Tagarchief: Anaïs Nin

Sawubona, hannah arendt – deel I

In een onlangs verschenen boek van Hannah Arendt Het leven van de Geest (Arendt, 2021), een studie van drie mentale activiteiten – denken, willen en oordelen – die Hannah Arendt inzet als vertrekpunt voor de vraag naar de zin van het geestelijk leven, valt het mij op dat de drie delen, denken, willen en oordelen overeenkomen met cruciale elementen van m’n Cruciale Dialoogmodel, dat ook model staat voor het creatief wisselwerkingsproces. Wel zie ik een andere volgorde: Denken leidt tot Oordelen en Oordelen tot Willen. Het betreft de linker lus (Denken) en het midden (Oordelen en Willen) van het Cruciale Dialoogmodel. 

In het kader van levenslang leren plan ik meerdere columns te schrijven over de verbanden die ik zie tussen het Cruciale Dialoogmodel en de filosofie van Hannah Arendt over ‘Denken’, zoals zij die uiteenzet in haar boek. In volgend figuur komt Denken overeen met de linker lus, Voelen met het midden en Doen met de rechter lus. Deze eerste column van de reeks gaat dus voornamelijk over die linker lus.

De zin van het denken ligt volgens Hannah Arendt niet in het bekomen van kennis, noch in het ontdekken van waarheid, maar in het zoeken naar betekenis. Een zoektocht dat volgens haar nooit stopt. Amen! Ook voor mij is het doel van de linker lus het vinden van betekenis in de data en info van de werkelijkheid die zich aan ons ontvouwt. Dit door het samen met anderen van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Als dit goed gaat, bekomt men zo een Gedeelde Mening over de betekenis van de werkelijkheid. Die betekenis kan vervolgens de grond zijn voor actie (het midden en rechter lus van het model).

Sawubona

De titel van deze column geeft aan dat ik Hannah Arendt herken en erken. Onder de stammen van Noordelijk Natal in Zuid-Afrika is de meeste voorkomende groet, gelijkwaardig aan ons “Hallo!”, de uitdrukking “Sawubona!”. Die betekent letterlijk, “Ik zie je”.  En daarmee wordt niet zo zeer het effectief ‘zien’ bedoeld.  Het betekent vooral – zoals de bekender uitdrukking “Namaste”(Edwards, z.d.) – “De God in mij ziet de God in jou” of “Ik zie mezelf door jouw ogen” of nog “Ik kom tot leven door jou heen.” Volgens Peter de Jager wordt deze Zoeloe groet meestal beantwoord met “Ngikona!”, wat betekent: “Ik ben hier” (de Jager, 2015). De volgorde van deze uitwisseling is belangrijk: totdat jij mij ziet, besta ik eigenlijk niet. Het is alsof, wanneer jij mij ziet, jij mij tot leven wekt. 

Deze betekenis, die inherent is aan de taal, maakt deel uit van het Ubuntu gedachtengoed, dat een overwegende levenswijze is van vele inheemse volkeren in zuidelijk Afrika. Het Ubunto concept vloeit voort uit het Zulu gezegde “unmunto numuntu nagabuntu” dat vertaald klinkt als “Een persoon is een persoon omwille van andere mensen.” (Senge, Kleiner, Roberts, Ross, & Smith, 1995).Het tweespan “Sawubona” en “Ngikhona” vormen de basis voor een diepgaande dialoog: Sawubona is een uitnodiging om deel te nemen aan elkaars leven, Ngikhona is het positieve antwoord op die uitnodiging. Deze column kan je zien als een virtuele creatieve dialoog met Hannah. Ik komt zo tot leven door haar heen.

Volgens Hannah Arendt voltrekt denken zich meer in een gesprek dan in het contemplatieve schouwen, denken is meer dialoog dan monoloog. (Arendt, 2021, p 11). Niet verwonderlijk dus dat denken een plaats vindt in m’n Cruciale Dialoogmodel. Arendt zocht en vond inspiratie bij Immanuel Kant. Ze herneemt Kants onderscheid tussen denken en kennen. Kant heeft het, zoals ook Arendt, over het denken over en het kennen van de ‘fenomenale wereld’. Dit is de zintuigelijke wereld waarin de mens een fragment is van een enorm causaal gedefinieerd geheel. Bij Arendt verschuift het accent van het filosofisch ‘zelf denken’ naar het dialogisch ‘samenspreken.” Dit is uiteraard koren op m’n Creatieve wisselwerking-molen. Samen denken leidt naar een Gedeelde Mening. Die wordt dan, in het midden van m’n model, gevolgd door het ‘samen oordelen’, idealiter gevolgd door het ‘samen willen en kunnen’ en uiteindelijk het ‘samendoen’. Daarmee is het model alweer eens neergelegd.

