Naast het schrijven van vijf columns over Friedrich Nietzsche en Henry Nelson Wieman blies ik deze zomer een oude gewoonte nieuw leven in: het suggereren van nummers aan ‘radio één’.

De oorsprong van die gewoonte ligt eigenlijk niet bij mezelf. De aanstoker was m’n jongste broer Luk (wij begroetten elkaar steevast met “Dag, jongste broer” en waren de enigen in ons gezin van zeven kinderen die dat konden doen). Op een van de nieuwjaarbijeenkomsten in de jaren tachtig van vorige eeuw verklaarde Luk dat hij de volgende week het ‘onmogelijke’ voor mekaar zou brengen. Hij zou elke werkdag van die week, via de presentator van dienst van radio één, om kwart voor zes een song aandragen. Meer bepaald in het luik ‘Luisteraarseiland’. Het format van dit luik bestond er in dat een luisteraar een zevental platen uitkoos om een week te vertoeven op een ‘verlaten’ eiland. Luk had bericht gekregen dat de week nadien elke dag een van z’n voorgestelde nummers – met telkens de reden van z’n keuze – te horen zou zijn. Hij liet mij zachtjes verstaan dat men, om dit te kunnen verwezenlijken, wel jong en dynamisch diende te zijn en hij voegde er fijntjes aan toe dat dit voor mij, een elf jaar oudere burgerlijke ingenieur die aan z’n carrière timmerde, niet meer mogelijk was.

Uiteraard nam ik de handschoen op en … het jaar nadien vertoefde ik de eerste week van het nieuwe jaar met mijn songs op ‘luisteraarseiland’. Het daaropvolgend jaar was Mieke, de eega van Luk, te gast op dat eiland. Mij was het duidelijk dat Luk haar als dekmantel had gebruikt. Ook dat kon ik parafraseren; dus het volgend jaar vertoefde ‘ons Rita’ op dat paradijselijk eiland, met haar songs (die ik uiteraard zorgvuldig had uitgekozen: onder meer een prachtig nummer op van Billy Joel dat op Rita’s lijf geschreven is: ‘She’s always a Woman to me’). Het jaar nadien was Marieke Roels (dochter van Luk) de gast op dat eiland, gevolgd door – de eerste week van het daaropvolgend jaar – m’n dochter Daphne.

Toen werd ‘luisteraarseiland’ afgevoerd en vervangen door ‘kippenvel blues’. In dit vernieuwde luik dienden liedjes aangevraagd worden die voor ‘kippenvel’ zorgden en … onze liedjescarrousel startte opnieuw. Mijn songs uit die periode waren onder meer ‘Don’t cry for me Argentina’van Julie Covington (voor moeke Roels) en ‘I think too much (b)’ van Paul Simon (voor vake Roels). Kortom Luk en ik hebben onder eigen naam en onder de aliassen van eega en oudste dochter meer dan een decennium lang de eerste week van het nieuwe jaar kleur gegeven. Toen vond radio 1 het welletjes en voerde ook ‘kippenvel blues’ af. En ik haakte af. Luk boerde wel voort en liet me af en toe weten in wat voor programma dit hem weer was gelukt. Luk deed dit tot een paar maand voor z’n dood, toen zakte een presentator zelfs naar Eeklo af om hem te interviewen over z’n geboortestad en z’n liedjeskeuze.

Deze zomer, negen jaar na de zomer dat ik uit het diepe dal van een massieve depressie kroop en Luk ons verliet, hernam ik dus, ‘met pensioen’ zijnde, m’n ‘oude’ gewoonte. Dit ook al omdat ik het format van ‘De zomer van’ leuk vond. Elke werkdag werd een thema aangesneden door de ‘gast van de dag’ en konden luisteraars via de website van radio 1 suggesties doen. Vroeger gebeurde dit per reguliere post (ik hou van Engels begrip daarvoor: ‘snailmail’); nu wordt het internet ingeschakeld. Dit is niet het enige verschil met vroeger. Indien jouw suggestie door de redactie wordt opgepikt dan wordt je nu meteen opgebeld. Eerst door de producer of andere medewerker van het programma en tien minuten nadien door de presentator zelf. Jouw tekst wordt nu niet meer voorgelezen, in plaats daarvan ontspint zich een IRL conversatie waarin je de keuze van de door jou gekozen song kunt duiden.

Zo werd ik deze zomer zes maal door radio 1 opgebeld, waaronder vijf maal gedurende een  uitzending van ‘De Zomer van 2018’. Uiteraard stuurde ik meer suggesties in; voor mij was het een dagelijkse oefening van het verbinden van een opgelegd thema met m’n denkkader, dus een beleven van creatieve wisselwerking.  Toch mag ik niet ontevreden zijn over het resultaat; ik schat dat ik een scoringspercentage heb behaald van zo’n 25%. De laatste vrijdag van augustus werd het programma ‘De Zomer van 2018’ eenmalig vervangen door ‘De Lage Landenlijst’ en ook nu belde de presentator van dienst – de ook al gepensioneerde Jan Hautekiet – mij teneinde m’n verhaal te horen rond m’n suggestie: “De Verdwenen Karavaan” van Jan De Wilde (en van de hand van Lieven Tavernier).

