Tagarchief: Allan A. Kennedy

Sterk Sociaal Werk en Creatieve Wisselwerking[i]

Inleiding

Sterk Sociaal Werk was de titel van de Vlaamse sociaalwerkconferentie die op 24 mei 2018 georganiseerd werd in Brussel[ii]. Die conferentie kwam er naar aanleiding van de vaststelling dat de finaliteit van sociaal werk, namelijk het realiseren van sociale rechtvaardigheid, onder druk staat. De sociale onrechtvaardigheid is inderdaad de laatste vijfentwintig jaar gegroeid, onder ander als gevolg van de vele migratiegolven, de groeiende kloven, enerzijds tussen arm en rijk en anderzijds tussen laag en hooggeschoolden, en de negatieve neveneffecten van de globalisatie. Ook werden hoe langer hoe meer barrières, om sociale rechtvaardigheid te realiseren, gecreëerd die voornamelijk de meest kwetsbaren troffen en wentelt de overheid hoe langer hoe meer de zorg voor sociale rechtvaardigheid af op informele zorg, op vrijwilligerswerk en op de behoeftigen zelf, dit door neoliberale ‘stuiptrekkingen’[iii]. Diezelfde neoliberale reflex zorgt ook voor een sterkere focus op resultaatsindicatoren en de opkomst van commerciële spelers, onder meer in de woonzorg en de kinderopvang. Deze ontwikkelingen stellen sociaal werk voor belangrijke vraagstukken, vandaar de roep om een sterk sociaal werk.

In deze column wil ik aantonen dat sterk sociaal werk een grote behoefte heeft aan Creatieve wisselwerking

Vooreerst, wat bedoel ik met Creatieve wisselwerkingCreatieve wisselwerking is het natuurlijk transformatieproces waarmee we allen geboren zijn en dat duurzame verandering mogelijk maakt doordat het mensen en organisaties begeleidt bij :

1. Het ontdekken van feiten, waarnemingen en objectieve gegevens door Authentieke Interactie;

2. Het Waarderend Begrijpen van die, door de deelnemers aan het proces verschillend geïnterpreteerde, realiteit. Bij de toepassing van Creatieve wisselwerking drukt men, wanneer men van mening verschilt, zijn waarheid niet door. In plaats daarvan is men verwonderd en stelt men de leiderschapsvraag bij uitstek: “Hoe komt het dat wij dezelfde werkelijkheid zo verschillend zien?” en wordt er gezamenlijk een ‘Gedeelde Mening’ gezocht en gevonden;

3. Het Creatief Integreren van die diversiteit ten einde uit te deinen wat men weet, apprecieert, zich kan voorstellen en van binnenuit kan beheersen. Op z’n best zorgt het creatief wisselwerkingsproces ervoor dat synergetische oplossingen voor problemen gevonden worden en dat dynamische beslissingen worden genomen.

4. Het Transformerend uitvoeren, waarbij men de acties uitvoert die werden beslist. Het proces lost daarbij niet alleen het probleem op, het transformeert ook eenieder die eraan deelneemt.

Hierbij erken ik dankbaar het baanbrekend werk van dr. Henry Nelson Wieman voor zijn formulering van het creatief transformatieproces (o.m. in diens boek ‘Man’s Ultimate Commitment’[iv]), heerlijk hertaald door mijn vriend dr. Charles Leroy (‘Charlie’) Palmgren, die bovendien de basiscondities, nodig voor Creatieve wisselwerking, identificeerde [o.m. in zijn boeken ‘The Chicken Conspiracy’ (met coauteur Stacie Hagan)[v] en ‘The Ascent of the Eagle’[vi]]. Dit alles en nog veel meer heb ik dan zelf toegepast om vorm te geven aan het Cruciale Dialogenmodel in m’n boek ‘Cruciale dialogen’[vii].

In wat volgt leg ik de link tussen Sterk Sociaal Werk en Creatieve wisselwerking; daarbij  aantonend dat Creatieve wisselwerking en het succesvol voeren van Cruciale dialogen, gebaseerd op het creatief wisselwerkingsproces, hoekstenen zijn van Sterk Sociaal Werk.

De vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk

De Sociaal Werk Conferentie van 2018 identificeerde vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk: Nabijheid, Politiserend werken, Procesmatig werken, Generaliserend werken en Verbindend werken. Die kan men ook zien als het DNA van Sterk Sociaal Werk. Let wel, deze krachtlijnen kunnen niet los van elkaar gezien kunnen worden. Sterk sociaal werk is altijd een combinatie van deze krachtlijnen. DNA is het materiaal waarin de erfelijke informatie van een organisme is vastgelegd. Zo heeft elke sociale professional deze krachtlijnen in zijn/haar werk zitten. Niet altijd even zichtbaar, het DNA van een mens is dat ook niet, maar ze zijn er wel. Ze scheppen een kader, helpen de eigen opdrachten beter te vatten en de rol van partners scherp te krijgen.

Laten we, niettegenstaande deze eigenlijk niet los van elkaar kunnen gezien worden,  deze vijf krachtlijnen (nabijheid, politiserend werken, procesmatig werken, generaliserend werken en verbindend werken) toch, voor de duidelijkheid van m’n betoog, een voor een overlopen en aantonen hoe Creatieve wisselwerking voor elk van deze krachtlijnen een hoeksteen is.

Nabijheid

Een sociaal werker is aanwezig in de leefwereld van mensen in een kwetsbare situatie. De ‘agenda’ wordt altijd samen bepaald. Daartoe zoekt de sociaal werker altijd verbinding.  

In verbinding zijn is eigenlijk in Authentieke Interactie zijn. Authentieke Interactie is ook de eerste karakteristiek van Creatieve wisselwerking. Om dit te visualiseren gebruik ik hieronder een uiterst summiere versie van het Cruciale Dialogenmodel (CDM). Dit omvat uiteraard de eerste karakteristiek Authentieke Interactie van Creatieve wisselwerking, want het CDM is ten slotte ook een voorstelling van het creatief wisselwerkingsproces.

Het realiseren van grondrechten vraagt dan ook nabijheid. Daardoor kunnen ze samen nagaan ‘waar ze staan’ wat het realiseren van grondrechten betreft. Het CDM geeft ook aan ‘waar we naar toe moeten’, met name het realiseren van sociale rechtvaardigheid. Het spreekt vanzelf dat sociaal werkers tijd en ruimte nodig hebben om relaties op te bouwen. Daartoe dienen ze zo laagdrempelig en onvoorwaardelijk mogelijk te kunnen werken aan ontmoeting.  

Daarbij dienen ze het werkwoord ‘ontmoeten’ te splitsen: ‘ont – moeten’. Dat is onvoorwaardelijk werken: niets moet en alles mag.