Het boek bevat ook volgende quote van Plato uit ‘De Staatsman’: 

Ieder van ons is zoals een man die de dingen ziet als in een droom

denkt dat hij de dingen perfect kent,

En dan ontwaakt en ontdekt dat hij niets weet.

Die quote hertaal ik als: “Wanneer je ontwaakt uit z’n gekleurd denkkader ontdek je dat je niets weet.” Te vergelijken met een quote van Socrates dat m’n levens moto is: “Een wijs man is een man die weet dat hij het niet weet.” Daardoor stel ik m’n gekleurd bewustzijn continu in vraag. Het begrip ‘wijsheid’ toont aan dat niet de zoektocht naar kennis maar de vraag naar zin de denkactiviteit stuurt. Een eigenschap van dialogisch samen denken mondt nooit uit in definitieve kennis. Het dient daardoor steeds herhaald te worden. Ook daarin volg ik Hannah Arendt. Vandaar ook dat ik voor het beeld van Creatieve wisselwerking koos voor het lemniscaat of infinity teken. Arendt suggereert dit met een prachtig beeld, dat ze aan Homerus ontleent: “Zoals Penelope elke nacht ontrafelt wat ze overdag geweven heeft, zo ontrafelt het denken voortdurend de eigen resultaten.” (Arendt, 2011, p. 18) Arendt maakt dus een onderscheid tussen het kennisverwervend denken en het bezinnend werken. Dit laatste laat diens waarde niet afhangen van het uiteindelijk resultaat maar aan de waarde van het continu herhalend proces (Arendt, 2011, p. 20). Is het verwonderelijk dat ik, adept van het creatief wisselwerkingsproces, van haar inzichten hou?!?

Voor Arendt is begin en eindpunt de wereld. De wereld waarin we uit het niets tevoorschijn komen en in het niets terug verdwijnen. In die wereld vallen Zijn en Verschijnen samen. Dat Zijn veronderstelt een toeschouwer, daaruit volgt dat wat verschijnt niet in het enkelvoud bestaat. Wat bestaat, bestaat in het meervoud. Niet de Mens, wel mensen bevolken de planeet. Sawubona! De wet van de aarde is niet enkelvoud, het is meervoud.

Sawubona verklaard door Hannah Arendt: Het van de wereld zijn van levende dingen betekent dat elk subject ook object is en als dusdanig verschijnt aan iemand anders. Die iemand waarborgt de ‘objectieve’ werkelijkheid. Wat wij zelfbewustzijn noemen, het feit dat ik mij bewust ben van mezelf volstaat niet om de werkelijkheid te waarborgen. Hierbij weerlegt Arendt Descartes ‘Ik denk, dus ik ben” als een ongelegen bewering, omdat het ‘denkende ding’ nooit zichtbaar wordt, tenzij zijn of haar denken meegedeeld wordt door de gedachten uit te spreken of neer te schrijven. Dit laatste veronderstelt toehoorders of lezers, voor wie de boodschap ook bedoeld is.

Levende wezen zijn zowel in als van de wereld, juist omdat ze tezelfdertijd subject en object zijn, tegelijk waarnemen en waargenomen worden.  Om deze werkelijkheid af en toe te omzeilen kan je, binnen Creatieve wisselwerking, de vaardigheid Procesbewustzijn inzettenDaarin heeft Procesbewustzijn te maken met het ontvankelijk zijn voor informatie verbonden aan het van binnenuit inzetten van Creatieve wisselwerking, terwijl we met anderen ideeën creatief aan het integreren zijn (dat wil zeggen, in de wereld zijn) en compleet open staan voor het reflecteren op onze bijdrage en dit zonder de gevangene te worden van de data die deze reflectie genereert. (dat wil zeggen, niet van deze wereld zijn). Hieruit blijkt dat Procesbewustzijn te maken heeft met zelfreflectie. Zelfreflectie is op zich ook een proces dat verschillende definities heeft. Het heeft uiteraard te maken met het ‘naar jezelf kijken’, waardoor de nood van een zekere afstand duidelijk wordt. Men dient zich los te maken van de situatie, wat ik heb trachten te definiëren met als ‘in de wereld te zijn en niet van de wereld te zijn’. Inderdaad, wanneer men van de wereld is, zit men er middenin en is er geen afstand. Het kijken dient bovendien op het puur observatie niveau te gebeuren. Deze heldere beschouwing wordt gekoppeld aan een overweging en overdenking, wat neerkomt op waarnemen en inkleuren. Daarbij wordt ruimte gegeven voor gevoelens, gedachten en ervaringen, teneinde deze te kunnen analyseren. Zo leert men wie men echt is, waarom men handelt zoals men handelt en wat ons drijft. Hier richt die reflectie zich op hoe we het creatief wisselwerkingsproces beleven (Roels, 2012). 

