Terug in België, na mijn opstart avontuur in Indië, hebben ze op ‘de Kuhlmann’ mijn gedaantewisseling sterk ondervonden. Ik had een heuse Epifanie en een daaropvolgende transformatie doorgemaakt. Daardoor was ik bijzonder streng op gebied van veiligheid geworden. Dit naar m’n medewerkers, edoch nog veel meer naar m’n directie toe. Veiligheid was een waarde geworden. Veel later leerde ik dat Henry Nelson Wieman het begrip waarde ooit gedefinieerd heeft als ‘een doelzoekende activiteit’. Die definitie beleefde ik – zonder ze te kennen – ten volle van binnen uit. Dit werd me niet steeds in dank afgenomen, hetgeen nog eufemistisch is uitgedrukt.

Mijn nieuw gedrag was wel de indirecte oorzaak van het in versnelling komen van m’n paradigma wissel. Een nieuwe veiligheidswet (KB betreffende het voorkomingsbeleid 20 Juni 1975) had al gesteld dat toekomstige diensthoofden ‘Veiligheid’ een bepaald veiligheidsdiploma dienden te behalen. Toen de uitvoeringsbesluiten in redactie waren, werd het duidelijk dat voor ons bedrijf het niveau 1 aangewezen was. Hoewel onze toenmalige veiligheidschef (een maatschappelijk assistent) de functie kon blijven uitoefenen tot z’n pensioen, zag de directie de kans schoon om (voor een keer) proactief te zijn. Ik werd gevraagd stante pede het niveau 1 te behalen. Er werd ook deze keer niet gevraagd of ik daar goesting in had en of ‘ons’ Rita het zag zitten dat ik tientallen zaterdagen ‘op zwier’ zou zijn . Het enige dat ik zelf mocht kiezen was de onderwijsinstelling. De HR directeur stelde het LUC in Diepenbeek voor, ik opteerde voor de KUL. Een van de redenen daarvoor was dat de KUL een heus ingenieursdiploma uitreikte. Ik was afgestudeerd aan de RUG en een tweede diploma, deze keer aan de KUL, leek mij leuk meegenomen; je weet maar nooit waar dat goed voor is. Het was een twee jarig programma. Het eerste jaar legde ik alle theoretische examens van de twee jaar af en werd ik toegelaten tot de laatste proef: het schrijven van het eindwerk, een scriptie. Dit betekende dat ik gedurende het academiejaar 1977 – 1978 halftijds student was: woensdag, vrijdag en de zaterdag voormiddag en halftijds productie ingenieur. Ik volgde alle vakken in één academiejaar omdat ik geen goed zicht had op wat de hoofdzetel voor mij in petto had wat opstarten van zwavelzuur eenheden betrof. Tot medio 1978 zou Bruno Vidon – de chef van de PCUK Zwavelzuur licentie – geen beroep op mij doen, schreef hij.

Over het eindwerk heb ik nog een kenschetsende en toekomstbepalende anekdote. Omdat de inhoud van die studie m.i. nog veel te technisch was (cf. de titel van het diploma: ‘ir. in de veiligheidstechnieken’), opteerde ik in verband met m’n eindwerk voor een ‘softer’ onderwerp: “De Psychologische aspecten van Arbeidsongevallen.” Ik achtte het noodzakelijk om mijn toenmalige directeur-sponsor van m’n voornemen in kennis te stellen. Ik stuurde hem een kattenbelletje met de titel van m’n eindwerk. Ik kreeg mijn handgeschreven briefje per kerende terug. Maurice Raimbault had het woord ‘psychologique’ doorstreept en daarboven ‘économique’ geschreven. Die wijziging was er de onderliggende oorzaak van dat uiteindelijk Frank E. Bird Jr. m’n tweede ‘geestelijke’ vader werd. Maar dat wist ik uiteraard toen nog niet. Mijn eindwerk was grotendeels gebaseerd op het boek ‘Damage Control” van Frank. Ik wou in de scriptie de kosten van arbeidsongevallen gedurende één boekjaar (1979) opnemen. Niet alleen die kosten van m’n eigen bedrijf, maar ook van drie andere bedrijven van de Franse groep PCUK (Jarrie, Villers St. Paul en Lille-La Madeleine), waartoe het bedrijf in Rieme toen behoorde. Ik had op de vergaderingen van de veiligheidsmensen van die groep honderduit gepraat over m’n studie. Daardoor kon het eindwerk ten vroegste ingediend worden in het voorjaar van 1980, wat ook gebeurde. Tien jaar na de aula van de RUG was deze van de Alma mater aan de beurt. Ook in 1980 werd de titel met grote onderscheiding behaald. Tussen de bedrijven door had ik nog twee zwavelzuureenheden opgestart: Niger (najaar 1978 – jawel Bruno Vidon hield z’n woord) en Gabon (voorjaar 1980).