Relaties opbouwen steunt op ‘openheid’ en ‘vertrouwen’. Dit tweespan is cruciaal bij Authentieke Interactie. Men kan namelijk niet authentiek zijn als men niet open is, en men kan niet authentiek en open zijn wanneer men elkaar niet vertrouwt. Niet toevallig zijn ‘openheid’ en ‘vertrouwen’ dan ook de basisvoorwaarden voor Authentieke Interactie zoals volgende figuur, een gedeelte van een uitgebreider Cruciale Dialogenmodel, aangeeft:

Gedurende deze fase komen de feiten, waarnemingen en objectieve gegevens van ‘waar we staan’ aan bod. Deze dienen geobserveerd te worden met het helder bewustzijn. Dit impliceert dat de sociaal werker kennis heeft van de twee soorten bewustzijn die cruciaal zijn bij dialogen met hun cliënten. Ik doel hier op het helder en het  gekleurd bewustzijn.

Een van de grootste talenten van de mens is dat zij of hij helder bewust kan zijn van zichzelf en ook bewust kan zijn van het inkleuren (‘consciousness’) van dat helder bewustzijn (‘awareness’). Ik gebruik hierbij bewust de Engelse begrippen ‘awareness’ en ‘consciousness’. Die termen worden in het Nederlands steevast als ‘bewustzijn’ vertaald. Dat is een van de oorzaken dat het voor mij, Nederlandstalige, lang duurde voor ik doorhad dat ‘awareness’ en ‘consciousness’ twee verschillende vormen bewustzijn zijn. Met name de bewustzijnsvormen van onze onderscheiden ‘zelven’. Om het voor mij, en hopelijk ook voor jullie, duidelijk te maken, heb ik een nieuwe Nederlandse vertaling van deze Engelse begrippen ‘ont-dekt’. Awareness vertaal ik als helder bewustzijn. Onze Originele of Creatieve Zelf komt helder bewust (‘aware’) ter wereld. Dit helder bewustzijn wordt langzamerhand geconditioneerd tot het gekleurd bewustzijn van de gecreëerde zelf (dit is onze actuele ‘zelf’); dus vertaal ik logischerwijze ‘consciousness’ als gekleurd bewustzijn. 

Men zou met een metafoor kunnen stellen dat het helder bewustzijn van de Creatieve Zelf als helder ‘wit’ licht is dat door de gecreëerde zelf, fungerend als een prisma, gebroken wordt in alle kleuren van de regenboog. Vandaar dat ik, voor het bewustzijn horend bij de gecreëerde zelf, koos voor de naam gekleurd bewustzijn. Opvallend is dat gedurende het conditioneringsproces (met o.a. de opvoeding, school, vrienden, gemeenschap …), de meesten onder ons niet alleen hoe langer hoe meer gekleurd bewust worden en vooral, en dat is erg, zich gaan vereenzelvigen met hun gecreëerde zelf. Kortom, mensen worden hoe langer hoe meer gekleurd bewust (‘conscious’) en hoe langer hoe minder helder bewust (‘aware’). Dit alles zou men kunnen voorstellen als een muntstuk met aan de ene zijde de Creatieve Zelf met z’n helder bewustzijn en aan de andere zijde de gecreëerde zelf met z’n gekleurd bewustzijn. 

Het helder bewustzijn

Het helder bewustzijn is non-duaal, onbevooroordeeld, niet-lineair en neutraal. Het heeft als kenmerken transcendentie[viii], vrijheid, openheid en vertrouwen. Het is kalm en vredig. Heel jonge kinderen zijn nog hoofdzakelijk helder bewust. Dit is niet verwonderlijk, gezien zij nog hoofdzakelijk hun Originele Zelf zijn. Daar het pure helder bewustzijn een ervaring is van het heel jonge kind – een ervaring die volwassenen grotendeels kwijtgespeeld zijn – is het begrip helder bewustzijn moeilijk te verwoorden. Dit is de reden waarom het voor mij, de zeventig voorbij, echt moeilijk is om het helder bewustzijn ook helder te beschrijven. Het helder bewustzijn leent zich bovendien niet tot volzinnen, concepten, uitleg en/of definities. Toch zal ik, tegen beter weten in, het concept helder bewustzijn in wat volgt beschrijven. Mede omdat men, ook en vooral als sociaal werker, zo veel mogelijk (terug) haar of zijn Creatieve Zelf wordt in de mate dat men (terug) helder bewust wordt. 

Om het helder bewustzijn toch enigszins in woorden te vatten, dient men een pasgeborene voor ogen te houden. Een pasgeborene is authentiek, helder bewust, open en vol vertrouwen. Een van de sleutel elementen van z’n openheid en vertrouwen is z’n capaciteit om te observeren. Van zodra de oogfunctie het toelaat, observeert de pasgeborene de omgeving met het helder bewustzijn. Zij of hij kleurt die werkelijkheid nog niet in. Met andere woorden, het brein van een pasgeborene fungeert nog niet als een prisma. 

Observeren[ix] kan worden onderscheiden van percipiëren[x], maar is er niet van gescheiden. Perceptie steunt op observatie en voegt er, gekleurd bewust, onderwerp/object onderscheiden, positieve/negatieve oordelen, het lineair en ‘het één of het ander’ denken aan toe. Dit in een streven naar verschillende betekenissen, met als onderliggend doel zich aan te passen aan de sterk veranderende wereld en daarin goed overeind te blijven. Perceptie is interpretatie van de sensatie of observatie. Observatie van z’n kant is vrij van onderwerp/object onderscheiden, is onbevooroordeeld (oordeelt dus niet in positief/negatief), is niet- lineair en streeft alles behalve naar het kleven van labels op de werkelijkheid. Observatie streeft wel naar een klaar zicht krijgen op de dingen en het bekomen van ‘het één en het ander verschillend van’ denken. 

