, zij die het minst geneigd waren zich te vermeien in al dan niet gevaarlijke gedachten, zullen ook het gewilligst zijn om te gehoorzamen, terwijl zij die, naar het zich liet aanzien, de meest onbetrouwbare elementen van de oude orde waren, ook het minst meegaand zullen zijn. (Arendt, 2021, p. 200):

Ik interpreer dit als dat een risico voor ‘Groepsdenken’ gebaseerd op het risico van het niet diepgaand nadenken en meelopen met de sterke leider of de meute.  Het is niet verwonderelijk dat Socrates dan door z’n medewerkers gezien werd als een gevaarlijk iemand:

De Atheners zeiden hem dat zijn denken subversief was, dat de wind van het denken een wervelstorm was, die alle gevestigde bakens waarop mensen zich oriënteren wegveegde, die wanorde in de stad stichtte en de mensen in verwarring bracht. En alhoewel Socrates ontkent dat denken mensen bederft, beweert hij evenmin dat het mensen beter maakt. Het wekt je uit de slaap, en dit lijkt hem een groot goed voor de Stad. Maar hij zegt ook niet dat hij zijn onderzoek begon om een groot weldoener te worden. Voor zover het hemzelf betreft, valt er niets méér te zeggen dan dat een leven dat van het denken beroofd is, zinloos zou zijn, ook al zal het denken mensen nooit tot wijzen maken of hen antwoorden geven op de eigen vragen van het denken. De betekenis van wat Socrates deed, ligt in de activiteit zelf. Of anders gezegd: denken en ten volle leven zijn hetzelfde. Hieruit volgt dat het denken steeds opnieuw moet beginnen; het is een activiteit die het leven vergezelt en zich bekommert om begrippen als rechtvaardigheid, geluk, deugd – die ons door de taal worden aangeboden en die de betekenis uitdrukken van alles wat in het leven gebeurt en van alles wat ons in ons leven overkomt. 

Wat ik de “zoektocht” naar betekenis heb genoemd, heet in de taal van Socrates liefde, d.w.z. liefde in de Griekse betekenis van Erôs, niet de christelijke agapê. Liefde als Eros is in de eerste plaats een behoefte; ze verlangt naar wat ze niet heeft. Mensen houden van wijsheid en beginnen te filosoferen omdat ze niet wijs zijn, en ze houden van schoonheid, en doen aan schoonheid als het ware – philokaloumen, zoals Pericles het noemde in zijn Grafrede – omdat ze niet schoon zijn. Liefde is de enige zaak waarin Socrates zich een expert durft te noemen, en deze vakkundigheid leidt hem ook bij het kiezen van zijn metgezellen en vrienden: “Ik mag dan waardeloos zijn in alle andere dingen, dit talent is mij gegeven: ik herken zonder moeite minnaars en geliefden.” De liefde verlangt naar wat ze niet heeft, en brengt daarom een verhouding tot stand met wat afwezig is. Om deze verhouding openbaar te maken, te doen verschijnen, willen mensen erover spreken – juist zoals de minnaar wil spreken over de geliefde. Omdat de zoektocht van het denken een soort van verlangende liefde is, kan het denken enkel beminnelijke dingen tot voorwerp hebben – schoonheid, wijsheid, rechtvaardigheid enzovoort. (Arendt, 2021, pp. 201-202)

In Het Leven van de Geest wordt dan dieper ingaan op twee uitspraken van Socrates. Het is op zich verwonderlijk dat er übershaupt stellingen van Socrates bewaard zijn gebleven. Verwonderlijk omdat we weten dat Socrates karig was met stellige uitspraken. Zo kennen we door Plato één van de lievelingsuitspraken van Socrates (dat overigens ook mijn levensmoto is): “Ik weet dat ik niet weet!” Socrates beschouwde zichzelf niet als een leraar; hij vond van zichzelf niet dat hij de mensen iets te onderrichten had. Die onwetendheid van Socrates was niet, zoals al eens geopperd wordt, een pose van hem. Zijn Socratische vraagstelling had niet de bedoeling om de ‘waarheid’ van de ander boven water te brengen. Socrates staat als een ‘onwetende’ in de wereld, vandaar z’n kinderlijk oeverloos vragen. De twee positieve uitspraken van Socrates die Arendt (201, p. 204) naar voor brengt komen uit Gorgias (474b, 483a-b), een werk van Plato dat handelt over retoriek, de kunst om mensen aan te spreken en te overtuigen, en luiden als volgt: 

De eerste: “Het is beter onrecht te ondergaan dan onrecht te doen.” Daarop antwoordt Callicles, de gesprekspartner in de dialoog, wat alle Grieken zouden hebben geantwoord: “Onrecht ondergaan is niet het lot van een man, maar van een slaaf, voor wie het beter is dood te zijn dan te leven, wat trouwens geldt voor iedereen die niet bij machte is om in geval van onrecht zichzelf of anderen die hem na aan het hart liggen, te hulp te komen.” De tweede: “Ik zou liever een niet-gestemde lier bespelen en een valszingend koor leiden, liever in onenigheid met de meeste mensen verkeren, dan, één-zijnde, met mezelf in disharmonie te leven en mezelf tegen te spreken.” Waarop Callicles aan Socrates zegt dat hij “als een onbezonnen demagoog” spreekt en dat het voor hem en voor iedereen beter zou zijn wanneer hij de filosofie zou laten varen. 

De vertaler Remi Peeters (2021) stelt dat je moet durven stilstaan bij het hoogst paradoxale, zelfs controversiële karakter van deze uitspraken. Je moet, met andere woorden, in de schoenen van Callicles gaan staan om te vermijden dat je deze uitspraken leest als goedkoop gemoraliseer van meer dan twee duizend jaar geleden. 

Heeft Callicles geen punt? Wat is er erger dan onrecht te moeten ondergaan? Wat is er erger dan een valszingend koor te moeten leiden? Of met de hele wereld overhoop te liggen? Kortom, wat is er erger dan dit allemaal? Het antwoord van Socrates is: “Onrecht doen is erger en in onenigheid leven met jezelf, dat is erger!

Socrates spreekt als iemand die zich de gewoonte te denken eigen heeft gemaakt. Nadenken over wat hij aan het doen is en wat hij aan het verkondigen is. Daarom ook gaat hij steeds de Agora op en vraagt eenieder die hij daar ontmoet naar diens mening over uiteenlopende zaken. Meteen wordt ook duidelijk wat Socrates bedoelt met de band tussen gedachteloosheid en het kwaad.  Wie denkt is in dialoog met zichzelf, wie denkt is zijn eigen gesprekspartner. Hij wordt ‘twee in een’, de titel overigens van deze  paragrafen van het boek. De schrijfster schrijft daarover:

Socrates heeft het erover dat hij “één is” en daarom niet het risico kan lopen om met zichzelf in disharmonie te zijn. Maar iets wat identiek is met zichzelf, waarlijk en absoluut Eén, zoals A is A, kan met zichzelf noch in harmonie noch in disharmonie zijn; er zijn altijd minstens twee tonen nodig om een harmonieuze klank te produceren. Zeker, wanneer ik verschijn, en anderen mij kunnen zien, dan ben ik één; ik zou anders onherkenbaar zijn. En zolang ik met anderen samen ben, nauwelijks van mezelf bewust, ben ik zoals ik aan anderen verschijn. Wat wij bewustzijn noemen – letterlijk “met mezelf weten”, zoals we gezien hebben – is het eigenaardige feit dat ik in zekere zin ook voor mezelf ben, ook al verschijn ik nauwelijks voor mezelf. Dit wijst erop dat het Socratische “één- zijn” niet zo onproblematisch is als het lijkt; ik ben niet alleen voor anderen, maar ook voor mezelf, en in het laatste geval ben ik duidelijk niet zomaar één. In mijn eenheid is een verschil ingelast. (Arendt, 2021, p. 206)

Arendt gaat ook dieper in op de gedachte “in mijn eenheid is een verschil ingelast” vanuit verschillende contexten en vooral vanuit hoe haar leermeester Heidegger een passage uit de Sofist van Plato interpreteert:

Wellicht wijst niets er zo sterk op dat de mens wezenlijk in het meervoud bestaat, dan het volgende gegeven: in de eenzaamheid van de denkactiviteit actualiseert de mens zijn louter bewust-zijn van zichzelf – iets wat we waarschijnlijk met de hogere diersoorten delen – tot een dualiteit. Deze dualiteit van mezelf met mezelf maakt van het denken een echte activiteit, waarin ik zowel diegene ben die vraagt als diegene die antwoordt. Het denken kan dialectisch en kritisch worden omdat het dit proces van vraag en antwoord doorloopt. In deze dialoog van dialegesthai, dat in feite een “door woorden reizen” is, een poreuesthai dia tôn logôn, werpen we onophoudelijk de fundamentele Socratische vraag op: Wat bedoel je als je zegt…?, met dien verstande dat dit legein, zeggen, geluidloos is en daarom zo snel dat het soms moeilijk is om de dialogische structuur ervan te ontdekken. Het criterium van de mentale dialoog is niet langer waarheid, die antwoorden zou afdwingen op de vragen waar ik in het gesprek met mijzelf op stoot; noch waarheid in de vorm van aanschouwing, die dwingt met de kracht van de zintuiglijke evidentie, noch waarheid als noodzakelijke conclusie van het rekenen met gevolgen in het wiskundige en logische redeneren, dat steunt op de structuur van ons brein en dwingt met zijn natuurlijke kracht. Het enige criterium van het Socratische denken is de overeenstemming met zichzelf, het consistent zijn met zichzelf, homologein autos heautô; het tegenovergestelde hiervan, in tegenspraak zijn met zichzelf, enantia legein autos heautô, betekent in feite dat men zijn eigen tegenstander wordt. (Arendt, 2021, p. 208-209)

Hierin zie ik uiteraard de interne dialoog tijdens het denken. Deze heb ik gevisualiseerd door de staande acht binnen de linker lus van het Cruciale Dialoogmodel. Het is de dialoog tussen de twee vormen van bewustzijn, die ik helder en gekleurd bewustzijn heb genoemd. De twee facetten van de eenheid, die Socrates ‘het twee-in-één’ noemde, noem ik het gecreëerde zelf en het Originele Zelf. In deze passage geeft Arendt ook haar definitie, die in feite een parafrasering is van de definitie geformuleerd door Peter Senge in het voorwoord van een boek van Bill Isaac (1999, p. xvii) van het begrip dialoog. Dia-logos, “meaning flowing through”, wordt bij haar “het reizen door woorden”. In Het leven van de Geest vervolledigt de schrijfster haar gedachtengang als volgt:

Bondig gezegd, de denkende dialoog tussen mij en mezelf, die het bewustzijn een specifiek menselijke werkelijkheid verleent, suggereert dat verschil en alteriteit niet alleen opvallende kenmerken zijn van de wereld der verschijnselen, die de mens als habitat gegeven is te midden van een veelheid van dingen, maar dat ze even goed de basisvoorwaarden zijn voor het bestaan van het geestelijke ego van de mens, want dit ego bestaat uitsluitend in een dualiteit. En dit ego – het ik-ben- ik – ervaart het verschil in identiteit precies op het moment dat het zich niet verhoudt tot de verschijnende dingen, maar enkel tot zichzelf. (Terzijde, deze oorspronkelijke dualiteit verklaart de vergeefsheid van het modieuze zoeken naar identiteit. Onze moderne identiteitscrisis zou alleen opgelost kunnen worden door nooit meer alleen te zijn en nooit meer een poging te ondernemen om te denken.) Zonder die oorspronkelijke splijting zou Socrates’ uitspraak over harmonie in een wezen dat, naar het zich laat aanzien, één is, geen betekenis hebben. 

Bewustzijn is niet hetzelfde als denken: de acten van het bewustzijn hebben met de zintuiglijke ervaring gemeen dat ze “intentioneel”, en dus cognitieve acten zijn. Het denkende ego daarentegen denkt niet iets, maar denkt over iets na, en deze act is dialectisch: hij voltrekt zich in de vorm van een stille dialoog. Zonder bewustzijn in de zin van zelf-besef zou het denken niet mogelijk zijn. In zijn nooit-eindigend proces verleent het denken werkelijkheid aan het verschil dat als een bruut feit (factum brutum) in het bewustzijn gegeven is; alleen in deze gehumaniseerde vorm wordt het bewustzijn het unieke kenmerk van een wezen, dat god noch dier is, maar mens. Zoals de metafoor de kloof overbrugt tussen de wereld van de verschijnselen en de mentale activiteiten die erin aan de gang zijn, zo heelt het Socratische tweein-één de eenzaamheid van het denken; zijn inherente dualiteit wijst op de oneindige pluraliteit, die de wet van de aarde is. (Arendt, 2021, p. 210)

Wat ontdekt een mens die nadenkt, en met mens bedoel ik niet de beroepsfilosoof, maar iemand zoals u en ik? Wie nadenkt, ontdekt dat zij of hij niet om het even wat kan zeggen, niet om het even wat kan doen, wil je het denkend gesprek met jezelf niet onmogelijk maken, want daarin riskeer je jouw eigen vijand te worden en niet meer bij jezelf thuis te kunnen komen. Dit is, in een notedop, het Socratisch geweten. Op de keper beschouwt is Socrates de eerste in de geschiedenis die het geweten introduceert. Hij had er wel geen term voor. Hij gebruikte een metafoor die Arendt ook aanhaalt (2021, p. 211): de onhebbelijke kerel. Die kerel gaat niet met Socrates mee als die er op uit trekt. De onhebbelijke kerel wacht Socrates thuis op en onderwerpt hem bij thuiskomst aan een kruisverhoor. Socrates moet in vrede leven met deze kerel die hem opwacht, want ze leven onder hetzelfde dak en daar kom je best mee overeen. In latere tijden is men de onhebbelijke kerel het geweten gaan noemen. Een denkend mens ontdekt de vrees die zij of hij heeft om de harmonie met zichzelf te verstoren. Daarom doet de denkende mens geen onrecht en spreekt zij of hij zichzelf niet tegen. Dit noch in woorden, noch in daden. Daardoor kan een denkend mens nooit met iemand samenleven die met een dubbele tong spreekt. Daardoor doet zij of hij het dat dan ook niet! Dit kan niet gezegd worden van de niet-denkende mens; gedachteloosheid is verbonden aan het kwaad. Kortom, het geweten is een neveneffect van het denken. Het gevolg daarvan is dan alleen wie denkt, last kan hebben van haar of zijn geweten. Dit komt in het boek tot uiting in hetgeen volgt (Arendt, 2021, pp. 212-213):

Wat voor dialoog kan je voeren met jezelf, als je ziel niet in harmonie, maar in oorlog is met zichzelf? Uitgerekend dat soort van dialoog krijgen we te horen wanneer Shakespeares Richard III alleen is: 

What do I fear? Myself? There’s none else by Richard loves Richard: that is, I am I.
Is there a murderer here? No. Yes, I am:
Then fly: what! from myself? Great reason why  Lest I revenge. What! myself upon myself?  Alack! I love myself. Wherefore? For any good  That I myself have done unto myself?  O! no: alas! I rather hate myself
For hateful deeds committed by myself.
I am a villain. Yet I lie, I am not.
Fool, of thyself speak well: fool, do not flatter. 

Wat vrees ik? Mezelf? Hier is toch niemand anders. 
Richard houdt van Richard; ja, ik ben ik.
Is hier een moordenaar? Nee! Toch wel, ikzelf. 
Vlucht dan! Hoe? Voor mezelf ? En waarom zou ik? 
Zal ik mezelf soms wreken op mezelf? 
Ach, ik hou van mezelf. Waarom dan? Om 
Iets goeds dat ik mezelf heb aangedaan?
O neen. Helaas! Ik haat veeleer mezelf 
Om gruweldaden die ik zelf bedreef. 
Ik ben een schurk. Ik lieg, ik ben er geen.
Dwaas, maak jezelf niet zwart! – Dwaas, vlei jezelf niet. 

Maar dit alles ziet er heel anders uit na middernacht, als Richard aan zijn eigen gezelschap ontsnapt is en dat van zijn gezellen heeft opgezocht. Dan luidt het: 

Conscience is but a word that cowards use, 
Devis’d at first to keep the strong in awe.
 Geweten is alleen een woord voor lafaards, 
Bedacht om de sterken ontzag in te boezemen. 

Zelfs Socrates, die zo van de marktplaats hield, moet huiswaarts keren, waar hij alleen zal zijn, in eenzaamheid, om de andere kerel te ontmoeten. 

De kracht van Socrates mag volgens Arendt (2021, pp. 211-212) niet onderschat worden:

Socrates heeft ontdekt dat we met onszelf kunnen omgaan, even goed als met anderen, en dat de twee soorten van omgang in zekere zin met elkaar in verband staan. Sprekend over de vriendschap merkt Aristoteles het volgende op: “De vriend is een ander zelf ”– waarmee hij bedoelt: je kan de dialoog van het denken net zo goed met hem als met jezelf voeren. Dit staat nog in de Socratische traditie. Alleen, Socrates zou gezegd hebben: ook het zelf is een soort van vriend. De leidende ervaring in deze aangelegenheden is uiteraard de vriendschap, niet het zelf; ik spreek eerst met anderen, vooraleer ik met mezelf spreek, onderzoekend waar het gezamenlijk spreken over ging, om dan te ontdekken dat ik niet alleen met anderen kan dialogeren, maar ook met mezelf. Het gemeenschappelijke punt echter is dat de denkende dialoog enkel onder vrienden kan worden gevoerd, en zijn basiscriterium, zijn hoogste wet als het ware, luidt: spreek jezelf niet tegen.

Ook Arendt is van mening dat het leven zonder denken heel goed mogelijk is. Je gaat daar namelijk niet aan dood. Je kan niet zo lang leven zonder eten en drinken en nog veel minder lang zonder zuurstof. Je kan echt heel lang voort zonder nadenken. Toegegeven, je ontwikkelt jezelf dan niet. Niet nadenkende mensen zijn als slaapwandelaars. Typisch Arendt is dat ze stelt dat voor het denkende ego en diens ervaring het geweten een neveneffect is dat de mens “boordevol hindernissen stopt” en ze gaat verder :

Ongeacht welke gedachtegangen het denkende ego doordenkt, het zelf dat we allen zijn moet er zorg voor dragen geen dingen te doen die het onmogelijk maken dat de twee-in-één vrienden zijn en in harmonie leven. Dat is wat Spinoza bedoelt met de term “tevredenheid (met zichzelf)” (acquiescentia in seipso): “Ze kan ontspringen aan de rede [het redeneren] en deze tevredenheid is de grootst mogelijke vreugde.” Haar criterium voor het handelen zal niet samenvallen met de gangbare regels, erkend door de meerderheid en overeengekomen door de samenleving, maar ligt in de vraag of ik in staat zal zijn in vrede met mezelf te leven, als het moment gekomen is om na te denken over mijn daden en woorden. Het geweten is het vooruitlopen op de kerel die je opwacht als en wanneer je thuiskomt. (Arendt, 2021, pp.214-215)

Nogmaals, het geweten van de denkende mens weerhoudt deze kwaad te berokkenen. In Het leven van de Geestvond ik tenslotte volgende passage:

Wanneer iedereen onnadenkend meegesleept wordt door wat alle anderen doen en geloven, worden zij die denken uit hun schuilplaats verdreven, want hun weigering om mee te doen springt in het oog, en wordt daarom een soort van handelen. In dergelijke noodsituaties blijkt dat de zuiverende component van het denken (de Socratische verloskunde, die de implicaties van ononderzochte opinies aan het licht brengt en daarmee vernietigt – waarden, doctrines, theorieën en zelfs overtuigingen) bij implicatie indirect politiek is, want deze vernietiging heeft een bevrijdend effect op een ander vermogen, het oordeelsvermogen, dat met enige reden het meest politieke van ’s mensen mentale vermogens kan worden genoemd. Het is het vermogen om te oordelen over bijzonderheden, zonder ze onder algemene regels onder te brengen – d.w.z. regels die onderwezen en geleerd kunnen worden, tot ze uitgroeien tot gewoonten, die door andere gewoonten en regels kunnen worden vervangen. (Arendt, 2021, pp. 215-216)

Een prachtig pleidooi voor m’n stelling dat oordelen steunt op Creatieve wisselwerking, een proces dat niet onderwezen en wel aangeleerd kan worden. Je leert dit proces door het van binnenuit te beleven en dat quasi continu.

Denken is geen vrijblijvende bezigheid. Denken leidt niet noodzakelijk tot waarheidsgetrouwe uitspraken. Grote levensvragen, zoals “Wat is rechtvaardigheid?”, Wat is een goede gemeenschap?”, krijgen nooit een definitief antwoord. Denken is wel een heel nuttige bezigheid. Je komt namelijk jezelf tegen en de dialoog met de andere ik, die onhebbelijke kerel, zet jouw denkkader in vraag en doet je groeien. Je transformeert jouw gecreëerde zelf in de richting van jouw Originele Zelf.

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Gano, D.L. (1999). Apollo Root Cause Analysis – A New Way of Thinking. Yakima: Apollonian Publications.

Isaacs, W. (1999). Dialogue and the Art of Thinking Together. New York: Doubleday

Peeters, R. (2021). Boekvoorstelling ‘Het Leven van de Geest’. [Videobestand:15:15-22:15] Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://vimeo.com/552761100

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Simon, P. (1982), Think too much (b) uit Hearts & Bones [Studio Album]. Los Angeles: Warner Bros. Records (1983).

Vermeulen, B. (1991). Testament uit Vriend en Vijand [CD]. Amsterdam: Emergo – EM 9305-2. 

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

SAWUBONA, hannah arendt – deel ii

Het verschil tussen iets ‘begrijpen’ en iets ‘vatten’.

In haar boek ‘Het Leven van de Geest’ (Arendt, 2021) citeert Hannah Arendt vaak Immanuel Kant. Dat is niet verwonderlijk wanneer men weet dat Kant, samen met Heidegger, haar de weg wees naar haar manier van denken. Denken dat niet per sé moet uitmonden in ‘waarheid’, wat meestal bij andere filosofen het geval is. Kant noemde het denkvermogen Vernunft (rede) om het te onderscheiden van Verstand (intellect, verstand). Belangrijk vind ik z’n stelling (Kant, 1781): “Vernunftbegriffe dienen zum Begreifen, wie Verstandesbegriffe zum Verstehen (der Wahrnehmungen).” De vertalers Dirk De Schutter en Remi Peeters (Arendt, 2021, p. 109): “Begrippen van de rede stellen ons in staat om te begrijpen, zoals begrippen van het verstand ons in staat stellen waarnemingen te vatten.” 

Leuk dat ik via Arendt in contact kom met deze stelling van Immanuel Kant die ik, zonder ze te kennen, gebruikte in m’n onderscheid tussen ‘observeren’ en ‘interpreteren’ in m’n Cruciale Dialoogmodel:

Het denken wordt gevisualiseerd door de linker lus waarbij het vatten van de werkelijkheid gebeurt door het observeren van die werkelijkheid gebruik makend van het helder bewustzijn. Het begrijpen van de werkelijkheid gebeurt dan door het interpreteren van wat gevat werd, gebruikmakend van het gekleurd bewustzijn. Het verstand tracht te vatten wat aan onze zintuigen gegeven is (vandaar observeren) en de rede (Vernuft) tracht de betekenis ervan te begrijpen (interpreteren).

Kant gebruikt het begrip Wahrnehmung, Duits voor het Latijnse Perceptio, om aan te geven dat de waarheid ligt in wat ik observeer (waar-neming). Het denken neemt die observatie aan en vraagt zich af wat het bestaan ervan betekent. Denken, de linker lus van m’n model, heeft te maken met betekenis geven. Het onderscheid tussen waarheid en betekenis is van cruciaal belang voor het menselijk denken. Betekenis geven aan wat werd geobserveerd, gebeurt dus met het gekleurd bewustzijn. Elke mens heeft een uniek gekleurd bewustzijn en geeft dus een specifieke betekenis aan ‘de waarheid’, waardoor het ‘zijn waarheid’ wordt. Enkel door dialoog kunnen twee verschillende mensen, die dezelfde werkelijkheid (‘de waarheid’) aanschouwen en verschillende ‘eigen waarheden’ hebben, tot een Gedeelde Mening (‘een gedeelde waarheid’) komen. Dit laatste noemen we in bovenstaande figuur het inzicht. Ook Arendt stelt, niet zoals de meeste filosofen, dat denken niet als doel heeft de ultieme ‘waarheid’ te vinden. Steeds opnieuw dient er te worden nagedacht. Vandaar de het infinity teken dat de lemniscaat is een adequaat beeld is om dit uit te drukken.

Wij worden geconditioneerd

Het gekleurd bewustzijn steunt op onze mindset die geconditioneerd is. In haar boek ‘Het leven van de Geest’ schrijft Hannah Arendt het volgende (2021, pp. 96-97):

Existentieel worden mensen weliswaar volledig geconditioneerd – ze worden beperkt door de tijdsspanne tussen geboorte en dood, gedwongen te arbeiden om te leven, aangezet tot werken om zich thuis te voelen in de wereld, en aangespoord tot handelen om hun plaats te vinden in het samenleven met hun medemensen – maar toch kunnen ze al deze condities mentaal overstijgen, zij het alleen mentaal, nooit in werkelijkheid of in de kennis en het weten, waarmee ze de wereld en zichzelf exploreren. Ze kunnen positief of negatief oordelen over de werkelijkheid waarin ze geboren zijn en waardoor ze ook geconditioneerd worden; ze kunnen het onmogelijke willen, bijvoorbeeld het eeuwige leven; en ze kunnen denken, d.w.z. zinvol speculeren over het onbekende en onkenbare. Daardoor kunnen ze de werkelijkheid weliswaar nooit onmiddellijk veranderen – er is in onze wereld inderdaad geen zo duidelijke en radicale tegenstelling als die tussen denken en doen – maar toch hangen de principes van ons handelen en de criteria van ons oordelen en onze levenswijze uiteindelijk af van het leven van de geest.

In deze paragraaf vermeld Arendt terloops haar onderscheid tussen Arbeiden, Werken en Handelen (zie m’n column Hannah Arendt over Arbeiden, Werken en Handelen) en gaat dieper in op het oordelen over de werkelijkheid die conditioneert. Inderdaad, opvoeding, opleiding en samenleven conditioneert de mens. Door dit socialisatieproces wordt diens specifieke gekleurde bril gevormd, waarmee zij of hij ‘de waarheid’ inkleurt.

Denken is onzichtbaar

Daar waar de werkelijkheid zichtbaar is, is het denken erover onzichtbaar. De uitwendige manifestatie van het denken is verstrooidheid en een afwezigheid. Men is blijkbaar niet meer geïnteresseerd in de omringende wereld. Het denken laat echter op geen enkele wijze zien wat er in ons feitelijk aan het gebeuren is. Het denkende ego, waarvan ik me bewust ben zolang de denkactiviteit duurt, verdwijnt als sneeuw voor de zon op het ogenblik dat de werkelijke wereld zich opnieuw opdringt. Mentale activiteiten komen tot stand bij een bewuste terugtrekking uit de aanwezigheid van werkelijke wereld voor de zintuigen. Je koppelt als het ware de zintuigen af. Niet zelden sluit je effectief de ogen en hoor je niet wanneer je in nadenken verzonken bent. Wat echter afwezig is voor de echte zintuigen verschijnt helder in de geest en wordt verbeelding genoemd. In m’n bovenstaand Cruciale Dialoogmodel vindt die verbeelding plaats zowel in de tweede karakteristiek Waarderend Begrijpen als in de derde karakteristiek Creatief Integreren van het Creatief wisselwerkingsproces. In de toepassing Cruciale Dialogen worden die karakteristieken respectievelijk Appreciatie en Imaginatie genoemd en het model is in die fasen ‘naar binnen gekeerd’, een visualisatie van het denkend ego, of de reflecterende mens. Zo wordt bij het Waarderend Begrijpen wat ‘niet meer’ of ‘wat is,’ een verleden en een heden, voor onszelf tot stand gebracht en in het Creatief Integreren een ‘nog niet’ van de toekomst verbeeld. Dit is echter maar mogelijk voor de mind wanneer die zich uit het aanwezige en uit het alledaagse reilen en zeilen heeft teruggetrokken. Die mind dient zich ver van de ‘jump to conclusion’ modus die zich zonder reflectie in de toekomst wil storten, houden en zich niet om objecten maar om een project bekommeren. Het oordeel dient zich weloverwogen, in het midden van m’n model, te transformeren in een wil die de behoeften (de begeerte) omzet in gevoelens (een intentie). We oordelen dus eerst over de ‘delta’, i.e. het verschil tussen wat is en wat gewenst is en die behoefte wordt omgezet in een wil om iets aan dat verschil te doen. Anders gesteld, het denken geeft inzicht dat vergeleken wordt met de behoeften en die vergelijking zwengelt al dan niet de wil aan om er iets aan te doen. Die wil stuurt dan de ‘imaginatie’ van de mogelijke handelingen om effectief de actuele werkelijkheid om te zetten in de gewenste.

Denken doet men altijd over een denkbeeld. Soms is dat ‘beeld’ een herinnering aan verleden, een beeld van het heden en soms een beeld van de toekomst. Meestal is denken letterlijk na-denken. Elk denken vereist een stop-en-denk. Ik kan stoppen in de toekomst en eraan denken alsof het er al is, of ik kan stoppen in het verleden en eraan denken alsof het nog niet verdwenen is.  Opdat ik aan iets zou kunnen denken moet het object, waaraan ik denk, tot een beeld omgevormd worden en die omvorming wordt ‘verbeelding’ genoemd. Zonder dit vermogen dat het afwezige aanwezig maakt in de vorm van een beeld zouden denkprocessen en gedachtegangen gewoon niet mogelijk zijn. Concreet, in aanwezigheid van de geliefde denkt men niet aan de geliefde; in afwezigheid van die geliefde denkt men aan een beeld van die geliefde. Terwijl ik denk, ben ik niet aanwezig waar ik op dat moment wekelijk ben, ik ben niet door wekelijke objecten omringd maar door beelden, die niemand anders kan zien.

Hannah Arendt zegt het zo (2021, p. 111):

Het vermogen om in gedachte vooruit te lopen op de toekomst komt voort uit het vermogen om zich het verleden te herinneren, dat op zijn beurt voortkomt uit het nog meer elementaire vermogen om het fysisch afwezige te ont-zinnelijken en als aanwezig voor (en niet slechts in) onze geest te brengen.

In de Griekse taal is het woord ‘weten’ afgeleid van het woord ‘zien’. Zien is namelijk edieen, weten is eidenai, wat overeenkomt met ‘gezien hebben’. Eerst zie je, daarna weet je. De Nederlandse filosoof Johan Cruyff draaide de sequentie om: “Je gaat het pas zien als je het doorhebt.”

Denken stopt nooit

Denken is een oneindig proces. Onze geest heeft een afkeer van ultieme zekerheid. Een denkend mens is een twijfelend mens. De activiteit van het denken is nooit ‘af’. Het is een steeds terugkerende activiteit omdat het denkend ego intuïtief aanvoelt dat ‘zekerheid’ niet bestaat. Het denken mondt nooit uit in een definitieve verworvenheid, maar moet telkens hernomen worden. Arendt suggereert dit men een prachtig, aan Homerus ontleend beeld: zoals Penelope elke morgen haar handwerk, dat ze de vorige avond weefde, ontrafelt, doet het denken telkens zijn eigen ‘resultaten’ teniet (Arendt, 2021, p. 113). Voor Arendt is dat de echte betekenis van Nietzsche ’s ‘eeuwig terugkeer’. 

Arendt vernoemt dan Hegel die voor de ‘eeuwige terugkeer’ van het denken zo een eigen analogie had (2021, p. 114):

Dat het denken zijn eigen resultaten tenietdoet, wordt volgens hem beheerst door dezelfde onverbiddelijke keten van ontwikkelingsfasen die, van kiem tot vrucht, heerst over de organische natuur, waarin elke fase altijd de voorafgaande fase “ontkent” en opheft. Het verschil tussen de organische natuur en het denkproces is dat het laatste “door bewustzijn en wil bemiddeld wordt”, door mentale activiteiten dus, en daarom kan worden beschouwd als “zichzelf producerend”: “De geest is enkel dat waartoe hij zichzelf maakt, en hij maakt zich daadwerkelijk tot dat, wat hij in zichzelf (potentieel) is.