4levens_1bIn 1983 werd PCUK door de Franse staat ontbonden en kwam ons bedrijf terecht in de Franse groep RP, als onderdeel van de afdeling RP Chimie. In datzelfde jaar werd ik door het massaal afvloeien van werknemers, waaronder ook het diensthoofd VGV, gemuteerd van de afdeling Zwavelzuur en Algemene Diensten naar de Veiligheidsdienst die gekoppeld werd aan de dienst Goederenbehandeling. Afdelingshoofd worden van die twee diensten maakte mij nederig. Je kunt namelijk je theoretische concepten op gebied van veiligheid direct aan de werkelijkheid van het terrein toetsen.

Het eerste wat ik als veiligheidsingenieur deed was het vernieuwen van het ongevalformulier. Dit was nog in twee talen opgesteld en bevatte onder meer de rubriek: “Sanctie”. Ik had mij daar al jaren aan geërgerd. Ik wist, vanaf die dag in Visag, dat als je – tijdens de analyse van een ongeval – maar genoeg de waarom vraag stelt, je altijd bij het hoger management terecht kwam. Nooit werd echter een lid van het management gesanctioneerd na een ongeval op ‘de Kuhlmann’. De sanctie was steeds weggelegd voor de sloeber die het ongeval had voorgehad. Ik had daar meermaals mijn ongenoegen over geuit, maar werd nooit door de directie gevolgd. Die ongevalformulieren werden overigens niet alleen naar de ongevallenverzekering en de arbeidsinspectie, maar ook naar de hoofdzetel in Parijs gestuurd. Ooit had een van m’n werknemers een sanctie gekregen; 300 BF werd van z’n loon afgehouden. Veertien dagen nadien kwam hij in m’n bureau gestormd. “Johan”, zei hij (wanneer we onder elkaar waren spraken de werknemers, met wie ik shift gelopen had, mij aan met m’n voornaam), “Kan je mij het volgende uitleggen? Ik zie een speciale premie van driehonderd frank op m’n loonstaat voor ‘uitzonderlijke’ prestatie. Hoe komt dat? We weten toch allebei dat ik nog nooit iets uitzonderlijks heb gedaan!” Z’n donkere ogen blonken van de pret. “Zwartje” (dat was zijn bijnaam : gitzwart haar en heel donkere ogen) zei ik “wat heb je veertien dagen geleden op je loonstaat gezien?” Hij viel uit de lucht. Na een korte pauze zei hij: “Toen kreeg ik een sanctie van ‘Den Cloeck” van driehonderd frank!” “Wel” zei ik “toen kreeg je een sanctie die je niet verdiende en nu een premie die je ook niet verdient, die twee compenseren elkaar.” Ongelofelijk waar ik mij als diensthoofd mee bezig hield. Dit voornamelijk omdat we op ‘de Kuhlmann’ nog niet volwassen waren geworden…

Dat ik formeel geen productie ingenieur meer was, nam niet weg dat ik eind 1983 nog één keer uitgestuurd werd om een zwavelzuur eenheid op te starten; deze keer in Senegal. Een veiligheidsingenieur die een zwavelzuur eenheid opstart… dat hebben ze geweten.

Ondertussen had ik een eenmanszaak in bijberoep opgestart. Omdat ik af en toe gevraagd werd om lezingen te geven rond de economische aspecten van arbeidsongevallen en cursussen in de niveau 1 richtingen van verschillende instituten (KUL, UA, …), had ik ‘Safety Roels’ opgericht. Toen onze postbode, bij het afleveren van de eerste brief gericht aan die eenmanszaak, aanbelde en vroeg hoe het kwam dat ik mijn voornaam Johan veranderd had in Safetie, schaterde ‘ons’ Rita het uit.