Verschijnen, stelt Hannah Arendt, komt altijd neer op anderen toeschijnen. En dit toeschijnen varieert met het standpunt en perspectief van elke toeschouwer. Anders gesteld, alles wat kan verschijnen heeft een soort van sluier die het kan vervormen (Arendt, 2021). In mijn woorden, wat er is, wordt gezien doorheen de eigen gekleurde bril van elke toeschouwer – die het dus ziet – en kan daardoor ‘anders’ gezien worden. 

Maar niet alleen het toeschijnen kan verschillen naargelang de mindset van de toeschouwer, ook het verschijnen zelf is niet eenduidig. Levende wezens vertonen zich, niet zoals materie die zich vertoont zoals het is, maar zoals acteurs en dit op een podium die voor hen in gereedheid is gebracht, zegt Arendt. Naast de inherente drang tot zelfvertoon presenteren mensen zich in woord en daad, en drukken op die manier uit hoe ze wensen gezien te worden. 

Hannah Arendt zegt het zo:

Zelfpresentatie onderscheidt zich van zelfvertoon door de actieve en bewuste keuze van het getoonde beeld; zelfvertoon heeft geen andere keuze dan het tonen van de eigenschappen, welke ook, die een levend wezen bezit. Zelfpresentatie zou niet mogelijk zijn zonder een graad van zelfbesef – een vermogen dat inherent is aan het reflexieve karakter van mentale activiteiten en duidelijk méér is dan louter bewustzijn, dat wij waarschijnlijk met de hogere diersoorten delen. Alleen zelfpresentatie staat bloot aan hypocrisie en veinzerij in de strikte zin, en de enige manier waarop veinzerij en voorwending zich onderscheiden van werkelijkheid en waarheid is hun gebrek aan duurzaamheid en consistentie.” (Arendt, 2021, p. 62)

De toetsteen waaraan je de hypocriet kan herkennen is het oude Socratische gezegde “’Wees zoals je wenst te verschijnen.” Dit betekent dat je je altijd dient te vertonen zoals je aan anderen wenst te verschijnen, ook als je alleen bent en aan niemand anders dan jezelf verschijnt. 

Uitgaande van de filosofie van Henry Nelson Wieman en met de hulp van Charlie Palmgren om die filosofie waarderend te begrijpen, ben ik ervan overtuigd dat we twee ‘zelven hebben’: het Originele Zelf en het gecreëerde zelf. We worden geboren als onze Originele Zelf. Het Originele Zelf is een concept dat door veel spirituele en contemplatieve schrijvers wordt gebruikt. Een voorbeeld: de Franciscaan Richard Rohr, die het Originele Zelf de True Self’ noemt: 

“I believe that God gives us our soul, our deepest identity, our True Self, our unique blueprint, at our own ‘Immaculate Conception.” (Rohr, 2011, page IX).

Ik zit dus als oud misdienaar bij de Arme Klaren (Clarissen, de tweede orde van Sint Francicus) op dezelfde golflengte als Richard Rohr (een Minderbroeder, de eerste orde van Sint Franciscus) en Charlie Palmgren (onder meer een Episcopaalse priester en lid van de derde orde van Sint Franciscus). Met als kanttekening dat voor mij God, in navolging van Henry Nelson Wieman, de mentor van Charlie Palmgren (mijn mentor), het creatief wisselwerkingsproces is (Goldsmith, 1996). 