Daarmee wordt duidelijk dat het denken een proces is dat gestuurd wordt door de geest die autonoom beslist om zichzelf te creëren. Ik beweer, met Henry Nelson Wieman, dat het niet de geest is die dat beslist maar de geest die het creatief wisselwerkingsproces van binnenuit beleeft. Want Creatieve wisselwerking was voor hem het ultieme antwoord op zijn levensvraag: “Wat transformeert de Mind, gezien de Mind dat zelf niet kan?” Die passage uit dit boek van Arendt is ook koren op m’n molen: Creatieve wisselwerking transformeert het gecreëerde zelf in de richting van het Originele Zelf.

Denken is het toeschouwen van doen

Denken komt neer op de linker lus van m’n Cruciale Dialoogmodel. Let wel het model is een lemniscaat en heeft daardoor geen begin, noch einde. Denken volgt steeds op het doen, de rechter lus van het model en kan daardoor gezien worden als het toeschouwen van het doen. Bij het denken is de denker ‘in rust’, zij of hij heeft zich teruggetrokken uit elk engagement en heeft alle onmiddellijke belangen, waardoor zij of hij deel uitmaken van de werkelijkheid, ‘on hold’ gezet.  Alleen als toeschouwer kan de denker kennen en begrijpen wat zich als schouwspel afspeelt, nooit als actor.

Deze historische zienswijze wordt omzeild door de zestiende vaardigheid van Creatieve wisselwerking: het Procesbewustzijn. Deze vaardigheid wordt ondermeer ingezet tijdens het reflecteren, wat een specifieke vorm van na-denken is. Reflecteren is een zich steeds herhalend proces van leren door: het opdoen van ervaringen en inzicht verwerven betreffende dit handelen en daardoor het handelen aan te passen waardoor nieuwe ervaringen worden opgedaan. Waarna nieuw inzicht verworven wordt, waardoor … Als acteur voer je de handelingen uit. Als toeschouwer reflecteer je over die handelingen, en meer bepaald over de oorzaken, zowel directe als onderliggende, en de gevolgen ervan. En als regisseur breng je wijzigingen aan het script, zodat de acteur vernieuwde handelingen kan uitvoeren … 

Het Procesbewustzijn heeft in zijn meest eenvoudige vorm te maken met een tweevoudig bewustzijn (Roels, 2012, pp. 262-264). Dit wil zeggen dat een gedeelte van het bewustzijn zich focust op de taak (wat gedaan wordt). Terwijl men dat doet, is een ander gedeelte van het bewustzijn gefocust op het proces (hoe het gedaan wordt). Met andere woorden, diegene bij wie het Procesbewustzijn operatief is, is niet volledig opgeslorpt door de taak; zij of hij heeft ook oog voor het werkproces zelf. Zij of hij voldoet daarbij aan het eerste van H.N. Wieman’s tweevoudige engagement (“two-fold-commitment”). Zij of hij geeft dus het beste van zichzelf, wat zij of hij kent en begrijpt en kan uitvoeren. Op hetzelfde moment reserveert zij of hij ook een gedeelte van het Procesbewustzijn voor het creatief wisselwerkingsproces. Dit gedeelte gaat na of iedere deelnemer aan het werkproces al dan niet de vaardigheden, nodig om Creatieve wisselwerking te kunnen beleven, effectief gebruikt, of eerder aan het worstelen is met haar of zijn Vicieuze Cirkel. Bij het Procesbewustzijn is het zo dat je zowel speler als observator bent, en dus zowel de uitvoering van de taak, het volgen van het werkproces, als het beleven van Creatieve wisselwerking meet en evalueert. Je bent er zich werkelijk van bewust dat het creatief wisselwerkingsproces al dan niet operatief is. En je monitort continu de condities voor dat proces en het effectief gebruik van de vaardigheden ervan. Procesbewustzijn heeft te maken met het bewustzijn van jezelf (self-awareness) en van je bekwaamheid je los te maken van jezelf en van de informatie die je in je hoofd aan het verwerken bent. Laat ik, om dit laatste enigszins te verduidelijken, Einstein parafraseren: 

The superiority of man lies not in his ability to perceive, but in his ability to perceive that he perceives, and to transfer his perception to others through words 

Zien waar je mee bezig bent, dus zowel de taak als het verwerken van informatie (en beide als gelijkwaardig beschouwen), is één. Zien dat je ziet waarmee je bezig bent, is dus een diepere laag van het Procesbewustzijn. Om te zien dat ik aan het zien ben, moet ik mij losmaken van diegene die ziet, in casu mezelf. 

Het heeft ook te maken met het begrip ‘transcendentie’. Je hebt ooit wel eens de uitdrukking “in de wereld zijn en toch niet van de wereld zijn” gehoord. In de wereld zijn, betekent dat je jezelf identificeert met je gedachten, je gevoelens en je gedragingen. Van de wereld zijn zou suggereren dat al wat je bent een conglomeraat is van je ervaringen en acties in deze wereld. Niet van de wereld zijn betekent die wereld afstandelijk kunnen beschouwen. Je bent ‘boven’ de wereld en je kan dus beschouwen zonder er effectief de slaaf van te zijn .

Hannah Arendt noemt dat oordelen, dat op het denken volgt (2021, pp. 119-120):

Het oordelen verlaat de wereld van de verschijnselen niet, maar trekt zich uit zijn actieve betrokkenheid in de wereld terug naar een geprivilegieerde positie, met de bedoeling het geheel te overschouwen. … De toeschouwers nemen dus wel afstand van de bijzonderheden die karakteristiek zijn voor de acteurs, maar ze zijn niet eenzaam. En ze hebben evenmin genoeg aan zichzelf, zoals de “hoogste god” die de filosoof in zijn denken tracht te evenaren en die, volgens Plato, “voor altijd … eenzaam is omwille van zijn volmaaktheid; hij kan met zichzelf samenzijn en heeft niemand anders nodig, geen bekende noch vriend, hij is zichzelf genoeg.

De toeschouwer heeft volgens haar het recht om te oordelen en dat vanaf het moment het individu niet langer handelt en alleen toeschouwer is. 

Denken en willen

De visie van Hannah Arendt rond de sequentie denken, willen en oordelen wordt door mij enigszins gewijzigd, zoals duidelijk wordt in onderstaande lineaire voorstelling van m’n Cruciale dialoogmodel. 

De lineaire voorstelling, die dus een soort ‘ideaal’ is, heeft een didactisch nut (het is een eenvoudige voorstelling van Creatieve wisselwerking) en een theoretische tool om wat er werkelijk gebeurt af te toetsen (in welke fase bevind ik mij hier en nu?). 

Deze lineaire toepassing loopt als volgt: de werkelijkheid wordt eerst geobserveerd en nadien geïnterpreteerd door ons denken. Dit laatste geeft aanleiding tot een oordeel (inzicht) dat afgetoetst wordt aan de behoeften (de gewenste situatie) wat gevoelens creëert. Meer bepaald wordt het willen door die gevoelens (gebaseerd op het verschil tussen de begrepen en de gewenste werkelijkheid) aangezwengeld iets aan die ‘delta’ te doen. Vooraleer te kunnen doen, en dus actie te ondernemen, dienen er mogelijke acties te worden geïmagineerd en uit de set die acties gekozen die uitvoerbaar zijn. Dit laatste de beschikbare middelen in acht genomen, wat overeenkomt met de staande 8 in de rechter lus van de liggende 8. De werkelijke uitvoering van die acties is het handelen, dus het doen. Niet zelden voltrekt deze cyclus zich in een fractie van een seconde, een oogwenk, en daarbij worden soms etappes overgeslagen (het zogenaamde ‘jump to conclusion’ gedrag). Van dit alles zijn we ons niet steeds bewust. Reflectie in vooruitblik modus legt deze cyclus bloot! 

Tussen haakjes, in het boek ‘het leven van de Geest’ vond ik een ondersteuning voor m’n visie rond het helder en het gekleurd bewustzijn (Arendt, 2021, p. 137):

Afstand is de belangrijkste voorwaarde voor het goed functioneren van de gezichtszin. “De aanwinst is het begrip objectiviteit, het ding zoals het op zichzelf is, te onderscheiden van het ding zoals het mij beroert, en uit dit onderscheid ontstaat de hele idee van theôria en van theoretische waarheid.” Bovendien levert het zien ons een “gelijktijdige veelvoudigheid”. … Het zien laat ruimte voor “keuzevrijheid … die berust … op het feit dat ik tijdens het zien niet meteen door het geziene object in beslag genomen wordt …. [Het geziene object] laat mij zijn, zoals ik het object laat zijn”, terwijl de andere zintuigen mij onmiddellijk beroeren. 

 Wat inzicht betreft speelt Hannah Arendt ‘leentje buur’ bij Plato, meer bepaald uit diens zevende brief (2021, p. 142):

Klaarblijkelijke waarheid, geconstrueerd naar het voorbeeld van de lichamelijk-zintuiglijke waarneming van dingen, kan bereikt worden door zich te laten onderrichten (diagôgê) door woorden in het dialegesthai, de discursieve gedachtegang, die in stilte kan verlopen of luidop tussen leraar en leerling uitgesproken kan worden, die “op en neer beweegt” en onderzoekt “wat waar is en wat niet- waar is”. Maar het resultaat, dat geacht wordt een aanschouwing en geen conclusie te zijn, zal plotseling volgen, na een lange periode van vraag en antwoord: “wanneer als een bliksemschicht het inzicht (phronêsis) omtrent alle dingen inslaat, en de geest overstroomd wordt met licht”. Deze waarheid ligt voorbij de woorden; de namen van waaruit het denken vertrekt, zijn onbetrouwbaar – “wat zou erop tegen zijn zo men, wat nu ‘rond’ heet, ‘recht’ genoemd had, of ‘rond’ wat nu ‘recht’ heet?” – en de woorden, de beredeneerde betogen die trachten te verhelderen, zijn “zwak”; zij bieden slechts “een beetje hulp” om “in de ziel een vuur, als door een overspringende vonk, te doen ontbranden, dat, eenmaal aangestoken, zichzelf voedt.

Ik zie bovenstaande als de ‘staande acht’ binnen de linker lus van de liggende acht, de ‘op en neer beweging’ tussen het gekleurd en helder bewustzijn (zie figuur).

Denken en spreken

Het denken, dat onzichtbaar is, openbaart zich enkel in het spreken. De drang om te spreken, en zo manifest te maken wat anders geen onderdeel van de zichtbare wereld is, dient soms aangewakkerd te worden. Denk daarbij aan het Engels idioom ‘A penny for your thoughts’. Hannah Arendt stelt (Arendt, 2021, p. 123): “Niet onze ziel, maar onze geest vereist spreken.” In een adem vermeld ze daarbij een passage uit De Interpretatione van Aristoteles, waaruit blijkt dat het criterium van de logos, het coherente spreken, niet waarheid of onwaarheid, maar betekenis is. Het oordelen van het denken, kan gemakkelijk in de fout gaan indien de denker z’n gedachten niet formuleert. Het uitspreken van gedachten maakt het mogelijk om deze te toetsen aan de gedachten van anderen rond dezelfde werkelijkheid. Dit is nodig omdat we allen denken met ons gekleurd bewustzijn waardoor onze gedachten per definitie niet overeenkomen met de ‘naakte’ werkelijkheid, zoals gezien door het helder bewustzijn. We leggen door het spreken als het ware rekenschap af van ons denken en van de betekenis die we aan de werkelijkheid geven. Door het spreken eigenen wij ons de wereld toe en toetsen we onze visie aan dat van anderen. De mens bestaat niet in enkelvoud, maar in meervoud, stelt Hannah Arendt (2021, p. 124).

Omdat de taal lang niet zo goed berekend is voor het denken als het gezichtsvormogen berekend is voor het zien, heeft de taal metaforen en analogieënπ nodig. Hannah Arendt zegt daarover ondermeer (2021, p. 128):

En dit spreken in analogieën, in metaforische taal, is volgens Kant de enige manier waardoor de speculatieve rede, die wij hier het denken noemen, zichzelf kan manifesteren. De metafoor levert het “abstracte”, beeldloze denken een aanschouwing uit de wereld van de verschijnselen. De functie van deze aanschouwing bestaat erin “de werkelijkheid van onze begrippen aan te tonen” en op die manier de terugtrekking uit de wereld van de verschijnselen – de basisvoorwaarde van mentale activiteiten – als het ware ongedaan te maken. 

Het spreken blijft aan het zien gebonden, indien het spreken zich afscheidt van wat gezien kan worden, dan verschrompelt het tot leeg gepraat, zonder basis (Arendt, 2021, p. 143). En Arendt geeft aan dat de waarheid is wat wordt gezien en zowel het denken als het spreken is slechts authentiek wanneer het de zichtbare werkelijkheid volgt en die omgezet wordt in volzinnen. Van zodra die zichtbare werkelijkheid wordt verlaten, door bijvoorbeeld de mening van anderen te parafraseren, wordt spreken inauthentiek – precies zoals een afbeelding volgens Plato inauthentiek is in vergelijking met het originele voorwerp. Dit werd door Magritte meesterlijk geïllustreerd in z’n meesterwerk ‘La Trahison des images”:

H

Hannah Arendt zegt nog het volgende over de taal (2021, pp. 143-144):

Een van de opvallende eigenschappen van onze zintuigen is dat ze niet in elkaar kunnen worden vertaald – een geluid kan niet gezien worden, een beeld niet gehoord enzovoort – ook al zijn ze met elkaar verbonden dankzij het gezond verstand, dat alleen al hierom het belangrijkste van alle zintuigen is. …De taal, die aan het gezond verstand beantwoordt of het navolgt, geeft aan een object zijn gemeenschappelijke naam; deze gemeenschappelijkheid is niet alleen beslissend voor de intersubjectieve communicatie – hetzelfde voorwerp wordt door verschillende personen waargenomen en is voor hen gemeenschappelijk – maar stelt ons ook in staat een gegeven te identificeren dat voor elk van de vijf zintuigen op een totaal verschillende manier verschijnt: hard of zacht als ik het aanraak, zoet of bitter wanneer ik het proef, helder of donker als ik het zie, klinkend in verschillende tonen als ik het hoor. Geen van deze waarnemingen kan op een toereikende manier met woorden worden beschreven. 

Het denken wordt door Hannah Arendt ook de geluidloze dialoog tussen mij en mezelf genoemd (2021, p. 147) Die dialoog is een zuivere activiteit van de geest die gepaard gaat met een volstrekte onbeweeglijkheid van het lichaam. Arendt citeert in dit verband Cato: “Nooit ben ik actiever wanneer ik niets doe, nooit ben ik minder alleen dan wanneer ik in gezelschap van mezelf verkeer.” Ze grijpt daarbij terug naar een metafoor die Aristoteles aanwendt (Arendt, 2021, pp. 148-49):

De activiteit van het denken [energeia die haar doel in zichzelf heeft] is leven.” Haar inherente wet, die alleen een god voor altijd kan verdragen, maar de mens slechts nu en dan – en op die momenten is hij goddelijk – is een “onophoudelijke beweging, de cirkelbeweging”, dat wil zeggen, de enige beweging die nooit een einde kent of resulteert in een eindproduct. 

Ze vindt daarin een bevestiging van haar stelling dat het doel van denken betekenis vinden is en niet kennis (Arendt, 2021, p. 149):

Ware het denken een onderneming van kennis, dan zou het een rechtlijnige beweging moeten volgen, vertrekkend van de vraag naar zijn object en eindigend in de kennis ervan. Aristoteles’ circulaire beweging suggereert, samen met de metafoor van het leven, een zoektocht naar betekenis die het leven van de mens als denkend wezen vergezelt, en die slechts met de dood ten einde loopt. De circulaire beweging is een metafoor die aan het leven ontleend is: hoewel het leven van geboorte naar dood gaat, draait het, zolang de mens in leven is, ook in cirkels. 

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Kant, I (1781). Kritik der reinen Vernunft. Riga: J.F. Hartknoch 

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Sawubona, hannah arendt – deel I

In een onlangs verschenen boek van Hannah Arendt Het leven van de Geest (Arendt, 2021), een studie van drie mentale activiteiten – denken, willen en oordelen – die Hannah Arendt inzet als vertrekpunt voor de vraag naar de zin van het geestelijk leven, valt het mij op dat de drie delen, denken, willen en oordelen overeenkomen met cruciale elementen van m’n Cruciale Dialoogmodel, dat ook model staat voor het creatief wisselwerkingsproces. Wel zie ik een andere volgorde: Denken leidt tot Oordelen en Oordelen tot Willen. Het betreft de linker lus (Denken) en het midden (Oordelen en Willen) van het Cruciale Dialoogmodel. 

In het kader van levenslang leren plan ik meerdere columns te schrijven over de verbanden die ik zie tussen het Cruciale Dialoogmodel en de filosofie van Hannah Arendt over ‘Denken’, zoals zij die uiteenzet in haar boek. In volgend figuur komt Denken overeen met de linker lus, Voelen met het midden en Doen met de rechter lus. Deze eerste column van de reeks gaat dus voornamelijk over die linker lus.

De zin van het denken ligt volgens Hannah Arendt niet in het bekomen van kennis, noch in het ontdekken van waarheid, maar in het zoeken naar betekenis. Een zoektocht dat volgens haar nooit stopt. Amen! Ook voor mij is het doel van de linker lus het vinden van betekenis in de data en info van de werkelijkheid die zich aan ons ontvouwt. Dit door het samen met anderen van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Als dit goed gaat, bekomt men zo een Gedeelde Mening over de betekenis van de werkelijkheid. Die betekenis kan vervolgens de grond zijn voor actie (het midden en rechter lus van het model).

Sawubona

De titel van deze column geeft aan dat ik Hannah Arendt herken en erken. Onder de stammen van Noordelijk Natal in Zuid-Afrika is de meeste voorkomende groet, gelijkwaardig aan ons “Hallo!”, de uitdrukking “Sawubona!”. Die betekent letterlijk, “Ik zie je”.  En daarmee wordt niet zo zeer het effectief ‘zien’ bedoeld.  Het betekent vooral – zoals de bekender uitdrukking “Namaste”(Edwards, z.d.) – “De God in mij ziet de God in jou” of “Ik zie mezelf door jouw ogen” of nog “Ik kom tot leven door jou heen.” Volgens Peter de Jager wordt deze Zoeloe groet meestal beantwoord met “Ngikona!”, wat betekent: “Ik ben hier” (de Jager, 2015). De volgorde van deze uitwisseling is belangrijk: totdat jij mij ziet, besta ik eigenlijk niet. Het is alsof, wanneer jij mij ziet, jij mij tot leven wekt. 

Deze betekenis, die inherent is aan de taal, maakt deel uit van het Ubuntu gedachtengoed, dat een overwegende levenswijze is van vele inheemse volkeren in zuidelijk Afrika. Het Ubunto concept vloeit voort uit het Zulu gezegde “unmunto numuntu nagabuntu” dat vertaald klinkt als “Een persoon is een persoon omwille van andere mensen.” (Senge, Kleiner, Roberts, Ross, & Smith, 1995).Het tweespan “Sawubona” en “Ngikhona” vormen de basis voor een diepgaande dialoog: Sawubona is een uitnodiging om deel te nemen aan elkaars leven, Ngikhona is het positieve antwoord op die uitnodiging. Deze column kan je zien als een virtuele creatieve dialoog met Hannah. Ik komt zo tot leven door haar heen.

Volgens Hannah Arendt voltrekt denken zich meer in een gesprek dan in het contemplatieve schouwen, denken is meer dialoog dan monoloog. (Arendt, 2021, p 11). Niet verwonderlijk dus dat denken een plaats vindt in m’n Cruciale Dialoogmodel. Arendt zocht en vond inspiratie bij Immanuel Kant. Ze herneemt Kants onderscheid tussen denken en kennen. Kant heeft het, zoals ook Arendt, over het denken over en het kennen van de ‘fenomenale wereld’. Dit is de zintuigelijke wereld waarin de mens een fragment is van een enorm causaal gedefinieerd geheel. Bij Arendt verschuift het accent van het filosofisch ‘zelf denken’ naar het dialogisch ‘samenspreken.” Dit is uiteraard koren op m’n Creatieve wisselwerking-molen. Samen denken leidt naar een Gedeelde Mening. Die wordt dan, in het midden van m’n model, gevolgd door het ‘samen oordelen’, idealiter gevolgd door het ‘samen willen en kunnen’ en uiteindelijk het ‘samendoen’. Daarmee is het model alweer eens neergelegd.

Het boek bevat ook volgende quote van Plato uit ‘De Staatsman’: 

Ieder van ons is zoals een man die de dingen ziet als in een droom

denkt dat hij de dingen perfect kent,

En dan ontwaakt en ontdekt dat hij niets weet.

Die quote hertaal ik als: “Wanneer je ontwaakt uit z’n gekleurd denkkader ontdek je dat je niets weet.” Te vergelijken met een quote van Socrates dat m’n levens moto is: “Een wijs man is een man die weet dat hij het niet weet.” Daardoor stel ik m’n gekleurd bewustzijn continu in vraag. Het begrip ‘wijsheid’ toont aan dat niet de zoektocht naar kennis maar de vraag naar zin de denkactiviteit stuurt. Een eigenschap van dialogisch samen denken mondt nooit uit in definitieve kennis. Het dient daardoor steeds herhaald te worden. Ook daarin volg ik Hannah Arendt. Vandaar ook dat ik voor het beeld van Creatieve wisselwerking koos voor het lemniscaat of infinity teken. Arendt suggereert dit met een prachtig beeld, dat ze aan Homerus ontleent: “Zoals Penelope elke nacht ontrafelt wat ze overdag geweven heeft, zo ontrafelt het denken voortdurend de eigen resultaten.” (Arendt, 2011, p. 18) Arendt maakt dus een onderscheid tussen het kennisverwervend denken en het bezinnend werken. Dit laatste laat diens waarde niet afhangen van het uiteindelijk resultaat maar aan de waarde van het continu herhalend proces (Arendt, 2011, p. 20). Is het verwonderelijk dat ik, adept van het creatief wisselwerkingsproces, van haar inzichten hou?!?

Voor Arendt is begin en eindpunt de wereld. De wereld waarin we uit het niets tevoorschijn komen en in het niets terug verdwijnen. In die wereld vallen Zijn en Verschijnen samen. Dat Zijn veronderstelt een toeschouwer, daaruit volgt dat wat verschijnt niet in het enkelvoud bestaat. Wat bestaat, bestaat in het meervoud. Niet de Mens, wel mensen bevolken de planeet. Sawubona! De wet van de aarde is niet enkelvoud, het is meervoud.

Sawubona verklaard door Hannah Arendt: Het van de wereld zijn van levende dingen betekent dat elk subject ook object is en als dusdanig verschijnt aan iemand anders. Die iemand waarborgt de ‘objectieve’ werkelijkheid. Wat wij zelfbewustzijn noemen, het feit dat ik mij bewust ben van mezelf volstaat niet om de werkelijkheid te waarborgen. Hierbij weerlegt Arendt Descartes ‘Ik denk, dus ik ben” als een ongelegen bewering, omdat het ‘denkende ding’ nooit zichtbaar wordt, tenzij zijn of haar denken meegedeeld wordt door de gedachten uit te spreken of neer te schrijven. Dit laatste veronderstelt toehoorders of lezers, voor wie de boodschap ook bedoeld is.

Levende wezen zijn zowel in als van de wereld, juist omdat ze tezelfdertijd subject en object zijn, tegelijk waarnemen en waargenomen worden.  Om deze werkelijkheid af en toe te omzeilen kan je, binnen Creatieve wisselwerking, de vaardigheid Procesbewustzijn inzettenDaarin heeft Procesbewustzijn te maken met het ontvankelijk zijn voor informatie verbonden aan het van binnenuit inzetten van Creatieve wisselwerking, terwijl we met anderen ideeën creatief aan het integreren zijn (dat wil zeggen, in de wereld zijn) en compleet open staan voor het reflecteren op onze bijdrage en dit zonder de gevangene te worden van de data die deze reflectie genereert. (dat wil zeggen, niet van deze wereld zijn). Hieruit blijkt dat Procesbewustzijn te maken heeft met zelfreflectie. Zelfreflectie is op zich ook een proces dat verschillende definities heeft. Het heeft uiteraard te maken met het ‘naar jezelf kijken’, waardoor de nood van een zekere afstand duidelijk wordt. Men dient zich los te maken van de situatie, wat ik heb trachten te definiëren met als ‘in de wereld te zijn en niet van de wereld te zijn’. Inderdaad, wanneer men van de wereld is, zit men er middenin en is er geen afstand. Het kijken dient bovendien op het puur observatie niveau te gebeuren. Deze heldere beschouwing wordt gekoppeld aan een overweging en overdenking, wat neerkomt op waarnemen en inkleuren. Daarbij wordt ruimte gegeven voor gevoelens, gedachten en ervaringen, teneinde deze te kunnen analyseren. Zo leert men wie men echt is, waarom men handelt zoals men handelt en wat ons drijft. Hier richt die reflectie zich op hoe we het creatief wisselwerkingsproces beleven (Roels, 2012). 

Verschijnen, stelt Hannah Arendt, komt altijd neer op anderen toeschijnen. En dit toeschijnen varieert met het standpunt en perspectief van elke toeschouwer. Anders gesteld, alles wat kan verschijnen heeft een soort van sluier die het kan vervormen (Arendt, 2021). In mijn woorden, wat er is, wordt gezien doorheen de eigen gekleurde bril van elke toeschouwer – die het dus ziet – en kan daardoor ‘anders’ gezien worden. 

Maar niet alleen het toeschijnen kan verschillen naargelang de mindset van de toeschouwer, ook het verschijnen zelf is niet eenduidig. Levende wezens vertonen zich, niet zoals materie die zich vertoont zoals het is, maar zoals acteurs en dit op een podium die voor hen in gereedheid is gebracht, zegt Arendt. Naast de inherente drang tot zelfvertoon presenteren mensen zich in woord en daad, en drukken op die manier uit hoe ze wensen gezien te worden. 

Hannah Arendt zegt het zo:

Zelfpresentatie onderscheidt zich van zelfvertoon door de actieve en bewuste keuze van het getoonde beeld; zelfvertoon heeft geen andere keuze dan het tonen van de eigenschappen, welke ook, die een levend wezen bezit. Zelfpresentatie zou niet mogelijk zijn zonder een graad van zelfbesef – een vermogen dat inherent is aan het reflexieve karakter van mentale activiteiten en duidelijk méér is dan louter bewustzijn, dat wij waarschijnlijk met de hogere diersoorten delen. Alleen zelfpresentatie staat bloot aan hypocrisie en veinzerij in de strikte zin, en de enige manier waarop veinzerij en voorwending zich onderscheiden van werkelijkheid en waarheid is hun gebrek aan duurzaamheid en consistentie.” (Arendt, 2021, p. 62)

De toetsteen waaraan je de hypocriet kan herkennen is het oude Socratische gezegde “’Wees zoals je wenst te verschijnen.” Dit betekent dat je je altijd dient te vertonen zoals je aan anderen wenst te verschijnen, ook als je alleen bent en aan niemand anders dan jezelf verschijnt. 

Uitgaande van de filosofie van Henry Nelson Wieman en met de hulp van Charlie Palmgren om die filosofie waarderend te begrijpen, ben ik ervan overtuigd dat we twee ‘zelven hebben’: het Originele Zelf en het gecreëerde zelf. We worden geboren als onze Originele Zelf. Het Originele Zelf is een concept dat door veel spirituele en contemplatieve schrijvers wordt gebruikt. Een voorbeeld: de Franciscaan Richard Rohr, die het Originele Zelf de True Self’ noemt: 

“I believe that God gives us our soul, our deepest identity, our True Self, our unique blueprint, at our own ‘Immaculate Conception.” (Rohr, 2011, page IX).

Ik zit dus als oud misdienaar bij de Arme Klaren (Clarissen, de tweede orde van Sint Francicus) op dezelfde golflengte als Richard Rohr (een Minderbroeder, de eerste orde van Sint Franciscus) en Charlie Palmgren (onder meer een Episcopaalse priester en lid van de derde orde van Sint Franciscus). Met als kanttekening dat voor mij God, in navolging van Henry Nelson Wieman, de mentor van Charlie Palmgren (mijn mentor), het creatief wisselwerkingsproces is (Goldsmith, 1996). 

Praktisch eenieder wordt, in de loop der tijd, min of meer geconditioneerd tot haar of zijn gecreëerde zelf. Conditioneren is gedrag of gewoonten aanleren door straf of beloning (de gekende stok en wortel – dit gebeurt al vanaf de prille jeugd: denk maar aan het zinnetje van een aloud Sinterklaasliedje: “wie stout is krijgt de roe”). Ik noem de actuele zelf de gecreëerde zelf en zou hem ook de geconditioneerde of aangeleerde zelf kunnen noemen. Om het verschil tussen het Creatieve Zelf (een synoniem voor het Originele Zelf) en de gecreëerde zelf in de verf te zetten, heb ik voor gecreëerde zelf gekozen als naam voor onze actuele zelf. 

Laat me starten met de basisbegrippen Originele Zelf en gecreëerde zelf zo goed mogelijk te duiden en te verbinden. Hierbij stel ik van meet af aan het volgende. Er bestaan enerzijds geen twee separate zelven; er bestaan daarentegen wel twee aspecten van één zelf. Zoals een muntstuk twee facetten heeft en toch één muntstuk is, zijn wij één zelf met twee facetten: het Originele Zelf en de gecreëerde zelf. Er bestaan anderzijds ook twee soorten bewustzijn, twee staten van zijn, bekwaam om verschillen te onderkennen. Elke ‘zelf’ – hetOriginele en het gecreëerde – beschikt over een specifiek bewustzijn: het helder en het gekleurd bewustzijn. De Engelse taal beschikt over twee verschillende woorden om die twee soorten bewustzijn te duiden; dit zijn de begrippen ‘awareness’ en ‘consciousness’. Deze worden in het Nederlands steevast vertaald als ‘bewustzijn’. Dat is één van de oorzaken dat het voor mij, Nederlandstalige, lang duurde voordat ik doorhad dat ‘awareness’ en ‘consciousness’ twee verschillende vormen van bewustzijn zijn. Met name de bewustzijnsvormen van onze onderscheiden ‘zelven’. Om het voor mij, en hopelijk ook voor u lezer, duidelijk te maken, heb ik een nieuwe Nederlandse vertaling van deze Engelse begrippen ‘ontdekt’. Awareness vertaal ik als helder bewustzijn. Onze Originele Zelf komt helder bewust (‘aware’) ter wereld. Dit helder bewustzijn wordt echter langzamerhand geconditioneerd tot het gekleurd bewustzijn van de gecreëerde zelf; dus vertaal ik ‘consciousness’ als gekleurd bewustzijn. 

Je zou met een metafoor kunnen stellen dat het helder bewustzijn van het Originele Zelf als helder ‘wit’ licht is dat door het gecreëerde zelf, fungerend als een prisma, gebroken wordt in de kleuren van de regenboog. Een bijkomede reden om voor het bewustzijn horend bij de gecreëerde zelf, voor de naam gekleurd bewustzijn te kiezen. Opvallend is dat gedurende het conditioneringsproces (met o.a. de opvoeding, school, vrienden, gemeenschap …), de meesten onder ons hoe langer hoe meer gekleurd bewust worden en, dat is dan het ergste, zich gaan vereenzelvigen met het gekleurd bewust aspect van hun gecreëerde zelf. Kortom, mensen worden hoe langer hoe meer gekleurd bewust (‘conscious’) en hoe langer hoe minder helder bewust (‘aware’). Dit alles zou je dus, zoals reeds gesteld, kunnen voorstellen als een muntstuk met aan de ene zijde het Originele Zelf met diens helder bewustzijn en aan de andere zijde het gecreëerde zelf met diens gekleurd bewustzijn. 

Fasten seat belts! Het helder bewustzijn is non-duaal, onbevooroordeeld, niet-lineair en neutraal. Het heeft als kenmerken transcendentie, vrijheid, openheid en vertrouwen. Transcendentie is een filosofisch begrip dat kan gedefinieerd worden als het zich als mens overstijgen; het zich verheffen boven de dualiteit van het zich vereenzelvigen met de werkelijkheid, het hier en nu bewustzijn; het gekleurd bewustzijn.