Ik was toen ook driftig op zoek naar een vernieuwing binnen het veiligheidsgebeuren (m’n ‘zwartje’ anekdote maakt enigszins duidelijk waarom). Met veel moeite en de hulp van onze ongevallenverzekering, een nieuwe sponsor dus, kon ik een langdurige cursus volgen bij ILCI Nederland. Dit bedrijf was verbonden aan het ILCI van Frank E. Bird Jr. Hoe Frank geëvolueerd was van z’n initiële concepten (z’n versie van zowel de domino theorie als de ongevallenpiramide en uiteraard z’n visie op de kosten van ongevallen met materiële schade), naar het gestalte geven aan de structuur en organisatie van veiligheid op het werk, had m’n interesse meer dan gewekt. Meer bepaald ging de cursus over het auditen van het veiligheidssysteem van organisaties en werd gegeven door Willem Top, die een persoonlijke vriend van Frank bleek te zijn. De basis van het programma was de derde versie van het ISRS (International Safety Rating System). Als onderdeel van deze opleiding, die over een zestal maand gespreid was, diende ik een doorlichting te maken van het veiligheidsprogramma van m’n eigen bedrijf. Ik herinner het mij nog, alsof het pas gisteren gebeurde, dat m’n toenmalige directeur, Frans Reyntjens, m’n audit rapport bij overhandiging achteloos achter zich in zijn boekenkast kieperde.

Een tweede cursus die ik in die periode volgde was een verdiepingscursus rond MORT. MORT had ik reeds jaren daarvoor met de enige MORTicien die Vlaanderen ooit rijk was, wijlen ir. André Peytier, assistent van prof.dr. Willy Geysen (uiteraard beiden verbonden aan de KUL), trachten te doorgronden. MORT is niet enkel een ongevallen onderzoek methodiek, het kan ook gebruikt worden voor een diepgaande audit van het veiligheidssysteem van een organisatie.

Driemaandelijks kwamen de veiligheidsingenieurs van de verschillende bedrijven van RP Chimie samen in Parijs. Zoals steeds praatte ik honderduit over wat er in mij brandde. In die tijd dus het ISRS en de MORT. Ik leerde in Parijs ook de huismethodiek om ongevallen te analyseren (Arbre des Causes) appreciëren. Ik kende de methodiek al, had zelfs reeds gevraagd om mij er in te verdiepen en het binnen ons bedrijf te gebruiken, nog voordat PCUK ontbonden werd. Dit werd geweigerd totdat de PDG van RP, de onvergetelijke Serge Tchuruk het als een ‘verplichting’ stelde. Serge zei dat de nieuwe ex-PCUK bedrijven niet verplicht waren ADC in te voeren. Edoch, indien een van de directeurs z’n raad niet opvolgde en de veiligheidscijfers van diens bedrijf in het onderste kwart percentiel van de groep zou terecht komen; het logisch gevolg … het ontslag van die directeur zou zijn. Frans Reyntjens kwam terug van die vergadering met het dringend verzoek die methodiek stante pede in te voeren. Gezien geen enkele opleider van RP Nederlands sprak, diende ik zelf de klus te klaren. Daardoor volgde ik de RP cursus, gegeven door de legendarische André Devars, tweemaal. De eerste keer om mij de RP methodiek eigen te maken, de tweede keer om de ‘Devars animatie’ van die cursus onder de knie te krijgen. In samenwerking met onze wetsverzekeraar, La Belgique Industrielle (nu AXA), die de ADC methode wou lanceren in België, heb ik de materie in het Nederlands vertaald. We hebben de Franse cursus (die drie dagen in beslag nam) wel ingedikt. In het begin noemde de cursus de Oorzakenboom Analyse Methode, later de Feitenboom Analyse Methode (FAM). In totaal heb ik in Rieme een tiental tweedaagse sessies geanimeerd in het Nederlands en later in het Frans in de fabriek St. Fons Chimie nabij Lyon, waar André Devars om ‘politieke redenen’ niet welkom was. M’n Parijse directeur veiligheid, de heer Philippe Lacan, die de tweede sessie in Rieme had afgesloten, vroeg Frans Reyntjens of ik in St. Fons een paar prestaties mocht leveren. De paar prestaties werden uiteindelijk een tiental tweedaagse sessies en evenveel ‘terugkom’ eendaagse. Ik leerde hoe langer hoe meer een nieuw beroep, ik was mij – zonder dat ik er zelf erg in had –aan het omscholen.