Praktisch eenieder wordt, in de loop der tijd, min of meer geconditioneerd tot haar of zijn gecreëerde zelf. Conditioneren is gedrag of gewoonten aanleren door straf of beloning (de gekende stok en wortel – dit gebeurt al vanaf de prille jeugd: denk maar aan het zinnetje van een aloud Sinterklaasliedje: “wie stout is krijgt de roe”). Ik noem de actuele zelf de gecreëerde zelf en zou hem ook de geconditioneerde of aangeleerde zelf kunnen noemen. Om het verschil tussen het Creatieve Zelf (een synoniem voor het Originele Zelf) en de gecreëerde zelf in de verf te zetten, heb ik voor gecreëerde zelf gekozen als naam voor onze actuele zelf. 

Laat me starten met de basisbegrippen Originele Zelf en gecreëerde zelf zo goed mogelijk te duiden en te verbinden. Hierbij stel ik van meet af aan het volgende. Er bestaan enerzijds geen twee separate zelven; er bestaan daarentegen wel twee aspecten van één zelf. Zoals een muntstuk twee facetten heeft en toch één muntstuk is, zijn wij één zelf met twee facetten: het Originele Zelf en de gecreëerde zelf. Er bestaan anderzijds ook twee soorten bewustzijn, twee staten van zijn, bekwaam om verschillen te onderkennen. Elke ‘zelf’ – hetOriginele en het gecreëerde – beschikt over een specifiek bewustzijn: het helder en het gekleurd bewustzijn. De Engelse taal beschikt over twee verschillende woorden om die twee soorten bewustzijn te duiden; dit zijn de begrippen ‘awareness’ en ‘consciousness’. Deze worden in het Nederlands steevast vertaald als ‘bewustzijn’. Dat is één van de oorzaken dat het voor mij, Nederlandstalige, lang duurde voordat ik doorhad dat ‘awareness’ en ‘consciousness’ twee verschillende vormen van bewustzijn zijn. Met name de bewustzijnsvormen van onze onderscheiden ‘zelven’. Om het voor mij, en hopelijk ook voor u lezer, duidelijk te maken, heb ik een nieuwe Nederlandse vertaling van deze Engelse begrippen ‘ontdekt’. Awareness vertaal ik als helder bewustzijn. Onze Originele Zelf komt helder bewust (‘aware’) ter wereld. Dit helder bewustzijn wordt echter langzamerhand geconditioneerd tot het gekleurd bewustzijn van de gecreëerde zelf; dus vertaal ik ‘consciousness’ als gekleurd bewustzijn. 

Je zou met een metafoor kunnen stellen dat het helder bewustzijn van het Originele Zelf als helder ‘wit’ licht is dat door het gecreëerde zelf, fungerend als een prisma, gebroken wordt in de kleuren van de regenboog. Een bijkomede reden om voor het bewustzijn horend bij de gecreëerde zelf, voor de naam gekleurd bewustzijn te kiezen. Opvallend is dat gedurende het conditioneringsproces (met o.a. de opvoeding, school, vrienden, gemeenschap …), de meesten onder ons hoe langer hoe meer gekleurd bewust worden en, dat is dan het ergste, zich gaan vereenzelvigen met het gekleurd bewust aspect van hun gecreëerde zelf. Kortom, mensen worden hoe langer hoe meer gekleurd bewust (‘conscious’) en hoe langer hoe minder helder bewust (‘aware’). Dit alles zou je dus, zoals reeds gesteld, kunnen voorstellen als een muntstuk met aan de ene zijde het Originele Zelf met diens helder bewustzijn en aan de andere zijde het gecreëerde zelf met diens gekleurd bewustzijn. 

Fasten seat belts! Het helder bewustzijn is non-duaal, onbevooroordeeld, niet-lineair en neutraal. Het heeft als kenmerken transcendentie, vrijheid, openheid en vertrouwen. Transcendentie is een filosofisch begrip dat kan gedefinieerd worden als het zich als mens overstijgen; het zich verheffen boven de dualiteit van het zich vereenzelvigen met de werkelijkheid, het hier en nu bewustzijn; het gekleurd bewustzijn.