Observeren blijkt voor volwassenen een aartsmoeilijke taak. Hoewel het observeren echt zien en echt luisteren mogelijk maakt en dit zaken zijn die volwassenen broodnodig hebben. Toch staan volwassenen weigerachtig tegen goed observeren. Volwassenen willen niet echt observeren omdat ze intuïtief aanvoelen dat ze daardoor zullen aangezet worden te veranderen. Volwassenen percipiëren liever, ze interpreteren de observatie met hun eigen gekleurd denkkader, om niet te hoeven veranderen. Let wel, iedereen houdt van veranderen, zolang het ‘de ander’ is die dient te veranderen… Men wordt echter door observeren uitgenodigd het persoonlijk denkkader te veranderen en dat is een ander paar mouwen. Daarbij komt nog dat door echt observeren we helder bewust worden en we daardoor de controle dreigen te verliezen over onze manier van leven. Een manier waar we ons toch zo krampachtig aan vastklampen. En toch, wat een volwassene blijvend nodig heeft, is haar of zijn bereidheid iets nieuws te leren, zijn denkkader aan te scherpen. En dus te veranderen; want leren is veranderen en veranderen is leren. De mate dat een volwassene (terug) wakker wordt, is recht evenredig met de mate waarin zij of hij een portie ‘waarheid’ tot zich kan nemen zonder er van weg te vluchten. De vraag, die elke volwassene zich dient te stellen, komt neer op: “Hoeveel van waar ik mij aan vastklamp, kan door observatie worden losgeweekt zonder ik mij verschans in m’n gesloten denkkader?” De eerste reactie van een volwassene, wanneer die tegenvoets genomen wordt door echte observatie, is blijkbaar angst. Het is niet dat zij of hij angst heeft voor het onbekende. Men kan nu eenmaal geen angst hebben van iets dat men niet kent. Daarom ook is een heel jong kind zo onbevreesd. Wat de volwassene bij echte observatie vreest, is het mogelijk verlies van wat hij wel weet, waar hij zich aan vastklampt, en wat door echte observatie op losse schroeven dreigt te worden gezet. 

Openheid en Vertrouwen

De raad die ik elke Sociaal Werker meegeef in het kader van deze krachtlijn ‘Nabijheid’ luidt: “Wees open teneinde duurzame relaties te bouwen en daardoor meer vertrouwen te krijgen, waardoor de ander opener zal zijn.” 

Er is echter een belangrijk verschil tussen de twee concepten: 

  • Vertrouwen is een relatie-toestand tussen mensen, en het resultaat van alles wat er tussen de deelnemers aan het creatief wisselwerkingsproces gebeurt; 
  • Openheid is een gedrag. 

Dit is een cruciaal verschil. De sociaal werker kan zelf besluiten om zich naar z’n cliënt te openen om zo de positieve spiraal te starten die leidt tot meer vertrouwen, wat dan zorgt voor meer openheid. 

Door te begrijpen hoe vertrouwen en openheid zich tot elkaar verhouden, kan de sociaal weker ervoor kiezen om net wat opener te zijn dan wat het vertrouwen toestaat. Zo draag de sociaal werker bij aan de ontwikkeling van psychologische veiligheid en effectiviteit. 

Openheid leidt tot meer vertrouwen, wat de basis legt voor meer openheid[xi].

Openheid en vertrouwen zijn vast aan elkaar verbonden. Een persoon ten volle kennen en waarderen, weten wie zij of hij is en wat zij of hij werkelijk doet, creëert vertrouwen. Hoe opener iemand is, hoe meer zij of hij door de ander(en) kan gekend worden, hoe meer zij of hij echt kan begrepen worden en hoe groter het onderling vertrouwen kan worden. Vertrouwen en openheid zijn de basis hoekstenen van Authentieke Interactie, de eerste karakteristiek van het creatief wisselwerkingsproces. Om van het vertrouwen en de openheid een duurzame realiteit te maken, dienen deze hoekstenen uiteraard permanent onderhouden te worden. Dit kan door het voortdurend inzetten van de vier basisvaardigheden van deze karakteristiek: 

  1. het duidelijk stellen van de Kernvraag
  2. het in balans gebruiken van Bepleiten en Bevragen;
  3. het gebruiken en herkennen van Non-Verbale Communicatie;
  4. het bevestigen van wat herhaald wordt of Bevestigend Parafraseren.

Een omgeving waarin duurzaam vertrouwen en openheid heerst, is gekenmerkt door een vrije stroom van informatie. Openheid heeft twee dimensies: vertellen en luisteren en is dus een interpersoonlijke conditie die bestaat tussen Sociaal Werker en cliënt, wanneer zij: 

  • als ‘zender’ elkaar vertellen wat zij denken over feiten, ideeën, waarden, aannames, gevoelens en de manier waarop zij zaken zien en 
  • als ‘ontvanger’ naar die boodschap willen luisteren en dit ook echt ten volle doen. 

Sociale Werkers die niet beschikken over bovenvermelde vier basisvaardigheden van de interpersoonlijke communicatie zullen niet zeer open zijn en bovendien minder geneigd zijn om anderen te vertrouwen. “Vertrouwen is goed, Controle is beter”, is hun devies. Dat ze daardoor zelf ook heel wat minder vertrouwd worden, is logisch. 

Het open zijn en het op voorhand vertrouwen geven houden risico’s in. Het is anderzijds ook zo dat zonder het nemen van risico’s het creëren van een goede, respectvolle relatie onmogelijk is.

Wij zijn er, gebaseerd op onze ervaringen, van overtuigd dat het zich bekwamen in de vier basisvaardigheden, en deze ten volle inzetten bij elke diepe conversatie, de individuele niveaus van openheid en vertrouwen zal verhogen. Het gaat over – om het in systeemdenken taal[xii] te zeggen – een zelfversterkende lus: het effectief gebruik van de vier basisvaardigheden versterkt de openheid en het vertrouwen en … het verstevigd  vertrouwen en de grotere openheid bevorderen dan weer het gebruik van de vier basisvaardigheden. Dit totdat het (goede) gewoonten geworden zijn.

Creatieve wisselwerking ligt aan de basis van, en gaat over, een ingrijpend veranderingsproces. Deal en Kennedy[xiii] stellen dat openheid en vertrouwen een sleutelonderdeel zijn van verandering: 

Openness and Trust in the Change Process influence wether and how change occurs.

en de Freibergs[xiv] zeggen het zo: 

Full disclosure leads to more honest conversations and it creates culture that values authenticity.

Vertrouwen is organisch, het wordt echt niet geproduceerd op een assembleerlijn. Vertrouwen groeit door onze acties. Peter Senge et al.[xv] hebben vastgesteld dat “Culturen enkel bestaan wanneer die op elk moment beleefd worden”. Vertrouwen groeit wanneer: 

  • er naar elkaar geluisterd wordt, echt geluisterd; 
  • we elkaar aanmoedigen om onze ideeën uit te drukken en daarbij actief luisteren (cf. de vaardigheid Bevestigend Parafraseren); 
  • elkaar toestaan dat ook opinies aan bod komen, zelfs opinies die we liever niet horen; 
  • we fouten aanvaarden (want een fout kan gebeuren) en een fout is niet erg, vooral wanneer we ervan leren. 

Om Peter Senge et al. nog maar eens te citeren: 

We learn how to do something truly new only through doing it, then adjusting.