Hierna volgen chronografisch de verschillende songs met hun respectievelijke contekst:

 

Jersey Girl – Tom Waits – 15 juni: Rika Ponnet zoekt liedjes over de liefde (met Annelies Moons)

Zowat iedereen kent ‘Martha’ van Tom Waits. Dit nummer scoort altijd hoog in de diverse top 100 ‘aller tijden’. Heel wat minder bekend echter is zijn originele versie van Jersey Girl, een prachtige, praktisch vergeten parel.

Toegegeven, ook ik heb die song leren kennen via ‘The Boss”. Op Bruce’s box-set Live 75-85 is Jersey Girl het sluitstuk, de hoeksteen als het ware. Via die box kwam ik erachter dat het origineel van Tom Waits is. Tom schreef het in 1980 samen met zijn latere vrouw Kathleen Brennan, die in New Jersey opgroeide, vandaar de titel. Toen ik dan Tom Waits’ versie voor het eerst hoorde, dacht ik onwillekeurig aan The Drifters, uit m’n vroege jeugd. Dit omdat Tom een trage ‘Under the Boardwalk’ riff uit z’n oude gitaar tovert.

Jersey Girl is een van Tom Waits zachte nummers, heel romantisch met toch wat ranzige kantjes, die Bruce Springsteen uit z’n versie filterde. Lees eens de beginstrofe:

Got no time for the corner boys

Down in the street making all that noise

Don’t want no whore’s on 8thavenue

Cause tonight I want to be with you.

Een van de bovenstaande regels deed mij ogenblikkelijk denken aan m’n lijflied ‘The Boxer’ van Paul Simon en uiteraard aan de zin: “Just a common from the whores of 7th avenue”. Een regel die Paul verkneukelde toen hij voor het eerst de versie van Emmylou Harris, een ander jeugdidool van mij, hoorde; maar dit geheel ter zijde.

Omdat Bruce Springsteen Jersey Girl veel zong in de begin jaren tachtig – vooral, hoe kan het ook anders, tijdens diens New Jersey shows – werd het uiteindelijk een van de favoriete songs van z’n fans. Tom vergezelde Bruce soms op het podium voor de vertolking van Jersey Girl. Tom Waits zei daarover in 1987 in een interview met Bill Flanagan: “Bruce Springsteen? Well, I’ve done all I can for him. He’s on his own now.”

Hierna kan je beluisteren wat ik effectief vertelde tijdens de uitzending, gevolgd door Jersey Girl van Tom Waits:

 

Lullaby (Good night my angel) – Billy Joel – 25 juni: Marieke Dilles zoekt liedjes die eigenlijk kinderliedjes zouden kunnen zijn (met Annelies Moons)

Een zo’n ‘kinderliedje’ kleurde ons leven méér dan énig ander: Billy Joel’s ‘Good Night my Angel’. Hoewel dochter Daphne al volwassen was toen het album, waarop die Lullaby staat, uitkwam, dacht ik aan haar toen ik het lied voor het eerst hoorde. Het leek mij toen (en nu nog steeds) een perfect lied om de liefde voor je kind uit te drukken. Toen ze me een achttal jaar later vroeg welk lied ik wenste voor de tweede dans op haar huwelijksfeest – je weet wel de geijkte dans van de bruid met haar vader – twijfelde ik geen moment om Billy’s Lullaby te sugereren. Ook al om de onvergetelijke strofe:

And like a boat out on the ocean
I’m rocking you to sleep
The water’s dark and deep
Inside this ancient heart
You’ll always be a part of me

Het lied verscheen op zowat het meest indringend album van Billy Joel: ‘The River of Dreams’ en zowel het titellied en de lullaby prijken sedert 1993 op m’n persoonlijke lijst van ‘evergreens’. Daphne vindt het zelf ook een mooi lied en heeft het laten horen tijdens elke doopplechtigheid van haar drie kinderen: Eloïse, Edward en Elvire.

Hierna volgt een stukje klankband van deze uitzending, gevolgd door de song ‘Lullaby (Good night my angel) van Billy Joel:

 

Le Moribond – Jacques Brel – 26 juli: Alain Vande Putte zoekt liedjes over sterfelijkheid (met Evert Venema)

Als vorig lied al een soort testament is, dan is Le Moribond van Jacques Brel dat explecieter en gezien die dag Alain Vande Putte naar liedjes over sterfelijkheid hengelde, dacht ik direct aan dit lied. Ook deze keer werd m’n lied er uitgepikt. Toen ik al aan de lijn met Evert Venema hing, kon ik het gesprek tussen Alain – onder meer de tekstschrijver van zowat alle K3 liedjes – en Evert goed volgen. Alain het had over een andere lied van Jacques dat ook kon dienen voor het thema ‘sterfelijkheid’. Alain citeerde uit Brel’s ‘Le Dernier Repas’:

Et puis je veux encore
Lancer des pierres au ciel
En criant Dieu est mort
Une dernière fois.