In mei 1986, dus dertig jaar geleden, vroeg de toenmalige directeur van het RP Chimie bedrijf ‘Belle Etoile’ nabij Lyon, Jean Huzard, om een uiteenzetting te komen geven van de twee methodieken die ik in Parijs had voorgesteld aan de veiligheidsingenieurs van de groep, waaronder zijn veiligheidsingenieur en nog steeds mijn goede vriend, Guy Bérat. De twee methodieken werden gedurende twee dagen grondig doorgenomen met het voltallig Management Team van Belle Etoile. Op het einde van de twee daagse koos Huzard en z’n team voor het ISRS, voornamelijk wegens de toegankelijkheid van het systeem. Hij vroeg mij ook of ik Belle Etoile’s veiligheidssysteem met die methodiek wou doorlichten. Ik antwoordde dat ik dit wel wou en zou doen indien mijn directeur daarmee akkoord ging. Een paar maand nadien voerde ik de audit uit. Gewapend met een Canadees-Franse vertaling van een Amerikaanse audit vragenlijst voerde een Vlaming de eerste ISRS audit uit in Frankrijk. Veel gekker kon het moeilijk worden. Hoewel het formeel resultaat van die audit van het veiligheidssysteem van Belle Etoile niet bijster goed was – er werd namelijk geen ster behaald in het toenmalig waardering systeem van het ISRS – was Jean Huzard overtuigd van de waarde dat het auditgebeuren intrinsiek had om z’n veiligheidsprogramma op een hoger peil te tillen. Hij vroeg mij dan ook een jaar later terug te komen voor een vervolg audit. Zij zouden gaan voor twee sterren … De aantrekkingskracht van het ISRS werd hierdoor duidelijk.

Op een van de bijeenkomsten van de directeurs van de vestigingen van RP Chimie sprak de heer Huzard blijkbaar vol lof over m’n werk in Belle Etoile. Bij zijn terugkomst in Rieme sommeerde Frans Reyntjes mij in z’n kantoor antwoord te komen geven op zijn vraag: “Waarom had ik al het goede, dat ik in Belle Etoile verwezenlijkt had, ook niet in Rieme gerealiseerd?” Met een brede grijns vroeg ik of ik in de boekenkast achter z’n rug mocht duiken. Zonder zijn antwoord af te wachten, diepte ik er mijn onaangeroerd rapport uit en deponeerde het met een lichte smak op z’n bureau. “Lees eens eerst dit rapport Frans, wat ik je reeds meermaals vroeg, en … doe er iets mee. Misschien haal je zo je achterstand t.o.v. collega Huzard in.” Ook dat jaar was m’n jaarlijks evaluatiegesprek niet om in te kaderen. Het had namelijk niet plaats. In de drie jaar dat Frans Reyntjes m’n directeur was, heb ik geen enkel evaluatiegesprek gehad; laat staan een schouderklopje. Leuk ik anders, maar de boer hij ploegde voort…

Willem Top van ILCI Nederland wist uiteraard dat ik een audit in het Frans had uitgevoerd, want hij had mij de Frans Canadese versie van het ISRS bezorgd. Willem beschikte onder meer over de alleenrechten, met betrekking tot het gebruik van het ISRS, voor Frankrijk. Hij was echter de Franse taal niet machtig. Toen internationale concerns hem vroegen om ISRS audits in hun vestigingen in Frankrijk uit te voeren, contacteerde hij mij met de dringende vraag of ik hem uit de nood kon helpen. Ik had een eenmanszaak, de goesting en had in Lyon ervaren dat in het land der blinden eenoog koning is. Dus nam ik de uitdaging aan en verzorgde in de periode eind 1986 en begin 1987 audits in Drocourt en Basse-Indre. Safety Roels werd stilletjes aan, in plaats van een uit de hand gelopen grap, een ernstige bezigheid. Terzelfdertijd vervolmaakte ik zoetjesaan mijn omscholing.