Het is kalm en vredig. Heel jonge kinderen zijn nog hoofdzakelijk helder bewust. Dit is niet verwonderlijk, gezien zij nog hoofdzakelijk hun Originele Zelf zijn. Daar het pure helder bewustzijn een ervaring is van het heel jonge kind – een ervaring die volwassenen grotendeels kwijt gespeeld zijn – is het begrip helder bewustzijn moeilijk te verwoorden. Dit is de reden waarom het voor mij, de zeventig ver voorbij, echt moeilijk is om het helder bewustzijn ook helder te beschrijven. Het helder bewustzijn leent zich bovendien niet tot volzinnen, concepten, uitleg en/of definities. Toch zal ik, tegen beter weten in, het concept helder bewustzijn in wat volgt beschrijven. Mede omdat men nu eenmaal zo veel mogelijk haar of zijn Originele Zelf wordt in de mate dat men Helder Bewust wordt. 

Het helder bewustzijn

Tegenwoordig maakt het begrip Mindfulness opgang als synoniem voor helder bewustzijnMindfulness wordt wel eens leven met aandacht genoemd. Het is een vorm van meditatie die zijn oorsprong vindt in het Boeddhisme. Het Boeddhisme is, eerder dan een religie, een spirituele en psychologische strekking die tot meer bewustzijn of verlichting (‘’enlightment’) leidt. Een andere naam voor de Boeddha is overigens de Verlichte. Verschillende auteurs geven aan het concept ‘Mindfulness’ heel verschillende definities; dus helpt dit begrip ons niet echt om het helder bewustzijn te definiëren. 

Om het helder bewustzijn toch enigszins in woorden te vatten, kan je denken aan een pasgeborene. Een pasgeborene is autentiek, helder bewust, open en vol vertrouwen. Een van de sleutel elementen van z’n openheid en vertrouwen is z’n capaciteit om te observeren. Van zodra de oogfunctie het toelaat, observeert de pasgeborene de omgeving met het helder bewustzijn. Zij of hij kleurt die werkelijkheid nog niet in. Met andere woorden, het brein van een pasgeborene fungeert nog niet als een prisma.

Observeren kan worden onderscheiden van percipiëren, maar is er niet van gescheiden. Observeren is het aandachtig en nauwkeurig bekijken (waarnemen) van dingen zonder te oordelen en percipiëren is het waarderend begrijpen door te beoordelen wat geobserveerd werd. Percipiëren steunt op observeren en voegt er, gekleurd bewust, onderwerp/object onderscheiden, positieve/negatieve oordelen, het lineair en ‘het één of het ander’ denken aan toe. Dit in een streven naar verschillende betekenissen, met als onderliggend doel zich aan te passen aan de sterk veranderende wereld en daarin goed overeind te blijven. Observeren is vrij van onderwerp/object onderscheiden, onbevooroordeeld (oordeelt dus niet in positief/negatief), niet-lineair en streeft alles behalve naar het kleven van labels op de werkelijkheid. Observatie streeft wel naar een klaar zicht krijgen op de dingen en het bekomen van ‘het één en het ander & verschillend van’ denken.

Observeren blijkt voor volwassenen een aartsmoeilijke taak. Hoewel het observeren echt zien en echt luisteren mogelijk maakt, zaken die volwassenen broodnodig hebben. Toch staan volwassenen weigerachtig tegen goed observeren. Volwassen willen niet echt observeren omdat ze intuïtief aanvoelen dat ze daardoor zullen aangezet worden te veranderen. Men wordt inderdaad door observeren uitgenodigd het persoonlijk denkkader te veranderen. Daarbij komt nog dat door echt observeren we helder bewust worden en we daardoor de controle dreigen te verliezen over onze manier van leven. Een manier waar we ons toch zo krampachtig aan vastklampen. En toch, wat een volwassene blijvend nodig heeft, is haar of zijn bereidheid iets nieuws te leren. En dus te veranderen; want leren is veranderen en veranderen is leren. De mate dat een volwassene (terug) wakker wordt, is recht evenredig met de mate waarin zij of hij een portie ‘waarheid’ tot zich kan nemen zonder er van weg te vluchten. De vraag, die elke volwassene zich dient te stellen, komt neer op: “Hoeveel van waar ik mij aan vastklamp, kan door observatie worden losgeweekt zonder ik mij verschans in m’n gesloten denkkader?” De eerste reactie van een volwassene, wanneer die tegenvoets genomen wordt door echte observatie, is blijkbaar angst. Het is niet dat zij of hij angst heeft voor het onbekende. Men kan nu eenmaal geen angst hebben van iets dat men niet kent. Daarom ook is een heel jong kind zo onbevreesd. Wat de volwassene bij echte observatie vreest, is het mogelijk verlies van wat hij wel weet, waar hij zich aan vastklampt, en wat door echte observatie op losse schroeven dreigt te worden gezet.

Het gekleurd bewustzijn

Het gekleurd bewustzijn omvat dus perceptie en geeft zaken een ‘label’: voordelig-nadelig, akkoord-niet akkoord, inclusief-exclusief, goed-slecht, en juist-fout. Perceptie is essentieel om zich te kunnen aanpassen en daardoor te kunnen overleven in deze steeds maar sneller veranderende wereld. Percepties zorgen er voor dat er voorkeuren, betekenissen en waarden ontwikkeld worden en kleuren daardoor ons bestaan.

Door interpretatie, evaluatie en beslissing wordt, wat bekomen werd door observatie met het helder bewustzijn, getransformeerd. Dit door de perceptie van het gekleurd bewustzijn. Daardoor wordt de “één en het ander &verschillend van” observatie van het helder bewustzijn vaak de “het een of het ander” perceptie van het gekleurd bewustzijn. We komen terecht in wat veelal het “in-the-box” denken wordt genoemd. Die ‘box’ (doos) wordt gevormd door de grenzen van onze ‘fixed’ (gesloten) mindset. Door ons gekleurd bewustzijn appreciëren we de werkelijkheid op een bepaalde manier en de aldus gewaardeerde werkelijkheid wordt als het ware in de doos van onze ‘mindset’ (denkkader, mentaal model) gestopt. In feite bepaalt die gekleurde appreciatie wat er in de doos terecht komt en, wat nog belangrijker is, wat er uit wordt geweerd. Anders gesteld, we voegen toe wat we waarderen en weren wat we niet waarderen. “We zien de werkelijkheid niet zoals ze is, we zien deze zoals wij zijn”, stelde Anaïs Nin ooit (Sullivan/O’Toole, 2014).

Onze voorkeuren maken dat verschillen gepolariseerd worden. Het gekleurd bewustzijn werkt inderdaad polarisatie in de hand. Er is geen sprake meer van “het één en het ander”; inderdaad, de ‘en’ is een ‘of’ geworden. We leggen onszelf op te kiezen. Een van de twee tegenstrijdige polen wordt daarbij gekozen ten nadele van de andere pool en dit werkt polarisatie in de hand.

Deze splitsing, de verschuiving van ‘en’ naar ‘of’, heeft meerdere gevolgen; zowel positieve als negatieve. Een van de gevolgen is dat elk idee wordt gecatalogeerd als een goed of slecht idee. Dit niettegenstaande in werkelijkheid elk idee beide eigenschappen in zich heeft. Inderdaad, elk idee en elke situatie kan gepercipieerd worden als positief én als negatief. Het begrip ‘appreciatie’ wordt in veel gevallen geassocieerd met onze voorkeuren, dus wat we percipiëren als positief. We worden als het ware blind voor de andere zijde van de medaille en dus voor de niet voorziene, niet geanticipeerde en collaterale schade. We zien die laatste niet omdat we enkel percipiëren doorheen de gekleurde bril van onze voorkeuren. We zien enkel wat goed is in een idee, dus wat we als ‘goed’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke negatieve effecten van dat idee. Het tegenovergestelde is ook waar: we zien enkel wat slecht is een idee, dat we als ‘slecht’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke positieve effecten van dat idee. Dit alles zorgt er voor dat we afglijden naar een gekleurd denkkader en dit ten koste van een helder én gekleurd denkkader. 

Van helder naar gekleurd bewustzijn

Wanneer de pasgeborene ouder wordt en zich ontwikkelt, wordt perceptie, als onderdeel van z’n aanpassing aan de wereld, hoe langer hoe dominanter. Het kind richt zich hoe langer hoe meer op het gekleurd bewustzijn ten koste van het helder bewustzijn. Het adaptieve conditioneringsproces heeft bovendien de neiging onze intenties vorm te geven en bijgevolg te dicteren waar we onze aandacht dienen op te richten. Ouders, leraars, vrienden en de samenleving verwachten en eisen dat we onze aandacht richten op hoe, welke en van wie we waardering, applaus en lof kunnen oogsten. Dit is een zowel positief als negatief proces. In de poging van het kind om zich aan te passen aan de wereld, is de neiging sterk om dit te doen ten koste van het helder bewust blijven. Ten slotte verliest het kind het onderscheid tussen het helder bewustzijn en het gekleurd bewustzijn. 

Het helder en het gekleurd bewustzijn zou ik ook kunnen duiden als het ‘Ik-bewustzijn’ en het ‘mij-bewustzijn’. “Ik”, de Originele Zelf observeert en “mij”, de gecreëerde zelf, percipieert. Wij zijn bekaam om beiden te doen: observeren en percipiëren. Nochtans, werden we geconditioneerd om ons voornamelijk te identificeren met het ‘mij-bewustzijn’, eerder dan met het ‘Ik-bewustzijn’.

Men zou kunnen stellen at het Originele Zelf zowel het helder bewustzijn als het gekleurd bewustzijn omvat. Daardoor kan deze zowel de percepties van de gecreëerde zelf als de observaties van het Originele Zelf bevatten. Deze extra kwaliteit van de Creatieve (Originele) Zelf vormt de basis voor authenticiteit. Authenticiteit is beide, “Ik” én “mij”. Een en ander kan als volgt voorgesteld worden:

Er kan worden gesteld dat het Originele Zelf zich tezelfdertijd helder bewust is van “Ik” helder bewust zijnde envan “mij” gekleurd bewust zijnde. Anderzijds is de gecreëerde zelf er zich zelden gekleurd bewust dat “Ik” helder bewust ben van “mij” gekleurd bewust zijnde. Met andere woorden, gekleurd bewust zijn is slechts een deel van het verhaal.

Verschijnsel en schijn

Terug naar Hannah Arendt! Ze schrijft:

“Er gaapt immers een kloof tussen het inwendige en het uitwendige, tussen de grond van het verschijnsel en het verschijnsel – of anders uitgedrukt: ongeacht hoe verschillend en geïndividualiseerd we verschijnen en hoe weloverwogen we deze individualiteit ook gekozen hebben, toch blijft het altijd zo dat wij “binnenin allemaal hetzelfde zijn”, onveranderlijk, behalve wanneer onze innerlijke psychische en lichamelijke organen niet meer functioneren of wanneer, omgekeerd, iets tegen het verkeerd functioneren ondernomen wordt. Daarom is er in elk verschijnsel een element van schijn aanwezig: de grond zelf verschijnt niet. “ (Arendt, 2021, pp. 63-64)

Opmerkelijk dat m’n visie “dat de Originele Zelf met z’n Intrinsieke Waarde bij iedereen gelijk is” hier ondersteund wordt door de visie van Hannah Arendt: “binnen zijn we allemaal hetzelfde”. Voor haar is m’n gecreëerde zelf m’n buitenkant, die gemaakt is om te verschijnen en m’n Originele Zelf, m’n binnenkant die nooit verschijnt. Als de binnenkant zou verschijnen, zouden wij er allemaal hetzelfde uitzien, stelt Hannah.

En ook m’n visie met betrekking tot het helder en gekleurd bewustzijn wordt door Hannah onderschreven:

De wereld verschijnt in de modus van “het-schijnt-me-toe”, afhankelijk van bijzondere perspectieven die zowel bepaald worden door de plaats in de wereld als door de aard van de waarnemingsorganen. Deze modus produceert niet alleen dwaling, die ik kan corrigeren door van plaats te veranderen, het verschijnende van dichterbij te bekijken, mijn waarnemingsvermogen te verbeteren met behulp van instrumenten of door mijn verbeelding te gebruiken om mij van andere perspectieven rekenschap te geven; ze produceert ook echte schijn, d.w.z. bedrieglijke verschijnselen, die ik niet kan corrigeren zoals ik een dwaling corrigeer, omdat ze veroorzaakt worden door mijn gebondenheid aan de aarde als permanente verblijfplaats en verband houden met mijn eigen bestaan als één van de aardse verschijnselen.” (Arendt, 2021, p. 92)

Het denkende ego 

Hier gaat Hannah Arendt ten rade bij Immanuel Kant en stelt ze dat de denkende ik, Kants ‘ding-op-zich’ is, dat niet aan anderen verschijnt en ook niet aan zichzelf. Het denkende ego is louter activiteit en niet het zelf.

Heel interessant vond ik hoe Hannah Arendt brandhout maakt van de stellige zekerheid van Descartes: “Je pense donc je suis.” Juist omdat je om zekerheid over ‘iets’ te hebben nood hebt aan anderen die hetzelfde zien. Nu is denken een solitaire activiteit en is het denken niet zichtbaar en ontbreekt dus de toetssteen van anderen. Daardoor slaat Descartes de bal volledig mis. In de woorden van Hannah Arendt (2021, p. 75):

Bovendien, juist de denkactiviteit – de ervaring van het denkende ego – zaait twijfel over de werkelijkheid van de wereld en van mijzelf. Het denken kan vat krijgen op en zich meester maken van elke werkelijkheid – gebeurtenissen, voorwerpen, de eigen gedachten; hun werkelijkheid is echter de enige eigenschap die zich hardnekkig aan de greep van het denken onttrekt. Het cogito ergo sum is een misvatting, niet alleen in de zin dat uit het cogito enkel tot het bestaan van cogitationes kan worden besloten, zoals Nietzsche heeft opgemerkt; het cogito is dus voor dezelfde twijfel vatbaar als het sum. Het ik- ben is voorondersteld in het ik-denk; het denken kan deze vooronderstelling aangrijpen, maar het kan die bewijzen noch weerleggen.

Alles wat verschijnt wordt waargenomen in de modus “het-schijnt-me-toe” en is daardoor vatbaar voor dwaling en illusie, toch draagt het verschijnsel als bij voorbaat het stempel van werkelijkheid. Die werkelijkheid wordt gewaarborgd door zijn wereldlijke context, gezien anderen waarnemen zoals ik, en ook door de samenwerking van vijf zintuigen. En Arendt  (2021, p. 75) voegt daarbij, voor mij verrassend, het gezond verstand toe; het sensus communis van Thomas van Aquino. De noot van de vertalers – Dirk De Schutter en Remi Peeters – was een oogopener om (eindelijk) het begrip gezond verstand, als zijnde een zesde zintuig, ten volle waarderend te begrijpen:

“Gezond verstand” is in zekere zin de slechtst mogelijke, maar tegelijk de enig mogelijke vertaling van het Engelse common sense. Zoals het Latijnse sensus communis bewaart het Engelse common sense een verwijzing naar de zintuiglijkheid en beklemtoont het de gemeenschappelijkheid (intersubjectiviteit) van elke zintuiglijke waarneming. In die zin is common sense een soort zesde zintuig. In “gezond verstand” zit wel de notie van gemeenschappelijkheid, maar is er geen enkele verwijzing naar het zintuiglijke. Het woord “gezond” verwijst eerder naar het niet-aangeleerde dan naar de zintuiglijke waarneming. Ondanks deze verschilpunten hebben we in onze vertaling de term “gezond verstand” behouden, in de lijn van de traditie. (Arendt, 2021, p. 92)

Dit zesde zintuig is nodig om m’n vijf zintuigen samen te houden en om te waarborgen dat wat ik met die zintuigen waarneem er werkelijk is. Het zesde zintuig waarborgt wat waargenomen wordt in een met anderen gemeenschappelijke wereld. Hannah Arendt (2021, p. 76) vat meesterlijk samen:

In een wereld van verschijnselen, die doortrokken is van dwaling en schijn, wordt de werkelijkheid door de volgende drievoudige gemeenschappelijkheid gewaarborgd: de vijf zintuigen, die sterk van elkaar verschillen, hebben hetzelfde voorwerp gemeen; leden van dezelfde soort hebben de context gemeen die elk afzonderlijk voorwerp zijn bijzondere betekenis verleent; en alle andere met zintuigen toegeruste wezens zijn het eens over de identiteit van dit voorwerp, ook al nemen ze het vanuit volkomen verschillende perspectieven waar. Uit deze drievoudige gemeenschappelijkheid ontstaat de gewaarwording van werkelijkheid. 

Het gezond verstand is eigenlijk geen fysisch zintuig zoals de vijf andere. Het kan ook niet, zoals het denken, fysisch gelokaliseerd worden in de hersenen. Het denken kan evenwel het gevoel van werkelijk-zijn dat veroorzaakt wordt door het zesde zintuig, door de Fransen kenmerkend le bon sens – het goede zintuig – genoemd , niet bewijzen noch weerleggen. 

Het begrip dat de vooruitgang ‘oneindig’ is, waarmee ik sinds de ‘golden sixties’ opgroeide en het inspirerende principe van de wetenschap is, geeft aan dat die wetenschap floreert in het domein van het ‘gezond verstand’. Dwaling en misleiding is een inherent onderdeel van dit domein en wordt continu gecorrigeerd door wetenschappelijk onderzoek. Zo wordt het ‘steeds beter’, ‘steeds meer waar’ inherent vergezeld met het inzicht dat ‘het goede’ en ‘het ware’ onbereikbaar zijn. Zo ook zal m’n gecreëerde zelf nooit ten volle evolueren tot het Originele Zelf. Werd die ooit bereikt dan zou aan mijn zoektocht een einde komen en zou, in de wereld, aan de goesting om te weten en de zoektocht naar kennis een einde komen. Socrates had het bij het rechte eind: “Een wijs man is een man die weet dat hij niet weet.” en ik voeg er aan toe, en het volledig weten, de totale kennis zal zij of hij, gelukkig maar, nooit bezitten.

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

de Jager, P. (22 oktober 2015). Parsing the Personal Privacy Puzzle. Geraadpleegd op 13 mei 2021 van https://www.linkedin.com/pulse/parsing-personal

Edwards, B. (z.d.) Namaste and Sawubona, a Zulu greeting. Geraadpleegd op 13 mei 2021 van https://bridgetedwards.com/namaste-and-sawubona-a-zulu-greeting/

Goldsmith, E.S. (1996). “Henry Nelson Wieman: Introduction,” in W. Creighton Peden and Jerome A. Stone, eds., The Chicago School of Theology–Pioneers in Religious Inquiry, Volume II, The Later Chicago School, 1919-1988, 55, 57 

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Rohr, R. (2011); Falling Upward: A Spirituality for the Two Halves of Life. San Francisco: Jossey-Bass

Senge, P.M., Kleiner, A., Roberts, C., Ross, R.R., & Smith B. J. (1995). Het Vijfde Discipline Handboek: Strategieën en Instrumenten voor het Bouwen van een Lerende Organisatie. Schoonhoven: Accademic Services

Sullivan, G./O’Tool, G. (2014, 9 maart). We Don’t See Things As They are, We See Them As We Are. Geraadpleegd op 15 mei 2021 van https://quoteinvestigator.com/2014/03/09/as-we-are/

hannah Arendt over Arbeiden, Werken en Handelen

Deze column is mijn parafrasering van de lezing van Professor Dirk De Schutter ‘Hannah Arendt in essentie’ in de reeks ‘Hannah Arendt ingekleurd’ van het Hannah Arendt Instituut (voorjaar 2021). In z’n lezing, de tweede van die serie, gaat Dirk De Schutter dieper in op de betekenis die Hannah Arendt geeft aan de begrippen Arbeiden, Werken en Handelen en belicht hij op het eind van z’n lezing een speciale vorm van handelen: Vergeven (De Schutter, 2021).

Tot nog toe gebruikte ook ik de werkwoorden Arbeiden, Werken en Handelen min of meer door elkaar als ware het synoniemen. Het was voor mij dan ook een heuse eye-opener te begrijpen dat die termen voor Hannah Arendt allesbehalve synoniemen waren. Voor haar zijn het heel verschillende vormen van menselijk ageren. In z’n boeiende lezing duidde Dirk De Schutter op heldere wijze de distincties die Hannah Arendt in die drie termen zag en ook de hiërarchie die ze eraan gaf en die mij aan de pyramide van Abraham Maslow (Maslow, 1943) deed denken.

Om het onderscheid die Hannah Arendt maakt te kunnen begrijpen, nam Dirk De Schutter ons eerst mee naar de jaren dertig en veertig van vorige eeuw. Hannah Arendt stelde tijdens en in de periode na de tweede wereldoorlog het failliet vast van de twee totalitaire regimes die verwikkeld waren in de totale vernietigingsoorlog waarin ook de geallieerden een prominente rol speelden. Ook deze laatsten maakten zich schuldig aan zware oorlogsmisdaden zoals het bombardement van de Duitse stad Dresden en het droppen van atoombommen op de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki. Een vernietigingsoorlog waarin zich, als het ware in de coulissen, een genocide voltrok.

Die gebeurtenissen zorgden bij Hannah Arendt voor de vraagstelling wat politiek is of zou kunnen zijn. Uiteindelijk publiceert ze in 1951 haar boek ‘The Origin of Totalitarianism’ (Arendt, 2017). De traditionele filosofie helpt Hannah Arendt weinig om haar vraag “Wat is Politiek?” te beantwoorden. Die filosofie is sterk in het behandelen van mentale activiteiten (denken, leren, het geheugen, verbeelding, …). Activiteiten waarbij we de neiging hebben om ons uit de wereld terug te trekken en precies die activiteiten te verwaarlozen die ons een plaats geven in die wereld, zoals politiek. Politiek is actief zijn in de wereld. Dit wordt het vertrekpunt van Hannah Arendt. Tussen haakjes, er is wel een notoir tegenvoorbeeld met name Karl Marx, die in de negentiende eeuw de mens zag als een arbeidend wezen. Wij mensen veranderen de wereld door te arbeiden, stelde hij. 

Vormen van arbeiden zijn een put graven, een machine repareren, iemand opereren, zorg verstrekken, … Daar begint het schoentje bij Hannah Arendt te wringen. Ze wil meer onderscheid brengen. En dat doet ze in haar in 1958 verschenen boek ‘The Human Condition’ (Arendt, 2018). Een nogal vreemde titel die eigenlijk niet van Hannah Arendt zelf was. Hannah had twee werktitels voor haar manuscript en die werden beiden geweigerd door haar uitgever, hoewel die beter de lading dekten. Ze werden voornamelijk geweigerd omdat het Latijnse titels waren (iets te moeilijk voor haar Amerikaanse publiek?). Haar voorkeurstitel was Vita Activa, het actieve leven. Het boek was namelijk gebaseerd was op haar lezingenreeks ‘Vita Activa’ die ze in april 1956 gaf aan de universiteit van Chicago. Het was ook de titel van de eerste Nederlandse vertaling van haar boek dat uitgegeven werd door Het Spectrum (Utrecht) in de Aula reeks. Hannah Arendt onderzoekt in het boek welke activiteiten de mens zoal ontplooit. De tweede titel die Arendt voor haar boek voorstelde, was Amor Mundi, liefde voor de wereld. Je zou kunnen stellen dat voor Arendt ‘Amor Mundi’ de korst mogelijke definitie is van het begrip politiek. Politiek is voor haar inderdaad een engagement aangaan met de wereld en dat soms ten koste van de eigen ziel. De ‘vita activa’ wordt door Arendt afgegrensd tegenover de ‘vita contemplativa’ – het beschouwende leven – waar de meeste filosofen het over hebben.

Hannah Arendt vertrekt in haar boek van een linguïstieke observatie. In de Indo-Europese talen hebben we drie woorden om over menselijke activiteiten te spreken: arbeiden, werken en handelen. Die drie komen in vele talen (Nl, Eng, Fr, Du, Latijn) terug. De observatie die Hannah Arendt bezighoudt, betreft het feit dat we die begrippen door elkaar gebruiken als ware het synoniemen. We zijn als het ware de precieze definitie van die begrippen uit het oog verloren. Zou het kunnen, vraagt Hannah Arendt zich af, dat de drie woorden heel verschillende menselijke activiteiten aanduiden? Haar uiteindelijk antwoord is positief en haar boek gaat precies over die drie activiteiten. Dit is haar eerste vertrekpunt.

Haar tweede vertrekpunt is typisch filosofisch en betreft de aloude filosofische vraag “Wat voor wezens zijn wij?” of ook nog “Wat maakt ons tot wie we zijn?” en “Waardoor onderscheiden we ons van de hogere zoogdieren?” Het klassieke monotone antwoord van filosofen is: “Wij mensen zijn zelfbewuste, autonome subjecten.” Hannah Arendt ontkent dat niet en stelt wel dat er iets fundamenteler is. Namelijk, wij mensen worden gekenmerkt door nataliteit. In het Duits zegt ze ‘geburtlichkeit’, in niet correct Nederlands ‘geboortelijkheid’. Het feit dat we steeds opnieuw geboren kunnen worden definieert ons ten diepste, is haar stelling.

Om hier Hannah Arendt ten volle te kunnen begrijpen, dienen we na te gaan wat Martin Heidegger, leraar en minnaar van Hannah Arendt, over die filosofische vraag zegt.  Hannah Arendt volgde in de jaren 1924 tot 1926 les bij Heidegger in Marbur. Heidegger’s colleges gingen over zijn boek in wording ‘Sein und Zeit’ dat hij in 1927 publiceerde (Heidegger, 2005). De hoofdboodschap van dat boek is: “Wij mensen zijn stervelingen.” De menselijke existentie is ‘Sein zum tode.” Dit betekent niet alleen dat de dood ons op het einde van ons leven te wachten staat. Veel belangrijker is dat onze eindigheid ons leven doortrekt. Wij zijn sterfelijke wezens en ons leven vertoont een gebrek. Waar het in ons leven op aankomt, is daarmee in het reine komen. Anders gesteld, het komt erop aan om met onze dood tot een vergelijk te komen. Onze Westerse cultuur heeft met ‘het met de eindigheid tot een vergelijk te komen’, met andere woorden, die eindigheid te respecteren, een enorm probleem. 

Hannah Arendt heeft dus Heidegger’s filosofie gehoord en 34 jaar later dient ze haar leermeester van antwoord. Wij zijn niet alleen stervelingen, stelt ze, wij zijn vooral borelingen. Wij worden niet alleen geboren, wij beschikken ons ganse leven over het ‘geboren worden’. Wij blijven ons hele leven borelingen. Anders gesteld, wij laten onze geboorte niet achter, helemaal niet, want de geboorte geeft ons namelijk de mogelijkheid om te beginnen. Het vermogen om initiatief te nemen, dat dragen we met ons mee. Het is zelfs een hoofdopdracht van ons leven. Hannah Arendt ontleent die gedachte ondermeer aan Augustinus. Hannah Arendt had haar doctoraat behaald in 1929 met de dissertatie ‘Der Liebesbegriff bei Augustin’. Hannah was niet zozeer geïnteresseerd in de theologie van Augustinus dan wel in diens beschrijving van het menselijk leven. Hannah Arendt vindt bij die kerkvader de geweldige uitspraak: “Initium ut esset homo creatus est.” “De mens werd geschapen om eraan te beginnen, initiatief te nemen” of nog “Opdat er een begin zij, werd de mens geschapen.” Wij mensen kunnen initiatief nemen en daar komt het op aan. Dat is onze opdracht. De politiek die Hannah Arendt zal verdedigen, is een politiek die initiatief neemt: die begint, die herbegint, die revolutionair is.

Hannah Arendt heeft prachtige uitspraken gedaan over beginnen in haar boek ‘De Menselijke Conditie’:

“Ons korte, zich naar de dood spoedende leven zou onvermijdelijk slechts kunnen resulteren in de ondergang en vernietiging van alles wat menselijk is, als wij niet het vermogen bezaten de dodenmars te onderbreken en iets nieuws te beginnen.” (Arendt, 2011. p. 228)

En

“… mensen al zijn we sterfelijk, zijn niet geboren om te sterven maar om een begin te maken.” (Arendt, 2011, p. 228)

Hannah Arendt gaat dus mee met Heidegger en corrigeert hem of eerder, ze vult hem aan. Ze doet ook iets gelijkaardigs. Ze maakt van een feit een opdracht: ons is opgedragen om steeds opnieuw geboren te worden.

Het is verwonderlijk hoe de filosofie van Hannah Arendt aansluit bij die van een andere filosoof, wiens meest toegankelijke werk rond Creatieve wisselwerking (Creative Interchange) in hetzelfde jaar verscheen als Hannah Arendt’s ‘The Human Condition’. Henry Nelson Wieman publiceerde inderdaad in datzelfde jaar z’n boek ‘Man’s Ultimate Commitment’ (Wieman, 1958). Daarin breekt Henry Nelson een lans om ons te engageren (‘committen’) voor het proces dat steeds opnieuw geboren worden mogelijk maakt en dat hij Creative Interchange noemde.

Steeds iets nieuws beginnen, hoe uit zich dat nu bij Hannah Arendt? Hoe moeten wij dat doen? Hannah stelt in drie menselijke activiteiten: Arbeiden, Werken en Handelen. Drie activiteiten waarin we steeds opnieuw beginnen, de wereld vernieuwen of iets in die wereld brengen wat er zonder die activiteit niet zou zijn.

Arbeiden

Arbeiden ziet Hannah Arendt als de ‘laagste’ activiteit. Ze brengt namelijk ook een hiërarchie aan binnen die drie activiteiten. Zij plaatst Arbeiden als laagste activiteit omdat die activiteit het dichtst aanleunt bij het menselijk lichaam, bij onze biologie. Volgens Hannah Arendt zijn wij biologische wezens met biologische noden. Aan die noden voldoen, op die noden inspelen, is Arbeiden. Heel concreet: wij mensen moeten eten om te leven. Dit is een biologische nood. Daarin voorzien is Arbeiden. Een brood bakken is Arbeiden. Door Arbeiden brengt men iets nieuws in de wereld: in dit geval het brood. Brood consumeren is ook Arbeiden. Het eigene aan producten van arbeid is dat ze niet blijven bestaan. Anders gesteld, ze worden quasi onmiddellijk geconsumeerd. Producten van Arbeiden worden gebruikt en terzelfdertijd verbruikt. We kopen een brood om in de kortste keren te consumeren. Arbeid vervaardigt geen producten die bedoeld zijn om te blijven bestaan. Hannah Arendt legt daar de nadruk op, omdat het bij Werken volledig anders is.

Werken

Werken is het 2de niveau en produceert dingen die nuttig zijn en die onze wereld leefbaar maken. Wij richten de wereld in en dat op een comfortabele en nuttige manier. Producten van Werken zijn letterlijk duizenden tuigen, gereedschappen, instrumenten die door mensen ontworpen en vervaardigd werden en worden. Die producten worden gebruikt maar niet, door dat gebruik, verbruikt. Ze zijn duurzaam.  Ze slijten wel maar worden niet bij gebruik geconsumeerd. Ze verdwijnen niet. Dit is zo van eenvoudigste instrumenten, zoals een hamer, over complexe apparaten, zoals huishoudtoestellen, tot heel complexe toestellen, zoals gesofistikeerde computers. Al deze tuigen zijn er, niet om verbruikt, maar om gebruikt te worden teneinde onze wereld comfortabeler te maken. Die toestellen blijven bestaan, richten onze wereld in en maken die herkenbaar. 

Het is wel zo dat Hannah Arendt een historische kritiek meegeeft. Die kritiek gaat over de duurzaamheid van de producten van Werken. Hoe langer hoe meer worden producten vervaardigd die minder duurzaam zijn. De huidige producten van Werken gaan minder lang mee dan vroeger. Dit is een kritiek van Hannah Arendt op onze Westerse consumptie- en verspillingscultuur.

De producten van Werken zijn dus ook nuttig. De producten van Arbeiden daarentegen zijn noodzakelijk. Met ander woorden, wij hebben die nodig om te leven. De producten van Werken richten de wereld in, hebben nut en voegen efficiëntie toe.

Handelen

Handelen ziet Hannah Arendt als de ‘hoogste’ activiteit, omdat die zin geeft aan het leven. Haar ‘pyramide’ kan je dus zien, van beneden naar boven: Arbeid (nodig), Werken (nuttig) en Handelen (zinvol). Handelen is een activiteit die zich typisch onder mensen afspeelt. Uiteraard kan men samen met anderen Werken en het accent ligt bij Werken op het product dat vervaardigd wordt. Bij Handelen ligt de focus op de intermenselijke relatie. Handelen zorgt voor een heel andere dimensie. Handelingen stichten intermenselijke verhoudingen. De omgang tussen mensen is een eigensoortige activiteit en Hannah Arendt gebruikt daarvoor het begrip Handelen.