Gezien ik toen  – Oh Synchronicity! – juist doende was met het afronden van deel drie van m’n serie columns rond ‘Friedrich Nietzsche vs. Henry Nelson Wieman’, deel met als onderwerp “God is dead”, kon ik niet nalaten dit in ons gesprek te vermelden. Daarop vroeg Evert om het werkstuk, van zodra het af was, door te sturen. Daar Alain het nadien ook nog had over z’n filosofische studies en vooral over de workshops die hij organiseert in Spanje met Vlaamse filosofen, stuurde ik de column ook aan Alain. Deze serie columns – die uiteindelijk in een soort essay zullen worden gebundeld – gaan namelijk over de hoofdthema’s van twee filosofen Friedrich Nietzsche en – de mentor van m’n mentor – Henry Nelson Wieman.

Hierna kan je horen wat zich effectief afspeelde tijdens de uitzending, gevolgd door Le Moribond van Jacques Brel:

 

Road to Joy – Bright Eyes – 16 augustus: Piet Chielens zoekt anti-oorlogsliedjes (met Koen Fillet)

De uitzending van die dag begon met ‘Ode an die Freude’ van Beethoven en de toon was gezet. Ik stuurde als suggestie ‘Road to Joy’ van Bright Eyes en dit niet alleen omwille van de titel van het lied.   Daar Piet Chielens directeur is van het Ieper’s ‘In Flanders Fields’ museum dacht ik uiteraard aan m’n beide grootvaders aan moederskant. Bij m’n suggestie schreef ik dan ook summier het unieke ‘Groote Oorlog’ verhaal van Gustaaf en Medard Rieberghe, de vader en stiefvader van ‘moeke Roels’, Donatine Rieberghe.

Dit liefdesverhaal ‘over de dood heen’ gaat, gebaseerd op de broze herinnering van een 72 jarige, als volgt. Gustaaf Rieberghe was in het voorjaar van 1913 ‘op logement’ in Waremme. Hij werkte als Vlaming in Walonië bij het aanleggen van wegen. De logies werd gerund door de ouders van een jonge freule, Marie Van Brabant. Gustaaf en Marie mochten elkaar wel en het resultaat bleef niet uit, Maria zwanger raakte zwanger en dus werden de trouwklokken geluid. Omdat Gustaaf niet eeuwig in de streek rond Waremme zou blijven, besloten ze dat het beter was dat Marie voorlopig in Maldegem bij haar schoonouders zou intrekken. Die spraken wel geen Frans en Marie geen Nederlands, maar het echtpaar besloot dat het kind zou geboren worden in Maldegem… Dit was zonder de kindjes, want het ging om een tweeling, gerekend. Tijdens de tocht begonnen de weeën en uiteindelijk beviel Marie in Elsene, deelgemeente van Brussel en dit op 2 januari 1914. Het jongetje stierf kort na de geboorte en het meisje, dat dus later m’n moeder werd, kwam kort nadien met haar ouders aan in Maldegem. Eind juli van dat jaar werd Gustaaf gemobiliseerd en kort nadien brak de eerste wereldoorlog uit.

In die wereldoorlog diende Gustaaf bij de Genie en werd een van de talloze slachtoffers van de Duitse gasaanvallen. Zijn longen werden door de chlorine zwaar aangetast en Gustaaf werd overgebracht naar het Albert I ziekenhuis in Parijs. Z’n jongere broer Medard, ook frontsoldaat, bezocht de stervende Gustaaf en die vroeg Medard hem te beloven voor z’n vrouw Marie en dochter Donatine te zorgen. Gustaaf overleed kort nadien op 18 oktober 1916.

Na de oorlog kweet Medard zich aan de taak die hij had aanvaard en die Jacques Brel in het vorig lied bezong. Hij deed dit zeer consentieus en in die mate dat z’n toemalig lief het zodanig op haar heupen kreeg dat hun relatie afsprong. Uiteindelijk huwde Medard een paar jaar later met ‘moeder Maria’, zoals de kleinkinderen haar later noemden. Het paar kreeg te maken met heel wat tegenslagen: Medard heb ik nooit volledig hersteld geweten van de gasaanvallen, die ook hij te verduren had gekregen een dertig jaar voor m’n geboorte en het echtpaar verloor drie kinderen op heel jeugdige leeftijd, door ziekte of ongeval. Uiteindelijk had m’n moeder twee drie-kwartbroers en twee drie-kwartzusters.

Een anekdote die mij altijd zal bij blijven gaat over de laatste keer dat m’n moeder haar tweede vader sprak. Hij had haar gevraagd naar z’n ziekbed te komen en toen zij aankwam verzocht hij iedereen die in de kamer was die te verlaten. Toen ze alleen waren overhandigde vader Médard m’n moeder een ‘envelop met inhoud’, met de woorden: “Je staat dan wel niet op m’n boek, ik heb je altijd beschouwd als m’n dochter en ik wil er zelf voor zorgen dat je krijgt waar je volgens mij recht op op hebt.”