Door fouten te aanvaarden wordt blaam getransformeerd in creatief denken, we leren dan echt van onze fouten. Het Originele Zelf creëert dus vertrouwen, waarbij integriteit eerlijkheid omvat én verder gaat. Eerlijkheid is de waarheid vertellen – m.a.w. onze woorden in overeenstemming brengen met onze interpretatie van de realiteit. Integriteit is onze woorden in overeenstemming houden met de realiteit gezien vanuit onze Originele Zelf, dus met het helder bewustzijn. 

Eén van de belangrijkste manieren om de Originele Zelf te tonen en uw integriteit te bewijzen, is loyaal te zijn t.o.v. diegenen die niet aanwezig zijn. Door zo te handelen versterken wij het vertrouwen in ons van diegenen die wel aanwezig zijn. Inderdaad, wanneer men diegenen die niet aanwezig zijn, verdedigt, zal men het vertrouwen winnen van diegenen die wel aanwezig zijn. Integriteit in een interafhankelijke werkelijkheid komt neer op het behandelen van iedereen overeenkomstig dezelfde principes. Wanneer je dit werkelijk doet, zullen mensen je vertrouwen. 

Integriteit vermijdt misleidende communicatie. Een leugen is elke communicatie met de bedoeling om te misleiden. Wanneer we integer communiceren in woorden én gedrag, kan het onmogelijk onze intentie zijn te misleiden of te bedriegen. Dit voelt iedereen aan en daardoor versterkt integer gedrag in communicatie het vertrouwen en de openheid. 

Politiserend werken

Sociaal werkers zorgen er mee voor dat mensen gebruik kunnen maken van hun sociale rechten en voordelen. Maar ze wijzen ook op structurele mechanismen die tot sociale onrechtvaardigheid leiden. Ze zoeken naar collectieve oplossingen om die mechanismen te bestrijden. Sociaal werkers zijn publieke en democratische professionals die hun stem laten horen, maatschappelijke belemmeringen benoemen, dominante denkpatronen in vraag durven stellen en een eigen positie innemen vanuit de normatieve waarden van het beroep.

We schreven het al, de finaliteit van sociaal werk is het realiseren van sociale rechtvaardigheid. Dit wil zeggen dat Sociaal werkers er onder meer moeten voor zorgen dat mensen gebruik kunnen maken van hun sociale rechten en voordelen. Nog te veel is dit niet het geval en dat is zonder meer een sociale onrechtvaardigheid. Om die sociale onrechtvaardigheid bloot te leggen dient de sociaal werker outreachend en proactief te werken; en dit door tegenstroom te gaan en allesbehalve de schuld op de cliënt te schuiven. Eerder gaat de sociaal werker proactief op zoek naar structurele miskleunen.

Inderdaad, door te dialogeren en te werken met hun cliënten leren sociaal werkers welke structurele mechanismen tot sociale onrechtvaardigheid leiden. Een van die mechanismen is (nog steeds) het zogenaamde Mattheuseffect. In het sociaal beleid betekent het Mattheuseffect dat het profijt van het overheidsbeleid vooral ten goede komt aan de midden- en hogere inkomensgroepen en minder aan de laagste inkomens (voor wie ze eigenlijk bedoeld zijn). Met andere woorden de mensen die het profijt het meest nodig hebben, krijgen er het minst van. Herman Deleeck[xvi] was een van de eersten om dit fenomeen systematisch te analyseren in relatie tot het sociaal beleid. Tegenwoordig is het overheidsbeleid, zoals reeds geschetst, doordrongen van een soort neoliberalisme dat het hoe langer hoe moeilijker maakt, voor diegenen die de hulp echt nodig hebben, die hulp ook te verkrijgen. De middenklasse heeft daar minder moeite mee omdat die de middelen (zowel immateriële: kennis als materiële: internet, pc, …) hebben om de obstakels, die de overheid hoe langer hoe meer opwerpt, te omzeilen.

De opdracht van sociaal werkers is te zoeken naar collectieve oplossingen om die mechanismen te bestrijden. Voor die deeltaak van Sociaal Werk is het complete Cruciale Dialogenmodel een uitgelezen tool. Dit is namelijk een universeel model om problemen op te lossen en vragen te beantwoorden. Dus wanneer een Sociaal Werker op zo’n probleem stoot, kan hij het probleem verwoorden als een vraag: “Hoe kan ik ervoor zorgen dat dit specifiek structureel mechanisme ten gronde wordt bestreden?”. Die hamvraag wordt in het midden van het Cruciale Dialogenmodel geplaatst. In z’n summierste vorm is het Cruciale Dialogenmodel (CDM) eigenlijk een lemniscaat met in het midden het vraagteken: 

Die lemniscaat wordt dan verder van links naar rechts (in tegenwijzer zin) en indien nodig nogmaals van links naar rechts afgewerkt, en dit tot de oplossing effectief en efficiënt is.

Uiteraard komen de vier kwadranten van het CDM overeen met de vier karakteristieken van het creatief wisselwerkingsproces:

  1. Authentieke Interactie m.b.t. de werkelijke situatie: Communicatie;
  2. Waarderend Begrijpen van deze werkelijke situatie: Appreciatie;
  3. Creatief Integreren om te groeien naar de gewenste situatie: Imaginatie;
  4. Continue Transformatie om de gewenste situatie (i.e. de nieuwe werkelijke situatie) te realiseren: Transformatie.

Het zou mij te ver leiden om hier het volledige model, dat nog een stuk complexer is dan bovenstaande figuur, en ook het ‘vlindermodel’ wordt genoemd, uit de doeken te doen. Daar is m’n reeds geciteerde boek ‘Cruciale dialogen’ voor (Roels, 2012, pp. 58-64). 

Het politiserend werken bestaat er voornamelijk in de maatschappelijke belemmeringen te benoemen en de dominante denkpatronen in vraag te stellen. Dat moed nodig is om een cruciale dialoog aan te gaan met de overheid, waar men meestal, direct of indirect, voor het eigen loon afhankelijk van is, hoeft geen betoog. Een Sociaal werker dient inderdaad een eigen positie in te nemen vanuit zowel de eigen normatieve waarden als die van het beroep. Die eigen normen en waarden vindt men overigens in het lichaam van het ‘vlinder’ terug.

Een en ander gebeurt in het tweede kwadrant van het creatief wisselwerkingsproces en hoe dit in z’n werk gaat kan als volgt beschreven worden.

Om een situatie waarderend te kunnen begrijpen kleurt men de ‘heldere’ waarheid in met het gekleurd bewustzijn. De perceptie en interpretatie gebeuren inderdaad met het gekleurd bewustzijn (cf. Perceptie is de interpretatie van de sensatie). Men ziet namelijk de werkelijkheid niet zoals deze is, men ziet die realiteit zoals men zelf is. Dus met het eigen denkkader, de eigen mindset of, metaforisch, de eigen gekleurde bril. 