Gezien vanuit haar invulling van het begrip politiek resulteren Arbeiden en Werken binnen de economie. Die brengen inderdaad de economische wereld tot stand. Handelen creëert een wereld van ethiek en politiek. Voor haar is de wereld van de politiek afgescheiden van de economische wereld. De wereld van de politiek en ethiek is voor haar een aparte en ‘hogere’ wereld.

Hannah Arendt stelt ook dat Handelen activiteiten betreft die ondernomen worden in vrijheid. Er is geen dwang; elke dwang is uit den boze. Er is ook geen nut. Een voorbeeld: iemand graag zien heeft ideaal gezien geen nut en geeft wel zin aan je leven. En dat niet omdat het nuttig is. Wanneer je iemand graag ziet omdat het nuttig is – de vrouw/man is rijk of kan je flink vooruithelpen in jouw carrière – dan zou het wel goed kunnen dat die liefdesrelatie een kort leven beschoren is. Liefde onttrekt zich aan het nuttige; bij liefde staat de zin in het brandpunt. Een liefdesrelatie geeft zin aan het leven of ontneemt zin aan dat leven wanneer ze mislukt of eindigt. Liefde is een handeling, je moet er iets voor doen. Een liefdesbreuk creëert zinloosheid. Dit geeft aan dat de zin van handelingen nooit gegarandeerd is. Dit is een van de grote moeilijkheden waarmee de activiteit Handelen te maken heeft. Met name, dat de zin nooit gegarandeerd is, nooit vaststaat. Omdat zin altijd de inzet is van een waagstuk hebben we de neiging om daarvan weg te lopen en te kiezen voor Arbeiden en Werken. Men verliest zich in Werken. Inderdaad, men kiest vooral voor Werken omdat de verwezenlijkingen van Werken blijven bestaan. Werken heeft nut en geeft ons zekerheid. Er is expertise mee gemoeid en daardoor zijn we zeker. In het geval van intermenselijke verhoudingen is er wel kennis. Die is evenwel niet doorslaggevend. Doorslaggevend is de relatie waarbij je je aan elkaar blootstelt, toont en zelf koppelt zonder zekerheid. Men geeft zich aan elkaar… idealiter ‘onvoorwaardelijk’. Intermenselijke verhoudingen gebeuren in vrijheid, stelt Hannah Arendt en ze geven of ontnemen zin aan het leven. 

Hannah Arendt maakte dus een scherp onderscheid tussen wat zinvol is (of kan zijn) en wat nuttig is. Wij vergeten dit onderscheid vaak en kiezen dan voor het nuttige wegens aanvaardbaarder en zekerder dan zinvol bezig zijn. Bij intermenselijke verhoudingen is het veel moeilijker om aan te wijzen wat er gebeurt en daarenboven is het resultaat nooit zeker. We weten wanneer we aan een intermenselijke relatie beginnen, we weten nooit waartoe die zal leiden. Het resultaat staat allesbehalve vast. 

Handelen is vaak ook geven; we geven allerhande dingen aan elkaar. Bij intermenselijke relaties worden zaken begonnen met een geschenk. Zaken worden ook zo bestendigd. We geven bovendien vaak iets specifieks dat niet tastbaar is. Iets dat moeilijk en typisch is voor en bij Handelen. Bijvoorbeeld: wat doen we exact wanneer we iemand vertrouwen geven, moed geven, hoop geven, tijd geven, … Intermenselijke relaties zijn van dit soort giften afhankelijk. Toch is het uiterst moeilijk ze exact te beschrijven of aan te tonen wat er precies gebeurt. 

Hannah Arendt zegt dat mensen in intermenselijke relaties tonen wie ze echt zijn. Bij Handelen tonen de mensen veel meer wie ze zijn dan bij Arbeiden en zelfs Werken.

In handelen en spreken laten mensen zien wie ze zijn. Onthullen ze daadwerkelijk hun unieke persoonlijke zelf.  (Arendt, 2011, p. 164).

Ik breng daarbij graag volgende nuance aan. Volgens mij hangt een en ander sterk af van de kwaliteit van het handelen en spreken. Onder meer van de authenticiteit binnen de interactie. “Interageer je vanuit hun Creatieve, Originele Zelf of vanuit jouw gecreëerde zelf?” is daarbij de hamvraag. Indien je Creatieve wisselwerking van binnenuit ten volle beleeft, onthul je in de dialoog jouw Originele Zelf. Is het enkel een gesprek (en dus geen dialoog), dan onthul je jouw gecreëerde zelf. Hannah Arendt heeft het bij het rechte eind, beiden, de Origineleen de gecreëerde, zijn uniek en persoonlijk.

Handelen en spreken gaan bij Hannah Arendt samen. Handelen wordt vaak geleid door woorden, gesproken of geschreven. Vele bewoordingen voltrekken een handeling: zweren, iemand groeten, iemand verwelkomen, iemand troosten, … Men noemt die in de Angelsaksische filosofie taaldaden (‘speech acts’).  Een vredesverdrag sluiten volstrekt zich in gesproken en geschreven woord, een huwelijk wordt voltrokken door een krachtig JA! Het woord geeft de handeling als het ware gestalte. Dialogeren is Handelen.

Het laatste deel van de Menselijke Conditie is een kritiek op de Westerse cultuur. Daarin laat Hannah Arendt zien dat wij hoe langer hoe meer Handelen ontvluchten en kiezen voor Arbeiden en Werken. Vooral omdat we met Werken tot zoveel in staat zijn. Het probleem bij Handelen, in tegenstelling tot bij Werken, is dat je weet met wat je begint, maar niet met wat je eindigt. Dit is ook zo met het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerkingen mede daardoor draagt Handelen mijn voorkeur weg, boven het Arbeiden en Werken. Dat ik twee linkse handen heb, zal ook wel iets met mijn keuze te maken hebben. Bij Handelen door het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking ga ik een engagement aan waarbij de uitkomst niet (en eigenlijk verre van) op voorhand vastligt. Het engagement dient stevig te zijn en het resultaat kan alle kanten uitgaan. Vertrouwen in het creatief wisselwerkingsproces maakt dat ik voor Creatieve wisselwerking kies. Het resultaat laat zich niet dwingen, het creatief wisselwerkingsproces kan ik niet sturen of manipuleren naar een vooraf bepaald resultaat. Wel weet ik uit decennia ervaring dat het de onderlinge relatie verstevigd.

Volgens Hannah Arendt zijn we binnen politiek ook vergeten dat politiek gaat over handelen en spreken, dus over menselijke verhoudingen en niet alleen over economie. Het gaat over met elkaar dialogeren, waarbij de dialoog alleen al iets verwezenlijkt. De dialoog brengt iets teweeg! Niet steeds een tastbaar resultaat en wel altijd een verbeterde menselijke relatie. De wereldproblemen zijn niet opgelost en de relatie is verstevigd. Bovendien kom je door dialoog meestal tot een vernieuwd inzicht. Om van inzicht naar oplossing te gaan, dient er steeds actie te volgen, een andere vorm van Handelen.

Hannah Arendt waarschuwt dus voor het vervangen van de zin van Handelen door het nut van Werken. Dat we het zinvolle vervangen door het nuttige. Het is inderdaad zo dat we vaak Handelen vervangen door Werken en zelfs soms door Arbeiden. We zijn verworden tot een consumptiemaatschappij. Zelden is een woord zo accuraat geweest. Wij zijn een cultuur die inderdaad alles ‘consumeert’. Een cultuur waarin zaken worden afgewezen zonder dat ze ten volle begrepen worden. Een cultuur waarin het gekleurd bewustzijn de plak zwaait en het consumptiegedrag alles verteert. De wereld wordt opgesoupeerd door plat consumptiegedrag. Hannah Arendt roept ons op om te blijven Handelen en ook om politiek te begrijpen als een vorm van Handelen.

Vergeven

Handelen, we zagen het al, is vaak een vorm van geven. De vorm van geven bij uitstek is Vergeven. Het is één van de wonderlijke dingen bij Hannah Arendt dat ze binnen haar politieke theorie een hoofdstuk inlast over Vergeven, in de betekenis van vergiffenis schenken. Dit heeft uiteraard veel te maken met de feitelijkheiden waarop haar boek steunt, met name het verschrikkelijk kwaad dat er door Nazi Duitsland werd gepleegd in de jaren 1939-1945. Het blijft, niettegenstaande dat, toch opmerkelijk dat de filosoof binnen haar politieke theorie vergeving ter sprake brengt.

Vergeven is in alle talen een vorm van geven. Pardonner, in het Frans, To forgive en To pardon in het Engels en in het Duits Vergeben naast Verzeihen. Maar wat wordt er gegeven bij Vergeven. Vergiffenis natuurlijk, maar wat betekent dat? Het betekent een tweede kans, een vrijheid en een toekomst. Diegene die vergeving krijgt wordt losgekoppeld van z’n daad. Volgens Hannah Arendt is Vergeven de band tussen dader en daad doorknippen. Let wel, vergeving begint met de erkenning dat kwaad is geschied. Vergeven en vergeten worden vaak gekoppeld en die hebben niets met elkaar te maken! Bij Hannah Arendt begint en eindigt Vergeven met de erkenning dat kwaad is geschied. Zonder die erkenning kan vergeven niet, want totaal zinloos. Bovendien wordt die erkenning nooit opgegeven. Anders gesteld, vergeving vergeeft niet de daad, het vergeeft de dader in het volle bewustzijn dat wat zij of hij gedaan heeft verwerpelijk is en blijft. In de vergeving ben je bereid de band tussen dader en daad door te knippen. 

In veel talen bestaan gezegdes die het tegenovergesteld propageren: eens een dief, altijd een dief; eens een leugenaar, altijd een leugenaar; eens een verkrachter, altijd een verkrachter … Voor Hannah Arendt zijn dat verschrikkelijke uitspraken omdat deze iemand vastpinnen op één daad. Hannah vindt deze uitspraken zelfs misdadig. Mensen plegen duizenden daden en dan wordt er een, toegegeven een verwerpelijke, er uitgepikt om de dader eraan vast te pinnen. Je hebt een moord gepleegd en voor de rest van je leven ben je niets meer dan die moord. 

Voor Hannah Arendt is vergiffenis schenken de band tussen de moord en de moordenaar door knippen, waarbij ervan uitgegaan wordt dat de dader zijn afschuwelijke daad erkent en bereid is ervoor gestraft te worden. Met andere woorden, vergeving en straf sluiten elkaar niet uit, integendeel, vergeving volgt op straf. Door beiden wordt de dader bevrijdt van de daad. Merkwaardig genoeg maakt ook het slachtoffer, of de nabestaanden in geval van moord, zich vrij! Indien het slachtoffer bekwaam is de band tussen slachtoffer, daad en dader te kunnen doorknoppen, bevrijdt die zichzelf als slachtoffer. De slachtofferrol is vaak die rol waardoor men zich vastgeketend heeft aan de dader. De uitspraak “Ik kan haar of hem nooit vergeven” ketent je vast aan de dader en snijd je af van een nieuwe toekomst. 

Hannah Arendt is het overigens oneens met de uitspraak: “Gedane zaken nemen geen keer.” Gedane zaken nemen, tot op een zekere hoogte, wel een keer. Uiteraard wordt in geval van moord het slachtoffer door de vergeving niet terug levend. Wat er wel keert is de manier waarop het gepleegde kwaad doorwerkt in het heden en de toekomst. Heden en toekomst zijn niet langer gedetermineerd door het kwaad dat geschied is in het verleden. Er wordt als het ware een bres geslagen in de continue stroom van de tijd. Er wordt geknipt, waardoor er een wijziging komt in de stroom van de gebeurtenissen in de tijd. Voorbeelden daarvan zijn de inspanningen van Nelson Mandela en Desmond Tutu om na het apartheidsregime er direct mee in het reine te komen via de waarheids- en verzoeningscommissie. Eerder dan de vlucht vooruit te nemen keken zij het zware verleden in de ogen en was het doel zich van het verleden te bevrijden in de naam van de toekomst. 

Vergeving is dus bij Hannah Arendt belangrijk. Edoch, ook het onvergefelijke bestaat in haar filosofie en dat is de Shoah. Omdat die nooit had mogen plaats vinden kunnen we er nooit mee in het reine komen, daardoor is Vergeven niet mogelijk. Tijdens haar verslag van het proces van Eichmann had ze het over de ‘banaliteit van het kwaad’. Banaliteit omdat niemand de verantwoordelijkheid opneemt. Daardoor ook is vergeving onmogelijk. Vergeven is, zoals we reeds zagen, enkel mogelijk indien de misdaad erkent wordt. Adolf Eichmann stak zich weg achter bureaucratische regels en erkende nooit zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Daarom vond Hannah Arendt zijn doodstraf aanvaardbaar. Nogmaals, enkel de dader kan vergeven worden, nooit de daad zelf. Indien de dader geen verantwoordelijkheid opneemt voor zijn daden, kan hij nooit vergeven worden.

Enkel wanneer mensen elkaar wederzijds en altijd opnieuw vrijspreken van wat ze doen, kunnen ze vrij blijven handelen; enkel wanneer ze altijd opnieuw bereid zijn om op hun stappen terug te keren en opnieuw te beginnen, kan hun een zo grote macht van iets nieuws beginnen worden toevertrouwd. (Arendt, 1958, p. 222)

Creatieve wisselwerking en Heidegger & Arendt

Ik zou, kort door de bocht, de essentie van Heidegger en Arendt kunnen samenvatten in één zin: “Door herboren te worden stellen wij het sterven uit.” Die zin is uiteraard gebaseerd op de opdrachten die Heidegger en Arendt mij (en niet alleen mij) gaven. Niet alleen dien ik in het reine te komen met mijn (nu steeds nakender) dood; dien ik mijn eindigheid te respecteren. Ik dien ook quasi continu herboren te worden. Dit alles heb ik gaandeweg bereikt door het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Toegegeven, met veel vallen en evenveel opstaan.

Door de filosofie van het tegenproces, de Vicieuze Cirkel, leerde ik dat ik losgeslagen was van m’n Intrinsieke Waarde en dus van m’n Originele Zelf. Ik begreep ook dat ik, door het van binnenuit beleven van het levensproces Creatieve wisselwerking, mijn gecreëerde zelf kon transformeren en doen evolueren in de richting van m’n Originele Zelf.

Het werd mij in de loop van m’n leven hoe langer hoe duidelijker dat ik, door het beleven van Creatieve wisselwerking m’n eigen stervensproces uitstelde. Dit eerst op lichamelijk niveau. Door te begrijpen dat roken nefast was voor mijn gezondheid, stopte ik met roken. Toen mijn diabetes type 2 dreigde te transformeren in diabetes type 1 startte ik m’n dagelijkse wandelingen in de Lembeekse bossen en at en leefde ik gezonder. Het begrijpen wat er echt aan de hand is, dient gevolgd te worden door Handelen. Daardoor kon de neerwaartse trend in de gezondheidscurve afgeremd worden. 

Hetzelfde gaat op voor het geestelijk niveau. Ook daar zorgde Creatieve wisselwerking ervoor dat ik tijdig mijn mindset transformeerde en daardoor mijn gecreëerde zelf. Wie ik werkelijk ben noem ik mijn Originele Zelf. Het is het zelf waarmee ik geboren ben en het raamwerk waaraan de ervaringen van mijn leven opgehangen worden. Deze ervaringen leiden echter ook tot het gecreëerde zelf. Dit gecreëerde zelf wordt soms ook het ego of geconstrueerde zelf genoemd, omdat het is opgebouwd uit het denken en gedrag dat gekneed en bekrachtigd wordt door familie, cultuur en maatschappij. 

Let op, ik ben geen gespleten persoonlijkheid, ik ben eigenlijk beide: het Originele en het gecreëerde zelf. Ik ben daarin niet alleen. Meer nog, ieder van ons heeft een mix van originele en gecreëerde kwaliteiten. Dat beide naast en in elkaar bestaan is geen probleem zolang de Intrinsieke Waarde niet ingeruild, volledig overschaduwd wordt door de Extrinsieke waarde. Deze laatste moet immers continu verworven, verdiend en bekrachtigd worden in de menselijke omgang en dit leidt tot ongezonde stress. Daarbij wordt de Intrinsieke Waarde ingeruild voor de conditionele waarde (“je bent waardevol indien”), die door de omgeving wordt gedefinieerd. Doordat ik niet altijd kon voldoen aan de condities opgelegd door de omgeving, kwam ik af en toe in stresssituaties terecht (door m’n eigen Vicieuze Cirkel cycli). 

De Intrinsieke Waarde veronderstelt gelijkheid. De conditionele waarde vooronderstelt bijna altijd ongelijkheid: i.e. wie is slimmer, competenter, heeft de meeste macht, de hoogste positie …? Het onderscheid tussen beide waarden onderkennen helpt om het ogenblik te identificeren waarbij jouw gedrag verandert van een ‘op het creatief wisselwerkingsproces’ gebaseerd gedrag in een ‘op de Vicieuze Cirkel’ gebaseerd gedrag. Zich bewust worden van die verschuiving is een hele uitdaging. Deze verschuiving doet zich voor als we onze Intrinsieke Waarde uit het oog verliezen en kiezen voor een conditionele waarde, die afhankelijk is van anderen, de situatie en de omstandigheden van het ogenblik. 

Herboren worden is inzicht krijgen dat de ‘oude’, gecreëerde ik getransformeerd dient te worden. Steeds zal dit inzicht gevolgd dienen te worden door handelen zodat de gecreëerde zelf op een ‘hoger’ peil wordt getild. Anders gesteld, het nieuwe inzicht dient in het gecreëerde zelf te worden geïntegreerd waardoor het gecreëerde zelf evolueert in de richting van het Originele Zelf. Het bekomen van een nieuw inzicht staat gelijk aan leren en wat werd geleerd dient ook vastgehouden te worden. Het inzicht is een doorbraak en ik gebruik hierbij vaak een metafoor uit het tennisspel. Het is niet omdat een speler een ‘break’ forceert dat zij of hij die steeds vasthoudt. De tegenspeler kan namelijk direct de ‘break’ ongedaan maken. In het geval van Creatieve wisselwerking is de tegenspeler het tegenwerkend proces dat ik de Vicieuze Cirkel noem. 

Hoe die twee processen, Creatieve wisselwerking en de Vicieuze Cirkel op elkaar inwerken geeft volgende metafoor van de in elkaar grijpende raderen weer:

________________________________

Bibliografie

Arendt, H. (2011). De Menselijke conditie. Amsterdam: Boom. (2de druk)

Arendt, H. (2017). The Origins of Totalitarianism. London: Penguin Books.

Arendt, H. (2018). The Human Condition. Chicago: The University of Chicago Press (2nd edition – original 1958)

De Schutter, D. (2021, 15 februari). Arendt in Essentie. Mechelen: Hannah Arendt Instituut [Video-bestand]. Geraadpleegd op 5 mei 2021, van https://vimeo.com/510217313

Heidegger, M. (2005). Zein und Zeit. Tübingen: Max Niemeyer Verlag (19de druk).

Maslow, A. H. (1943). A theory of human motivation. Psychological Review, 50(4), 370–396. https://doi.org/10.1037/h0054346

Wieman, H. N. (1958). Man’s Ultimate Commitment, Carbondale: Southern Illinois University Press. Reprint (1990) Lanham: University Press of America

IDENTITEIT, ZOALS GEDEFINIEERD BINNEN DE FILOSOFIE, EN CREATIEVE WISSELWERKING

Inleiding

De studie over etnische en raciale identiteit wekt recent veel interesse vanuit verschillende sociale disciplines, zoals de antropologie, de psychologie, de sociologie, de politieke wetenschappen en de filosofie. Een van de moeilijkheden bij het bestuderen van identiteit is dat die verschillend gedefinieerd en geconceptualiseerd wordt door zowel de diverse sociale wetenschappen als de individuele onderzoekers. In het algemeen kunnen we zeggen dat sociologen en antropologen vooral op de sociale dimensies van etnische identiteit focussen. De meeste schrijvers over identiteit zijn echter psychologen De psychologen hebben de neiging om vooral naar de persoonlijke en emotionele betekenis in de ontwikkeling van identiteit te kijken, uitzondering is te maken voor de psychologen in de richting Sociale psychologie. Binnen de filosofie gaat identiteit vooral over de Ander of meer bepaald over de relatie met de Ander. Filosofen, zoals Bleri Lleshi Gjopalaj, definiëren identiteit als hoe men zichzelf voorstelt en definieert in relatie tot de ander[i].

Bleri hanteert daarbij de definitie van Bikhu Parekh: 

Identity basically refers to how one identifies and defines oneself in relation to others. It is a way of announcing to the world and affirming to oneself who one is and how one positions oneself in the relevant area of life.
(Wetherell, Laflèche & Berkeley, 2007: 132) 

Identiteit refereert aan hoe men zichzelf identificeert en definieert in relatie tot de ander. Het is een manier om zich aan de wereld bekend te maken en zo te bevestigen wie men is en hoe men zich positioneert in bepaalde relevante gebieden van het leven.

Dit is een duidelijk zich identificeren naar buiten toe, dat kan de Ander zijn en evengoed ook een situatie of plek. Voor Bleri Lleshi is het essentiële deel van identiteit een strikt individuele component van ons zijn edoch dat is niet alles. Identiteit heeft voor hem steeds te maken met hoe wij ons identificeren en definiëren in relatie tot de Ander.

Identiteiten zijn dynamisch, dus geen vast gegeven en nergens aan vastgehaakt en daardoor altijd in beweging. Dat ‘in beweging’ zijn van de identiteit heeft niet zo zeer met fysische beweging te maken dan wel met transformatie. Men is in het kader van identiteit vooral tussen de twee oren in beweging. Reflecteren is niet zozeer actieve beweging en toch is het een dynamisch gebeuren dat de identiteit transformeert.

Dit heb ik zelf ervaren want ik ben van wat men een ‘zekere’ leeftijd noemt. Men kan mij dus ook zien als een ervaringsdeskundige op gebied van dynamische identiteit. Kortom, het leven zelf is dynamisch en zorgt ervoor dat de identiteit van de persoon dat ook is. Dat is het ‘voordeel’ van ouderen. Ze hebben alle vele levensfases doorlopen en weten uit ervaring dat hun identiteit dynamisch is.

Identiteit is een proces

Identiteit is altijd in beweging en is nooit een absoluut bereikt feit. Daardoor is voor mij identiteit een proces, meer nog identiteit wordt gevormd door het creatief wisselwerkingsproces. 

Aan mij om deze boude uitspraak in deze column te bewijzen.

Voor een beschrijving van het creatief wisselwerkingsproces verwijs ik graag naar eerdere columns[ii] en naar mijn boek ‘Cruciale dialogen’[iii].

Het kader waarin ik mijn uitspraak plaats is dat van de Sociaal Werker. Het gereedschap bij uitstek van de Sociaal Werker is de dialoog. En dat in de eerste plaats om de Ander te begrijpen. 

Met het voeren van een correct gesprek hebben de meesten in de huidige maatschappij het erg moeilijk. Een echt gesprek impliceert namelijk goed luisteren. De meesten onder ons zijn goed opgeleid om te debatteren of te discussiëren, niet om een goed gesprek te kunnen voeren. We willen gelijk halen en tijdens het gesprek luisteren we vooral naar de ander, niet om haar of hem te begrijpen, maar om haar of zijn argumenten onderuit te halen. En van zodra de ander is uitgesproken gaan we in de ‘tegenaanval’. Bovendien lijkt tijd maken om echt te luisteren tegenwoordig problematisch. Ik vind het daarom uitstekend dat een kwart van de te verdienen punten aan het eerste jaar van de PBA Sociaal Werk aan de UCLL te Leuven toegekend zijn aan het vak Praktijk en Communicatie[iv].

Identiteit transformeert zich gedurende de dialoog met de Ander

Iedereen is uniek. Een neveneffect daarvan is dat er, binnen het kader van Sociaal Werk, meestal fundamentele verschillen zijn tussen de gesprekspartners. Die verschillen (in inzichten, persoonlijkheid, …) zorgen ervoor dat het gesprek bijna per definitie moeilijk verloopt. Daardoor is het voor een Sociaal Werker van uitzonderlijk belang goede gesprekken te hebben. Een goed gesprek is, niet meer en niet minder, een dialoog. En bij moeilijke gesprekken zelfs een Cruciale dialoog en die verloopt het best volgens het Cruciale Dialoogmodel gebaseerd op Creatieve wisselwerking

De dialoog

Een gesprek kan wellicht het eenvoudigst aangeduid worden als “het beïnvloeden van en het beïnvloed worden door de ander”. De vorm van tweegesprek aangewezen voor elke Sociaal Werker is de dialoog.  Let wel, de dialoog is een van de vijf volgende mogelijkheden:

De monoloog: Twee types: 

  1. Ik geef en de ander ontvangt niet. Ik geef, maar hou geen rekening met het feit of de ander al dan niet wil ontvangen; 
  2. De ander geeft maar ik ontvang niet want ik ben op dat ogenblik niet in staat of bereid dat te doen.

Het debat: Twee types:

  1. Ik geef en de ander ontvangt. De ander is echter niet in staat of bereid iets terug te geven;
  2. Ik ontvang en de ander geeft. Ik ben op dat ogenblik niet in staat of bereid iets terug te geven.

De discussie: Ik geef en de ander geeft. We zijn echter geen van beiden bereid of in staat om te ontvangen. Ons “geven” komt in het midden samen en leidt vaak tot spanning of, anderzijds, tot leegte.

Het beleefd gesprek:  Ik geef en de ander geeft én we zijn beiden bereid om te ontvangen, doch wat we ontvangen laten we niet diep in ons doordringen; het krijgt geen kans ons werkelijk te veranderen.

De dialoog: Ik en de ander geven én ontvangen op een zeer open manier waarbij we ons bewust zijn van de beïnvloeding door de ander. Daarbij zijn we bereid om te veranderen, om onze visie aan te passen, om ons oordeel om te vormen. 

Het is bewezen dat niet-effectieve tweegesprekken de sfeer, de motivatie en de productiviteit negatief kunnen beïnvloeden. Willen wij de motivatie, productiviteit en creativiteit positief beïnvloeden dan is het van essentieel belang dat cruciale dialogen efficiënt gevoerd worden.

Hoewel bovenstaande is geschreven vanuit het oogpunt van een tweegesprek, stellen wij hier duidelijk dat wij ook kunnen dialogeren in groep en zelfs een dialoog kunnen voeren met onszelf. Om dit ten volle te begrijpen, grijpen wij terug naar de betekenis van het begrip dialoog. Het woord dialoog komt uit het Grieks: dia-logos, waarbij dia “doorheen” betekent en logos “woorden, beelden”. Dialoog wordt door P. Senge kernachtig “stroom van betekenis”[v] genoemd. Stroom van betekenis in de beelden en woorden doorheen de deelnemers dus. Bij een dialoog steekt niemand er bovenuit, niemand heeft de ‘macht’, de gesprekspartners staan, althans binnen de dialoog, ‘op gelijke hoogte’.

Rest ons nog het begrip Cruciale dialoog te duiden. Die heeft volgende kenmerken[vi]:

  • Er is een probleem (i.e. een belangrijk verschil tussen de ‘werkelijke’ situatie en de ‘gewenste’ situatie); 
  • De inzichten verschillen merkelijk; 
  • De uitkomst van het gesprek heeft wel degelijk belang;
  • De emoties ‘laaien op’.

Dialoog met de Ander

Samenleven met de Ander in een gediversifieerde maatschappij is een uitdaging voor alle leden van die samenleving. Het is een belangrijk vertrekpunt waarmee de leden van de samenleving akkoord moeten gaan, zodat ze hun verantwoordelijkheid niet op elkaar afschuiven, maar vooral opnemen. 

Een eerste stap naar het dragen van die verantwoordelijkheid is het open staan voor dialoog met de Ander. De Ander maakt immers deel uit van dezelfde samenleving en het is via dialoog dat men te weten kan komen wie de Ander werkelijk is. Wij maken die samenleving met z’n allen. 

Aangezien wij constant veranderen, verandert de samenleving met ons mee. Men dient zich van dit feit bewust te worden en niet langer pleiten voor het bewaren en het afschermen van de zogenaamde goede, oude samenleving waar geen plaats is voor de Ander die anders is. Leden die hun samenleving zogezegd afschermen door structuren uit te vinden en normen en waarden uit te stippelen, zijn zelf de Ander in hun eigen samenleving. Daarom dienen we te pleiten voor een samenleving waarin we de Ander ontmoeten en dus een samenleving die open staat voor de Ander, want open staan voor de Ander betekent tegelijk open staan voor zichzelf en de veranderingen die we samen als deel van een maatschappij ondergaan.

Daarbij dienen we het werkwoord ‘ontmoeten’ te splitsen in ‘ont – moeten’. Dat is onvoorwaardelijk werken: niets moet en alles mag. Relaties opbouwen steunt op ‘openheid’ en ‘vertrouwen’. Dit tweespan is cruciaal bij ‘authentieke interactie’. Men kan namelijk niet ‘authentiek’ zijn als men niet open is, en men kan niet authentiek en open zijn wanneer men elkaar niet vertrouwt. Niet toevallig zijn openheid en vertrouwen de basisvoorwaarden voor Authentieke Interactie zoals volgende figuur, het eerste kwadrant van het Cruciale Dialoogmodel, aangeeft:

Gedurende deze fase komen de feiten, waarnemingen en objectieve gegevens van ‘waar we staan’ aan bod. Deze dienen geobserveerd te worden met het helder bewustzijn. Dit impliceert dat de sociaal werker kennis heeft van de twee soorten bewustzijn die cruciaal zijn bij dialogen met hun cliënten; met name het helder en het gekleurd bewustzijn. Voor het onderscheid tussen het helder en gekleurd bewustzijn verwijzen we naar de reeds eerder vermelde column[vii].

De eerste fase van het Cruciale dialoogmodel heb ik de naam Communicatie meegegeven en omvat de eerste karakteristiek van het creatief wisselwerkingsprocesAuthentieke Interactie. Naast de twee basiscondities omvat deze fase ook vier vaardigheden die in wisselwerking zijn met de basisvaardigheden. Het doel van deze fase is het correct begrijpen van de Ander en daarbij zijn de vaardigheden de hulpmiddelen daartoe. De eerste vaardigheid ‘Kernvraag’, duidt op het helderstellen van de vraag of het onderwerp van de dialoog. De tweede vaardigheid noemt ‘Bepleiten en Bevragen’ en het is raadzaam om die twee elementen gedurende de dialoog ‘om te draaien’. Hier mee bedoel ik dat het aan te raden is eerst de Ander te bevragen, dus te vragen naar zijn observatie van de werkelijkheid, vooraleer te pleiten voor jouw visie. In deze communicatiefase is het van belang dat de twee volgende vaardigheden “Non-verbale communicatie’ en ‘Bevestigend Parafraseren’ ten volle aan bod komen. Men heeft inderdaad de Ander maar ten volle begrepen wanneer men diens standpunt kan parafraseren en dat de Ander die parafrase bevestigt.

De dialoog stopt niet bij het begrijpen van de Ander, men dient ook waarderen wat men van de Ander begrepen heeft. Dit gebeurt in de tweede fase van het Cruciale dialoogmodel, Appreciatie. 

Om een situatie waarderend te kunnen begrijpen kleurt men de ‘heldere’ waarheid in met het gekleurd bewustzijn. De perceptie is niet anders dan de interpretatie van de sensatie. De interpretatie gebeurt met wat ik het gekleurd bewustzijn noem. Men ziet inderdaad de werkelijkheid niet zoals deze is, men ziet die realiteit zoals men zelf is. Dus met het eigen denkkader, de eigen mindset of, metaforisch, de eigen gekleurde bril. 

De twee deelnemers aan de cruciale dialoog: de sociaal werker en de Ander hebben elk hun eigen gekleurde bril op hun neus staan en zien dus de werkelijkheid per definitie verschillend. Om uit de impasse te geraken, want niemand heeft heus de waarheid in pacht, dienen in deze fase de twee basiscondities Nieuwsgierigheid enKunnen omgaan met onzekerheid (ambiguïteit) ten volle aanwezig te zijn. 