Ook die ochtend van 16 augustus 2018 werd ik opgebeld en begreep uiteindelijk dat niet alleen de liedjeskeuze maar dat vooral de onderliggende reden ervan er voor zorgde dat m’n liedje uit de honderden uitzendingen werd uitgepikt. Ik had mede voor ‘Road to Joy’ ook gekozen omdat dit bijtend anti-oorlogslied de muzieklijn van ‘Ode an die Freude’ parafraseert.  Na het lied in kwestie, zei Koen Fillet dat hij die muzieklijn niet herkend had en volgens Piet was die melodie ‘ver weg’. Nu weet ik dat Koen geen goed luisteraar is (wat hij ook in die uitzending een paar keer toegaf) en dus stuurde ik hem een mailtje, met het verzoek toch maar eens goed naar de song van ‘Bright Eyes’ te luisteren. Prompt kreeg ik een half uurtje na de uitzending een ‘reply’ van Koen waarin hij mea culpa sloeg en zich excuseerde. Ook met Piet Chielens had ik die dag een e-mail conversatie. Piet schreef daarin, en ik citeer:

… ik had wel degelijk de parafrase herkend, maar vermits Koen kennelijk niet, en het geen letterlijk citaat was, zei ik op antenne zei dat het ‘ver’ zat. Mocht ik het opnieuw horen, zou ik dat wellicht niet doen. Ik wil Koen zeker verontschuldigen want zo’n programma, even sereen en geordend als het overkomt bij de luisteraar thuis, is het hectisch in de studio… telefoons die binnenkomen, volgende plaat die klaarstaat, babbel afspreken met de gast, verkeersinfo in de gaten houden… Er is echt geen tijd om te LUISTEREN! Wat echt zonde is. Zoals hier blijkt. Ik beluister Bright Eyes zeker opnieuw, want ook ik heb iets bijgeleerd.

Hierna kan je de captatie van m’n bijdrage aan die uitzending horen gevolgd door ‘Road to Joy’ van Bright Eyes:

 

Believe – Cher – Sofie Lemaire zoekt liedjes met vervormde stemmen (met Koen Fillet)

Die dag zocht Sofie Lemaire naar vervormde stemmen. Eerst dacht ik aan een nummer van Bruce Springsteen waarbij hij z’n falsetto stem gebruikt – “All I’m Thinkin’ About” – maar dat mocht niet volgens de regels van het thema. Dus sprong, uiteraard, Believe van Cher in m’n herinnering en stuurde ik die song als suggestie in. Ook deze keer werd ik gecontacteerd en kreeg ik Koen life aan de lijn.

Ik had nog met Koen Fillet een rekening van de vorige keer te vereffenen en daarom liet hem, voor het antwoord op z’n directe vraag, even op z’n honger zitten en dwong hem als het ware goed te luisteren. Je kan het ongeduld van Koen in het onderstaand geluidsfragement duidelijk horen; hoewel … deze ‘aanname’ zal ook wel met m’n denkkader te maken hebben. Uiteindelijk laat ik de naam ‘Cher’ vallen en Koen springt er op  – ‘als de bok op Geeraard’ zou moeke Donatine gezegd hebben – en onthult de titel ‘Believe’ en ik zeg ‘Yes!’. Heerlijk vond ik dat.

Oordeel zelf maar tijdens het beluisteren van volgend geluidsfragment met aansluitend ‘Believe’ van Cher:

 

De Verdwenen Karavaan – Jan De Wilde – 31 augustus: Jan Hautekiet zoekt nummers die nog niet in de lage landenlijst zijn opgenomen

De dag nadat er een punt achter het radio 1 programma “De Zomer van 2018” was gezet, nam Jan Hautekiet die vrijdag éénmalig over met een drie uur durend programma rond “De Lage Landenlijst”. Op de radio 1 website vond ik een lijst met honderd nummers uit de huidige ‘de Lage Landenlijst’, Nederlandstalige liedjes van na 1945, en de website riep op om zelf een mini lijst van drie nummers door te sturen. Die morgen hengelde een andere radio 1 website bladzijde, deze gewijd aan het programma van die dag, naar het nummer dat de luisteraar zelf zou toevoegen aan de huidige lijst en dat nummer, ‘met redenen omkleed’, elektronisch kenbaar te maken. Uiteraard dacht ik aan De Verloren Karavaan, m’n persoonlijke nummer 1 in de Lage Landenlijst. En bovendien, Oh! Synchronicity! bis, gebeurde Jan Hautekiet ‘s oproep op de dag voor de intrieste verjaardag van het plotse overlijden van broer Luk. Komt daarbij dat Luk en ik speciaal dit nummer koesterden omdat het ons deed terugdenken aan vake en moeke Roels die, bij het uitkomen van Jan De Wilde ‘s nummer, reeds lid waren van ‘onze’ verdwenen karavaan. Sedert 1990 werd de ledenlijst van mijn verdwenen karavaan stelselmatig aangevuld en uitgerekend negen jaar geleden vervoegde Luk zelf die lijst.

Het verwonderde mij helemaal niet dat ik ook die vrijdagmorgen door Radio 1 werd opgebeld. Het gesprek dat ik met Jan Hautekiet had, gevolgd door het door Lieven Tavernier gecreëerde, maar eerst door Jan De Wilde op plaat vastgelegde lied, hoor je hierna; de laatste zinnen van dit lied werden ook deze keer werkelijkheid:

 

Je ziet, deze zomer was er zowel een van nostalgisch terugblikken met bovenstaande songs als het blijven timmeren aan de weg met m’n columns rond Nietzsche en Wieman, die je ook op deze website terugvindt.