De twee deelnemers aan de cruciale dialoog, in dit geval de sociaal werker en de beleidsmaker, hebben elk hun eigen gekleurde bril op de neus en zien daardoor de werkelijkheid per definitie verschillend. Om uit de impasse te geraken, want niemand heeft de waarheid in pacht, dienen in deze fase de twee basiscondities Nieuwsgierigheid en Kunnen omgaan met Onzekerheid (Ambiguïteit) vervuld te zijn. Dat is meestal geen probleem bij de Sociaal werker, want die is sowieso nieuwsgierig en gaat dagelijks om met onzekerheid, anders had hij nooit inzicht gekregen in het structureel mechanisme dat tot sociale onrechtvaardigheid leidt en wat hij hier aankaart. De vraag is of ook de beleidsmedewerker die basiscondities ter harte neemt en de moed heeft om in de schoenen van de sociaal werker te gaan staan. Anders gesteld, hebben beiden de moed om elkaars gekleurde bril op te zetten en elkaars werkelijkheid te zien en van daaruit te streven naar een Gedeelde Mening?

Het gekleurd bewustzijn

Het gekleurd bewustzijn omvat dus perceptie en geeft zaken een ‘label’: voordelig-nadelig, akkoord-niet akkoord, inclusief-exclusief, goed-slecht, en juist-fout. Let wel, perceptie is essentieel om zich te kunnen aanpassen en daardoor te kunnen overleven in deze steeds maar sneller veranderende wereld. Percepties zorgen er voor dat er voorkeuren, betekenissen en waarden ontwikkeld worden en kleuren daardoor ons bestaan. 

Door interpretatie, evaluatie en beslissing wordt wat bekomen werd door observatie met het helder bewustzijn getransformeerd doordat perceptie gebruik maakt van het gekleurd bewustzijn. Daardoor wordt de “één en het ander verschillend van” observatie van het helder bewustzijn vaak de “het een of het ander” perceptie van het gekleurd bewustzijn. We komen terecht in wat het “in-the-box” denken wordt genoemd. Die ‘box’ (doos) wordt gevormd door de grenzen van onze ‘fixed’ (gesloten) mindset. Door ons gekleurd bewustzijn appreciëren we de werkelijkheid op een bepaalde manier en de aldus gewaardeerde werkelijkheid wordt als het ware in de doos van onze ‘mindset’ (denkkader, mentaal model) gestopt. In feite bepaalt die gekleurde appreciatie wat er in de doos terecht komt en, wat nog belangrijker is, wat er uit wordt geweerd. Anders gesteld, we voegen toe wat we waarderen en weren wat we niet waarderen. Uiteindelijk zien we de werkelijkheid niet zoals deze is, we zien ze zoals wij zijn! (cf. Anaïs Nin[xvii], Stephen R. Covey, …). 

Onze voorkeuren maken dat verschillen gepolariseerd worden. Het gekleurd bewustzijn werkt inderdaad polarisatie in de hand. Er is geen sprake meer van “het één en het ander”; inderdaad, de ‘en’ is een ‘of’ geworden. We leggen onszelf op te kiezen. Daarbij wordt een van de twee polen gekozen ten nadele van de andere pool en dit werkt uiteraard polarisatie in de hand. 

Deze splitsing, de verschuiving van ‘en’ naar ‘of’, heeft meerdere gevolgen; zowel positieve als negatieve. Een van de gevolgen is dat elk idee wordt gecatalogeerd als een goed of slecht idee. Terwijl in werkelijkheid elk idee beide eigenschappen in zich heeft. Inderdaad, elk idee en elke situatie kan gepercipieerd worden als positief én als negatief. Het begrip ‘appreciatie’ wordt vaak geassocieerd met onze voorkeuren. We worden als het ware blind voor de andere zijde van de medaille en dus voor de niet voorziene, niet geanticipeerde en collaterale ‘schade’. We zien die laatste niet omdat we enkel percipiëren doorheen de gekleurde bril van onze voorkeuren. We zien enkel wat ‘goed’ is in een idee, dus wat we als goed catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke ‘negatieve’ effecten van dat idee. Het tegenovergestelde is ook waar. Wanneer we een idee niet appreciëren, zien we enkel wat ‘slecht’ is aan dit idee, dat we door het niet te appreciëren als ‘slecht’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke ‘positieve’ effecten van dat idee. Dit alles zorgt er voor dat we afglijden naar een gekleurd denkkader ten koste van een helder én correct gekleurd denkkader. 

In plaats van in de polarisatie te blijven steken, dienen we naar een gedeelde mening te streven en dit door de verschillende meningen met elkaar te vermengen tot een mening die voor eenieder aanvaardbaar is. Ten einde een Gedeelde Mening te creëren, dient elkeen wat zij of hij heeft waargenomen, in vraag durven te stellen. Het in vraag stellen van de denkkaders gebeurt op een integere manier, men schetst eerlijk hoe men de gegevens, de boodschap waardeert en staat open voor de waardering ervan door de ander. 

Dit zeer belangrijk onderdeel van de dialoog kan als volgt weergegeven worden:

Bij het waarderen van elkaars meningen worden een viertal vaardigheden ingezet: 

  1. Nederig vragen;
  2. De ‘plus’ achter de ‘min’;
  3. Integreren van verschillende inzichten;
  4. Invraagstelling van Mentale modellen.

Voor de bespreking van die vier vaardigheden verwijs ik graag naar m’n boek (Roels, 2012, pp. 175-189).

Procesmatig werken

Elke sociaal werker stemt haar of zijn handelen voortdurend af op verwachte en onverwachte gebeurtenissen in het proces dat zij of hij met mensen aan het lopen is. Daarnaast benut de sociaal werker ook de ervaringskennis van betrokkenen. Inspraak en participatie staan altijd centraal. De uitkomst ligt dus niet vooraf vast.

Het proces, het kan niet anders, is het creatief wisselwerkingsproces!