In een dialoog staat de Ander centraal. Daarbij zijn niet de overeenkomsten, noch het hertalen van de standpunten van de ander in ons eigen denkkader, noch identiek trachten te zijn als de Ander, belangrijk. Van groot belang zijn de verschillen; die zijn essentieel binnen de cruciale dialoog. De cruciale dialoog verwerpt assimilatie- en immersiemethodes als benaderingen om met verschillen in diversiteit om te gaan. Om de verschillen te kennen moet men eerst en vooral in dialoog treden. In dialoog treden met de ander is echt luisteren en verwerken wat de ander aan ons communiceert; het is niet louter een uitwisseling van ideeën. Wat vooral van belang is in de dialoog is hoe we in het gesprek met de ander onze eigen initiële veronderstellingen en opvattingen kunnen transformeren en overstijgen. De dialoog is wederzijds: mijn visie wordt aan de standpunten van de Ander blootgesteld, terwijl het perspectief van de ander ook aan mijn visie blootgesteld is. De verschillende mindsets (denkkaders, persoonlijke paradigma’s) kunnen door de dialoog ten goede (verrijkend en verdiepend) getransformeerd worden. De succesvolle dialoog heeft als de ware transformerende macht. Gezien de Cruciale dialoog gebaseerd is op het creatief wisselwerkingsproces, is hiermee aangetoond dat Creatieve wisselwerking de mindset transformeert. Wanneer de mindset transformeert, transformeert de manier om zich aan de wereld te bevestigen wie men is en hoe men zich positioneert in bepaalde relevante gebieden van het leven en is dus de identiteit getransformeerd. Quad erat demonstrandum.

Nog meer over het in dialoog treden met de Ander

Gadamer ging er van uit dat de Ander gelijk heeft[viii] en dat is nu juist wat de conditie kunnen omgaan met onzekerheid betekent. De andere conditie, nieuwsgierigheid, helpt dan te onderzoeken hoe het komt dat de Ander een totaal andere mening over de werkelijkheid heeft dan dat men zelf heeft. Daarbij gaat men ervan uit dat het goed zou kunnen dat de ander het aan het rechte eind heeft. Anders gesteld, men zet het eigen denkkader, met diens gebeitelde mening, even ‘on hold’ en beleeft het adagium ‘Ik heb de waarheid niet in pacht’ ten volle van binnenuit. Ieder heeft zijn eigen ‘waarheid’ en dat is per definitie niet ‘de’ waarheid.

Door de Ander waarderend te begrijpen leren we het anders-zijn van de Ander te erkennen en onszelf in vraag te stellen. Dat wil niet zeggen dat we alles wat de ander zegt en wil, blindelings moeten volgen. De wil om te luisteren en te erkennen wat de ander zegt is het vertrekpunt. Daarna volgt de versmelting van de meningen tot een Gedeelde Mening. We hebben beide de waarheid niet in pacht en delen wel onze waarheid met elkaar, wat het mogelijk maakt een gezamenlijke waarheid te creëren die dichter komt bij ‘de waarheid’.

Hierbij zijn volgende gesloten vragen van Peter M. Senge veelbetekenend: 

Do we hear with our ears? Do we see with our eyes? Or do we see and hear with our distinctions?[ix]

Uit het antwoord volgt dat de kwaliteit van het Waarderend Begrijpen recht evenredig is met de kwaliteit van de distincties die men waarneemt. En gezien we verschillend zijn, hebben we verschillende ‘distincties’ en zien we de werkelijkheid verschillend. Wat krachtig is aan de dialoog is dat wel elkaar onze persoonlijke distincties kunnen aanleren, zo horen en zien we meer van de werkelijkheid. Zo leerde ik klassieke muziek appreciëren door Leonard Bernstein[x] die mij zijn distincties meegaf. Ik hield al van z’n West Side Story en met z’n Young People’s Concerts, leerde de charismatische dirigent van de New York Philharmonic mij op z’n bevattelijke en aanstekelijke manier klassieke muziek waarderen. 

In de loop der jaren ben ik er achter gekomen dat ik misschien wel geen enkele waarheid in pacht heb, mijn ‘waarheden’ veranderden namelijk dikwijls gedurende mijn leven. Het enige dat ik bezit is een stelsel van overtuigingen dat continu in ontwikkeling is en verandert, idealiter – naar ik hopen mag – ten goede. 

Wat ik u nu met deze column aanbied is niet de waarheid. Ik bied u mogelijkheden aan. Weliswaar zijn deze mogelijkheden, in mijn perceptie met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, de beste die er te vinden zijn. Het is echter aan u om die mogelijkheden tot de uwe te maken die het best bij u passen. 

Wij hebben elk onze eigen waarheid, wat we kunnen doen is elkanders waarheid appreciëren en van daaruit een nieuwe waarheid creëren, een reservoir van Vedeelde mening. Dit komt neer op de verschillende meningen met elkaar vermengen tot een inhoud die voor eenieder aanvaardbaar is. Ten einde een Gedeelde Mening te creëren dient elkeen wat zij of hij heeft waargenomen, in vraag durven stellen. Deze invraagstelling van de denkkaders gebeurt op een integere manier, men schetst eerlijk hoe men de gegevens, de boodschap waardeert en staat open voor de waardering ervan door de ander. 

Dit zeer belangrijk onderdeel van de dialoog kan als volgt weergegeven worden:

Bij het waarderen van elkaars meningen worden een viertal vaardigheden ingezet: 

  1. Nederig vragen;
  2. Het vinden van de ‘plus’ achter de ‘min’;
  3. Integreren van verschillende inzichten;
  4. Invraagstelling van Mentale modellen.

Voor de bespreking van die vier vaardigheden verwijs ik graag naar m’n boek (Roels, J. 2012

Dat mensen dezelfde werkelijkheid op een verschillende manier zien komt volgens Peter Senge, zoals we hierboven zagen, omdat mensen verschillende distincties hebben. Mensen zijn gelukkig verschillend en die diversiteit maakt creativiteit mogelijk. Het vormen van een Gedeelde Mening is een wezenlijk onderdeel van de dialoog. De Griekse oorsprong van het woord Dia-logos betekent “doorheen mening”. Dus betekent dialoog eigenlijk het creëren van mening door(heen) de deelnemers aan de dialoog. Dit impliceert het elkaar ten volle waarderend begrijpen. 

Nogmaals, een dialoog is verre van een discussie! De Griekse oorsprong van het woord discussie betekent fragmenteren. Je vindt dezelfde ‘roots’ in de woorden contusie (kneuzing) en percussie (slagwerk). Wat we doen bij een discussie is elkaar trachten overtuigen met ‘slaande’ argumenten. Daardoor worden dingen stuk geslagen. Beide gesprekpartners nemen een verschillend standpunt in dat ze met slagkracht verdedigen. Bij een dialoog streven we naar een Gedeelde Mening. Deze wordt op een ‘synergetische’ wijze gecreëerd uit beide standpunten. Daardoor bouwen we beiden aan een groter geheel en zien we meer van de werkelijkheid. We bouwen aan een gedeelde visie: het beeld in mijn hoofd is hetzelfde als in jouw hoofd. Kortom het doel van deze fase is te komen tot een gedeelde visie van de werkelijkheid. 

Een korte typering van het begrip dialoog zou kunnen zijn dat het een uitstekend hulpmiddel is om een Gedeelde Mening te creëren over wat er werkelijk in het nu aan het gebeuren is. Gedurende een dialoog is het niet een kwestie van informeren of overtuigen. De intentie is de werkelijkheid waarderend te begrijpen. Dit is iets heel anders dan informeren of overtuigen. 

In de dialoog zijn er geen hiërarchische niveaus. In de dialoog is de relatie er een onder gelijken. Dit in te zien maakt het gemakkelijk om het oordeel op te schorten. Het geeft ook aan dat niemand de waarheid in pacht heeft. Wij creëren de waarheid door een dubbele lus. Door het aanleren en gebruiken van de Cruciale Dialoogvaardigheden worden dialogen op een hoger niveau getild en creëren we niet alleen een nieuwe persoonlijke identiteit, ook een nieuwe gezamenlijke cultuur.

Om tot een Gedeelde Mening te komen mogen we er niet vanuit gaan dat het zenden van een boodschap automatisch een gedeelde mening creëert. Wanneer we iets aan een ander meedelen, gaan we er te veel van uit dat de ander de boodschap begrijpt zoals we deze hebben bedoeld. We vergeten daarbij dat meningen door mensen gedragen worden, niet door woorden. Hetzelfde woord kan heel verschillende betekenissen hebben voor de deelnemers aan de dialoog. Ook de intentie van diegene die boodschap brengt is initieel van ondergeschikt belang. Het belangrijkste is wat diegene die de boodschap krijgt er van begrijpt. Hij moet als het ware de boodschap correct decoderen. Daarom laat hij de Ander eerst uitspreken. Valt deze dus niet in de rede. Terwijl de Ander spreekt luistert men en is men niet een tegenargument aan het zoeken, dit is een discussie gedrag. Echt luisteren wil niet zeggen dat men met wat de Ander zegt akkoord gaat. Zelfs Waarderend Begrijpen betekent niet dat men per sé akkoord is met wat de Ander zegt. Dit kan uiteraard wel, maar het is geen conditio sine qua non om waarderend te begrijpen. Waarderend Begrijpen vergt een open geest, en betekent dus niet akkoord gaan met alles wat de ander zegt. Je kunt perfect het standpunt van de ander begrijpen en waarderen waar het op is gebaseerd en toch het er niet volledig mee eens zijn. Maar je hebt de ander ten volle begrepen. Je hebt begrepen dat wanneer je in de Ander haar of zijn schoenen zou staan je denkelijk hetzelfde standpunt zou huldigen. 

De kracht van de vaardigheid ‘Integreren van de verschillen’ is dat uit de verschillende inzichten uiteindelijk een Gedeelde Mening wordt gevormd met betrekking tot de cruciale vraag of het probleem. Later zullen we zien dat dezelfde vaardigheid er ook voor zorgt dat er een Gedeelde Mening wordt gecreëerd inzake de mogelijke oplossing(en). 

In fase 2 van het Cruciaal Dialoogmodel start men met tezamen te denken. Door onze opinies met elkaar te delen, zonder angst om aangevallen te worden, kunnen we gezamenlijk die opinies naar waarde schatten, we denken gezamenlijk[xi]. Dit kunnen we niet als we onze opinies mordicus verdedigen. 

Door de creatie van de Gedeelde Mening hebben we elkaar volledig begrepen. Nogmaals, Gedeelde Mening wil niet zeggen dat iedereen in de Cruciale dialoog de zaken op dezelfde manier ziet. Gedeelde Mening betekent dat elkeen die betrokken is in de dialoog uiteindelijk dezelfde mening heeft betreffende de cruciale vraag. Gedeelde Mening wordt werkelijkheid wanneer de deelnemers aan de dialoog elkaars perspectieven goed genoeg begrijpen om deze als legitiem te kunnen aanvaarden in de context van het begrijpen en (later het) oplossen van het gesteld probleem. 

In een oprechte dialoog vinden de gesprekpartners elkaar en ontwikkelen ze samen een gemeenschap waarbij ze nader komen tot de Ander, omdat ze die Ander vinden in zichzelf én in de Ander. Het is niet meer ‘het een of het ander’, zelfs niet meer ‘het één en het ander’, het is ‘het één en het ander & verschillend van’, gezien beider identiteit, van de één en de Ander, is getransformeerd.


[i] Lleshi Gjonpalaj, B. (2020). Deze column is zwaar geïnspireerd door de les over Identiteit van docent Bleri Lleshi, zoals gegeven gedurende het academiejaar 2020-2021 aan de eerstejaars PBA Sociaal Werk van de UCLL in Leuven.

[ii] Roels, J. (2021). Sterk Sociaal Werk en Creatieve wisselwerking. Column geraadpleegd op 21.01.2021 via http://www.creativeinterchange.be/?p=1761

[iii] Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Het dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

[iv] Taveirne, K. (2020). Praktijk & Communicatie (B-UCLL-MBW26A). Geraadpleegd op 10-01-2021 via http://onderwijsaanbod.leuven.ucll.be/2020/syllabi/n/MBW26AN.htm

[v] Senge, P. in het voorwoord (pagina xvii) van Isaacs, W. (1999). Dialogue and the art of thinking together. A pioneering approach to communication in business and in life. New York: Doubleday.

[vi] Patterson, K., Grenny, J., McMillan, R., en Switzler A. (2002). Crucial Conversations, Tools for talking when stakes are high. New York, McGraw-Hill.

[vii] Roels, J. (2021). Sterk Sociaal Werk en Creatieve wisselwerking. op.cit.

[viii] Van Tongeren, P. (2014). Toen aan de 90-jarige Gadamer – aan het eind van een lang interview – gevraagd werd of hij zijn filosofische hermeneutiek in één zin zou kunnen samenvatten, antwoorde hij zonder aarzeling positief: “Het zou kunnen zijn dat de ander gelijk heeft.” Geraadpleegd op 16.01.2021 via https://deuilvanminerva.be/content/waarheid-en-methode-hoofdlijnen-van-een-filosofische-hermeneutiek   

[ix] Senge, P.M (1992). Key Note speech “A Crisis in Perception”. Boston: System Thinking in Action Conference.

[x] Bernstein, L. (2004) Young People’s Concerts on CBS (1958-1972) Volume I on DVD via http://www.kulturvideo.com/Leonard-Bernstein-Young-Peoples-Concerts-p/d1503.htm

[xi] Isaacs, W. (1999). Dialogue and the art of thinking together. op cit.

Sterk Sociaal Werk en Creatieve Wisselwerking[i]

Inleiding

Sterk Sociaal Werk was de titel van de Vlaamse sociaalwerkconferentie die op 24 mei 2018 georganiseerd werd in Brussel[ii]. Die conferentie kwam er naar aanleiding van de vaststelling dat de finaliteit van sociaal werk, namelijk het realiseren van sociale rechtvaardigheid, onder druk staat. De sociale onrechtvaardigheid is inderdaad de laatste vijfentwintig jaar gegroeid, onder ander als gevolg van de vele migratiegolven, de groeiende kloven, enerzijds tussen arm en rijk en anderzijds tussen laag en hooggeschoolden, en de negatieve neveneffecten van de globalisatie. Ook werden hoe langer hoe meer barrières, om sociale rechtvaardigheid te realiseren, gecreëerd die voornamelijk de meest kwetsbaren troffen en wentelt de overheid hoe langer hoe meer de zorg voor sociale rechtvaardigheid af op informele zorg, op vrijwilligerswerk en op de behoeftigen zelf, dit door neoliberale ‘stuiptrekkingen’[iii]. Diezelfde neoliberale reflex zorgt ook voor een sterkere focus op resultaatsindicatoren en de opkomst van commerciële spelers, onder meer in de woonzorg en de kinderopvang. Deze ontwikkelingen stellen sociaal werk voor belangrijke vraagstukken, vandaar de roep om een sterk sociaal werk.

In deze column wil ik aantonen dat sterk sociaal werk een grote behoefte heeft aan Creatieve wisselwerking

Vooreerst, wat bedoel ik met Creatieve wisselwerkingCreatieve wisselwerking is het natuurlijk transformatieproces waarmee we allen geboren zijn en dat duurzame verandering mogelijk maakt doordat het mensen en organisaties begeleidt bij :

1. Het ontdekken van feiten, waarnemingen en objectieve gegevens door Authentieke Interactie;

2. Het Waarderend Begrijpen van die, door de deelnemers aan het proces verschillend geïnterpreteerde, realiteit. Bij de toepassing van Creatieve wisselwerking drukt men, wanneer men van mening verschilt, zijn waarheid niet door. In plaats daarvan is men verwonderd en stelt men de leiderschapsvraag bij uitstek: “Hoe komt het dat wij dezelfde werkelijkheid zo verschillend zien?” en wordt er gezamenlijk een ‘Gedeelde Mening’ gezocht en gevonden;

3. Het Creatief Integreren van die diversiteit ten einde uit te deinen wat men weet, apprecieert, zich kan voorstellen en van binnenuit kan beheersen. Op z’n best zorgt het creatief wisselwerkingsproces ervoor dat synergetische oplossingen voor problemen gevonden worden en dat dynamische beslissingen worden genomen.

4. Het Transformerend uitvoeren, waarbij men de acties uitvoert die werden beslist. Het proces lost daarbij niet alleen het probleem op, het transformeert ook eenieder die eraan deelneemt.

Hierbij erken ik dankbaar het baanbrekend werk van dr. Henry Nelson Wieman voor zijn formulering van het creatief transformatieproces (o.m. in diens boek ‘Man’s Ultimate Commitment’[iv]), heerlijk hertaald door mijn vriend dr. Charles Leroy (‘Charlie’) Palmgren, die bovendien de basiscondities, nodig voor Creatieve wisselwerking, identificeerde [o.m. in zijn boeken ‘The Chicken Conspiracy’ (met coauteur Stacie Hagan)[v] en ‘The Ascent of the Eagle’[vi]]. Dit alles en nog veel meer heb ik dan zelf toegepast om vorm te geven aan het Cruciale Dialogenmodel in m’n boek ‘Cruciale dialogen’[vii].

In wat volgt leg ik de link tussen Sterk Sociaal Werk en Creatieve wisselwerking; daarbij  aantonend dat Creatieve wisselwerking en het succesvol voeren van Cruciale dialogen, gebaseerd op het creatief wisselwerkingsproces, hoekstenen zijn van Sterk Sociaal Werk.

De vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk

De Sociaal Werk Conferentie van 2018 identificeerde vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk: Nabijheid, Politiserend werken, Procesmatig werken, Generaliserend werken en Verbindend werken. Die kan men ook zien als het DNA van Sterk Sociaal Werk. Let wel, deze krachtlijnen kunnen niet los van elkaar gezien kunnen worden. Sterk sociaal werk is altijd een combinatie van deze krachtlijnen. DNA is het materiaal waarin de erfelijke informatie van een organisme is vastgelegd. Zo heeft elke sociale professional deze krachtlijnen in zijn/haar werk zitten. Niet altijd even zichtbaar, het DNA van een mens is dat ook niet, maar ze zijn er wel. Ze scheppen een kader, helpen de eigen opdrachten beter te vatten en de rol van partners scherp te krijgen.

Laten we, niettegenstaande deze eigenlijk niet los van elkaar kunnen gezien worden,  deze vijf krachtlijnen (nabijheid, politiserend werken, procesmatig werken, generaliserend werken en verbindend werken) toch, voor de duidelijkheid van m’n betoog, een voor een overlopen en aantonen hoe Creatieve wisselwerking voor elk van deze krachtlijnen een hoeksteen is.

Nabijheid

Een sociaal werker is aanwezig in de leefwereld van mensen in een kwetsbare situatie. De ‘agenda’ wordt altijd samen bepaald. Daartoe zoekt de sociaal werker altijd verbinding.  

In verbinding zijn is eigenlijk in Authentieke Interactie zijn. Authentieke Interactie is ook de eerste karakteristiek van Creatieve wisselwerking. Om dit te visualiseren gebruik ik hieronder een uiterst summiere versie van het Cruciale Dialogenmodel (CDM). Dit omvat uiteraard de eerste karakteristiek Authentieke Interactie van Creatieve wisselwerking, want het CDM is ten slotte ook een voorstelling van het creatief wisselwerkingsproces.

Het realiseren van grondrechten vraagt dan ook nabijheid. Daardoor kunnen ze samen nagaan ‘waar ze staan’ wat het realiseren van grondrechten betreft. Het CDM geeft ook aan ‘waar we naar toe moeten’, met name het realiseren van sociale rechtvaardigheid. Het spreekt vanzelf dat sociaal werkers tijd en ruimte nodig hebben om relaties op te bouwen. Daartoe dienen ze zo laagdrempelig en onvoorwaardelijk mogelijk te kunnen werken aan ontmoeting.  

Daarbij dienen ze het werkwoord ‘ontmoeten’ te splitsen: ‘ont – moeten’. Dat is onvoorwaardelijk werken: niets moet en alles mag.

Relaties opbouwen steunt op ‘openheid’ en ‘vertrouwen’. Dit tweespan is cruciaal bij Authentieke Interactie. Men kan namelijk niet authentiek zijn als men niet open is, en men kan niet authentiek en open zijn wanneer men elkaar niet vertrouwt. Niet toevallig zijn ‘openheid’ en ‘vertrouwen’ dan ook de basisvoorwaarden voor Authentieke Interactie zoals volgende figuur, een gedeelte van een uitgebreider Cruciale Dialogenmodel, aangeeft:

Gedurende deze fase komen de feiten, waarnemingen en objectieve gegevens van ‘waar we staan’ aan bod. Deze dienen geobserveerd te worden met het helder bewustzijn. Dit impliceert dat de sociaal werker kennis heeft van de twee soorten bewustzijn die cruciaal zijn bij dialogen met hun cliënten. Ik doel hier op het helder en het  gekleurd bewustzijn.

Een van de grootste talenten van de mens is dat zij of hij helder bewust kan zijn van zichzelf en ook bewust kan zijn van het inkleuren (‘consciousness’) van dat helder bewustzijn (‘awareness’). Ik gebruik hierbij bewust de Engelse begrippen ‘awareness’ en ‘consciousness’. Die termen worden in het Nederlands steevast als ‘bewustzijn’ vertaald. Dat is een van de oorzaken dat het voor mij, Nederlandstalige, lang duurde voor ik doorhad dat ‘awareness’ en ‘consciousness’ twee verschillende vormen bewustzijn zijn. Met name de bewustzijnsvormen van onze onderscheiden ‘zelven’. Om het voor mij, en hopelijk ook voor jullie, duidelijk te maken, heb ik een nieuwe Nederlandse vertaling van deze Engelse begrippen ‘ont-dekt’. Awareness vertaal ik als helder bewustzijn. Onze Originele of Creatieve Zelf komt helder bewust (‘aware’) ter wereld. Dit helder bewustzijn wordt langzamerhand geconditioneerd tot het gekleurd bewustzijn van de gecreëerde zelf (dit is onze actuele ‘zelf’); dus vertaal ik logischerwijze ‘consciousness’ als gekleurd bewustzijn. 

Men zou met een metafoor kunnen stellen dat het helder bewustzijn van de Creatieve Zelf als helder ‘wit’ licht is dat door de gecreëerde zelf, fungerend als een prisma, gebroken wordt in alle kleuren van de regenboog. Vandaar dat ik, voor het bewustzijn horend bij de gecreëerde zelf, koos voor de naam gekleurd bewustzijn. Opvallend is dat gedurende het conditioneringsproces (met o.a. de opvoeding, school, vrienden, gemeenschap …), de meesten onder ons niet alleen hoe langer hoe meer gekleurd bewust worden en vooral, en dat is erg, zich gaan vereenzelvigen met hun gecreëerde zelf. Kortom, mensen worden hoe langer hoe meer gekleurd bewust (‘conscious’) en hoe langer hoe minder helder bewust (‘aware’). Dit alles zou men kunnen voorstellen als een muntstuk met aan de ene zijde de Creatieve Zelf met z’n helder bewustzijn en aan de andere zijde de gecreëerde zelf met z’n gekleurd bewustzijn. 

Het helder bewustzijn

Het helder bewustzijn is non-duaal, onbevooroordeeld, niet-lineair en neutraal. Het heeft als kenmerken transcendentie[viii], vrijheid, openheid en vertrouwen. Het is kalm en vredig. Heel jonge kinderen zijn nog hoofdzakelijk helder bewust. Dit is niet verwonderlijk, gezien zij nog hoofdzakelijk hun Originele Zelf zijn. Daar het pure helder bewustzijn een ervaring is van het heel jonge kind – een ervaring die volwassenen grotendeels kwijtgespeeld zijn – is het begrip helder bewustzijn moeilijk te verwoorden. Dit is de reden waarom het voor mij, de zeventig voorbij, echt moeilijk is om het helder bewustzijn ook helder te beschrijven. Het helder bewustzijn leent zich bovendien niet tot volzinnen, concepten, uitleg en/of definities. Toch zal ik, tegen beter weten in, het concept helder bewustzijn in wat volgt beschrijven. Mede omdat men, ook en vooral als sociaal werker, zo veel mogelijk (terug) haar of zijn Creatieve Zelf wordt in de mate dat men (terug) helder bewust wordt. 

Om het helder bewustzijn toch enigszins in woorden te vatten, dient men een pasgeborene voor ogen te houden. Een pasgeborene is authentiek, helder bewust, open en vol vertrouwen. Een van de sleutel elementen van z’n openheid en vertrouwen is z’n capaciteit om te observeren. Van zodra de oogfunctie het toelaat, observeert de pasgeborene de omgeving met het helder bewustzijn. Zij of hij kleurt die werkelijkheid nog niet in. Met andere woorden, het brein van een pasgeborene fungeert nog niet als een prisma. 

Observeren[ix] kan worden onderscheiden van percipiëren[x], maar is er niet van gescheiden. Perceptie steunt op observatie en voegt er, gekleurd bewust, onderwerp/object onderscheiden, positieve/negatieve oordelen, het lineair en ‘het één of het ander’ denken aan toe. Dit in een streven naar verschillende betekenissen, met als onderliggend doel zich aan te passen aan de sterk veranderende wereld en daarin goed overeind te blijven. Perceptie is interpretatie van de sensatie of observatie. Observatie van z’n kant is vrij van onderwerp/object onderscheiden, is onbevooroordeeld (oordeelt dus niet in positief/negatief), is niet- lineair en streeft alles behalve naar het kleven van labels op de werkelijkheid. Observatie streeft wel naar een klaar zicht krijgen op de dingen en het bekomen van ‘het één en het ander verschillend van’ denken. 

Observeren blijkt voor volwassenen een aartsmoeilijke taak. Hoewel het observeren echt zien en echt luisteren mogelijk maakt en dit zaken zijn die volwassenen broodnodig hebben. Toch staan volwassenen weigerachtig tegen goed observeren. Volwassenen willen niet echt observeren omdat ze intuïtief aanvoelen dat ze daardoor zullen aangezet worden te veranderen. Volwassenen percipiëren liever, ze interpreteren de observatie met hun eigen gekleurd denkkader, om niet te hoeven veranderen. Let wel, iedereen houdt van veranderen, zolang het ‘de ander’ is die dient te veranderen… Men wordt echter door observeren uitgenodigd het persoonlijk denkkader te veranderen en dat is een ander paar mouwen. Daarbij komt nog dat door echt observeren we helder bewust worden en we daardoor de controle dreigen te verliezen over onze manier van leven. Een manier waar we ons toch zo krampachtig aan vastklampen. En toch, wat een volwassene blijvend nodig heeft, is haar of zijn bereidheid iets nieuws te leren, zijn denkkader aan te scherpen. En dus te veranderen; want leren is veranderen en veranderen is leren. De mate dat een volwassene (terug) wakker wordt, is recht evenredig met de mate waarin zij of hij een portie ‘waarheid’ tot zich kan nemen zonder er van weg te vluchten. De vraag, die elke volwassene zich dient te stellen, komt neer op: “Hoeveel van waar ik mij aan vastklamp, kan door observatie worden losgeweekt zonder ik mij verschans in m’n gesloten denkkader?” De eerste reactie van een volwassene, wanneer die tegenvoets genomen wordt door echte observatie, is blijkbaar angst. Het is niet dat zij of hij angst heeft voor het onbekende. Men kan nu eenmaal geen angst hebben van iets dat men niet kent. Daarom ook is een heel jong kind zo onbevreesd. Wat de volwassene bij echte observatie vreest, is het mogelijk verlies van wat hij wel weet, waar hij zich aan vastklampt, en wat door echte observatie op losse schroeven dreigt te worden gezet. 

Openheid en Vertrouwen

De raad die ik elke Sociaal Werker meegeef in het kader van deze krachtlijn ‘Nabijheid’ luidt: “Wees open teneinde duurzame relaties te bouwen en daardoor meer vertrouwen te krijgen, waardoor de ander opener zal zijn.” 

Er is echter een belangrijk verschil tussen de twee concepten: 

  • Vertrouwen is een relatie-toestand tussen mensen, en het resultaat van alles wat er tussen de deelnemers aan het creatief wisselwerkingsproces gebeurt; 
  • Openheid is een gedrag. 

Dit is een cruciaal verschil. De sociaal werker kan zelf besluiten om zich naar z’n cliënt te openen om zo de positieve spiraal te starten die leidt tot meer vertrouwen, wat dan zorgt voor meer openheid. 

Door te begrijpen hoe vertrouwen en openheid zich tot elkaar verhouden, kan de sociaal weker ervoor kiezen om net wat opener te zijn dan wat het vertrouwen toestaat. Zo draag de sociaal werker bij aan de ontwikkeling van psychologische veiligheid en effectiviteit. 

Openheid leidt tot meer vertrouwen, wat de basis legt voor meer openheid[xi].

Openheid en vertrouwen zijn vast aan elkaar verbonden. Een persoon ten volle kennen en waarderen, weten wie zij of hij is en wat zij of hij werkelijk doet, creëert vertrouwen. Hoe opener iemand is, hoe meer zij of hij door de ander(en) kan gekend worden, hoe meer zij of hij echt kan begrepen worden en hoe groter het onderling vertrouwen kan worden. Vertrouwen en openheid zijn de basis hoekstenen van Authentieke Interactie, de eerste karakteristiek van het creatief wisselwerkingsproces. Om van het vertrouwen en de openheid een duurzame realiteit te maken, dienen deze hoekstenen uiteraard permanent onderhouden te worden. Dit kan door het voortdurend inzetten van de vier basisvaardigheden van deze karakteristiek: 

  1. het duidelijk stellen van de Kernvraag
  2. het in balans gebruiken van Bepleiten en Bevragen;
  3. het gebruiken en herkennen van Non-Verbale Communicatie;
  4. het bevestigen van wat herhaald wordt of Bevestigend Parafraseren.

Een omgeving waarin duurzaam vertrouwen en openheid heerst, is gekenmerkt door een vrije stroom van informatie. Openheid heeft twee dimensies: vertellen en luisteren en is dus een interpersoonlijke conditie die bestaat tussen Sociaal Werker en cliënt, wanneer zij: 

  • als ‘zender’ elkaar vertellen wat zij denken over feiten, ideeën, waarden, aannames, gevoelens en de manier waarop zij zaken zien en 
  • als ‘ontvanger’ naar die boodschap willen luisteren en dit ook echt ten volle doen. 

Sociale Werkers die niet beschikken over bovenvermelde vier basisvaardigheden van de interpersoonlijke communicatie zullen niet zeer open zijn en bovendien minder geneigd zijn om anderen te vertrouwen. “Vertrouwen is goed, Controle is beter”, is hun devies. Dat ze daardoor zelf ook heel wat minder vertrouwd worden, is logisch. 

Het open zijn en het op voorhand vertrouwen geven houden risico’s in. Het is anderzijds ook zo dat zonder het nemen van risico’s het creëren van een goede, respectvolle relatie onmogelijk is.

Wij zijn er, gebaseerd op onze ervaringen, van overtuigd dat het zich bekwamen in de vier basisvaardigheden, en deze ten volle inzetten bij elke diepe conversatie, de individuele niveaus van openheid en vertrouwen zal verhogen. Het gaat over – om het in systeemdenken taal[xii] te zeggen – een zelfversterkende lus: het effectief gebruik van de vier basisvaardigheden versterkt de openheid en het vertrouwen en … het verstevigd  vertrouwen en de grotere openheid bevorderen dan weer het gebruik van de vier basisvaardigheden. Dit totdat het (goede) gewoonten geworden zijn.

Creatieve wisselwerking ligt aan de basis van, en gaat over, een ingrijpend veranderingsproces. Deal en Kennedy[xiii] stellen dat openheid en vertrouwen een sleutelonderdeel zijn van verandering: 

Openness and Trust in the Change Process influence wether and how change occurs.

en de Freibergs[xiv] zeggen het zo: 

Full disclosure leads to more honest conversations and it creates culture that values authenticity.

Vertrouwen is organisch, het wordt echt niet geproduceerd op een assembleerlijn. Vertrouwen groeit door onze acties. Peter Senge et al.[xv] hebben vastgesteld dat “Culturen enkel bestaan wanneer die op elk moment beleefd worden”. Vertrouwen groeit wanneer: 

  • er naar elkaar geluisterd wordt, echt geluisterd; 
  • we elkaar aanmoedigen om onze ideeën uit te drukken en daarbij actief luisteren (cf. de vaardigheid Bevestigend Parafraseren); 
  • elkaar toestaan dat ook opinies aan bod komen, zelfs opinies die we liever niet horen; 
  • we fouten aanvaarden (want een fout kan gebeuren) en een fout is niet erg, vooral wanneer we ervan leren. 