Part V: Eternal Return

 

Friedrich Nietzsche’s ‘Eternal Return’

Nietzsche’s last great concept at the heart of Zarathustra is the ‘Eternal Return’.

This idea even constitutes, according to Nietzsche, the essential thought of Zarathustra.

 

What does this thought consist of?

Nietzsche wonders what could be the most fertile value, the most useful to life, the most creative, the most positive. This value should correspond to “the highest statement”. It’s in the hypothesis of an eternal return of all that has already been that Nietzsche finds the strongest expression of this statement. He exhibits for the first time this thought, which he calls “the heaviest thought”, in the Gay Science (Aphorism 341):

 

The greatest weight:[i] What, if some day or night a demon were to steal after you into your loneliest loneliness and say to you: “This life as you now live it and have lived it, you will have to live once more and innumerable times more; and there will be nothing new in it, but every pain and every joy and every thought and sigh and everything unutterably small or great in your life will have to return to you, an in the same succession and sequence – even this spider and this moonlight between the trees, and even this moment and I myself. The eternal hourglass of existence is turned upside down again and again, and you with it, speck of dust!”

Would you not throw yourself down and gnash your teeth and curse the demon who spoke thus? Or have you once experienced a tremendous moment when you would have answered him: “You are a god and never have I heard anything more divine.” If this thought gained possession of you, it would change you as you are or perhaps crush you. The question in each and every thing, “Do you desire this once more and in- numerable times more?” would lie upon your actions as the greatest weight. Or how well disposed would you have to become to yourself and to life to crave nothing more fervently than this ultimate eternal confirmation and seal?[ii]

A very beautiful text, isn’t?

What is striking is that Nietzsche first presents, in more than half of the text, this thought as an absolutely frightening prospect: this thought would “crush you”, “You would throw yourself on the ground,” he said. But it is Nietzsche’s strategy to make the hypothesis of an eternal return of the same on the one hand as scary as possible, and on the other extremely desirable.

The exhortation which is here implicit, and which will become explicit in the Zarathustra, is the following: let us evacuate the negative affects of our existence (the bad conscience, guilt, fear, mistrust, shame, disgust, contempt, weariness, and fatigue) so as to live a life that is fully affirmative, that assumes each of its moments, without regret, without remorse, with joy and impatience, so much so that we can only want relive it identically an eternity of times.

 

Where comes Nietzsche’s idea of ​​an eternal return, an idea that is still rather singular, from?

Certainly from his readings of different philosophies and mythologies: the idea of ​​a cycle of nature that inexorably returns, a new beginning. Identical life is present in many Indian or pre-Socratic myths, Pythagoreans in particular.

And Nietzsche, very early on, incorporated into his reflections this mythological motif. For example, in a text written at the age of 18, entitled “Fate and History”, Nietzsche evokes this cyclical dimension of existence by comparing it to the path of a needle on the dial of a clock:

Has this eternal becoming no end? What are the mainsprings that drive this great clockwork? They are hidden. But they are the same in the great clock we call history. Events are its face. From hour to hour the hand moves ahead; at twelve o’clock its course begins anew: a new world-period dawns.[iii]

This metaphor of the clock and in particular of the hand placed on the number twelve, indicating noon, and therefore a new beginning, will mark Nietzsche since it is found, twenty years after this text of youth, in the Zarathustra.

In the meantime, Nietzsche certainly noticed that Schopenhauer himself evoked the present as “eternal midday” and that the will, constantly reiterated and manifesting itself in the immediacy of the present, was, for Schopenhauer, the mainspring, the motor of the eternity of existence. These reflections will undoubtedly influence Nietzsche.

What is a bit confusing is that Nietzsche will actually give a double foundation to the thought of eternal return: an ethical and existential foundation,

This eternal return, Nietzsche seems to want to present it as a physical law. In fact, he tries to give scientific credibility – and material evidence – to his philosophical speculations. He is aware of the danger represented by the radical perspective that he is developing in his philosophy, and which may endorse any theory, any vision of the world and engender a total and inconsistent relativism.

And while defending the irreducible singularity of all existence, he is wary of the whims of the individual. He speaks about the “selfishness as error” and about the necessity to “experience in a cosmic way”. So he tries to somehow moor his reflections to a form of universal necessity.

Nietzsche reads various physical science works, notably those of Julius Robert Mayer, one of the founders of thermodynamics, who published from the 1840s studies on “mechanics of the heat” (“Mechanik der Wärme”) and who postulates, in his works, the hypothesis of conservation of quantities of heat and energy in nature. Nietzsche is seduced by this theory, certainly keeping what he wants to keep, remembering the great ancient myths about the cycles of the universe and ends up to persuade that there may be a scientific justification for these myths. If the quantity of forces and energies in the universe does not change, he concludes that on the one hand, the universe is closed, and if on the other hand time is infinite, we are able to make the hypothesis of a number, certainly immense but all the same limited, of possible combinations. And so he comes to the hypothesis of a repetition, at one time or another, of each of the combinations that have already taken place.