Een paar kenmerken van dit procesmatig werken:

  • Een proces is nodig, want het gaat om een complexe realiteit. Vandaar van dat het complete Cruciale Dialogenmodel complex oogt en is;
  • Elk antwoord is onvolledig en roept nieuwe vragen op. Daardoor is het Cruciale Dialogenmodel een lemniscaat en dient de ‘liggende acht’ meestal meerdere keren doorlopen te worden, teneinde een afdoende antwoord op de vraag te formuleren;
  • Creatieve wisselwerking is interactief, de eerste karakteristiek noemt zelfs Authentieke Interactie. Interactie tussen individuen, in groepen en in buurten. 
  • Creatieve wisselwerking is per definitie participatief. Iedereen bouwt mee aan het succes van het proces. De ervaringskennis van de betrokkenen wordt ten volle benut.
  • En waartoe het proces leidt, ligt helemaal niet vast. Creatieve wisselwerking kan niet gestuurd worden. Daardoor is de uitkomst nooit op voorhand gekend. Het is een proces, een methode om te creëren. De richting kan gekozen worden (door de vraag in het midden), maar van dan af ligt niets vast. Dit is een van de eigenheden van Creatieve wisselwerking: men weet op voorhand niet waar men uitkomt. Hetgeen ik soms onderstreep met de boutade: “The Process is the Leader!” De liggende acht is eerder een methode dan een stappenplan, of beter gezegd: de methode zorgt voor een stappenplan voor de uitvoering van de gekozen oplossingen die op voorhand verre van vast liggen. 

Ik ben er heilig van overtuigd dat deze krachtlijn en kerntaak van elke sociaal werker neerkomt op het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Het spreekt van zelf dat het Cruciale dialogenmodel, dat de acht basiscondities en zestien vaardigheden beschrijft die nodig zijn en ingezet dienen te worden voor het succesvol van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking, op het nachtkastje van elke sociaal werker thuishoort. Let wel, ‘Cruciale dialogen’ (Roels, 2012) is geen leesboek… het is een doe-boek. Want al doende, leert men. Ook en misschien vooral in het kader van Creatieve wisselwerking. Het boek is vooral ook een naslagwerk bij het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Kortom, men dient als sociaal werker Creatieve wisselwerking van binnenuit te beleven om wendbaar (i.e. proactief) en weerbaar (i.e. re-actief) te zijn en te blijven en daardoor dient Creatieve wisselwerking o. i. een element van de Body of Knowledge van Sterk Sociaal Werk te zijn.

Generalistisch werken

Als sociaal werker plaats je een persoon in zijn bredere context en heb je oog voor alle levensdomeinen. Dat maakt dat je perfect als brugfiguur of kruispuntwerker ingezet kan worden. Door de generalistische aanpak heb je een goed zicht op de sociale kaart, en heb je een uitgebreid netwerk.

Daartoe is nodig dat de sociaal werker een ‘brede bril’ hanteert. Anders gesteld, zij of dient bekwaam te zijn om ‘out of the box’ te denken. Dit kan door bij elke ontmoeting de eigen ‘gekleurde bril’ af te zetten en die te vervangen door de andere mogelijke brillen. 

Het heeft ook te maken met bij de eerste ontmoeting het helder bewustzijn in te zetten en het gekleurd bewustzijn even uit te schakelen. Nadien dient men zich, wanneer men tracht waarderend te begrijpen, te hoeden voor een ‘jump to conclusion’ reflex. Hoe meer ervaring de sociaal werker heeft, hoe gevaarlijker het wordt om heel vlug een inzicht (conclusie) te koppelen aan een ‘favoriete’ oplossing. Het gevaar voor dit gedrag vergroot wanneer men het probleem ‘eng’ bekijkt. Iedere sociaal werker zou de cliënt in z’n brede context dienen te zien. Dit betekent dat zij of hij op zoek dient te gaan naar verbanden tussen meerdere levensdomeinen. De sociaal werker dient zich ter degen bewust te zijn dat alles met alles verbonden is.  Zo is heeft het probleem ‘armoede’ vele facetten en gaat niet alleen om het ‘niet hebben van werk’.

Een checklist benadering is uit de boze, want die leidt naar standaardoplossingen en die bestaan niet. Problemen zijn altijd uniek en dulden geen passe-partout antwoorden. Vandaar mijn stelling dat ook hier Creatieve wisselwerking van binnenuit dient beleefd te worden.

De sociaal werker krijgt door haar of zijn generalistische aanpak een goed zicht op de zogenaamde sociale kaart en behoedt er zich voor die als checklist te gebruiken. Eerder kan die dienen om haar of zijn uitgebreid netwerk van professionelen te stofferen. Met dit uitgebreid netwerk gaat de sociaal werker regelmatig in dialoog. Het spreekt vanzelf dat daarbij Creatieve wisselwerking van binnenuit beleefd wordt. 

Door de kennis van de sociale kaart en het hebben van een uitgebreid netwerk kan de sociaal werker fungeren als een uitstekende gids. In die hoedanigheid verwijst hij z’n cliënt door naar de verschillende instanties die haar of hem kunnen helpen.

Verbindend werken

De sociaal werker is op drie manieren verbindend. 

  1. Individueel: versterken van mensen om opnieuw greep te krijgen op hun eigen leven en betekenisvol te kunnen deelnemen aan de samenleving. 
  2. Collectief: werken aan verbinding in buurten en op het lokale niveau om het samenleven te versterken. 
  3. En ten slotte: verbinden van mensen met maatschappelijke basisinstituties (onderwijs, gezondheidszorg, de arbeidsmarkt) door ervoor te zorgen dat ook groepen in kwetsbare situaties er toegang toe krijgen.

Empowermentparadigma 

Het gebruik van het begrip paradigma in de cursus (De Greef & Goris, 2020) gaat er vanuit dat elke sociaal werker dit begrip ten volle begrijpt. Maar is dat wel zo? Voor alle zekerheid en, zoals de Fransen zo mooi zeggen ‘A toutes fins utiles’, volgende uitwijding:

Het begrip Paradigma

Het begrip Paradigma werd populair door het boek ‘De zeven eigenschappen van effectief leiderschap’ van Stephen Covey[xviii]. Om diens eigenschappen waarderend te kunnen begrijpen, dient men te weten wat ‘paradigma’s’ zijn en hoe we een paradigmaverschuiving kunnen creëren. Het begrip paradigmaverschuiving werd geïntroduceerd door Thomas Kuhn in zijn klassiek werk ‘De structuur van wetenschappelijke revoluties’[xix]. Die merkte op dat bijna elke belangrijke doorbraak in wetenschappelijk onderzoek een breuk met het tot dan gangbare paradigma betekent. 