Op een avond in april 1987 werd ik dringend verzocht om mij naar het kantoor van Frans Reyntjes te begeven. Die gaf mij die avond een opdracht die ik mij lang zou heugen. Ik kreeg bedenktijd tot ’s anderendaags negen uur om hem een naam door te spelen. De directie had namelijk beslist dat één van de vijf bedienden, die mijn twee afdelingen rijk waren, ontslag diende te krijgen. De minder harde afvloeiingsmaatregelen waren onderhand volledig opgebruikt, dus ging het over een ‘naakt’ ontslag. Mijn taak bestond er in het slachtoffer te aan te duiden. Groot was de verbazing van Frans Reyntjes toen ik hem de volgende ochtend om negen uur adviseerde een zekere Johan Roels te ontslaan. De avond voordien had ik contact opgenomen met Willem Top. Hij bleek bereid om mij de alleenrechten van het gebruik van het ISRS voor België en Frankrijk over te dragen. Als tegenprestatie zou ik tien percent van het bedrag, dat ik in de toekomst mijn klanten zou factureren, naar zijn bedrijf doorstorten.

Van Frans Reyntjes hoorde ik drie maand niks meer… tot hij langs zijn neus weg vroeg hoe het kwam dat hij mijn ontslagbrief nog niet ontvangen had. Ik antwoordde dat hij niet goed geluisterd had. Hij had blijkbaar gehoopt dat ik mij ondertussen zou vergaloppeerd hebben – ik was gekend om mijn valkuil ‘doordrammen’ –, vast zou zitten aan verplichtingen en daardoor zelf ontslag zou dienen te nemen. Ik verzekerde Frans dat ik, door ‘veiligheid’ van binnen uit te beleven, geleerd had vooruitziend te zijn. Daarop vroeg hij mij of ik op een ontslagvergoeding rekende. Ik diepte een berekening uit m’n binnenzak en overhandigde hem waar ik dacht recht op te hebben. Waar ik ook op gerekend had, was dat Frans zijn huiswerk niet goed gedaan had en dus over het hoofd gezien had dat hij te allen tijde over een Veiligheidsingenieur niveau 1 diende te beschikken. Hij had mijn raad daaromtrent steeds in de wind geslagen, dus werd hij uiteindelijk genoodzaakt mijn ontslag te faseren. Op 1 oktober 1987 werd ik ontslagen voor de eerste 50% (de afdeling goederenbehandeling) en op 1 oktober 1988 voor de andere (de afdeling veiligheid). Mijn contract met ILCI Nederland van Willem Top was rond in de loop van de maand september 1987. Daarom aanzie ik 1 oktober 1987 als de start van mijn tweede professionele leven. Als Safety consultant in het tweede paradigma in het werkveld; dit van Organisatorische veiligheid.

Mijn professionele loopbaan begon midden jaren zestig toen ik voor mijn studie keuze stond. Ik zie namelijk m’n vijf jaar aan de universiteit als de start van die loopbaan. Onbezoldigd weliswaar, maar met een duidelijke doelstelling en een reeks activiteiten die daartoe moesten leiden. Het studentenleven is overigens, buiten een paar betogingen, grotendeels aan mij voorbijgegaan. De Gentse horeca heeft heel weinig aan mij gehad. Niet alleen had ik een enorme drive en focus, ik had ook niet de financiële middelen om een cliché studentenleven te leiden. Ik heb dat laatste overigens nooit gemist.

Ik herinner mij het als de dag van gisteren dat ik vader Richard vroeg of hij m’n studie aan de universiteit wou sponsoren. Ik was de derde oudste en ook derde zoon van een gezin van zeven. Ik was de eerste – en zoals later zou blijken – de enige van het gezin die deze vraag ooit aan vader stelde. “Welke richting heb je gekozen, Jan?” was z’n repliek.