Om Peter Senge et al. nog maar eens te citeren: 

We learn how to do something truly new only through doing it, then adjusting.

Door fouten te aanvaarden wordt blaam getransformeerd in creatief denken, we leren dan echt van onze fouten. Het Originele Zelf creëert dus vertrouwen, waarbij integriteit eerlijkheid omvat én verder gaat. Eerlijkheid is de waarheid vertellen – m.a.w. onze woorden in overeenstemming brengen met onze interpretatie van de realiteit. Integriteit is onze woorden in overeenstemming houden met de realiteit gezien vanuit onze Originele Zelf, dus met het helder bewustzijn. 

Eén van de belangrijkste manieren om de Originele Zelf te tonen en uw integriteit te bewijzen, is loyaal te zijn t.o.v. diegenen die niet aanwezig zijn. Door zo te handelen versterken wij het vertrouwen in ons van diegenen die wel aanwezig zijn. Inderdaad, wanneer men diegenen die niet aanwezig zijn, verdedigt, zal men het vertrouwen winnen van diegenen die wel aanwezig zijn. Integriteit in een interafhankelijke werkelijkheid komt neer op het behandelen van iedereen overeenkomstig dezelfde principes. Wanneer je dit werkelijk doet, zullen mensen je vertrouwen. 

Integriteit vermijdt misleidende communicatie. Een leugen is elke communicatie met de bedoeling om te misleiden. Wanneer we integer communiceren in woorden én gedrag, kan het onmogelijk onze intentie zijn te misleiden of te bedriegen. Dit voelt iedereen aan en daardoor versterkt integer gedrag in communicatie het vertrouwen en de openheid. 

Politiserend werken

Sociaal werkers zorgen er mee voor dat mensen gebruik kunnen maken van hun sociale rechten en voordelen. Maar ze wijzen ook op structurele mechanismen die tot sociale onrechtvaardigheid leiden. Ze zoeken naar collectieve oplossingen om die mechanismen te bestrijden. Sociaal werkers zijn publieke en democratische professionals die hun stem laten horen, maatschappelijke belemmeringen benoemen, dominante denkpatronen in vraag durven stellen en een eigen positie innemen vanuit de normatieve waarden van het beroep.

We schreven het al, de finaliteit van sociaal werk is het realiseren van sociale rechtvaardigheid. Dit wil zeggen dat Sociaal werkers er onder meer moeten voor zorgen dat mensen gebruik kunnen maken van hun sociale rechten en voordelen. Nog te veel is dit niet het geval en dat is zonder meer een sociale onrechtvaardigheid. Om die sociale onrechtvaardigheid bloot te leggen dient de sociaal werker outreachend en proactief te werken; en dit door tegenstroom te gaan en allesbehalve de schuld op de cliënt te schuiven. Eerder gaat de sociaal werker proactief op zoek naar structurele miskleunen.

Inderdaad, door te dialogeren en te werken met hun cliënten leren sociaal werkers welke structurele mechanismen tot sociale onrechtvaardigheid leiden. Een van die mechanismen is (nog steeds) het zogenaamde Mattheuseffect. In het sociaal beleid betekent het Mattheuseffect dat het profijt van het overheidsbeleid vooral ten goede komt aan de midden- en hogere inkomensgroepen en minder aan de laagste inkomens (voor wie ze eigenlijk bedoeld zijn). Met andere woorden de mensen die het profijt het meest nodig hebben, krijgen er het minst van. Herman Deleeck[xvi] was een van de eersten om dit fenomeen systematisch te analyseren in relatie tot het sociaal beleid. Tegenwoordig is het overheidsbeleid, zoals reeds geschetst, doordrongen van een soort neoliberalisme dat het hoe langer hoe moeilijker maakt, voor diegenen die de hulp echt nodig hebben, die hulp ook te verkrijgen. De middenklasse heeft daar minder moeite mee omdat die de middelen (zowel immateriële: kennis als materiële: internet, pc, …) hebben om de obstakels, die de overheid hoe langer hoe meer opwerpt, te omzeilen.

De opdracht van sociaal werkers is te zoeken naar collectieve oplossingen om die mechanismen te bestrijden. Voor die deeltaak van Sociaal Werk is het complete Cruciale Dialogenmodel een uitgelezen tool. Dit is namelijk een universeel model om problemen op te lossen en vragen te beantwoorden. Dus wanneer een Sociaal Werker op zo’n probleem stoot, kan hij het probleem verwoorden als een vraag: “Hoe kan ik ervoor zorgen dat dit specifiek structureel mechanisme ten gronde wordt bestreden?”. Die hamvraag wordt in het midden van het Cruciale Dialogenmodel geplaatst. In z’n summierste vorm is het Cruciale Dialogenmodel (CDM) eigenlijk een lemniscaat met in het midden het vraagteken: 

Die lemniscaat wordt dan verder van links naar rechts (in tegenwijzer zin) en indien nodig nogmaals van links naar rechts afgewerkt, en dit tot de oplossing effectief en efficiënt is.

Uiteraard komen de vier kwadranten van het CDM overeen met de vier karakteristieken van het creatief wisselwerkingsproces:

  1. Authentieke Interactie m.b.t. de werkelijke situatie: Communicatie;
  2. Waarderend Begrijpen van deze werkelijke situatie: Appreciatie;
  3. Creatief Integreren om te groeien naar de gewenste situatie: Imaginatie;
  4. Continue Transformatie om de gewenste situatie (i.e. de nieuwe werkelijke situatie) te realiseren: Transformatie.

Het zou mij te ver leiden om hier het volledige model, dat nog een stuk complexer is dan bovenstaande figuur, en ook het ‘vlindermodel’ wordt genoemd, uit de doeken te doen. Daar is m’n reeds geciteerde boek ‘Cruciale dialogen’ voor (Roels, 2012, pp. 58-64). 

Het politiserend werken bestaat er voornamelijk in de maatschappelijke belemmeringen te benoemen en de dominante denkpatronen in vraag te stellen. Dat moed nodig is om een cruciale dialoog aan te gaan met de overheid, waar men meestal, direct of indirect, voor het eigen loon afhankelijk van is, hoeft geen betoog. Een Sociaal werker dient inderdaad een eigen positie in te nemen vanuit zowel de eigen normatieve waarden als die van het beroep. Die eigen normen en waarden vindt men overigens in het lichaam van het ‘vlinder’ terug.

Een en ander gebeurt in het tweede kwadrant van het creatief wisselwerkingsproces en hoe dit in z’n werk gaat kan als volgt beschreven worden.

Om een situatie waarderend te kunnen begrijpen kleurt men de ‘heldere’ waarheid in met het gekleurd bewustzijn. De perceptie en interpretatie gebeuren inderdaad met het gekleurd bewustzijn (cf. Perceptie is de interpretatie van de sensatie). Men ziet namelijk de werkelijkheid niet zoals deze is, men ziet die realiteit zoals men zelf is. Dus met het eigen denkkader, de eigen mindset of, metaforisch, de eigen gekleurde bril. 

De twee deelnemers aan de cruciale dialoog, in dit geval de sociaal werker en de beleidsmaker, hebben elk hun eigen gekleurde bril op de neus en zien daardoor de werkelijkheid per definitie verschillend. Om uit de impasse te geraken, want niemand heeft de waarheid in pacht, dienen in deze fase de twee basiscondities Nieuwsgierigheid en Kunnen omgaan met Onzekerheid (Ambiguïteit) vervuld te zijn. Dat is meestal geen probleem bij de Sociaal werker, want die is sowieso nieuwsgierig en gaat dagelijks om met onzekerheid, anders had hij nooit inzicht gekregen in het structureel mechanisme dat tot sociale onrechtvaardigheid leidt en wat hij hier aankaart. De vraag is of ook de beleidsmedewerker die basiscondities ter harte neemt en de moed heeft om in de schoenen van de sociaal werker te gaan staan. Anders gesteld, hebben beiden de moed om elkaars gekleurde bril op te zetten en elkaars werkelijkheid te zien en van daaruit te streven naar een Gedeelde Mening?

Het gekleurd bewustzijn

Het gekleurd bewustzijn omvat dus perceptie en geeft zaken een ‘label’: voordelig-nadelig, akkoord-niet akkoord, inclusief-exclusief, goed-slecht, en juist-fout. Let wel, perceptie is essentieel om zich te kunnen aanpassen en daardoor te kunnen overleven in deze steeds maar sneller veranderende wereld. Percepties zorgen er voor dat er voorkeuren, betekenissen en waarden ontwikkeld worden en kleuren daardoor ons bestaan. 

Door interpretatie, evaluatie en beslissing wordt wat bekomen werd door observatie met het helder bewustzijn getransformeerd doordat perceptie gebruik maakt van het gekleurd bewustzijn. Daardoor wordt de “één en het ander verschillend van” observatie van het helder bewustzijn vaak de “het een of het ander” perceptie van het gekleurd bewustzijn. We komen terecht in wat het “in-the-box” denken wordt genoemd. Die ‘box’ (doos) wordt gevormd door de grenzen van onze ‘fixed’ (gesloten) mindset. Door ons gekleurd bewustzijn appreciëren we de werkelijkheid op een bepaalde manier en de aldus gewaardeerde werkelijkheid wordt als het ware in de doos van onze ‘mindset’ (denkkader, mentaal model) gestopt. In feite bepaalt die gekleurde appreciatie wat er in de doos terecht komt en, wat nog belangrijker is, wat er uit wordt geweerd. Anders gesteld, we voegen toe wat we waarderen en weren wat we niet waarderen. Uiteindelijk zien we de werkelijkheid niet zoals deze is, we zien ze zoals wij zijn! (cf. Anaïs Nin[xvii], Stephen R. Covey, …). 

Onze voorkeuren maken dat verschillen gepolariseerd worden. Het gekleurd bewustzijn werkt inderdaad polarisatie in de hand. Er is geen sprake meer van “het één en het ander”; inderdaad, de ‘en’ is een ‘of’ geworden. We leggen onszelf op te kiezen. Daarbij wordt een van de twee polen gekozen ten nadele van de andere pool en dit werkt uiteraard polarisatie in de hand. 

Deze splitsing, de verschuiving van ‘en’ naar ‘of’, heeft meerdere gevolgen; zowel positieve als negatieve. Een van de gevolgen is dat elk idee wordt gecatalogeerd als een goed of slecht idee. Terwijl in werkelijkheid elk idee beide eigenschappen in zich heeft. Inderdaad, elk idee en elke situatie kan gepercipieerd worden als positief én als negatief. Het begrip ‘appreciatie’ wordt vaak geassocieerd met onze voorkeuren. We worden als het ware blind voor de andere zijde van de medaille en dus voor de niet voorziene, niet geanticipeerde en collaterale ‘schade’. We zien die laatste niet omdat we enkel percipiëren doorheen de gekleurde bril van onze voorkeuren. We zien enkel wat ‘goed’ is in een idee, dus wat we als goed catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke ‘negatieve’ effecten van dat idee. Het tegenovergestelde is ook waar. Wanneer we een idee niet appreciëren, zien we enkel wat ‘slecht’ is aan dit idee, dat we door het niet te appreciëren als ‘slecht’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke ‘positieve’ effecten van dat idee. Dit alles zorgt er voor dat we afglijden naar een gekleurd denkkader ten koste van een helder én correct gekleurd denkkader. 

In plaats van in de polarisatie te blijven steken, dienen we naar een gedeelde mening te streven en dit door de verschillende meningen met elkaar te vermengen tot een mening die voor eenieder aanvaardbaar is. Ten einde een Gedeelde Mening te creëren, dient elkeen wat zij of hij heeft waargenomen, in vraag durven te stellen. Het in vraag stellen van de denkkaders gebeurt op een integere manier, men schetst eerlijk hoe men de gegevens, de boodschap waardeert en staat open voor de waardering ervan door de ander. 

Dit zeer belangrijk onderdeel van de dialoog kan als volgt weergegeven worden:

Bij het waarderen van elkaars meningen worden een viertal vaardigheden ingezet: 

  1. Nederig vragen;
  2. De ‘plus’ achter de ‘min’;
  3. Integreren van verschillende inzichten;
  4. Invraagstelling van Mentale modellen.

Voor de bespreking van die vier vaardigheden verwijs ik graag naar m’n boek (Roels, 2012, pp. 175-189).

Procesmatig werken

Elke sociaal werker stemt haar of zijn handelen voortdurend af op verwachte en onverwachte gebeurtenissen in het proces dat zij of hij met mensen aan het lopen is. Daarnaast benut de sociaal werker ook de ervaringskennis van betrokkenen. Inspraak en participatie staan altijd centraal. De uitkomst ligt dus niet vooraf vast.

Het proces, het kan niet anders, is het creatief wisselwerkingsproces!

Een paar kenmerken van dit procesmatig werken:

  • Een proces is nodig, want het gaat om een complexe realiteit. Vandaar van dat het complete Cruciale Dialogenmodel complex oogt en is;
  • Elk antwoord is onvolledig en roept nieuwe vragen op. Daardoor is het Cruciale Dialogenmodel een lemniscaat en dient de ‘liggende acht’ meestal meerdere keren doorlopen te worden, teneinde een afdoende antwoord op de vraag te formuleren;
  • Creatieve wisselwerking is interactief, de eerste karakteristiek noemt zelfs Authentieke Interactie. Interactie tussen individuen, in groepen en in buurten. 
  • Creatieve wisselwerking is per definitie participatief. Iedereen bouwt mee aan het succes van het proces. De ervaringskennis van de betrokkenen wordt ten volle benut.
  • En waartoe het proces leidt, ligt helemaal niet vast. Creatieve wisselwerking kan niet gestuurd worden. Daardoor is de uitkomst nooit op voorhand gekend. Het is een proces, een methode om te creëren. De richting kan gekozen worden (door de vraag in het midden), maar van dan af ligt niets vast. Dit is een van de eigenheden van Creatieve wisselwerking: men weet op voorhand niet waar men uitkomt. Hetgeen ik soms onderstreep met de boutade: “The Process is the Leader!” De liggende acht is eerder een methode dan een stappenplan, of beter gezegd: de methode zorgt voor een stappenplan voor de uitvoering van de gekozen oplossingen die op voorhand verre van vast liggen. 

Ik ben er heilig van overtuigd dat deze krachtlijn en kerntaak van elke sociaal werker neerkomt op het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Het spreekt van zelf dat het Cruciale dialogenmodel, dat de acht basiscondities en zestien vaardigheden beschrijft die nodig zijn en ingezet dienen te worden voor het succesvol van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking, op het nachtkastje van elke sociaal werker thuishoort. Let wel, ‘Cruciale dialogen’ (Roels, 2012) is geen leesboek… het is een doe-boek. Want al doende, leert men. Ook en misschien vooral in het kader van Creatieve wisselwerking. Het boek is vooral ook een naslagwerk bij het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Kortom, men dient als sociaal werker Creatieve wisselwerking van binnenuit te beleven om wendbaar (i.e. proactief) en weerbaar (i.e. re-actief) te zijn en te blijven en daardoor dient Creatieve wisselwerking o. i. een element van de Body of Knowledge van Sterk Sociaal Werk te zijn.

Generalistisch werken

Als sociaal werker plaats je een persoon in zijn bredere context en heb je oog voor alle levensdomeinen. Dat maakt dat je perfect als brugfiguur of kruispuntwerker ingezet kan worden. Door de generalistische aanpak heb je een goed zicht op de sociale kaart, en heb je een uitgebreid netwerk.

Daartoe is nodig dat de sociaal werker een ‘brede bril’ hanteert. Anders gesteld, zij of dient bekwaam te zijn om ‘out of the box’ te denken. Dit kan door bij elke ontmoeting de eigen ‘gekleurde bril’ af te zetten en die te vervangen door de andere mogelijke brillen. 

Het heeft ook te maken met bij de eerste ontmoeting het helder bewustzijn in te zetten en het gekleurd bewustzijn even uit te schakelen. Nadien dient men zich, wanneer men tracht waarderend te begrijpen, te hoeden voor een ‘jump to conclusion’ reflex. Hoe meer ervaring de sociaal werker heeft, hoe gevaarlijker het wordt om heel vlug een inzicht (conclusie) te koppelen aan een ‘favoriete’ oplossing. Het gevaar voor dit gedrag vergroot wanneer men het probleem ‘eng’ bekijkt. Iedere sociaal werker zou de cliënt in z’n brede context dienen te zien. Dit betekent dat zij of hij op zoek dient te gaan naar verbanden tussen meerdere levensdomeinen. De sociaal werker dient zich ter degen bewust te zijn dat alles met alles verbonden is.  Zo is heeft het probleem ‘armoede’ vele facetten en gaat niet alleen om het ‘niet hebben van werk’.

Een checklist benadering is uit de boze, want die leidt naar standaardoplossingen en die bestaan niet. Problemen zijn altijd uniek en dulden geen passe-partout antwoorden. Vandaar mijn stelling dat ook hier Creatieve wisselwerking van binnenuit dient beleefd te worden.

De sociaal werker krijgt door haar of zijn generalistische aanpak een goed zicht op de zogenaamde sociale kaart en behoedt er zich voor die als checklist te gebruiken. Eerder kan die dienen om haar of zijn uitgebreid netwerk van professionelen te stofferen. Met dit uitgebreid netwerk gaat de sociaal werker regelmatig in dialoog. Het spreekt vanzelf dat daarbij Creatieve wisselwerking van binnenuit beleefd wordt. 

Door de kennis van de sociale kaart en het hebben van een uitgebreid netwerk kan de sociaal werker fungeren als een uitstekende gids. In die hoedanigheid verwijst hij z’n cliënt door naar de verschillende instanties die haar of hem kunnen helpen.

Verbindend werken

De sociaal werker is op drie manieren verbindend. 

  1. Individueel: versterken van mensen om opnieuw greep te krijgen op hun eigen leven en betekenisvol te kunnen deelnemen aan de samenleving. 
  2. Collectief: werken aan verbinding in buurten en op het lokale niveau om het samenleven te versterken. 
  3. En ten slotte: verbinden van mensen met maatschappelijke basisinstituties (onderwijs, gezondheidszorg, de arbeidsmarkt) door ervoor te zorgen dat ook groepen in kwetsbare situaties er toegang toe krijgen.

Empowermentparadigma 

Het gebruik van het begrip paradigma in de cursus (De Greef & Goris, 2020) gaat er vanuit dat elke sociaal werker dit begrip ten volle begrijpt. Maar is dat wel zo? Voor alle zekerheid en, zoals de Fransen zo mooi zeggen ‘A toutes fins utiles’, volgende uitwijding:

Het begrip Paradigma

Het begrip Paradigma werd populair door het boek ‘De zeven eigenschappen van effectief leiderschap’ van Stephen Covey[xviii]. Om diens eigenschappen waarderend te kunnen begrijpen, dient men te weten wat ‘paradigma’s’ zijn en hoe we een paradigmaverschuiving kunnen creëren. Het begrip paradigmaverschuiving werd geïntroduceerd door Thomas Kuhn in zijn klassiek werk ‘De structuur van wetenschappelijke revoluties’[xix]. Die merkte op dat bijna elke belangrijke doorbraak in wetenschappelijk onderzoek een breuk met het tot dan gangbare paradigma betekent. 

Zo was voor Copernicus de aarde het centrum van het heelal. Copernicus realiseerde een paradigmaverschuiving door de zon centraal te stellen. Dit was een schok en Copernicus werd er zelfs voor vervolgd. Dit geeft aan dat iemand, die de ogen van zijn medemens opent, niet altijd gewaardeerd wordt. Dit ondervond ook Galileo Gallilei toen deze met z’n uitvindingen het heliocentrische model van Copernicus bewees en er over publiceerde. Hij werd tot tweemaal toe terecht gewezen door de Inquisitie. De overlevering wil dat Galilei, toen al 69 jaar oud, bij het vernemen van het vonnis – levenslang huisarrest – “Eppur si muove”: “en toch beweegt ze” (de aarde rond de zon) zou uitgeroepen hebben. Dat de Katholieke kerk moeite had om officieel hun miskleun te erkennen, blijkt uit het feit dat het tot in 1992 duurde vooraleer Paus Johannes Paulus II officieel een excuus uitsprak. Iemand die het heliocentrisch wereldbeeld nog aannemelijker maakte, was Isaac Newton. Diens natuurkundig model is nog steeds de basis voor de moderne bouwkunde. Het is echter niet volledig. Het duurde tot Einstein z’n relativiteitstheorie de wetenschappelijke wereld op z’n kop zette, voor men dit inzag. Die theorie verklaarde heel wat meer en maakte daardoor een diepgaander begrijpen mogelijk. Later kwam dan de kwantummechanica, waar Einstein het dan op z’n beurt moeilijk mee had. 

Probleme kann man niemals mit derselben Denkweise lösen, dürch die sie entstanden sind. – Albert Einstein 

Paradigma’s hebben een enorme invloed; ze zijn de lens waardoor we naar de wereld kijken. Fundamentele veranderingen hebben niet zelden te maken met paradigma verschuivingen. Paradigma’s zijn bepalend voor wie je bent. Zijn is zien. We kunnen onze visie niet fundamenteel veranderen zonder zelf te veranderen en omgekeerd. Zelf veranderen komt neer op het transformeren van het eigen denkkader of mindset (paradigma) waardoor ook het eigen gedrag verandert.

De levenscyclus van elk paradigma heeft volgens Joel Barker[xx] in de groeifase, zoals elk levend organisme, de vorm van de linkerzijde van een Gauss curve. 

De horizontale as is de tijd as, de verticale de ‘succes’ as. Het succes van een bestaand paradigma kan gemeten worden aan de hand van het aantal problemen dat het oplost. Anders gesteld, wordt op de y-as de vooruitgang weergegeven.

In de opbouw van de curve kunnen drie fases worden onderscheiden. De A fase is de ontwikkelingsfase. Het nieuwe paradigma heeft dan nog weinig succes en daardoor ook weinig aanhang. Er worden binnen het nieuwe paradigma nog niet veel problemen opgelost. In het begin zijn de regels, de grenzen, de mogelijkheden van het nieuwe paradigma vrijwel onbekend. Het paradigma wordt in die A fase enkel maar gebruikt door de zogenaamde pioniers. Indien men er echter in slaagt om het nieuwe paradigma goed te onderbouwen en te propageren, gaan meer en meer mensen ervan gebruik maken. Gaat het werkelijk om een nieuw paradigma dan worden er hoe langer hoe meer problemen opgelost. Problemen die daarvoor onopgelost bleven. Wij komen in de B fase terecht.

Dit kunnen we toepassen op het paradigma van sociaal werk dat voorafging aan het empowermentparadigma. Toen nam de Sociaal werker alle last op z’n schouders. Dit ging lange tijd goed. Toch constateerde men vanaf een bepaald ogenblik dat bepaalde problemen van de cliënten niet op die manier konden opgelost worden. Hetzelfde niveau van dienstverlening kon niet behouden blijven en men had de indruk dat er afgegleden werd. Dit zijn tekenen die erop wijzen dat de C fase is bereikt. Dit kwam vooral omdat de ‘oude’ dienstverlening van “buitenaf” te weinig gebruik maakte van de kracht van de betrokkenen. Om één of andere reden waren we er nog niet in geslaagd om Sociaal werk van “binnenuit” te beleven. Het sociaal werk werd van ‘buitenaf’ beheerst en stagneerde. Het oude paradigma leek over zijn hoog­tepunt heen. Er was dus nood aan een nieuw paradigma. Inderdaad, vroeg of laat beginnen zich in elk paradigma specifieke problemen op te stapelen, die er niet door opgelost worden. De enige manier om ze alsnog op te lossen is een wezenlijke paradigmawissel of ‘paradigm shift’ en het empowermentparadigma ontstond.

Meestal wordt een oud paradigma door een nieuw vervangen “voor het te laat is”, dus vooraleer de curve daalt. Inderdaad is het bij paradigma’s zo dat de eerste verschijnselen van een nieuw paradigma zichtbaar worden wanneer het oude paradigma op zijn hoogtepunt is. Er zijn immers hoe langer hoe meer problemen die door het oude paradigma niet kunnen opgelost worden. En het zijn uiteindelijk de niet oplosbare problemen die de katalysator vormen voor het zoeken naar een nieuw paradigma.

Wij hadden op een zeker ogenblik een nieuwe manier van denken nodig, een nieuwe ‘mindset’, een nieuw paradigma, om nog vooruitgang te boeken op gebied van sociaal werk.

Het nieuw paradigma kan eigenlijk op elk punt van de curve verschijnen. In de A fase gaat het om meerdere nieuwe paradigma’s die in competitie zijn met elkaar om door te dringen. In de C fase gaat het om de strijd tussen het bestaande en het nieuwe paradigma. 

De moeilijkheid in het tweede geval is dat het nieuwe paradigma doorgaans niet in dank wordt afgenomen door diegenen die het bestaande paradigma prediken. De pioniers staan hier meestal letterlijk alleen en moeten optornen tegen heel wat scepticisme, niet in het minst vanuit de hoek van diegenen die de ‘tools’ van het oude paradigma propageren. Dit is helemaal niet verwonderlijk, het tegendeel zou dat eerder zijn. Het huidig paradigma lost immers nog heel wat problemen op.

Toegepast op het empowermentparadigma ging dit als volgt. Intuïtief voelden de pioniers van het nieuwe paradigma aan dat dit de manier is om verder te evolueren.  Vraag hen op dat moment niet om data, want die hebben ze niet en kunnen ze ook niet hebben. Zij wisselen van paradigma omdat ze in het nieuwe paradigma geloven. Hun oordeel is grotendeels intuïtief, zij geloven de bekwaamheid te hebben de beslissingen te nemen die zich opdringen steunende op onvolledige gegevens. Zij voelen intuïtief aan dat hun paradigma, hét paradigma is.

Een kenmerk van de paradigmaverschuivingen in Sociaal Werk is dat de nieuwe paradigma’s het goede van de oude paradigma’s overnemen. Het nieuwe paradigma lost niet alleen de problemen even goed op als het oude, het lost daarenboven de hardnekkige problemen, waar het oude paradigma zich op stuk beet, succesvol op. Dit is ook wat gebeurt in het empowermentparadigma dat nu in volle bloei is.

Nu mensen empoweren, wendbaar en weerbaar maken heeft veel, zo niet alles met Creatieve wisselwerking te maken. Niets voor niets zeg ik soms, Yoda parafraserend, “May the Force be with you” en zijn voor mij ‘The Force’ en ‘Creative Interchange’ synoniemen (zie ook: http://www.creativeinterchange.be/?p=822 ). Empowerment duidt inderdaad op de “power from within’. Nu wordt binnen Sociaal Werk Creatieve wisselwerking nog te weinig van binnenuit beleefd, dus voorzie ik een nieuw paradigma: het creatievewisselwerkingparadigma. Nogmaals, IMHO dient Creatieve wisselwerking tot de Body of Knowledge van Sociaal Werk te horen. Benieuwd of er pioniers zullen gevonden worden!

Collectief verbinden

Verbinding in buurten en samenleven op het lokale niveau en dialogisch samenwerken, ook tussen diensten en organisaties.

Verbinden is niet anders dan samen Creatieve wisselwerking van binnenuit beleven, het is ‘power with’. Dialogisch samenwerken is noch min, noch meer in die buurten op lokaal niveau dialogeren en samenwerken volgens het Cruciale Dialogenmodel, dat gebaseerd is op Creatieve wisselwerking. En ook op dit vlak van het collectiviseren van problemen bij toegang tot rechten helpt het met succes kunnen voeren van Cruciale dialogen en het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking.

Verbinden van mensen met basisorganisaties.

Opdat mensen aan hun rechten zouden kunnen komen, dienen ze uiteraard verbonden te worden met die basisinstituties als daar zijn onderwijs, de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt. Nochtans is er veel angst en wantrouwen ten opzichte van de VDAB omdat die naast begeleiding naar werk ook instaat voor de controle en sanctie van het zoekgedrag van werkzoekenden. Bovendien heeft de VDAB vele drempels opgeworpen die hinderend werken. Door de afbouw van rechtstreeks toegankelijke werkwinkels verdwijnt de dienst uit de onmiddellijke nabijheid van mensen. Nabije medewerkers en consulenten werden vervangen door de online tool ‘Mijn loopbaan’[xxi]. Dat alles is ronduit nefast voor de hulpzoekende die in armoede leeft.


[i] De Greef, F. & Goris, B. (2020) Deze column is gebaseerd op de cursus Basis Sociaal Werk van het eerste jaar Sociaal Werk (B-UCCL-MBW85B)  gedoceerd door De Greef Frieda en Goris Brit, PBA Sociaal Werk (Leuven).

[ii] Hermans, K. (2018). Sociaalwerkconferentie 2018. Sterk Sociaal Werk. Eindrapport. Brussel: Steunpunt. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

[iii] De term neoliberalisme is in de 21ste eeuw niet meer eenduidig. Dus voor alle duidelijkheid hetgeen volgt. Ik gebruik die term om het ‘doorschieten’ van de vrije markt, het toenemend (her)gebruik van het individueel schuldmodel en de tendens in onze samenleving naar nog meer individualisme en dus minder solidariteit en wereldbewustzijn te duiden.

[iv] Wieman, H. N. (1958). Man’s Ultimate Commitment. Carbondale: Southern Illinois University Press.

[v] Hagan, S. & Palmgren, C. (1998). The Chicken Conspiracy. Breaking the Cycle of Personal Stress and Organizational Mediocrity.Baltimore: Recovery Communications, Inc.

[vi] Palmgren, C. (2008). Ascent of the Eagle. Being and Becoming Your Best. Dayton: Innovative InterChange Press.

[vii] Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Het dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

[viii] Transcendentie is een filosofisch begrip dat kan gedefinieerd worden als het overstijgen van de mens; het zich verheffen boven de dualiteit van het zich vereenzelvigen met de werkelijkheid, het hier en nu bewustzijn; het gekleurd bewustzijn.

[ix] Observeren: Het aandachtig en nauwkeurig bekijken (helder waarnemen) van dingen zonder te oordelen.

[x] Percipiëren: Waarnemend begrijpen door te interpreteren (inkleuren) wat geobserveerd werd.

[xi] Vollebregt, M. Waarom psychologische veiligheid essentieel is voor effectieve teams. Geraadpleegd op 16 september 2020 van https://www.frankwatching.com/archive/2018/06/27/waarom-psychologische-veiligheid-essentieel-is- effectieve-teams/ 

[xii] Senge, P. M. (1990). The fifth discipline. The art and practice of the learning organization. New York: Doubleday. 

[xiii] Deal, T. E. & Kennedy, A.A. (1982). Corporate cultures: the rules and rituals of corporate life. Reading: Addison-Wesley Publishing Company, Inc. 

[xiv] Freiberg, K. & Freiberg, J. (2004). Guts: Companies that blow the doors off. Business as usual. New York: Doubleday. 

[xv] Senge, P.M., Scharmer, O., Jaworski, J. and Flowers, B.S. (2004). Presence. Human purpose and the field of the future. Cambridge: The Society of Organizational Learning. 

[xvi] Deleeck, H., Huybrechts, J. & Cantillon B. (1983). Het Matteüseffect. De ongelijke verdeling van de sociale overheidsuitgaven in België. Antwerpen: Kluwer. 

[xvii] “We don’t see things as they are, we see them as we are.” Quote van Anaïs Nin. Dezelfde quote wordt ook toegeschreven aan vele anderen, waaronder Stephen Covey. Ere wie ere toekomt, hoewel er veel quotes bestaan die in de richting gaan, is het Anaïs Nin die het adagium in haar boek ‘The seduction of the Minotour’ als dusdanig verwoorde. Opmerkelijk is wel dat haar personage – Lillian – in het boek refereert naar een Talmud tekst: Lillian was reminded of the talmudic words. Bij nadere analyse gaat de religieuze tekst eigenlijk essentiëel over de interpretatie van dromen, dus besluit Gregory Sullivan alias Garson O’Tool (Geraadpleegd op 6 januari 2021 via https://quoteinvestigator.com/2014/03/09/as-we-are/) dat Anaïs Nin met de eer gaat lopen. 