Het is kalm en vredig. Heel jonge kinderen zijn nog hoofdzakelijk helder bewust. Dit is niet verwonderlijk, gezien zij nog hoofdzakelijk hun Originele Zelf zijn. Daar het pure helder bewustzijn een ervaring is van het heel jonge kind – een ervaring die volwassenen grotendeels kwijt gespeeld zijn – is het begrip helder bewustzijn moeilijk te verwoorden. Dit is de reden waarom het voor mij, de zeventig ver voorbij, echt moeilijk is om het helder bewustzijn ook helder te beschrijven. Het helder bewustzijn leent zich bovendien niet tot volzinnen, concepten, uitleg en/of definities. Toch zal ik, tegen beter weten in, het concept helder bewustzijn in wat volgt beschrijven. Mede omdat men nu eenmaal zo veel mogelijk haar of zijn Originele Zelf wordt in de mate dat men Helder Bewust wordt. 

Het helder bewustzijn

Tegenwoordig maakt het begrip Mindfulness opgang als synoniem voor helder bewustzijnMindfulness wordt wel eens leven met aandacht genoemd. Het is een vorm van meditatie die zijn oorsprong vindt in het Boeddhisme. Het Boeddhisme is, eerder dan een religie, een spirituele en psychologische strekking die tot meer bewustzijn of verlichting (‘’enlightment’) leidt. Een andere naam voor de Boeddha is overigens de Verlichte. Verschillende auteurs geven aan het concept ‘Mindfulness’ heel verschillende definities; dus helpt dit begrip ons niet echt om het helder bewustzijn te definiëren. 

Om het helder bewustzijn toch enigszins in woorden te vatten, kan je denken aan een pasgeborene. Een pasgeborene is autentiek, helder bewust, open en vol vertrouwen. Een van de sleutel elementen van z’n openheid en vertrouwen is z’n capaciteit om te observeren. Van zodra de oogfunctie het toelaat, observeert de pasgeborene de omgeving met het helder bewustzijn. Zij of hij kleurt die werkelijkheid nog niet in. Met andere woorden, het brein van een pasgeborene fungeert nog niet als een prisma.

Observeren kan worden onderscheiden van percipiëren, maar is er niet van gescheiden. Observeren is het aandachtig en nauwkeurig bekijken (waarnemen) van dingen zonder te oordelen en percipiëren is het waarderend begrijpen door te beoordelen wat geobserveerd werd. Percipiëren steunt op observeren en voegt er, gekleurd bewust, onderwerp/object onderscheiden, positieve/negatieve oordelen, het lineair en ‘het één of het ander’ denken aan toe. Dit in een streven naar verschillende betekenissen, met als onderliggend doel zich aan te passen aan de sterk veranderende wereld en daarin goed overeind te blijven. Observeren is vrij van onderwerp/object onderscheiden, onbevooroordeeld (oordeelt dus niet in positief/negatief), niet-lineair en streeft alles behalve naar het kleven van labels op de werkelijkheid. Observatie streeft wel naar een klaar zicht krijgen op de dingen en het bekomen van ‘het één en het ander & verschillend van’ denken.

Observeren blijkt voor volwassenen een aartsmoeilijke taak. Hoewel het observeren echt zien en echt luisteren mogelijk maakt, zaken die volwassenen broodnodig hebben. Toch staan volwassenen weigerachtig tegen goed observeren. Volwassen willen niet echt observeren omdat ze intuïtief aanvoelen dat ze daardoor zullen aangezet worden te veranderen. Men wordt inderdaad door observeren uitgenodigd het persoonlijk denkkader te veranderen. Daarbij komt nog dat door echt observeren we helder bewust worden en we daardoor de controle dreigen te verliezen over onze manier van leven. Een manier waar we ons toch zo krampachtig aan vastklampen. En toch, wat een volwassene blijvend nodig heeft, is haar of zijn bereidheid iets nieuws te leren. En dus te veranderen; want leren is veranderen en veranderen is leren. De mate dat een volwassene (terug) wakker wordt, is recht evenredig met de mate waarin zij of hij een portie ‘waarheid’ tot zich kan nemen zonder er van weg te vluchten. De vraag, die elke volwassene zich dient te stellen, komt neer op: “Hoeveel van waar ik mij aan vastklamp, kan door observatie worden losgeweekt zonder ik mij verschans in m’n gesloten denkkader?” De eerste reactie van een volwassene, wanneer die tegenvoets genomen wordt door echte observatie, is blijkbaar angst. Het is niet dat zij of hij angst heeft voor het onbekende. Men kan nu eenmaal geen angst hebben van iets dat men niet kent. Daarom ook is een heel jong kind zo onbevreesd. Wat de volwassene bij echte observatie vreest, is het mogelijk verlies van wat hij wel weet, waar hij zich aan vastklampt, en wat door echte observatie op losse schroeven dreigt te worden gezet.