Vader heeft mij nooit bij m’n voornaam ‘Johan’ genoemd. Ik heb nooit echt kunnen achterhalen hoe dat kwam. Ooit vroeg ik het m’n peter, die erbij was toen vader m’n geboorte meldde aan de Burgelijke Stand van Eeklo. Diens cryptisch antwoord: “Weet je, Johan, het enige dat ik mij van die dag in januari 1946 herinner is dat het steenkoud was en dat Richard en ik ons op weg naar het Stadhuis hadden ‘opgewarmd’ aan meerdere jonge klare’s.”

Mijn antwoord op vader’s vraag: “Burgerlijk ingenieur aan de RU Gent, vake!” “Goede keuze, Jan’, repliceerde vader en voegde er “daar hoef je niet handig voor te zijn” aan toe. Vader Richard had zo z’n eigen specifieke ‘hamer op de kop’ humor. Hij vervolgde snel met: “Gaat dat lukken, Jan?” Mijn antwoord: “Ik zal dat proberen, vake” werd weggehoond. Vader fulmineerde: “Proberen bestaat niet, zeker in deze niet! Je doet het of je blijft er van af!”

yoda

Die dag heeft vader een contract opgesteld. Hij zou sponsoren, inclusief een kot in Gent en ik zou slagen. Elk jaar zou het contract vernieuwd worden. Indien ik niet zou slagen, voorzag het contract een clausule: “Ik zou een job aanvaarden als verzekeringsagent in het team waarvan vader Richard de leiding had.”

U ziet, vader was ‘het nieuwe werken’ dat momenteel opgang maakt – onder meer in Vlaanderen onder impuls van Frank Van Massenhove, voorzitter directiecomité FOD Sociale Zaken – zo’n kleine halve eeuw voor. Hij gaf voldoende steun en dus een correcte input aan het proces en het was duidelijk welke output hij er van verwachte. Hij gaf mij, die het proces van binnen uit diende te sturen, bovendien veel vertrouwen, was sterk geïnteresseerd in m’n studies doch controleerde mij voor geen sikkepit. Ik was echter wel ten volle accountable voor de output. ‘Command & Control’ was niet vaders’ manier van leiding-geven, met andere woorden hij had de transformatie van ‘blame to accountability’ reeds lang doorgemaakt.

In 1970 studeerde ik af. Nooit heb ik een stralender mens gezien als vader Roels toen de rector, in de late namiddag van 13 juli van dat jaar in de Aula van de Universiteit Gent, mij afriep als de primus van m’n richting.

Een maand nadien was ik reeds in Den Haag aan de slag en op de laatste dag ervan huwde ik met ‘ons’ Rita. Nog geen jaar nadien had ik begrepen dat onderzoeker aan het Institut International des Brevets niets voor mij was en startte ik als productie ingenieur in een oud chemisch bedrijf in de Gentse Kanaalzone, bekend onder de naam ‘de Kuhlmann’. Dit bedrijf – dat in het begin van de twintigste eeuw werd gesticht door de groep ‘Les établissements Kuhlmann’, de eeuw voordien opgericht door Frédéric Kuhlmann – was eindelijk begonnen met het aanwerven van Nederlandstalige ingenieurs. De voertaal in het management team was Frans en dat zou nog een decennium zo blijven.

Aan mijn transfert van het statige Den Haag naar het nietige Rieme (“ça rime à rien”) is een anekdote verbonden. Het was ook de laatste keer dat vader Richard een hoofdrol speelde in m’n professionele loopbaan. Ik had in de loop van m’n laatste jaar aan de unief reeds gepostuleerd voor een job aldaar, maar uiteindelijk oordeelde het Management Team dat die functie nog niet diende te worden ingevuld. Toen het MT een jaar later besloot om alsnog over te gaan tot het aanwerven van een jonge ingenieur voor die functie, stuurde het een brief naar m’n ouderlijk adres. Vader stuurde die door naar Den Haag. Hij had er een laconiek bericht aangehecht: “Jan, kom terug naar Vlaanderen … ‘De Kuhlmann’ is zo zeker als de Staat en betaalt dubbel!” Noch het een nog het ander is achteraf waar gebleken, edoch de transfert ging door.