[xviii] Covey, S.R. (1993). De zeven eigenschappen van effectief leiderschap. Amsterdam: Business Contact.

[xix] Kuhn, T.S. (1970). The Structure of Scientific Revolutions. Chicago: University of Chicago Press.

[xx] Barker, J. A. (1992). The Business of Discovering the Future. New York: Harper Collins Publisher.

[xxi] Sociaal.Net. Eerdekens, W. & Declercq, L. Outreachers zijn de sterke buitenbeentjes van sociaal werk. Geraadpleegd op 9 januari 2021 via https://sociaal.net/achtergrond/outreachers-zijn-de-sterke-buitenbeentjes-van-sociaal-werk/

kritisch denken en creatieve wisselwerking in sociaal werk [i]

Kritisch Denken... een toepassing van Creatieve Wisselwerking

Kritisch denken is een manier van denken gericht op het formuleren van een weloverwogen antwoord op een vraag, het nemen van een beslissing of het komen tot een actie.

Deze definitie doet mij uiteraard denken aan het Cruciale Dialogenmodel uit mijn boek ‘Cruciale Dialogen’[ii] Dit model is gebaseerd op én een toepassing van het creatief wisselwerkingsproces[iii].

Dit Cruciale Dialogenmodel is ook bekend als ‘de liggende acht’ en ziet er, in een van z’n summiere vormen, als volgt uit:

Initieel staat wordt in het midden van het model; waar hierboven het begrip EMOTIE staat, de vraag of het probleem uitgedrukt in vraagvorm. Het doel is uiteraard die vraag daadwerkelijk te beantwoorden. De linker lus van het model, met als karakteristieken Authentieke Interactie en Waarderend Begrijpen, omvat het DENKEN. Dit denken leidt naar een INZICHT in de vraag of het probleem. De emotie die men voelt wanneer men de vraag waarderend begrepen heeft, vindt men – zoals op de figuur afgebeeld – terug in het midden van het model. Die emotie veroorzaakt de creatieve spanning om mogelijke antwoorden te formuleren. Dit gebeurt in de rechter lus van het model (meer bepaald in de karakteristiek Creatief Integreren). Eens met een set antwoorden gecreëerd heeft, dient beslist te worden welk(e)antwoord(en) men uiteindelijk kiest om uit te voeren (zie omslagpunt BESLISSING). Die beslissing wordt gevolgd door een actie (dit is de vierde karakteristiek: Continu Transformeren). De rechter lus visualiseert het DOEN. Het ganse model kan ook beschreven worden als een synergie van het Franse “Ik denk dus ik ben” en het Amerikaanse “Ik doe dus ik ben”. Let wel om te ‘DOENKEN’ dient men Creatieve wisselwerking van binnenuit te beleven.

Om tot een goed antwoord, een goede beslissing en een goede actie te komen, bestaat een kritisch denkproces best uit acht elementen. Deze acht elementen voldoen (of niet) aan specifieke standaarden. De elementen en hun standaarden vormen een schema om kritisch naar een situatie of probleem te kijken (gebaseerd op de Paul & Elder, 2007[iv]).  

Het belang van kritisch denken in de opleiding sociaal werk

Kritisch denken is essentieel voor sociaal werkers. Veel situaties waarover sociaal werkers beslissingen moeten nemen, zijn complex en hebben geen pasklaar antwoord. Kritisch denken kan sociaal werkers helpen om in onzekere situatie een zo juist mogelijke beslissing te nemen.

In de opleiding sociaal werk willen we daarom dat studenten leren om kritisch denken systematisch toe te passen bij alles wat ze ondernemen. Kritisch denken is een essentieel leerresultaat van de opleiding. Dat wil zeggen dat studenten die tijdens de opleiding niet kritisch denken, niet kunnen slagen voor de opleiding. 

Om kritisch denken te ontwikkelen, bieden we doorheen de opleiding veel oefenkansen met feedback en hulpmiddelen. Bij de vele evaluatiemomenten (bijvoorbeeld examens of papers) is kritisch denken steeds een onderdeel. Welke elementen of standaarden worden geëvalueerd, is steeds duidelijk vermeld. 

Kritisch denken is dus, nog min noch meer, het van binnenuit beleven van de Creatieve Wisselwerking! Dus zou IMHO m’n boek een leidraad voor deze opleiding aan de UCLL kunnen zijn.

8 Elementen

Volgende acht elementen zijn de onderdelen van het denkproces. 

Eens kijken of die acht elementen van Paul & Elder hun plaats vinden in de liggende acht. Ik rangschik de acht elementen volgens de stroom van de liggende acht (zie de eerste figuur van deze column en het complete model uit Roels, J. 2012. p. 63):

De Vraag hoort uiteraard bij het midden van het model. In z’n summierste vorm is het Cruciale Dialogenmodel eigenlijk een lemniscaat met in het midden het vraagteken:

Dan gaan we naar eerste karakteristiek: Authentieke Interactie en daar vindt men de data, dus de feiten, de waarnemingen en objectieve gegevens. Die worden geobserveerd met behulp van wat ik het ‘helder’ bewustzijn noem.

We vervolgen met de tweede karakteristiek Waarderend Begrijpen en die omvat de overtuigingen, vooronderstellingen, aannames en referentiekaders van waaruit de werkelijkheid wordt geïnterpreteerd. Paul&Elder hebben daar ook meerdere namen voor. Eerst en vooral: Perspectief

Ten tweede: de vooronderstellingen, onderbouwingen. In mijn model worden die eerst gebruikt om de vraag ‘waarderend te begrijpen’ d.w.z. dat we de vraag diepgaand begrepen hebben, wat Paul&Elder ‘tot een conclusie komen’ noemt, noem ik ‘tot een gedeelde mening komen’ en die zorgt voor de emotie (zie hoger: het summier model). De perceptie en interpretatie gebeurd met wat ik het ‘gekleurd’ model noem. Men ziet inderdaad de werkelijkheid niet zoals deze is, men ziet die realiteit zoals men zelf is. Dus met het eigen denkkader, de eigen mindset of, metaforisch, de eigen gekleurde bril.

De emotie komt van het verschil tussen de gedeelde mening over de ware betekenis van het probleem, dus de huidige situatie en het doel, met namen de ideale situatie, de gewenste situatie. Hoe groter dit verschil of delta, hoe groter de creatiespanning en dus hoe groter de wil om die bestaande toestand te transformeren in de gewenste toestand.

Dan volgt de derde karakteristiek, Creatief Integreren met als elementen: doelen, idealen en gewenste toekomst. Komt dus overeen met de visie van Paul&Elder, waar de doelstelling is wat men tracht te realiseren. En dat is uiteraard het geven van een correct antwoord op de vraag of het realiseren van een goede oplossing van het probleem!

In de derde karakteristiek worden de concepten, die eigenlijk reeds voor een stuk gebruikt werden om de vraag waarderend te begrijpen (tweede karakteristiek), gebruikt om op een creatieve manier te komen tot mogelijke antwoorden. Overigens zagen ook Paul & Elder Kritisch denken en Creatief denken als twee facetten van hetzelfde muntstuk (Paul & Elder, 2008[v]). Dit alles gebeurt met wat ik het synergetisch bewustzijn noem (cf. 1+1>3).

Op het einde van de derde karakteristiek komt men tot (een) besluit(en). In mijn mindset is er een groot verschil tussen ‘besluiten’ en ‘beslissen’. De conclusie van Paul&Elder komt overeen met wat ik het set besluiten noem. Maar dan er is nog niet beslist welke van die ‘besluiten zullen uitgevoerd worden… Daar is effectief beslissen voor nodig!

Met andere woorden aan de theorie van Paul&Elder dienen er nog twee elementen toegevoegd worden vooraleer hun achtste element aan bod komt. 

Beslissen welke van de besluiten effectief zullen gerealiseerd worden. Die beslissing gebeurt tussen karakteristieken 3 (Creatief Integreren) en 4 (Continu Transformeren)

Dit is de vierde karakteristiek: Continu Transformeren door het effectief (en efficiënt) uitvoeren van de besliste acties! En daarbij is het Proces Bewustzijn van uitzonderlijk belang.

We komen terug in het midden van ons model en daar vinden we het het resultaat van onze inspanningen, volgens Paul&Elder  de gevolgen! Uiteraard dienen we dan na te gaan of ons probleem ter deze is opgelost, indien niet dan hervatten we de rit op de liggende achtbaan.

Dus m’n versie van Kritisch denken, eerder van Kritisch ‘doenken,’ omvat tien elementen!

Overigens vind ik de liggende acht sterker dan onderstaande figuur en geef grif toe dat de liggende acht ‘iets’ complexer is. Maar toegegeven, deze figuur verhaalt maar het denkgedeelte van het verhaal. Anderzijds is Kritisch denken zonder er iets effectief mee te doen… steriel!

Kritisch denken bij het lezen van een tekst aan de hand van de elementen

Kritisch denken bij het schrijven van een tekst aan de hand van elementen

9 Standaarden

De standaarden zijn de normen waaraan het denken voldoet. In de opleiding aan het UCLL wordt op 9 standaarden gefocust. 

Kritisch denken bij het voeren van een gesprek/een debat aan de hand de standaarden

Hulpvragen bij het Kritisch Denken

En hoe hanteren we die standaarden binnen  het Cruciale Dialogenmodel? Daartoe gebruik ik de volledige figuur van de liggende acht, die ik ook soms de vlinder noem, (zie  hoger):

De helderheid vindt men ook terug in het gebruik van het helder bewustzijn om de helderheid van de data te toetsen.

Helderheid. In het midden staat de vraag of het probleem. De eerste vaardigheid van de eerste karakteristiek is die Kernvraag correct en helder stellen

Significantie. De belangrijkheid (significantie) van het probleem wordt tweemaal nagegaan. De eerste keer bij het begin (in het midden) met de vraag: “Is het probleem de moeite waard om opgelost te worden?” De tweede keer na het doorlopen van de karakteristieken Authentieke Interactie en Waarderend Begrijpen en dus, terug in het midden, gaat men de belangrijkheid van de zogenaamde ‘delta’ na.  Die delta is het verschil tussen de huidige situatie (linker lus van het model) en de gewenste situatie (rechter lus van het model) en dus de belangrijkheid van het probleem. De bijhorende vraag is : “Is dit verschil groot genoeg zodat de creatiespanning ons tot actie noopt?” of nog “Is het sop de kool wel waard?”

Diepte. De complexiteit van de vraag (het probleem) wordt tijdens de eerste karakteristiek nagegaan. Hebben wij wel genoeg data om die complexiteit te beschrijven?

Relevantie. De relevantie vraag dient van in het begin gesteld te worden. De gebruikte data dienen uiteraard relevant te zijn voor het beantwoorden van de vraag.

De relevantie vraag komt terug bij in de beslissingsfase. Met name in de vorm van de vraag: “Zijn de voorgestelde antwoorden op de vraag relevant?”

Eerlijkheid Eerlijkheid is een onderdeel van de eerste karakteristiek: Authentieke Interactie. De informatie die men geeft dient eerlijke informatie te zijn, conform de werkelijkheid. Het dienen met andere wooorden ‘Feiten’ te zijn. En als het interpretaties zijn dient dit ook ze te worden aangegeven. Een vaardigheid horend bij de eerste karakteristiek is Bevestigend Parafraseren. Men dient in alle eerlijkheid te bevestigen en dus niet een parafrasering goedkeuren die je in feite niet correct vindt. Want in dat geval is men niet eerlijk. Een andere vaardigheid, Nederig Vragen hoort bij tweede karakteristiek. Daarbij gaan we er van uit dat de ander eerlijk zal antwoorden op m’n nederige vragen en geen ‘politiek correct’ antwoord zal geven.

Accuraatheid. De tweede vaardigheid van de 1ste karakteristiek is Bepleiten en Bevragen, dit is pleiten voor eigen meningen en daar horen vragen bij naar de accuraatheid van die stellingen. Die vragen staan hierboven geformuleerd.

Precisie. Bijkomende vragen rond de stellingen van de deelnemers aan het gesprek. Hoe precies zijn die? Op wat zijn die gebaseerd?

Breedte. Dit is, in mijn theorie, de kleine staande acht in de linker lus van de grote liggende acht. Daarbij worden de referentiekaders (tweede karakteristiek) getoetst aan de werkelijkheid (eerste karakteristiek). Het heeft ook betrekking op de verschillende ‘gekleurde brillen’ die aan zet zijn (tweede karakteristiek) waardoorheen men de werkelijkheid (eerste karakteristiek) ziet. In de breedte houden we rekening met de verschillende perspectieven. Meer nog we creëren een Gedeelde Mening met betrekking tot de cruciale vraag. Gedeelde mening wordt werkelijkheid wanneer de deelnemers aan  de dialoog elkaars perspectieven goed genoeg begrijpen en ze als legitiem aanvaarden en uiteindelijk die vraag of het probleem éénduidig waarderend begrijpen (i.e. de Gedeelde Mening). Dit is een conditio sine qua non voor het uiteindelijk vinden van de broodnodige oplossingen.

Logica. De logica dient nagegaan te worden op het eind van de eerste lus (zit er logica in het waarderend begrepen probleem en in onze gedeelde mening betreffende de cruciale vraag) en tijdens de besluitvorming (derde karakteristiek)

De hulpvragen in dit deel dienen eigenlijk Socratische vragen te zijn. Een goede Socratische vraag is:

  1. Filosofisch: het moet om een vraag gaan waarmee gezocht wordt naar voorwaarden, naar beginselen die je kunt beantwoorden met nadenken, met de rede;
  2. Fundamenteel: er wordt gevraagd naar beginselen, algemene principes die ten grondslag liggen aan beweringen, aan oordelen en vooronderstellingen, schuilend in het standpunt van de ander, diens keuzes en gedrag. Om te kunnen antwoorden is even nadenken wel aan de orde!;
  3. Eenvoudig: alle deelnemers aan het gesprek moet de vraag kunnen begrijpen en de vraag als vraag ervaren en dus zijn Socratische vragen kort!;
  4. Betekenisvol: de vraag dient verbonden te zijn aan ervaring. Het is allerminst een theoretische of hypothetische vraag die los staat van de ervaring. 

[i] Deze column is gebaseerd op een nota van de cursus Filosofie van het eerste jaar Sociaal Werk aan de UCLL (Docenten Rottiers S. en Lleshi Gjonpalaj B. – academiejaar 2020-2021).

[ii] Roels, J.  (2012). Cruciale dialogen. Het dagdagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

[iii] Roels, J. (2001). Creatieve wisselwerking. Nieuw business paradigma als hoeksteen van veiligheidszorg en de lerende organisatie. Leuven-Apeldoorn: Garant.

[iv]Paul, R. & Elder, L. (2007). Critical Thinking Competency Standards. Standards, Principles, Performance Indicators, and Outcomes. With a Critical Thinking Master Rubric. The Foundation for Critical Thinking.

[v] Paul, R. & Elder, L. (2008). The Thinker’s Guide to Critical and Creative Thinking. Foundation for Critical Thinking Press.

BLIJF WAKKER ! – DEEL XXXXIV

EPILOOG:

BLIJF WAKKER, BLIJF VERWONDERD

I wanted to know my story, and your story. Felt like I needed to understand as much of it as I could in order to understand myself. You know, who was I? And where I came from and what that meant. What did it mean to my family? Where was I going? And where were we going together as a people? … 

But most of all, more than anything else, d to be able to tell that story well to you. That was my young promise to myself, and this was my young promise to you. 

From when I was a very young man, I took my fun very seriously, you know. And this is what I pursue as my service, I still believe in it as such. 

This is what I have presented to you all these years. s my long and noisy prayer, as my magic trick.[i]

– Bruce Springsteen

Springsteen on Broadway – Dancing in the Dark (Introduction) – 2018 

Eloïse, Edward en Elvire, we zijn aan het eind gekomen van een lange trip. Een met niet minder dan vierenveertig etappes. In het voorwoord schreef ik dat ik deze serie columns startte om jullie een blijvend ruggensteuntje te geven bij het vervullen van jullie levensopdracht: wendbaar en weerbaar blijven. De serie kreeg de titel Blijf Wakker! omdat ik er van overtuigd ben dat jullie nog steeds uit de ijzeren greep van de Vicieuze Cirkel zijn gebleven en daardoor nog verbonden met jullie Intrinsieke Waarde. Hoe het daarmee nu, wanneer jullie dit lezen, gesteld is, kan ik niet bevroeden. Het voorwoord van de serie werd gepubliceerd in oktober 2018 en deze epiloog wordt nu, pakweg twee jaar later, gepubliceerd (1 september 2020). Wel schreef ik de ruwe versie ervan eind augustus 2019. Waarom? Ik wou de klus zo vlug mogelijk klaren, want men weet maar nooit.  Ten einde jullie niet te zwaar te belasten, publiceerde ik slechts twee columns per kalender maand. Dit klokvast op de eerste en de vijftiende van elke maand. 

Ik schreef deze columns ook om m’n laatste levensmissie concreet te maken:

Helping my Grandkids Creating their Lives while Staying their Original Self through Consistent Living Creative Interchange from Within.

Johan Roels

Wat er gedurende die twee jaar niet veranderde, waren de in snelheid toenemende ingrijpende veranderingen. Die veranderingen nopen jullie, nog meer dan voorheen, hoe langer hoe meer wendbaar en weerbaar te worden. Die uitdrukking werd onder meer gebruikt door Fons Leroy, directeur van de VDAB (2005-2019). Dit in een interview op het vrt één journaal van 7 oktober 2016, daags na de aankondiging van het massa ontslag van medewerkers bij ING België. Fons stelde toen dat we ons in de toekomst de sleutelvaardigheden, om in de snel veranderende (VUCA) wereld wendbaar en weerbaar te blijven, dringend eigen dienen te maken. Mij was het direct duidelijk dat men, om wendbaar (i.e. pro-actief) en weerbaar (i.e. re-actief) te blijven, de vaardigheden van Creatieve wisselwerking van binnenuit dient te beleven.

Daarom behandelen 26 van de voorgaande columns het creatief wisselwerkingsproces. Dit in de vorm van antwoorden op cruciale levensvragen. Daarbij werden de vier karakteristieken, acht basiscondities en zestien vaardigheden van dat unieke proces zo duidelijk mogelijk uitgewerkt. De inhoud van die columns werd ook verteerbaaarder gemaakt door het inlassen van persoonlijke anekdotes. Daarenboven behandelen 15 bijkomende columns cruciale aspecten van het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking.

Hoe de columns daadwerkelijk gebruiken?

God have mercy on the man

Who doubts what he’s sure of.[ii]

– Bruce Springsteen

Mijn gebruik van bovenstaande quote van Bruce Springsteen onderstreept dat ik de waarheid niet in pacht heb en mijn denkkader steeds in vraag stel. Dit doe ik uiteraard door gebruik te maken van het creatief wisselwerkingsproces. Wat ik jullie aanraad is om, wanneer er iets niet loopt zoals jullie verwacht hebben, niet bij de pakken te blijven zitten en aan introspectie te doen. Dit laatste met behulp van wat ik het Cruciaal Dialoogmodel heb genoemd. Dit model is, zoals jullie weten, volledig gebaseerd op het creatief wisselwerkingsproces. Ik geef grif toe dat het model niet eenvoudig is wegens het beschrijven van een buitengewoon rijk en gelaagd proces. Het is wel een model waar ik zelf nog elke dag van leer. Wat ik zo onder meer geleerd heb is dat men, door het van binnenuit beleven Creatieve wisselwerking, er steeds meer waarderend van begrijpt en het proces daardoor ook steeds meer van z’n geheimen prijsgeeft.

Eloïse, Edward en Elvire, wat ik hier verder in deze epiloog neerpen, geeft aan hoe ik Creatieve wisselwerking en het model gebruik. Dit is geen evangelie want, zoals hierboven gesteld, heb ik de waarheid niet in pacht. Met andere woorden, het is enkel mijn waarheid niet de waarheid. Wat ik stel en zeg, is wel het beste wat ik hierover te zeggen heb. Daarmee voldoe ik aan het eerste van het tweevoudig commitment van Henry Nelson Wieman: “Geef steeds het beste van jezelf.” Zoals jullie weten is het tweede van dit tweevoudig commitment: “Ik sta steeds open om dat beste te verbeteren.” Hopelijk wordt dit ook jullie commitment!

Wanneer er in mijn leven echt iets voorvalt, dat ik niet had verwacht en/of bezwaarlijk positief te noemen is, ga ik eerst na met welke karakteristiek van Creatieve wisselwerking het gebeuren vooral te maken heeft. Dit zijn er, zoals jullie onderhand wel kunnen dromen, vier:

  • Authentieke Interactie (die ik Communicatie genoemd heb binnen een cruciale dialoog);
  • Waarderend Begrijpen (dat ik Appreciatie genoemd heb binnen een cruciale dialoog);
  • Creatieve Integratie (die ik Imaginatie genoemd heb binnen een cruciale dialoog);
  • Continu Transformeren (dat ik Transformatie genoemd heb binnen een cruciale dialoog).

Wanneer het mij duidelijk is geworden welke karakteristiek echt te wensen overliet, zoem ik in op de basiscondities en de vaardigheden van de karakteristiek. Anders gesteld, ik tracht de angel van het probleem te vinden teneinde het te kunnen oplossen. Een overzicht:

  • Authentieke Interactie (Deel VI):
    • Vertrouwen en Openheid (Deel IX: Hoe openblijven en blijvend vertrouwen hebben?)
      • Het Formuleren van de Kernvraag (Deel X: Hoe correct een vraag formuleren?);
      • Het in balans brengen van Bepleiten en Bevragen (Deel XI: Dien ik mijn mening te bepleiten of naar de mening van de ander te vragen?);
      • Gebruiken en onderkennen van de Non-Verbale Communicatie (Deel XII: Hoe non-verbale communicatie ontcijferen?);
      • Bevestigen wat Herhaald werd (Deel XIII: Hoe bevestigend parafraseren?).
  • Waarderend Begrijpen (Deel XIV):
    • Nieuwsgierigheid en Kunnen omgaan met Ambiguïteit (Deel XV: De voorwaarden met betrekking tot het Waarderend Begrijpen);
      • De kunst van het Nederig Vragen (Deel XVI: Hoe nederig vragen?)
      • Het Vinden van De Plus achter de Min (Deel XVII: Hoe plussen vinden achter de min?);
      • Het Integreren van Verschillen (Deel XVIII: Hoe verschillende inzichten integreren?);
      • Het gebruiken en in vraag stellen van Mentale Modellen (Deel XIX: Hoe Mentale Modellen in vraag stellen?).
  • Creatieve Integratie (Deel XXI):
    • Verbinden (Deel XXII: Hoe verbinden van ogenschijnlijk niet verbonden elementen?) en Creativiteit(Deel XXIII: Hoe creatiever worden?);
      • Herkaderen van de realiteit (Deel XXIV: Hoe herkaderen?);
      • Gebruik van Analogieën (Deel XXV: Hoe analogieën gebruiken?);
      • Gebruik van Metaforen (Deel XXVI: Hoe metaforen gebruiken?);
      • 4 Plussen en een Wens (Deel XXVII: Hoe synergie bekomen via ‘4 Plussen & 1 Wens’?);
  • Continu Transformeren (Deel XXIX)
    • Tenaciteit (Deel XXX: Hoe vasthoudendheid verhogen)? en Interafhankelijkheid (Deel XXXI: Hoe Interafhankelijkheid omarmen?);
      • Herhalen en Evaluatie (Deel XXXII: Hoe blijvend herhalen en evalueren van de activiteit?);
      • Feedback – Positive Reinforcement en Correctie (Deel XXXIII: Hoe correct feedback geven en krijgen?);
      • Durven Wijzigen – indien nodig (Deel XXXIV: Hoe van Koers durven veranderen?);
      • Procesbewustzijn (Deel XXXV: Hoe werkelijk bewust zijn van het proces?).

Bovenstaande opsomming kan ook in één beeld gevat worden:

Ook de nog niet vermelde columns kunnen mij helpen om het proces weer vlot te krijgen of het diepgaander te gebruiken. Het gaat meer bepaald om volgende columns:

  • Deel I: Hoe wendbaar en weerbaar blijven?
  • Deel II: Hoe zoveel mogelijk je Creatieve Zelf blijven?
  • Deel III: Wie ben ik?
  • Deel IV: Welke zijn mijn waarden en kernkwaliteiten?
  • Deel V: Hoe zit het met mijn persoonlijk doel, persoonlijke intentie en persoonlijk engagement?
  • Deel XX: Wat te doen met de emotie van de gedeelde mening? (vraag die geplaatst wordt in het midden van het model)
  • Deel XXVIII: Hoe beslissen en niet blijven steken in besluiten? (vraag die geplaatst wordt in op het ‘tipping point’ tussen karakteristieken III en IV)
  • Deel XXXVI: Hoe Creatieve wisselwerking blijvend van binnenuit beleven (WATCH)?
  • Deel XXXVII: Hoe de valkuil van Sophie’s Choice vermijden?
  • Deel XXXVIII: Hoe licht leven in donkere tijden?
  • Deel XXXIX: Hoe sterk weer opslaan na zware tegenslag? 
  • Deel XXXX: Hoe omgaan met polariteiten?
  • Deel XXXXI: Hoe omgaan met een conflict?
  • Deel XXXXII: Hoe omgaan met een crisis?
  • Deel XXXXIII: Wat wil ik eigenlijk: Gelijk of Geluk?

Eloïse, Edward en Elvire, deze columns vormen een naslagwerk dat jullie kan helpen wendbaar en weerbaar te blijven.

Soms kunnen jullie, zoals hierboven beschreven, door reflectie nagaan welke column jullie in gegeven omstandigheden het best kan helpen. Zo komt het nogal eens voor dat het probleem niet duidelijk is. Zeker in groep heb ik het meermaals meegemaakt dat, het mij plots duidelijk werd dat de meerdere versies van het probleem, die zich in de Mindsets van de groepsleden bevonden, de oplossing ervan bemoeilijkten. Kortom, wees er steeds zeker van dat, wanneer in groep een probleem dient opgelost te worden, eenieder lid van die groep het probleem op eenzelfde manier, eenduidig dus, begrijpt. Daarbij helpt het om vaardigheid van deel X, het Formuleren van de Kernvraag, te beheersen. Ook zeer belangrijk vind ik het continu in vraag stellen van het eigen denkkader (Deel XIX). “Heb ik zelf een en ander wel correct waarderend begrepen?” en “Waarom ben ik zo zeker van mijn mening?” zijn vragen die mij daarbij helpen.

Eloïse, Edward en Elvire, uit eigen ervaring weet ik ook dat bij sommige tegenslagen de ganse reeks columns aan bod kan komen. Laat mij een voorbeeld geven uit m’n eigen leven. Jullie weten dat ik in september 2013 het verdict: ‘U heeft darmkanker” te horen kreeg. Dat was een kleine uppercut waar ik toch even diende van te bekomen. Wat ik met innerlijke zekerheid al maanden wist, werd door mijn specialist, Bruno Vermeersch, bevestigd. Gelijk krijgen is inderdaad niet altijd leuk! Wat heb ik in de daaropvolgende periode dan gedaan? Vooreerst heb ik, vanuit m’n waarden en kernkwaliteiten, volgende hamvragen gesteld: “Hoe wil ik gedurende de rest van m’n leven, met de wetenschap dat ik darmkanker heb, positief het creatief wisselwerkingsproces van binnenuit beleven?” en “Hoe wens ik door mijn drie kleinkinderen herinnerd te worden?” Voor de beantwoording van deze vragen heb ik praktisch alle columns heb gebruikt. Een van de acties – naast het herschrijven van m’n levensvisie (zie hoger) – die er uiteindelijk uit voortvloeiden, was het effectief schrijven van deze columns om mezelf en jullie drie wendbaar en weerbaar te houden.

Success is not a destination, but the road you’re on.

Being successful means that you’re working hard 

And walking your walk every day.

You can live your dream by working hard towards it.

That’s living your dream

Marion Wayans

Het creatief wisselwerkingsproces laat zich niet controleren. Dus kan ik ook geen recept schrijven met betrekking tot hoe jullie dit proces dienen te beleven. Dit zullen jullie zelf moeten leren en dit juist door het proces continu van binnenuit te beleven! En dit met vallen en opstaan… Deze reeks is enkel een hulpmiddel en een naslagwerk om jullie bij die levenstaak te ondersteunen, niet meer en niet minder. Ik wens jullie het allerbeste toe tijdens jullie levenstocht en vergeet niet: “De reis is belangrijker dan het doel!”

De 44 columns samengevat in één song!

Gedurende de laatste etappes van mijn eigen tocht vind ik inspiratie in de tekst van Leonard Cohen’s lied ‘Anthem’ uit z’n album ‘The Future’ (1992), met de boodschap van hoop in donkere tijden (Deel XXXVIII). Dit lied vat de 44 columns op een enige manier samen.

De eerste strofe maakt mij duidelijk dat men elke dag opnieuw het creatief wisselwerkingsproces dient te beleven; dus in het nu. Dat men bovendien niet langer achteruit mag kijken dan strikt nodig, en dan enkel om lessen uit dat verleden te trekken teneinde er effectief iets mee te doen in het nu. Men mag zich ook niet verliezen in dromen over de toekomst. Op zich is het hebben van een droom goed, het zich verliezen in dromerij is dat helemaal niet. Een droom is een richtsnoer, dat men nodig heeft om het in het nu te volgen. Men creëert de toekomst die men wil in het nu; niet in het verleden en ook niet in de toekomst! Het helder bewust leven in het nu is verre van gemakkelijk. Dit is een van de weinige zekerheden die in het nieuwe paradigma overheid is gebleven. Het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking (waarvoor in het lied de duif als metafoor wordt gebruikt) is en blijft vechten tegen de persoonlijke Vicieuze Cirkel:

The birds they sang
At the break of day
Start again
I heard them say
Don’t dwell on what
Has passed away
Or what is yet to be
Yeah the wars they will
Be fought again
The holy dove
She will be caught again
Bought and sold
And bought again
The dove is never free

Het refrein herinnert mij er aan dat ik het beste van mezelf dien te geven en niet mag wachten tot wat ik doe perfect is. Imperfectie is geen probleem, want door elke imperfectie (‘the crack’) komt The Light (het licht) binnen. The Light is wat Yoda The Force noemt, met name Creatieve wisselwerking.

Leonard Cohen zei ooit, vertaald in het Nederlands, over dat refrein het volgende:

De toekomst is geen excuus om afstand te doen van je eigen persoonlijke verantwoordelijkheden ten opzichte van jezelf, je werk en jouw liefde. “Laat de klokken, die dat nog steeds, kunnen klinken.” Ze zijn met weinig, maar je kunt ze vinden.

Dit refrein gaat als volgt:


Ring the bells (ring the bells) that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in

Er bestaan verschillende verhalen over waarop Leonard Cohen zijn beroemd geworden quote – There is a crack in everything. That’s how the light gets in – baseerde . Voor mij is de meest plausibele verklaring dat zijn bron een verhaal was uit het boek van de Boeddhist Meditatie leraar, Jack Kornfield, ‘A Path With Heart’[iii] (Cohen werd zelf Boeddhist met de bedoeling ‘heel’ uit een zware depressie te komen, wat na jaren verblijf in een Californisch Zen Boeddhistisch klooster uiteindelijk lukte[iv]). 

Het bewuste verhaal gaat over een jonge man waarvan een been diende geamputeerd te worden teneinde hem te redden van een gewisse dood. Die jongen leed aan een agressieve beenkanker. De kanker werd effectief overwonnen. Om het trauma veroorzaakt door het verlies van een been te kunnen verwerken, werd hij intensief begeleid door een vrouwelijke dokter, Naomi Remen. Deze arts gebruikte onder meer kunst en meditatie om mensen, niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk, te genezen. In het begin van zijn therapie tekende de jongen op de rand van razernij zichzelf als een vaas met een lelijke barst. Wanneer hij, na jaren therapie en meditatie, de innerlijke vrede teruggevonden heeft, wordt hij door de arts confronteerd met een van z’n eerste tekeningen. Zijn directe reactie was: “Oh, deze tekening is niet afgewerkt.” De arts suggereerde om alsnog de tekening af te werken, wat hij deed. Hij bewoog een vinger over de dikke barst en zei tot de dokter: “Kijk eens naar die barst, daar komt het licht doorheen.” Hij nam een geel potlood en tekende het stromend licht doorheen de barst van het lichaam van de vaas en zei: “Onze harten kunnen sterk groeien op de gebroken plaatsen.”  