Zo was voor Copernicus de aarde het centrum van het heelal. Copernicus realiseerde een paradigmaverschuiving door de zon centraal te stellen. Dit was een schok en Copernicus werd er zelfs voor vervolgd. Dit geeft aan dat iemand, die de ogen van zijn medemens opent, niet altijd gewaardeerd wordt. Dit ondervond ook Galileo Gallilei toen deze met z’n uitvindingen het heliocentrische model van Copernicus bewees en er over publiceerde. Hij werd tot tweemaal toe terecht gewezen door de Inquisitie. De overlevering wil dat Galilei, toen al 69 jaar oud, bij het vernemen van het vonnis – levenslang huisarrest – “Eppur si muove”: “en toch beweegt ze” (de aarde rond de zon) zou uitgeroepen hebben. Dat de Katholieke kerk moeite had om officieel hun miskleun te erkennen, blijkt uit het feit dat het tot in 1992 duurde vooraleer Paus Johannes Paulus II officieel een excuus uitsprak. Iemand die het heliocentrisch wereldbeeld nog aannemelijker maakte, was Isaac Newton. Diens natuurkundig model is nog steeds de basis voor de moderne bouwkunde. Het is echter niet volledig. Het duurde tot Einstein z’n relativiteitstheorie de wetenschappelijke wereld op z’n kop zette, voor men dit inzag. Die theorie verklaarde heel wat meer en maakte daardoor een diepgaander begrijpen mogelijk. Later kwam dan de kwantummechanica, waar Einstein het dan op z’n beurt moeilijk mee had. 

Probleme kann man niemals mit derselben Denkweise lösen, dürch die sie entstanden sind. – Albert Einstein 

Paradigma’s hebben een enorme invloed; ze zijn de lens waardoor we naar de wereld kijken. Fundamentele veranderingen hebben niet zelden te maken met paradigma verschuivingen. Paradigma’s zijn bepalend voor wie je bent. Zijn is zien. We kunnen onze visie niet fundamenteel veranderen zonder zelf te veranderen en omgekeerd. Zelf veranderen komt neer op het transformeren van het eigen denkkader of mindset (paradigma) waardoor ook het eigen gedrag verandert.

De levenscyclus van elk paradigma heeft volgens Joel Barker[xx] in de groeifase, zoals elk levend organisme, de vorm van de linkerzijde van een Gauss curve. 

De horizontale as is de tijd as, de verticale de ‘succes’ as. Het succes van een bestaand paradigma kan gemeten worden aan de hand van het aantal problemen dat het oplost. Anders gesteld, wordt op de y-as de vooruitgang weergegeven.

In de opbouw van de curve kunnen drie fases worden onderscheiden. De A fase is de ontwikkelingsfase. Het nieuwe paradigma heeft dan nog weinig succes en daardoor ook weinig aanhang. Er worden binnen het nieuwe paradigma nog niet veel problemen opgelost. In het begin zijn de regels, de grenzen, de mogelijkheden van het nieuwe paradigma vrijwel onbekend. Het paradigma wordt in die A fase enkel maar gebruikt door de zogenaamde pioniers. Indien men er echter in slaagt om het nieuwe paradigma goed te onderbouwen en te propageren, gaan meer en meer mensen ervan gebruik maken. Gaat het werkelijk om een nieuw paradigma dan worden er hoe langer hoe meer problemen opgelost. Problemen die daarvoor onopgelost bleven. Wij komen in de B fase terecht.

Dit kunnen we toepassen op het paradigma van sociaal werk dat voorafging aan het empowermentparadigma. Toen nam de Sociaal werker alle last op z’n schouders. Dit ging lange tijd goed. Toch constateerde men vanaf een bepaald ogenblik dat bepaalde problemen van de cliënten niet op die manier konden opgelost worden. Hetzelfde niveau van dienstverlening kon niet behouden blijven en men had de indruk dat er afgegleden werd. Dit zijn tekenen die erop wijzen dat de C fase is bereikt. Dit kwam vooral omdat de ‘oude’ dienstverlening van “buitenaf” te weinig gebruik maakte van de kracht van de betrokkenen. Om één of andere reden waren we er nog niet in geslaagd om Sociaal werk van “binnenuit” te beleven. Het sociaal werk werd van ‘buitenaf’ beheerst en stagneerde. Het oude paradigma leek over zijn hoog­tepunt heen. Er was dus nood aan een nieuw paradigma. Inderdaad, vroeg of laat beginnen zich in elk paradigma specifieke problemen op te stapelen, die er niet door opgelost worden. De enige manier om ze alsnog op te lossen is een wezenlijke paradigmawissel of ‘paradigm shift’ en het empowermentparadigma ontstond.

Meestal wordt een oud paradigma door een nieuw vervangen “voor het te laat is”, dus vooraleer de curve daalt. Inderdaad is het bij paradigma’s zo dat de eerste verschijnselen van een nieuw paradigma zichtbaar worden wanneer het oude paradigma op zijn hoogtepunt is. Er zijn immers hoe langer hoe meer problemen die door het oude paradigma niet kunnen opgelost worden. En het zijn uiteindelijk de niet oplosbare problemen die de katalysator vormen voor het zoeken naar een nieuw paradigma.

Wij hadden op een zeker ogenblik een nieuwe manier van denken nodig, een nieuwe ‘mindset’, een nieuw paradigma, om nog vooruitgang te boeken op gebied van sociaal werk.

Het nieuw paradigma kan eigenlijk op elk punt van de curve verschijnen. In de A fase gaat het om meerdere nieuwe paradigma’s die in competitie zijn met elkaar om door te dringen. In de C fase gaat het om de strijd tussen het bestaande en het nieuwe paradigma. 

De moeilijkheid in het tweede geval is dat het nieuwe paradigma doorgaans niet in dank wordt afgenomen door diegenen die het bestaande paradigma prediken. De pioniers staan hier meestal letterlijk alleen en moeten optornen tegen heel wat scepticisme, niet in het minst vanuit de hoek van diegenen die de ‘tools’ van het oude paradigma propageren. Dit is helemaal niet verwonderlijk, het tegendeel zou dat eerder zijn. Het huidig paradigma lost immers nog heel wat problemen op.

Toegepast op het empowermentparadigma ging dit als volgt. Intuïtief voelden de pioniers van het nieuwe paradigma aan dat dit de manier is om verder te evolueren.  Vraag hen op dat moment niet om data, want die hebben ze niet en kunnen ze ook niet hebben. Zij wisselen van paradigma omdat ze in het nieuwe paradigma geloven. Hun oordeel is grotendeels intuïtief, zij geloven de bekwaamheid te hebben de beslissingen te nemen die zich opdringen steunende op onvolledige gegevens. Zij voelen intuïtief aan dat hun paradigma, hét paradigma is.

Een kenmerk van de paradigmaverschuivingen in Sociaal Werk is dat de nieuwe paradigma’s het goede van de oude paradigma’s overnemen. Het nieuwe paradigma lost niet alleen de problemen even goed op als het oude, het lost daarenboven de hardnekkige problemen, waar het oude paradigma zich op stuk beet, succesvol op. Dit is ook wat gebeurt in het empowermentparadigma dat nu in volle bloei is.