Het gekleurd bewustzijn

Het gekleurd bewustzijn omvat dus perceptie en geeft zaken een ‘label’: voordelig-nadelig, akkoord-niet akkoord, inclusief-exclusief, goed-slecht, en juist-fout. Perceptie is essentieel om zich te kunnen aanpassen en daardoor te kunnen overleven in deze steeds maar sneller veranderende wereld. Percepties zorgen er voor dat er voorkeuren, betekenissen en waarden ontwikkeld worden en kleuren daardoor ons bestaan.

Door interpretatie, evaluatie en beslissing wordt, wat bekomen werd door observatie met het helder bewustzijn, getransformeerd. Dit door de perceptie van het gekleurd bewustzijn. Daardoor wordt de “één en het ander &verschillend van” observatie van het helder bewustzijn vaak de “het een of het ander” perceptie van het gekleurd bewustzijn. We komen terecht in wat veelal het “in-the-box” denken wordt genoemd. Die ‘box’ (doos) wordt gevormd door de grenzen van onze ‘fixed’ (gesloten) mindset. Door ons gekleurd bewustzijn appreciëren we de werkelijkheid op een bepaalde manier en de aldus gewaardeerde werkelijkheid wordt als het ware in de doos van onze ‘mindset’ (denkkader, mentaal model) gestopt. In feite bepaalt die gekleurde appreciatie wat er in de doos terecht komt en, wat nog belangrijker is, wat er uit wordt geweerd. Anders gesteld, we voegen toe wat we waarderen en weren wat we niet waarderen. “We zien de werkelijkheid niet zoals ze is, we zien deze zoals wij zijn”, stelde Anaïs Nin ooit (Sullivan/O’Toole, 2014).

Onze voorkeuren maken dat verschillen gepolariseerd worden. Het gekleurd bewustzijn werkt inderdaad polarisatie in de hand. Er is geen sprake meer van “het één en het ander”; inderdaad, de ‘en’ is een ‘of’ geworden. We leggen onszelf op te kiezen. Een van de twee tegenstrijdige polen wordt daarbij gekozen ten nadele van de andere pool en dit werkt polarisatie in de hand.

Deze splitsing, de verschuiving van ‘en’ naar ‘of’, heeft meerdere gevolgen; zowel positieve als negatieve. Een van de gevolgen is dat elk idee wordt gecatalogeerd als een goed of slecht idee. Dit niettegenstaande in werkelijkheid elk idee beide eigenschappen in zich heeft. Inderdaad, elk idee en elke situatie kan gepercipieerd worden als positief én als negatief. Het begrip ‘appreciatie’ wordt in veel gevallen geassocieerd met onze voorkeuren, dus wat we percipiëren als positief. We worden als het ware blind voor de andere zijde van de medaille en dus voor de niet voorziene, niet geanticipeerde en collaterale schade. We zien die laatste niet omdat we enkel percipiëren doorheen de gekleurde bril van onze voorkeuren. We zien enkel wat goed is in een idee, dus wat we als ‘goed’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke negatieve effecten van dat idee. Het tegenovergestelde is ook waar: we zien enkel wat slecht is een idee, dat we als ‘slecht’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke positieve effecten van dat idee. Dit alles zorgt er voor dat we afglijden naar een gekleurd denkkader en dit ten koste van een helder én gekleurd denkkader. 

Van helder naar gekleurd bewustzijn

Wanneer de pasgeborene ouder wordt en zich ontwikkelt, wordt perceptie, als onderdeel van z’n aanpassing aan de wereld, hoe langer hoe dominanter. Het kind richt zich hoe langer hoe meer op het gekleurd bewustzijn ten koste van het helder bewustzijn. Het adaptieve conditioneringsproces heeft bovendien de neiging onze intenties vorm te geven en bijgevolg te dicteren waar we onze aandacht dienen op te richten. Ouders, leraars, vrienden en de samenleving verwachten en eisen dat we onze aandacht richten op hoe, welke en van wie we waardering, applaus en lof kunnen oogsten. Dit is een zowel positief als negatief proces. In de poging van het kind om zich aan te passen aan de wereld, is de neiging sterk om dit te doen ten koste van het helder bewust blijven. Ten slotte verliest het kind het onderscheid tussen het helder bewustzijn en het gekleurd bewustzijn. 