Ook de tweede strofe is een ode aan die imperfectie. Direct perfect, de oude slogan van de kwaliteitsgedachte van de jaren tachtig, is een leugen. Imperfectie, verbonden met continue verbetering door transformatie, is het nieuwe normaal. 

Het eigen commentaar van Leonard Cohen luidt als volgt:

Deze situatie kent geen perfecte oplossing. Dit is ook niet de plaats weer men dingen pefect maakt; noch in je huwelijk, noch in je werk, noch in je liefde voor jouw familie of land. Het leven is onvolmaakt. 

De strofe zelf luidt:


We asked for signs
The signs were sent
The birth betrayed
The marriage spent
Yeah the widowhood
Of every government
Signs for all to see

En terzelfdertijd dienen we er ons bewust te zijn van de hypocrisie van wat Leonard Cohen de “lawless crowed” en de “killers in high places” noemt. The Crack kan dus ook gezien worden als de scheur in de muren van corruptie, in regeringen en in de machtigen van deze aarde. Het gaat om structuren die ons omwikkelen, gevangen houden, van buiten naar binnen controleren en die de mensen tot slaaf maken en de middelen van de wereld knechten. Maar zoals Leonard Cohen heb ik belsoten mij niet te laten knechten en dus niet tevreden te zijn met de status quo. Het gaat niet alleen over persoonlijke groei, het gaat ook om anderen te inspireren.


I can’t run no more
With that lawless crowd
While the killers in high places
Say their prayers out loud
But they’ve summoned, they’ve summoned up
A thundercloud
And they’re going to hear from me

Die laatste zin doet mij dan weer denken aan een uitspraak van Martin Luther King: “We must speak with all the humility that is appropriate to our limited vision, but we must speak.” Dat is in essentie wat ik heb gedaan; en dit in 44 columns!

De strofe wordt gevolgd door het refrein, dat oproept om zowel wakker als authentiek te blijven. Leonard Cohen zegt daarover:

Er is een scheur in alles wat je kunt samenstellen: fysieke objecten, mindsets, kortom constructies van welke aard dan ook, fysiek of mentaal. Er is echter hoop, want een scheur is waar het licht binnenkomt, waar de opstanding is, waar de terugkeer en de berouw is. Het is de confrontatie van de gebrokenheid der dingen.

Door die gebrokenheid groeien we omdat we beseffen dat alles wat gebroken is op een of andere manier kan hersteld worden, terug ‘heel’ gemaakt worden.


(Ring, ring, ring, ring)
Ring the bells that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in

De laatste strofe is een oproep tot synergie. Hetgeen ik dan uiteraard interpreteer als een oproep tot het van binnenuit beleven van Creatieve wissselwerking, dat ook voor Leonard Cohen synoniem is van Liefde: 


You can add up the parts
You won’t have the sum
You can strike up the march
There is no drum
Every heart, every heart to love will come
But like a refugee

Om die laatste zin ‘But like a refugee’ waarderend te kunnen begrijpen dient men te overwegen dat Leonard Cohen sterk beïnvloed was door het Boeddhisme. Dus kan die zin een specifieke Boeddhistische betekenis hebben, want er bestaat een Boeddhistische ceremonie, “Taking Refuge (Toevlucht zoeken)” genaamd. De uitgesproken geloften tijdens deze ceremonie zijn: “Ik zoek toevlucht bij de Boeddha (de leraar), ik zoek toevlucht bij de darhma (de leerstellingen), ik zoek toevlucht bij de sangha (de gemeenschap van Boeddhisten).” Men doet deze geloften om iemands toewijding aan het boeddhistisch pad te versterken. 

Eloïse, Elvire en Elvire, het is niet verwonderlijk dat ik daarin Man’s Ultimate Commitment voor Creatieve wisselwerking zie. Ook Henry Nelson Wieman was beïnvloed door het Boeddhisme.

De betekenis van ‘toevlucht zoeken’ is een ietwat complex en potentieel verwarrend. Maar is Creatieve wisselwerking ook niet ‘Kunnen omgaan met ambiguïteit’?!? Volgens mijn interpretatie betekent ‘toevlucht zoeken’ het tegenovergestelde van wat men zou kunnen denken. Men zoekt geen toevlucht om veilig te zijn; men zoekt toevlucht als een verplichting die men zichzelf oplegt om de realiteit van ongegrondheid te ervaren (met andere woorden het tegenovergestelde van veiligheid in de zin van ‘securitiy’). Die veiligheid is overigens een illusie gebleken. Toevlucht zoeken tot Creatieve wisselwerking is bereid zijn om het eigen referentiekader (Mindset) in vraag te stellen en zich volledig open op te stellen en compleet wakker (i.e. helder bewust) te zijn. Het eigen referentiekader mordicus vasthouden komt neer op vasthouden wat een veilig en stabiel gevoel geeft. Dit is de identiteit van de gecreëeerde zelf. Meestal laat men de gecreëerde zelf maar los in tijden van wanhoop en wanneer we de zekerheden uit elkaar zien vallen. 

Er is ook een link met de vluchteling (refugee) in de gebruikelijke zin van het woord. Die vlucht voor vervolging of nare situatie in haar of zijn thuisland, in de hoop vrijheid en een betere situatie in een ander land. Het boeddhisme zegt, vertaald in Creatieve wisselwerking taal, dat we in onze gecreëerde zelf vast zitten. Dat we gevangenen zijn van onze eigen Vicieuze Cirkel met z’n gehechtheden aan eigen concepten en denkkaders. We zitten gevangen in onze Mindset en dienen toevlucht zoeken in het creatief wisselwerkingsproces teneinde onszelf te bevrijden van die boeien. Daartoe dienen we op elk ogenblik open en wakker te zijn.


(Ring, ring, ring, ring)
Ring the bells that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in
Ring the bells that still can ring (ring the bells that still can ring)
Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in
That’s how the light gets in
That’s how the light gets in

En tot slot nog een ‘wijze gedachte’ in de vorm van volgende quote:

“The real act of discovery consists not in finding new lands,

But in seeing with new eyes.”

Marcel Proust

Creatively,

Jullie Opa, die zielsveel van jullie houdt,

Johan 


[i] Bruce Springsteen, Quote uit Dancing in the Dark (Introduction) van live album Springsteen on Broadway, Collumbia Records, 2018

[ii] Bruce Springsteen. Quote uit Brilliant disguise song uit de studioalbum Tunnel of Love, Columbia Records, 1987.

[iii] Jack Kornfield. A Path With Heart. The Classic Guide Through the Perils and promisses of Spiritual Life. London: Rider, an imprint of Ebury Press, Random House. 2002. Bladzijde 48.

[iv] https://time.com/4570605/marina-abramovic-leonard-cohen/

BLIJF WAKKER ! – DEEL XXXXIII

WAT WILLEN JULLIE: GELIJK OF GELUK? 

Springsteen’s first breakdown came upon him at age thirty-two, around the time he released Nebraska. It is 1982, and he and his buddy Matt Delia are driving from New Jersey to Los Angeles in a 1969 Ford XL. On a late summer night, in remote Texas, they come across a small town where a fair is happening. A band plays. Men and women hold each other and dance lazily, happily, beneath the stars. Children run and laugh. From the distance of the car, Springsteen gazes at all the living and happiness. And then: Something in him cracks open. As he writes, in this moment his lifetime as “an observer . . . away from the normal messiness of living and loving, reveals its cost to me.” All these years later, he still doesn’t exactly know why he fell into an abyss that night. “All I do know is as we age, the weight of our unsorted baggage becomes heavier . . . much heavier. With each passing year, the price of our refusal to do that sorting rises higher and higher. . . . Long ago, the defenses I built to withstand the stress of my childhood, to save what I had of myself, outlived their usefulness, and I’ve become an abuser of their once lifesaving powers. I relied on them wrongly to isolate myself, seal my alienation, cut me off from life, control others, and contain my emotions to a damaging degree. Now the bill collector is knocking, and his payment’ll be in tears.[i]

Michael Haineh – Beneath the Surface of Bruce Springsteen – Esquire

Eloïse, Edward en Elvire, deze column gaat over de cruciale vraag: “Wat wil ik: gelijk of geluk?” Jullie weten al dat een ‘of’ vraag één correct antwoord heeft, namelijk JA! In de quote hierboven, uit een lang artikel over Bruce Springsteen, schrijft de journalist hoe Bruce door te veel het gelijk na te streven, het geluk verloor en in z’n eerste depressie sukkelde. Hiermee maak ik duidelijk dat het beter is geluk na te streven dan het eigen gelijk! Dit wil niet zeggen dat het antwoord op de cruciale vraag wijzigt, dit wil wel zeggen dat de nadruk dient te liggen op het nastreven van geluk!

Inleiding

Soms is men, door het eigen gelijk na te streven, gewoonweg niet zo gelukkig als men zou willen zijn. Men bijt zich vast in een meningsverschil en wil mordicus haar of zijn gelijk halen. Daarbij verliest men de plezierige omgang met zichzelf en de ander. Men komt in een discussie terecht en daarbij sijpelt het gelukkig gevoel, als men dat al had, vlug weg.

Zich ongelukkig voelen is een emotionele staat en dus, nogal logisch, dient men, wanneer men zich niet goed in haar of zijn vel voelt, eerst die eigen emotionele staat te onderzoeken. Want, zoals we reeds overvloedig gezien hebben in deze serie columns, emoties zijn de brandstof voor onze acties. 

Eloïse, Edward en Elvire, de toestand van onze emoties zal altijd een enorm effect hebben op ons gevoelsleven en ook op wat het volgende is dat in ons leven zal gebeuren. De emotionele staat heeft inderdaad invloed op gevoelens en die hebben dan weer invloed op acties en die acties, ten slotte, op de gebeurtenissen.

Gelijk hebben en gelijk krijgen

Nogal wat mensen denken: “Ik heb altijd gelijk, maar krijg het niet altijd.” Dat wordt soms een probleem; want gelijk hebben en geen gelijk krijgen wordt aangevoeld als onrecht.

Belangrijk hierbij is het antwoord op de vraag: “Wanneer heeft men gelijk?” Dit is volgens mij enkel zo indien de feiten waarop men zich baseert, kloppen met de werkelijkheid. Het dienen, met andere woorden, natrekbare feiten te zijn, geobserveerd met het helder bewustzijn. Voorbeelden daarvan zijn: een meter is geen twee meter en twintig Euro zakgeld is geen dertig Euro zakgeld. Dus met feiten heeft men zelden een probleem. Men heeft gelijk of geen gelijk, het is zwart of wit.

Vaak gaat het echter over meningen, gevoelens, principes of normen en waarden, die men verkoopt als feiten en dus als waarheid. Zoals jullie, Eloïse, Edward en Elvire, onderhand wel weten, zijn er zoveel meningen als er mensen zijn. Want de werkelijkheid wordt waargenomen met het gekleurd bewustzijn en dat laatste is voor elke mens uniek. Men zou kunnen stellen dat men gelijk heeft vanuit het standpunt van de eigen mindset. Men ziet namelijk die zaken doorheen de gekleurde bril van de eigen mindset. Anderen zien dezelfde zaken met een iets anders gekleurde bril en hebben ook gelijk, vanuit hun standpunt wel te verstaan.

Zoals gesteld, voelt het als onrecht wanneer men wel gelijk heeft en geen gelijk krijgt. Als het over feiten gaat, voelt het niet alleen als onrecht, het is onrecht. En dat onrecht roept dan weer tal van gevoelens op: boosheid, teleurstelling, woede en verdriet.

Indien echter uw gelijk steunt op gekleurde meningen is het maar de vraag of men werkelijk gelijk heeft. Sommige mensen gaan altijd het gevecht aan om hun gelijk te halen. Met ‘slaande’ argumenten, die bovendien meestal gekleurde meningen zijn, trachten ze de ander te overtuigen. Ze willen kost wat kost de discussie winnen. Ze rusten niet tot de andere zegt: het klopt wat je zegt. In mijn leven heb ik, tot op een bepaald moment, altijd gedacht dat dit soort mensen opgeleid waren door Jezuïeten. Het volgende heb ik meer dan tien keer als consultant en lesgever in bedrijven meegemaakt:

Soms werd het mij tijdens een intakegesprek of een cursus heel duidelijk dat de bewuste manager van het soort was dat steeds mordicus gelijk wil krijgen en heel bedreven was in het debatteren om dit gelijk binnen te halen. Niet voor niets hoort men in het werkwoord ‘debatteren’ het Franse woord ‘batterie’ dat ‘drumstel’ betekend. Wanneer dit alles me dus heel duidelijk was geworden, vroeg ik de manager in kwestie langs mijn neus weg: “Zou het kunnen dat u uw opleiding genoot bij Jezuïeten?” Steeds was het antwoord affirmatief en repliceerde die manager nog: “Waarom dacht u dat?” En toen ontvouwde ik mijn ‘denkkader’. De Jezuïeten leidden jonge mensen op niet om gelijk te hebben, maar om gelijk te krijgen. Zo leren ze te argumenteren totdat de tegenpartij de handdoek in de ring gooit. Ze leren te debatteren en discussiëren totdat ze daarin heel bedreven zijn. Die jonge mensen dragen dat gans hun leven met zich mee. Eens manager behielden ze dit gedrag en kon ik ze, af en toe, ontmaskeren. Omdat ik er nooit naast zat, kreeg ik een vastgeroeste mindset wat Jezuïeten betrof. Ik vond hun manier van opleiden maar ‘zus en zo’. Heel laat in mijn leven werd die mindset uiteindelijk grondig getransformeerd. Dit gebeurde na een paar ontmoetingen met Paul de Sauvigny de Blot SJ[ii] in 2011, ik was toen al vijfenzestig jaar. Dus, Eloïse, Edward en Elvire, men is nooit te oud om het eigen denkkader grondig in vraag te stellen en te transformeren!

De vragen die men zich dient te stellen zijn: “Heb ik wel gelijk?” en “Is mijn gekleurde mening echt de enige waarheid?” Zoals jullie weten ben ik ervan overtuigd dat ik de waarheid niet in pacht heb. Ik heb zelfs met de gedachte gespeeld de zin “Ik heb de waarheid niet in pacht!” op m’n voorhoofd te laten tatoeëren, maar ‘ons Rita’ stelde haar veto. Uiteindelijk heb ik mij een paar witte T-shirts gekocht met die slogan. Daarmee maak ik de ander duidelijk dat ik ervan overtuigd ben dat ik zelf de waarheid niet in pacht heb. Een bijkomend voordeel is dat de ander, die mij ontmoet en dus de slogan leest, eraan herinnerd wordt dat ook zij of hij de waarheid niet in pacht heeft. Uitgaande van deze ‘waarheid’, met name dat we geen van beiden de waarheid in pacht hebben, kunnen we in dialoog gaan en een gemeenschappelijke waarheid creëren. Die gedeelde mening of gedeelde ‘waarheid’ zal dichter bij ‘de waarheid’ liggen dan de ‘waarheden’ waar we beiden over beschikten.

Eloïse, Edward en Elvire, een probleem waar ik al jaren mee worstel, is dat ik, door het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking en dan voornamelijk de eerste karakteristiek Authentieke Interactie, steevast overkom als iemand die stellig zijn ‘wijsheid’ communiceerde en dat werkte vaker in mijn nadeel dan in mijn voordeel. Ik kreeg en krijg namelijk vaak de labels ‘arrogant’ en ‘pedant’ opgekleefd. Uiteindelijk leerde ik daardoor om, samen met mijn meningen, even stellig mee te geven dat die meningen weliswaar ‘mijn waarheid’ en niet ‘de waarheid’ zijn. Met andere woorden, ik stond open voor een dialoog. Ik hield dus niet koppig of halsstarrig vast aan m’n eigen standpunten en luisterde echt naar de standpunten van de ander en begreep ze waarderend, zodat we samen konden streven naar een gedeelde mening. Let wel, dit alles wanneer dat ik met de ander in dialoog kon gaan. Dit was spijtig genoeg niet steeds het geval was. Nogal wat mensen lopen vaak weg wwanneer een cruciale dialoog[iii] zich aandient.

Omgaan met emoties

We hebben gezien dat gelijk hebben en geen gelijk krijgen steeds emoties opwekt.

Wat we mogelijks vergeten, is dat we het vermogen hebben onze emoties te kiezen. Over het algemeen zijn wij niet zo goed in het omgaan met emoties. We hebben een oordeel over emoties. We willen ons vooral blij, gelukkig, tevreden, geïnspireerd en gemotiveerd voelen. We willen vooral anderen laten zien hoe goed het met ons gaat en daar erkenning voor krijgen. Daar hebben we nu alle middelen toe, met op kop ‘Facebook’ en voor jullie, jongeren, ‘Instagram’.

Boosheid, woede, angst en verdriet zijn voorbeelden van emoties die wij als “niet goed” bestempelen. Deze emoties laten we het liefst niet zien en daardoor drukken we ze weg. Het lijkt wel alsof deze emoties in onze maatschappij niet thuis horen.

Iedereen kan kwaad worden. Het is heel makkelijk. 
Niet zo makkelijk is kwaad zijn op de juiste persoon, p het juiste moment, om de juiste reden en in de juiste mate. 
— Aristoteles

Eloïse, Edward en Elvire, het vermogen om met jullie emoties om te gaan, komt er op neer dat jullie het hele spectrum aan emoties (boos, blij, bang, bedroefd) durven toelaten en dit zonder waardeoordeel. Met de volgende stappen leren jullie constructief omgaan met emoties, jullie:

  • worden bewust van jullie gevoelsniveau en van de emotie daaronder. Hoe sneller hoe beter. Zo kan men er iets mee doen i.p.v. deze emoties op te stapelen. Men hoedt zich er ook voor door te schieten in een reactie;
  • creëren ruimte om de emotie te observeren. Waar komt deze emotie vandaan? Geef de emotie aandacht zonder een oordeel te vellen. Hierbij zet men het helder bewustzijn in (awareness);
  • vinden in die ruimte de kracht om bewust te kiezen hoe jullie met deze emotie wensen om te gaan i.p.v. zich er door te laten leiden;
  • stellen volgende vragen; Wat triggert mij? Wat kan ik hiervan leren? Welke boodschap neem ik hieruit mee? ;
  • kijken of de emotie verdwijnt als men deze helemaal heeft doorvoelt. Doorvoelen wil zeggen bewust aandacht geven aan het gevoel, zich erop concentreren en het niet relativeren, bagatelliseren of wegduwen en zich er toch niet laten door meeslepen;
  • kijken, wanneer die eigen emotie niet is weggeëbt, er nogmaals naar. Is het zo voldoende of is er een bewuste actie nodig? Vraagt de emotie om een actie, kies dan bewust welke actie. Het is prima om te huilen bij verdriet en het is ook prima om even stoom af te blazen bij woede, door bijvoorbeeld even te schreeuwen of op een kussen te slaan;
  • vragen jullie daarbij af: “Wat is (voor u en de ander) een constructieve manier om uiting te geven aan die emotie?

Wanneer men alle emoties kan voelen en men er mee om kan gaan, door deze de ruimte te geven en waarderend te begrijpen, kan men bewust kiezen hoe men met deze emotie wenst om te gaan. Door te leren op een constructieve manier uiting te geven aan emoties, waar nodig, zal men merken dat men minder gevoelens opkropt, waardoor men minder in de Vicieuze Cirkel terecht komt en daardoor meer Creatieve wisselwerking van binnenuit beleeft, waardoor het eigen energie niveau stijgt.

Wanneer men het helder bewustzijn niet ontwikkelt met betrekking tot de eigen emoties, dan blijf men ze onderdrukken en opstapelen. Dit zorgt ervoor dat deze emoties op den duur de controle krijgen en dan schiet de eigen Vicieuze Cirkel door en wordt bijvoorbeeld woede op een destructieve manier geuit. Of de emoties worden onderdrukt, wat kan leiden tot vermoeidheid & stress; klachten die zich uiteindelijk in lichamelijke pijn kunnen uiten. Die klachten en die pijn zijn niets anders dan neveneffecten van de Vicieuze Cirkel.

Laat ik dit stukje eindigen met een metafoor. Als er een splinter in je vinger zit, gaat die op de duur irriteren. Wanneer men er niets aan doet, gaat het pijn doen en de vinger ontsteken. Het lichaam geeft een duidelijk signaal dat er iets ‘aanwezig’ is wat moet verwijderd worden. Zo werkt het op het emotionele vlak ook. Emoties die genegeerd worden, zorgen voor irritatie. En op den duur gaat het pijn doen (ontsteken). Als men de emoties tijdig onderkent, kan men ze doorvoelen en de betekenis ervan inzien en uiteindelijk lossen de emoties letterlijk op.

Wendbaar en Weerbaar

Als je geconfronteerd wordt met een probleem, denk dan goed na.
Als er een oplossing is, dan heeft het geen zin je zorgen te maken. Is er geen oplossing dan heeft het geen zin je zorgen te maken.
– Dalai Lama 

Eloïse, Edward en Elvire, deze ganse serie columns heeft tot doel jullie te helpen wendbaar en weerbaar te blijven (zie het deel ‘Inleiding’). Wanneer men denkt gelijk te hebben en het plots in de dialoog duidelijk wordt dat men helemaal geen gelijk heeft, dan is emotionele flexibiliteit op z’n plaats. Deze vaardigheid werd voor het eerst zo benoemd door Susan David, een Harvard professor, in haar boek met die titel[iv]. In dat boek heeft zij het over de noodzaak van het ontwikkelen van emotionele flexibiliteit. Hiermee wordt bedoeld het vermogen om je aan te passen aan lastige omstandigheden en sterker dan ooit terug te veren! Het aanpassen heeft te maken met wendbaarheid, het terugveren met weerbaarheid.

Haar boek start overigens met een verhaal dat duidelijk aangeeft dat men best zijn denkkader transformeert van Star naar Flexibel. Er bestaan veel versies van dit verhaal en op het internet vindt men heel wat filmpjes die het verhaal verbeelden (meestal in het kader van één of ander reclamecampagne). In de versie van Susan David gaat het over een Brits oorlogschip (HMS Defiant) en in de videos over USA oorlogschepen (USS Lincoln en USS Montana) [v]

De versie van Stephen Covey[vi] steunt op een artikel van het tijdschrift Proceedings van de US Naval Institute waarin ene Frank Koch dit verhaal vertelt:  

Twee oorlogsschepen die voor een oefening deel uitmaakten van het eskader, waren al dagen bezig met manoeuvers in zwaar weer. Op de brug van het schip dat het eskader aanvoerde, stond ik op de uitkijk. Het was al avond. Flarden mist belemmerden het zicht. De kapitein bleef daarom zelf ook op de brug en hield alle bewegingen goed in de gaten. 

Vlak nadat de duisternis was gevallen, meldde een wacht: “Licht aan stuurboord.” “Recht of niet?” riep de kapitein. “Recht, kapitein!” antwoordde de wacht. Er bestond dus gevaar voor aanvaring. 

De kapitein riep tegen de seiner; “Sein, aanvaring dreigt, verander uw koers twintig graden.” 

Het andere schip seinde terug: “Advies aan u: verander uw koers twintig graden.”

De kapitein repliceerde: “Sein, ik ben kapitein, verander uw koers twintig graden.”

“Ik ben stuurman tweede klas”, was het antwooord, “Verander uw koers twintig graden.”

De kapitein werd razend. Hij schreeuwde: “Sein, dit is een oorlogschip. Verander uw koers twintig graden.”

Daarop kwam het signaal: “Dit is een vuurtoren.”

En … wij veranderden van koers.

Hoewel het ganse verhaal verzonnen blijkt[vii], blijft de boodschap overeind. Te lang vasthouden aan een niet op feiten gebaseerde mening kan verstrekkende negatieve gevolgen hebben. Dus is het raadzaam steeds de eigen meningen en dus het eigen denkkader in vraag te stellen.

Maar hoe wendbaarder worden!?!


Uiteraard door het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Eloïse, Edward en Elvire, hierna geef ik nog een vijftal tips. 

1. Vecht niet tegen jullie gevoelens

Negatief onderdrukken doet meer kwaad dan goed. ‘Wanneer we emoties opzij zetten, ondermijnt het onze veerkracht.’ Pas als men zichzelf toestemming geeft om zich boos of verdrietig te voelen, kan men die gevoelens eerlijk aanpakken en vooruit gaan.

2. Schrijf het op.

Men kan niet altijd positief zijn. Want ook daardoor drukt men de emoties weg. Men draagt als het ware een masker. Een starre glimlach is niet het antwoord!


Wanneer men haar of zijn gevoelens opschrijft, gaat men er mee in dialoog. Door er woorden aan te koppelen, verwerkt en accepteert men de emoties op een gezonde en productieve wijze. Hierdoor groeit men en wordt men veerkrachtig.

3. Verruim de afstand tussen jezelf en je emotie

Zowel Victor Frankl als Paul de Sauvigny de Blot SJ vertelden hoe overlevenden van nazi en jappen dodenkampen, getuigden over het scheppen van een ruimte tussen de stimulus en het antwoord. In die ruimte kan men zich richten.

Als men zegt, “ik ben gestresseerd”, identificeert men zich met haar of zijn stress. Zeg dus eerder:  “Ik merk dat ik stress ervaar!” Hierdoor vereenzelvigt men zich niet met haar of zijn stress; men creëert afstand tussen zichzelf en de eigen emotie, en geeft men zichzelf de macht te kiezen hoe men reageert; zelfs in die uiterst moeilijke omstandigheden.

4. Breid je emotionele woordenschat uit

Hoe kunnen we onze emoties beheren als we ze niet correct kunnen benoemen of beschrijven? We gebruiken vaak slechts drie of vier synoniemen om te beschrijven wat we voelen. Uit onderzoek blijkt echter dat, hoe meer we een gedifferentieerde taal gebruiken om onze emoties te beschrijven, hoe meer we deze kunnen van binnenuit beheersen.

5. Stap uit de emoties.

Als men niet krampachtig bezig is met haar of zijn gevoel te veranderen, kan men rustiger onderzoeken wat het nut is van de emotie.  Het is waar dat emoties feiten zijn; de cruciale vraag daarbij is: “Op welke feiten steunen die emoties.” Emoties geven informatie over onze prioriteiten, onze waarden en over ons gekleurd bewustzijn, onze persoonlijke mindset.

Emotionele weerbaarheid

Emotionele veerkracht is wanneer men in staat is om haar of zijn hectische geest (‘The Monkey Mind’) te kalmeren na een negatieve ervaring. Het is intrinsieke motivatie, een innerlijke kracht waarmee we letterlijk tegenslagen van het leven kunnen te boven komen.

Net als andere aspecten van onze persoonlijkheid (zoals IQ, EQ Sociale intelligentie en zo) is Emotionele veerkracht een eigenschap die er is sinds de geboorte en die men best gedurende het hele leven blijft ontwikkelen.

The greatest glory in living lies not in never falling, 

but in rising every time we fall.”

Nelson Mandela

Emotionele veerkracht gaat niet over het winnen van de strijd. Het is de kracht om door de storm te varen en toch de koers aan te houden. Eloïse, Edward en Elvire, we leven in het tijdperk van de vierde technologische revolutie, en daardoor dienen we ons, pakweg, om de tien jaar aan te passen aan veranderingen die nooit eerder in ons leven hebben gekend.

Emotionele veerkracht is een levenskunst die verstrengeld is met zelfvertrouwen, zelfcompassie en verbeterde cognitie (kennis). Het is de manier waarop we onszelf machtigen alles als ‘tijdelijk’ waar te nemen en, door de pijn en het lijden heen, te blijven evalueren[viii]

Emotionele veerkracht betekent terugveren van een stressvolle gebeurtenis of tegenslag. En die tegenslag niet uw interne motivatie laten beïnvloeden. Let wel, het gaat niet om de ‘buigen en niet breken’ vaardigheid, want dat is eerder Emotionele wendbaarheid; het is eerder het accepteren dat men ‘gebroken is’ en niet bij de stukken blijven zitten, en terug opstaan en doorgaan. 

Dr. Harry Barry, een huisarts en expert in cognitieve gedragstherapie (CBT) publiceerde enkele van zijn opmerkelijke bevindingen over emotionele veerkracht in zijn boek ‘Emotional Resilience: How To Safeguard Your Mental Health’[ix].

Dit recent boek (publicatie mei 2018), is een van de rijkste en meest populaire teksten over emotionele veerkracht. Dr. Barry identificeert in zijn boek emotionele veerkracht als de ‘bouwstenen van het leven’. Hij ziet emotionele veerkracht als een coping mechanisme om overdadige stress (i.e. burn-out) te neutraliseren. Hij beweert dat veerkrachtige mensen beter coping-mechanismen inzetten en dus vlugger terugveren.

De in het boek genoemde interventiestrategieën draaien om drie concepten:

Cognitie – de manier waarop we denken

Perceptie – de manier waarop we dingen analyseren en evalueren;

Actie – de manier waarop we erop reageren.

Eloïse, Edward en Elvire, het is niet moeilijk om in die drie concepten m’n Cruciale dialoogmodel te ontdekken: Cognitie (linkerlus), Perceptie (midden) en Actie (rechterlus), teneinde de Vicieuze Cirkel beweging ‘om te draaien’!

Emotionele veerkracht kan, nog steeds volgens Dr. Barry, ontwikkeld worden door:

  • Het feit te herkennen dat onze gedachten onze acties beïnvloeden; Stress erkennen en bereid zijn er effectief mee om te gaan;
  • Openstaan voor veranderingen en flexibel zijn terwijl men zich aanpast aan nieuwe situaties;
  • Volgende waarheid acepteren: ‘dat door het veranderen van de manier waarop we op stress reageren;
  • De (actuele) Zelf omarmen door zelfcompassie en empathie op te bouwen en deze daardoor te transformeren in de richting van de Originele Zelf.

Uiteraard is het boek van Dr. Barry koren op mijn Creatieve wisselwerkingsmolen. Het is inderdaad een recente parafrase van het concept dat voor het eerst door dr. Henry Nelson Wieman als dusdanig werd beschreven, en aan de grondslag lagen van m’n twee boeken: ‘Creatieve wisselwerking’ en ‘Cruciale dialogen’. 

Besluit

The secret of health for both mind and body is not to mourn for the past, worry about the future, or anticipate troubles,  but to live in the present moment wisely and earnestly.

Buddha

Hoe wendbaarder en weerbaarder men wordt, hoe gelukkiger men uiteindelijk is. Met andere woorden, hoe meer men Creatieve wisselwerking vanbinnenuit beleeft, hoe gelukkiger men wordt. Niet dat men daardoor van tegenslagen gespaard blijft. En toch, men kan er beter mee omgaan en uit het ego treden. Juist daardoor wordt men gelukkiger. Let wel, makkelijk is anders en er is volgens mij geen andere weg. 

Kortom, het is beter geen gelijk te krijgen en gelukkig te zijn, dan andersom. 

Darkness must pass
A new day will come
And when the sun shines
It will shine out the clearer.

J. R. R. Tolkien


[i] Michael Haineh, Beneath the Surface of Bruce Springsteen, Esquire Nov 27, 2018 https://www.esquire.com/entertainment/a25133821/bruce-springsteen-interview-netflix-broadway-2018/

[ii] Over mijn ontmoetingen met Prof. Dr. Paul de Sauvigny de Blot SJ en waarom ik hem uiteindelijk mijn vierde ‘geestelijke’ vader begon te noemen kunnen jullie hier meer lezen: http://www.creativeinterchange.be/?p=673

[iii] Johan Roels. Cruciale dialogen. Het dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant, 2012. Bladzijde 27.

[iv] Susan David. Emotionele Flexibiliteit. Amsterdam: Meulenhof Boekerij bv, 2017

[v] https://youtu.be/KvRYd8U7qGY

[vi] Stephen R. Covey. De zeven eigenschappen van effectief leiderschap. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact, 70e druk 2014. Bladzijde 26.

[vii] https://www.snopes.com/fact-check/the-obstinate-lighthouse/

[viii] Hara Estroff Marano, The Art of Resilience. Psychology Today, May 01, 2003: https://scholar.google.be/scholar?q=Marano+2003+emotional+resilience

[ix] Dr. Harry Barry. Emotionele Resilience. How to Safeguard Your Mental Health. London: Orion Spring, The Orion Publishing Group Ltd. An Hachette UK Compony. 2018.

Johan Roels