So, we find in the writings of Nietzsche, and in particular in posthumous fragments, reflections that show that he adheres to this hypothesis. At the same time, there are also many traces of his skepticism. Nietzsche is aware, inevitably, that the theory of an eternal return is at the end of the day not very credible, despite his efforts to try to found it scientifically: the eternal return is more myth, metaphysics than science.

Nietzsche, for example, expresses his skepticism in Zarathustra’s monologue entitled “The stillest Stunde” – The Stillest Hour. This is the time when Zarathustra is alone with himself at the end of Book II, and dare not confess – much less confess to his disciples – the revelation that he had; that of an eternal return of all things. It is a conversation with his mistress (i.e. ‘The Stillest Hour’):

Then without voice it spoke to me: “You know it, Zarathustra?” –

And I cried out in terror on hearing this whispering, and the blood drained from my face, but I kept silent.

Then it spoke to me once more without voice: “You know it Zarathustra, but you do not speak it!” –

And at last I answered defiantly: “Indeed, I know it, but I do not want to speak it!”

Then it spoke to me again without voice: “You do not want to, Zarathustra? Is this even true? Do not hide in your defiance!” –

[…]

That is what is most unforgivable in you: you have the power, and you do not want to rule.” –

And I answered: “I lack the lion’s voice for all commanding.”

Then it spoke to me again like a whispering: “The stillest words are those that bring the storm. Thoughts that come on the feet of doves steer the world.

Oh Zarathustra, you shall go as a shadow of that which must come; thus you will command and lead the way commanding.” –

And I answered: “I am ashamed.”

Then it spoke to me again without voice: “You must become a child again and without shame (“Ich schäme mich”). [iv]

This shame is the shame attached to the old Christian culture; culture which gives rise to it. It is also, probably, the embarrassment that Zarathustra feels to reveal a so foolish ‘truth’ (everything that happens will happen again). And it is here that we slide towards the second meaning of this thought of the eternal return: its ethical, existential sense.

Then it spoke to me again without voice: “You must become a child again and without shame.

The pride of youth is still on you, you became young at a late time; but whoever would become a child must also overcome his youth.” –

And I thought for a long time and trembled. At last however I said what I had said at first: “I do not want to.”

Then laughter broke out around me. Alas, how this laughter tore my entrails and slit open my heart!

And it spoke to me one last time: “Oh Zarathustra, your fruits are ripe but you are not ripe for your fruits!

Thus you must return to your solitude, for you shall yet become mellow.” –

And again there was laughing and it vanished; then it became still around me as if with twofold stillness. But I lay on the ground and the sweat poured from my limbs.

– Now you have heard everything, and why I must return to my solitude. I withheld nothing from you, my friends.

But hear this from me as well, I who am still the most tightlipped of human beings – and want to be so!

Oh my friends! There is still something I could tell you, there is still something I could give you! Why do I not give it? Am I stingy? – [v]

The shame reported by Zarathustra is probably also a form of “modesty” (The word “Scham”, in German, which appears in the text, precisely means “modesty”): modesty that there is in fact, for Zarathustra, and through him, for Nietzsche to communicate, the bottom fruit – modest and very personal – of his own experiences, the conclusion of his years of experimentation and reflection, the summary of his wisdom, which states, simply and sincerely: one must live one’s life with such intensity that one could only want to revive it exactly the same.

But this thought, however simple it may seem, contains a real strength. In formulating the idea that one must love one’s life, and all the moments that constitute it, to the point of wanting to relive it strictly identically an infinity of times, this thought provides the ultimate criterion for intensifying our existence. This intensification is based on the affirmation of our will. What kind of life do we really want to lead? What are we willing to accept? What would we like to refuse? The “you have to” imposed by the commandments, moral and religious, is thus replaced by an “I want” that obeys its own law and tests its own relevance, its own consistency by confronting it to the prospect of its infinite reiteration.

The will is thus eternal. For Nietzsche, the test of good will is not conformity with the other wills, the criterion is the power of affirming one’s will and its infinite reiteration: “What you want, you must want it to happen an infinite number of times!” He said that we should not reduce the “I want” to the somehow brutal expression of self-assured subjectivity that makes fun of rules and conventions. What is behind this “I want” is above all a certain attitude towards life: an active acceptance, an impatient and grateful consent, and a “say-yes”. A “Ja-sagen”, Nietzsche states, an amor fati. By accepting life in its entirety, with its share of punishments and cruelties, being ready to take risks, one ensures a more intense and lighter existence, free from fears, freed from paralysis. By acting, one discourages the resentment, which develops in general in helplessness and inaction.

I mentioned the idea of ​​eternity and that the will is for all eternity. In fact, Nietzsche wants to replace Christian belief in eternal life after the death by an ethic of the eternal existence here below. Religion promised eternity, Nietzsche’s philosophy somehow puts it into practice. Christianity achieved something incredible by replacing death by everlasting life – by drawing pretense to better despise life here below, which is necessarily ephemeral, transient. Nietzsche counter-attacks and proclaims that eternity indeed exists – and that she is of this world! Every second lived must contain a drop of eternity, a potential of eternity.

The figure, par excellence, who acquiesces in life to the point of wishing it to return eternally; he who is capable of living every second with the greatest intensity, is the “superhuman” (Übermensch), a form of superior affirmative humanity to which all our efforts must be directed, as we have seen in part IV.