Nu mensen empoweren, wendbaar en weerbaar maken heeft veel, zo niet alles met Creatieve wisselwerking te maken. Niets voor niets zeg ik soms, Yoda parafraserend, “May the Force be with you” en zijn voor mij ‘The Force’ en ‘Creative Interchange’ synoniemen (zie ook: http://www.creativeinterchange.be/?p=822 ). Empowerment duidt inderdaad op de “power from within’. Nu wordt binnen Sociaal Werk Creatieve wisselwerking nog te weinig van binnenuit beleefd, dus voorzie ik een nieuw paradigma: het creatievewisselwerkingparadigma. Nogmaals, IMHO dient Creatieve wisselwerking tot de Body of Knowledge van Sociaal Werk te horen. Benieuwd of er pioniers zullen gevonden worden!

Collectief verbinden

Verbinding in buurten en samenleven op het lokale niveau en dialogisch samenwerken, ook tussen diensten en organisaties.

Verbinden is niet anders dan samen Creatieve wisselwerking van binnenuit beleven, het is ‘power with’. Dialogisch samenwerken is noch min, noch meer in die buurten op lokaal niveau dialogeren en samenwerken volgens het Cruciale Dialogenmodel, dat gebaseerd is op Creatieve wisselwerking. En ook op dit vlak van het collectiviseren van problemen bij toegang tot rechten helpt het met succes kunnen voeren van Cruciale dialogen en het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking.

Verbinden van mensen met basisorganisaties.

Opdat mensen aan hun rechten zouden kunnen komen, dienen ze uiteraard verbonden te worden met die basisinstituties als daar zijn onderwijs, de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt. Nochtans is er veel angst en wantrouwen ten opzichte van de VDAB omdat die naast begeleiding naar werk ook instaat voor de controle en sanctie van het zoekgedrag van werkzoekenden. Bovendien heeft de VDAB vele drempels opgeworpen die hinderend werken. Door de afbouw van rechtstreeks toegankelijke werkwinkels verdwijnt de dienst uit de onmiddellijke nabijheid van mensen. Nabije medewerkers en consulenten werden vervangen door de online tool ‘Mijn loopbaan’[xxi]. Dat alles is ronduit nefast voor de hulpzoekende die in armoede leeft.


[i] De Greef, F. & Goris, B. (2020) Deze column is gebaseerd op de cursus Basis Sociaal Werk van het eerste jaar Sociaal Werk (B-UCCL-MBW85B)  gedoceerd door De Greef Frieda en Goris Brit, PBA Sociaal Werk (Leuven).

[ii] Hermans, K. (2018). Sociaalwerkconferentie 2018. Sterk Sociaal Werk. Eindrapport. Brussel: Steunpunt. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

[iii] De term neoliberalisme is in de 21ste eeuw niet meer eenduidig. Dus voor alle duidelijkheid hetgeen volgt. Ik gebruik die term om het ‘doorschieten’ van de vrije markt, het toenemend (her)gebruik van het individueel schuldmodel en de tendens in onze samenleving naar nog meer individualisme en dus minder solidariteit en wereldbewustzijn te duiden.

[iv] Wieman, H. N. (1958). Man’s Ultimate Commitment. Carbondale: Southern Illinois University Press.

[v] Hagan, S. & Palmgren, C. (1998). The Chicken Conspiracy. Breaking the Cycle of Personal Stress and Organizational Mediocrity.Baltimore: Recovery Communications, Inc.

[vi] Palmgren, C. (2008). Ascent of the Eagle. Being and Becoming Your Best. Dayton: Innovative InterChange Press.

[vii] Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Het dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

[viii] Transcendentie is een filosofisch begrip dat kan gedefinieerd worden als het overstijgen van de mens; het zich verheffen boven de dualiteit van het zich vereenzelvigen met de werkelijkheid, het hier en nu bewustzijn; het gekleurd bewustzijn.

[ix] Observeren: Het aandachtig en nauwkeurig bekijken (helder waarnemen) van dingen zonder te oordelen.

[x] Percipiëren: Waarnemend begrijpen door te interpreteren (inkleuren) wat geobserveerd werd.

[xi] Vollebregt, M. Waarom psychologische veiligheid essentieel is voor effectieve teams. Geraadpleegd op 16 september 2020 van https://www.frankwatching.com/archive/2018/06/27/waarom-psychologische-veiligheid-essentieel-is- effectieve-teams/ 

[xii] Senge, P. M. (1990). The fifth discipline. The art and practice of the learning organization. New York: Doubleday. 

[xiii] Deal, T. E. & Kennedy, A.A. (1982). Corporate cultures: the rules and rituals of corporate life. Reading: Addison-Wesley Publishing Company, Inc. 

[xiv] Freiberg, K. & Freiberg, J. (2004). Guts: Companies that blow the doors off. Business as usual. New York: Doubleday. 

[xv] Senge, P.M., Scharmer, O., Jaworski, J. and Flowers, B.S. (2004). Presence. Human purpose and the field of the future. Cambridge: The Society of Organizational Learning. 

[xvi] Deleeck, H., Huybrechts, J. & Cantillon B. (1983). Het Matteüseffect. De ongelijke verdeling van de sociale overheidsuitgaven in België. Antwerpen: Kluwer. 

[xvii] “We don’t see things as they are, we see them as we are.” Quote van Anaïs Nin. Dezelfde quote wordt ook toegeschreven aan vele anderen, waaronder Stephen Covey. Ere wie ere toekomt, hoewel er veel quotes bestaan die in de richting gaan, is het Anaïs Nin die het adagium in haar boek ‘The seduction of the Minotour’ als dusdanig verwoorde. Opmerkelijk is wel dat haar personage – Lillian – in het boek refereert naar een Talmud tekst: Lillian was reminded of the talmudic words. Bij nadere analyse gaat de religieuze tekst eigenlijk essentiëel over de interpretatie van dromen, dus besluit Gregory Sullivan alias Garson O’Tool (Geraadpleegd op 6 januari 2021 via https://quoteinvestigator.com/2014/03/09/as-we-are/) dat Anaïs Nin met de eer gaat lopen. 

[xviii] Covey, S.R. (1993). De zeven eigenschappen van effectief leiderschap. Amsterdam: Business Contact.

[xix] Kuhn, T.S. (1970). The Structure of Scientific Revolutions. Chicago: University of Chicago Press.

[xx] Barker, J. A. (1992). The Business of Discovering the Future. New York: Harper Collins Publisher.

[xxi] Sociaal.Net. Eerdekens, W. & Declercq, L. Outreachers zijn de sterke buitenbeentjes van sociaal werk. Geraadpleegd op 9 januari 2021 via https://sociaal.net/achtergrond/outreachers-zijn-de-sterke-buitenbeentjes-van-sociaal-werk/