Ik startte als adjunct afdelingshoofd in de nieuwe zwavelzuur productie eenheid. Gezien ik nog alles te leren had, vroeg ik m’n directeur Nicolas Kopylov om te mogen meedraaien in shift gedurende de opstart van die eenheid. Het werd de meest rampzalige opstart van een zwavelzuur eenheid uit m’n loopbaan. Vandaar dat ik uiteindelijk meer dan vier maand shift gelopen heb. Ik verwisselde om de zes weken van ploeg, zodat ik heel wat leerde over de algemene bedrijfscultuur en over de cultuurverschillen tussen ploegen van dezelfde eenheid binnen het bedrijf. Zaken die ik niet aan de unief had geleerd. Ik heb nooit meer geleerd in m’n volwassen leven dan gedurende die vier maand (en niet alleen in het fabriek…) Het enorme gebrek aan vertrouwen en openheid tussen de verschillende hiërarchische lagen was onthutsend en de oorzaak van heel wat miskleunen. Met een oude ingenieur van de Fosforzuur afdeling, de heer Guleac, had ik daar diepgaande gesprekken over. Hij was op het einde van z’n loopbaan en gaf mij een opdracht door die hij zelf niet had kunnen verwezenlijken. “Johan’, zei hij “het grootste probleem binnen de Kuhlmann is het gebrek aan goede communicatie. Vergeet alles wat je aan de unief leerde; onthoud echter wel de regel van drie vanuit het lager onderwijs, die moet je wel feilloos kunnen toepassen. Los het communicatie probleem op en de rest komt vanzelf.” Toen ik zestien jaar nadien het bedrijf verliet gaf ik dezelfde opdracht aan m’n opvolger. Veertig jaar later schreef ik het boek ‘Cruciale dialogen’.

Eind 1976 werd ik dringend bij directeur Kopylov ontboden. Bij het binnenkomen van z’n kantoor riep hij mij toe: “Vous allez aux Indes!!!” Ik verstond hem niet zo goed en vroeg: “Où se trouvent ‘les Zindes’?” Zijn repliek: “Fou!” Hij stuurde mij kennelijk naar Indië (voor de Nederlandse lezers India). Ik vroeg mij af waarom, dus gaf ik volgende voorzet: “Un incentive pour mes efforts démontrés les cinq dernières années?” Het antwoord liet niet lang op zich wachten: “Imbécile, vous allez démarrer un atelier d’acide sulfurique à Visakhapatnam.” “Pardon, Mr. Kopylov, je ne suis pas ingénieur de démarrage, je suis ingénieur de fabrication.” “Mr. Roels, on vient de vous nommer, au Siège à Paris, ingénieur de démarrage. Préparez vous, vous partirez dans dix jours.” Er werd dus niet gevraagd of ik daar goesting in had en of  ‘ons’ Rita dat zag zitten. Bovendien was de steun in verband met de voorbereiding onbestaand. Enkel voor het vliegtuig ticket en vervoer naar de luchthaven werd gezorgd. Ik vertrok begin januari 1977 naar Indië.