What is interesting to note is that Nietzsche presents the thought of the eternal return as a belief that needs to be gradually incorporated into the human being, in the same way that the belief in eternal life was inoculated Christians over centuries and centuries to succeed, according to Nietzsche, to specimens of contemporary nihilists. For the philosopher, it has been said, mind and body are indissoluble; the belief in the eternal return must therefore take possession of our organisms and regulate our equilibrium, the drive to make us whole beings devolved to the enjoyment of the moment, to the carelessness of becoming and always taken by a happy astonishment regarding the effects of their will.

 

Henry Nelson Wieman’s ‘Creative Good’

Nietzsche’s take on the “Eternal Return” brings me to Henry Nelson Wieman’s view on the “Creative Good”. While Nietzsche was wondering what could be the most fertile value, the most useful to life, the most creative, the most positive, the value that would correspond to “the highest statement” and finally found the ‘Eternal return’; Henry Nelson, searching the same value, found the ‘Creative Good”. While Nietzsche wanted to replace Christian belief in eternal life after the death by an ethic of the eternal existence here below, Wieman replaced the Christian belief in eternal life by a belief in the “Creative Good.” While Nietzsche was aware, inevitably, that the theory of an eternal return is at the end of the day not very credible, despite efforts to try to found it scientifically, for Wieman the “Creative Good” is real and stayed all his life the focus of his quest, although he admitted that he had not fully described it, yet.

In ‘The Source of Human Good’, Wieman identifies ‘God’ as the ‘Creative Good’. In thinking of God as ‘Creative Good’, Wieman follows the Jewish tradition in giving priority to the creative event, while rejecting the transcendental. An analysis of our experience, Wieman argues, shows that no transcendental reality could ever do anything, could ever make any difference to our lives in the form of some events.

Wieman distinguishes this ‘Creative Good’ from the ‘created good’ and he argues that not all created goods carry in themselves the nature of goodness: “Something, over and above their bare existence, must pertain to them to make them truly good.” [vi]For Wieman this ‘Something’ is the ‘Creative Good’, which, to him, is what others meant by God.

The ‘Creative Good’ is for Wieman the reality doing the work in history, and it is this work that has been understood mythically in the western religious tradition as the work of a transcendental person. This mythical understanding, however, involves a contradiction between belief in an absolute beyond history, time and space and belief in God as a person. If we examine the concept of the Creative Good, argues Wieman, we can see how this has come about. The Creative Good at the level most important for human persons takes place between persons. It depends upon the interaction between persons in creating human personality with all its values, and has the potential to save it from values that have become demonic. The necessity of interactions between persons however does not always require physical presence. There can even be an interval of time between the persons in their interactions, and this may extend indefinitely so that the most important participants may have died before the present participants in the communication were even born. Wieman admits that the mythical symbol of God as transcendent person may be indispensable for the practice of worship, and says that the best in Christianity can be put quite simply as:

 … the reversing of the order of domination in the life of man from domination of human concern by created good over to domination by creative good. This event saves the world when it includes the establishment of a community which carries the new order down through subsequent history. [vii]

So, the real living ‘Creative Good’ is Wieman’s view of Nietzsche’s myth know as his concept of  ‘Eternal Return’. To Henry Nelson Wieman the ‘Creative Good’ is the ‘absolute goal’:

An absolute goal, as I see it, is a goal intrinsic to human existence of such sort that human being could not exist without it. It is absolute in the sense that the very continuance of human life requires it. Stated in the simplest possible form, the absolute goal is the creation of coherence, the recovery of coherence when it is disrupted, and the extension of coherence by absorbing new insights, when conditions make this possible. This coherence is never perfect and complete. It is always in process of being formed. All development of knowledge is by expanding the range of theories which distinguish and relate events in such a way that inference can be extended more widely from what is now observed to other events and possibilities more or les remote in time and space or otherwise inaccessible to immediate observation. No child could develop a human mind without the widening range of coherence in the form of knowledge. [viii]

According to Wieman, knowledge, human association and culture depend upon this coherence. And he continues:

This continual recovery of coherence together with acceptance of innovations, this widening of coherence in the life of every individual as he matures from infancy to some level of attainment, and this extension of coherence through a sequence of generations when a culture is being created, is what Hocking calls the work of the “whole idea”. I call it creativity, or the continuous creation of coherence by the way of creative interchange between individuals and peoples. [ix]

Wieman does not believe that there is any final form of this coherence that eternally comprehends all reality. In other words, there is no final ‘created good’. Even if there were an eternal being, Wieman argues, it would not be possible for us to recognize or worship such a being except in the creativity operating in human life, i.e. the ‘Creative Good’. Wieman continues:

The actual empirical reality, which we find occurring in human life, is creativity operating to create coherence in the forms of language and logic, in the forms of science and art, friendship and community of minds, in the forms of a coherent culture and the continuity of history. [x]