De opstart van die eenheid in Visag heeft m’n leven veranderd. In één fractie van een seconde werd veiligheid een waarde en begon de transformatie van m’n eerste naar m’n tweede professionele leven. Het ongeval van een medewerker – een Indische ingenieur mechanica – die ik, op zijn uitdrukkelijke vraag, inwijdde in het chemisch proces, was het ‘tipping point’. Doordat de afsluiter, die ik hem vroeg te openen, daarbij open spatte liep hij zware brandwonden op. Een kwart van z’n lichaam kwam in contact met 98% zwavelzuur aan 80°C. Praktisch het enige wat ik van veiligheid wist, is besloten in de slogan: “Eerst water, de rest komt later!” en die raad heb ik naar de letter toegepast. Toen ik de verbrandde huid onder de kracht van het water zag ‘afstromen’, barstte ik in snikken uit. Niemand heeft dat ooit gezien, ook ik stond onder de veiligheidsdouche er voor zorgend dat het water terecht kwam daar waar dat moest, mij de ‘waarom’ vraag eindeloos stellend. In die analyse kwam ik mezelf meermaals tegen en dat heeft een onuitwisbare indruk op mij nagelaten. Ondertussen werd door anderen het vervoer van het slachtoffer geregeld. Er bestond geen rampenplan …, gelukkig had ik een auto met chauffeur ter beschikking en vond m’n collega Charcraborty van Krebs India een kleine kliniek in de buurt. Wij vetrokken er, een half uur na het openspatten van de afsluiter, vierklauwens naar toe. Tijdens de rit smeerde ik de inhoud van de pot Flamazine, die ik voor eigen gebruik naar Visag had meegenomen, over de afschuwelijke brandwonden. Derdegraads brandwonden die ongeveer een kwart van z’n tenger lichaam uitmaakten. Voor eigen veiligheid had ik wel degelijk gezorgd. Zo was m’n werkkledij ‘zuurbestendig’, wat niet kon gezegd worden van het Indisch werkplunje van het slachtoffer. Bij aankomst in het dispensarium stond een dokter ons op te wachten. Klaarblijkelijk een Indiër, maar met een duidelijk Texaans’ accent. Hij vuurde staccato zijn vragen af. “What chemical product?” Sulfuric Acid. “How long did you shower?” 30 minutes. “Really?” On-the-watch. “What’s that white stuff on his body?” Flamazine. “What’s Flamazine?” Ik stopte ‘m de nu lege pot toe. Hij las de kleine tekst op het label en knikte. Vlug deed hij een test met een naald en een ph papier en vond geen zuur meer in het lichaam van het slachtoffer. Hij keek mij aan en stelde: “Thank you, you’ve done the utmost. It’s up to me now!” Ik vroeg met trillende stam: “Can you do something for my friend?” Hij keek naar mij, stelde zich voor en zei erbij dat hij net terug was na zeven jaar als specialist gewerkt te hebben in het Brandwondencentrum van Houston (USA). Na zes weken werd m’n vriend uit het dispensarium ontslagen, de gevolgen van de brandwonden waren niet leuk om te zien, de huid was wel ‘hersteld’ en de infectierisico’s waren beheerst. Niet alleen was het leven van m’n vriend gered, zelf was ik bevrijd uit een bekrompen mindset: “Productie voor alles!”. Ik had ook begrepen dat ik m’n portie ‘chance’ in het leven had opgesoupeerd en dat ik in de toekomst daar zelf diende voor te zorgen. Het was de start van mijn tocht op weg naar een nieuw paradigma in het werkveld.

Donderdag 6 oktober 2016 animeerde ik m’n vijftiende én laatste bijeenkomst van het Cruciale dialogen genootschap. Het was een feestelijke afronding van m’n professionele loopbaan. Het lijkt mij een goed idee om gedurende de rest van deze maand, begin volgende maand terug te blikken en m’n vier professionele levens te overschouwen.

Dezelfde eerste week van oktober 2016 werd ook gekenmerkt door de aankondiging van een massaal ontslag bij ING België. Hierbij onthoud ik uit het VRT een journaal van de dag nadien de uitspraak van Fons Leroy, Afgevaardigd bestuurder van de VDAB: “Mensen dienen wendbaar en weerbaar te worden”.

Niet toevallig las ik in die eerste week van oktober 2016: “Een job voor het leven, dat is voorbij. We zullen ons elke tien jaar moeten omscholen. Wij allemaal”. Dit is een quote van minister van Digitale Agenda Alexander De Croo (Open Vld) in een interview met Het Laatste Nieuws.

Dus is het eigenlijk normaal dat ik mij, denkend aan m’n professionele levens, volgende vragen stel: “Ben ik in m’n professionele loopbaan wendbaar en weerbaar gebleken?” en “Heb ik mij elke tien jaar omgeschoold?”.

Om dit alles begin ik volgende week een reeks columns met betrekking tot mijn vier professionele levens. Die zullen verschijnen op deze column website www.creativeinterchange.be .

Wat het beantwoorden van de twee bovenstaande cruciale vragen betreft: dat laat ik aan de lezer van die columns over.

4levensb

Een summier overzicht:

Eerste leven: Burgerlijk Werktuigkundig Ingenieur (eerste veiligheidsparadigma)

Tweede leven: Consultant Veiligheid (tweede veiligheidsparadigma)

Derde leven: Consultant Gedragsverandering (derde veiligheidsparadigma)

Vierde leven: Consultant Cultuurtransformatie (vierde veiligheidsparadigma)

Wordt dus vervolgd!

Creatively,

Johan