This brings us back to the crucial question Wieman wanted to be answered by his empirical philosophy: “To what must our commitment be given if the appreciative consciousness of man is to be created in each individual beginning with infancy, is to be saved from perversion into hate, fear, arrogance and is to be expanded indefinitely?” The answer to this question is to Wieman what ‘Eternal Return’ meant to Nietzsche. It is not the eternal return of a human being; it is the eternal return in each human being of the Creative Interchange process. The objectors to his vision are tackled this way:

An objector might reply that the eternal being does operate in human life in the form of the creativity [Creative Interchange] mentioned. If that is so, then my contention is granted. This creativity operating in human life calls for our religious commitment. If the objector insist that our ultimate commitment must be given to the eternal being, because the creativity derives from that source, I reply: It is impossible for any man to adore, worship or otherwise recognize the eternal being, except as the creativity in human life creates in him the appreciative consciousness which is able to worship such a being, supposing that there is any eternal coherence of all reality. Therefor, no matter how we take it, religious commitment must be given first of all to the creativity which expands and deepens the appreciative consciousness of man. [xi]

So Henry Nelson Wieman makes it very clear that Nietzsche’s ‘God is dead’ is a lie; on the contrary God [Creative Interchange] is alive in every human being, so Creative Interchange eternally returns in every born soul, which is his take on Nietzsche’s ‘Eternal Return’. Wieman continues explaining, one more time, what he means by Creative Interchange:

The expansion and deepening of appreciative consciousness is accomplished by the kind of interchange which (1) creates in me some apprehension of what the other person values and (2) integrates this newly acquired form of appreciation with my own coherent appreciative consciousness. The integration may take the form of recognizing what the other person values without adopting his liking as me own, but nevertheless keeping his values in mind so that I can understand him by putting myself more or less in his place. In this way the appreciative consciousness of man is expanded and deepened. [xii]

Finally Wieman underlines once more the need of Man’s Ultimate Commitment to Creative Interchange:

The empirical philosophy of religion [i.e. Wieman’s philosophy] insists that religious belief should be shaped to direct the ultimate commitment of human life to what does in truth create, sustain, save and expand that coherence which sustains human life and deepens the appreciative consciousness to apprehend the greatest human good human life can ever attain. [xiii]

 

Nietzsche’s ‘Eternal return’ vs. Wieman’s ‘Creative Good’

Both, Nietzsche and Wieman, understood that the ‘Creative Good’ couldn’t be commanded. It has to work from the ‘inside-out’, so you have to want it in the first place. Wanting is necessary but not enough, the conditions so that the ‘Creative Good’ can thrive should be present.

While Nietzsche’s ‘Eternal return’ is a myth, Wieman’s ‘Creative Good’ is a reality.

Both, Nietzsche and Wieman, proclaim an active acceptance and ‘yes-saying’ to life; they accept life in its entirety and choose to live ‘Richly with Dark Realities’.[xiv]  This ‘yes-saying’ is, to both, based on the affirmation of our will.

Nietzsche wanted to state with his ‘Eternal return’ that the will is eternal, while Wieman wanted to state that the ‘Creative Good’ is eternal. Indeed the commitment to Creative Interchange should be ‘eternal’ as the living of Creative Interchange from within. This commitment to Creative Interchange provides the ultimate criterion for intensifying our existence. This intensification is based on the affirmation of our commitment.

Finally, it’s interesting to note that both, Friedrich Nietzsche and Henry Nelson Wieman, state that their belief – respectively the ‘Eternal Return’ and the commitment to live Creative Interchange from within, thus the ‘Creative Good’ – needs to be gradually incorporated in the human being.

 

___________________________________________________________________________________________________

[i]Nietzsche, Friedrich,The Gay Science, Translation by Walter Kaufmann, New York, NY: Vintage Books, A division of Random House, 1974, footnote 71, page 273:

Das grosste Schwergewicht. Literally the noun means heavyweight and this term is actually used to designate the heaviest class in boxing; but it is also used quite commonly for “main emphasis” or “stress.” In an earlier version of this aphorism, I rendered the title “The greatest 
stress!’ My reasons for concluding that Weight” is better are spelled out in the section on the Eternal Recurrence in the Introduction. Nietzsche himself considered section 341 the first proclamation of “the basic idea of Zarathustra” (Ecce Homo, BWN, 752), meaning the eternal recurrence.

[ii]Ibid. Aphorism 341, pp. 271-274.

[iii]The Nietzsche Reader, Edited by Keith Ansell Pearson and Duncan Large. Oxford, UK: Blackwell Publishing, 2006, p. 13.

[iv]Nietzsche, Friedrich. Thus Spoke Zarathustra. A Book for All and None.Translated by Adrian Del Caro. Cambridge, UK: Cambridge University Press. 2006, p. 115

[v]ibid. pp. 116-117.

[vi]Wieman, Henry Nelson. The Source of Human Good. op. cit. p. 10.

[vii]Ibid. Page 269.

[viii]Wieman, Henry Nelson. Seeking the Faith for a New Age. op. cit. p. 151

[ix]ibid.

[x]ibid. p. 152.

[xi]ibid. p. 153.

[xii]ibid.

[xiii]ibid. pp. 162-163.

[xiv]Wieman, Henry Nelson. Man’s Ultimate Commitment. Carbondale, IL.: Southern Illinois University Press. 1958, Chapter 3.