Het helder en het gekleurd bewustzijn zou ik ook kunnen duiden als het ‘Ik-bewustzijn’ en het ‘mij-bewustzijn’. “Ik”, de Originele Zelf observeert en “mij”, de gecreëerde zelf, percipieert. Wij zijn bekaam om beiden te doen: observeren en percipiëren. Nochtans, werden we geconditioneerd om ons voornamelijk te identificeren met het ‘mij-bewustzijn’, eerder dan met het ‘Ik-bewustzijn’.

Men zou kunnen stellen at het Originele Zelf zowel het helder bewustzijn als het gekleurd bewustzijn omvat. Daardoor kan deze zowel de percepties van de gecreëerde zelf als de observaties van het Originele Zelf bevatten. Deze extra kwaliteit van de Creatieve (Originele) Zelf vormt de basis voor authenticiteit. Authenticiteit is beide, “Ik” én “mij”. Een en ander kan als volgt voorgesteld worden:

Er kan worden gesteld dat het Originele Zelf zich tezelfdertijd helder bewust is van “Ik” helder bewust zijnde envan “mij” gekleurd bewust zijnde. Anderzijds is de gecreëerde zelf er zich zelden gekleurd bewust dat “Ik” helder bewust ben van “mij” gekleurd bewust zijnde. Met andere woorden, gekleurd bewust zijn is slechts een deel van het verhaal.

Verschijnsel en schijn

Terug naar Hannah Arendt! Ze schrijft:

“Er gaapt immers een kloof tussen het inwendige en het uitwendige, tussen de grond van het verschijnsel en het verschijnsel – of anders uitgedrukt: ongeacht hoe verschillend en geïndividualiseerd we verschijnen en hoe weloverwogen we deze individualiteit ook gekozen hebben, toch blijft het altijd zo dat wij “binnenin allemaal hetzelfde zijn”, onveranderlijk, behalve wanneer onze innerlijke psychische en lichamelijke organen niet meer functioneren of wanneer, omgekeerd, iets tegen het verkeerd functioneren ondernomen wordt. Daarom is er in elk verschijnsel een element van schijn aanwezig: de grond zelf verschijnt niet. “ (Arendt, 2021, pp. 63-64)

Opmerkelijk dat m’n visie “dat de Originele Zelf met z’n Intrinsieke Waarde bij iedereen gelijk is” hier ondersteund wordt door de visie van Hannah Arendt: “binnen zijn we allemaal hetzelfde”. Voor haar is m’n gecreëerde zelf m’n buitenkant, die gemaakt is om te verschijnen en m’n Originele Zelf, m’n binnenkant die nooit verschijnt. Als de binnenkant zou verschijnen, zouden wij er allemaal hetzelfde uitzien, stelt Hannah.

En ook m’n visie met betrekking tot het helder en gekleurd bewustzijn wordt door Hannah onderschreven:

De wereld verschijnt in de modus van “het-schijnt-me-toe”, afhankelijk van bijzondere perspectieven die zowel bepaald worden door de plaats in de wereld als door de aard van de waarnemingsorganen. Deze modus produceert niet alleen dwaling, die ik kan corrigeren door van plaats te veranderen, het verschijnende van dichterbij te bekijken, mijn waarnemingsvermogen te verbeteren met behulp van instrumenten of door mijn verbeelding te gebruiken om mij van andere perspectieven rekenschap te geven; ze produceert ook echte schijn, d.w.z. bedrieglijke verschijnselen, die ik niet kan corrigeren zoals ik een dwaling corrigeer, omdat ze veroorzaakt worden door mijn gebondenheid aan de aarde als permanente verblijfplaats en verband houden met mijn eigen bestaan als één van de aardse verschijnselen.” (Arendt, 2021, p. 92)

Het denkende ego 

Hier gaat Hannah Arendt ten rade bij Immanuel Kant en stelt ze dat de denkende ik, Kants ‘ding-op-zich’ is, dat niet aan anderen verschijnt en ook niet aan zichzelf. Het denkende ego is louter activiteit en niet het zelf.

Heel interessant vond ik hoe Hannah Arendt brandhout maakt van de stellige zekerheid van Descartes: “Je pense donc je suis.” Juist omdat je om zekerheid over ‘iets’ te hebben nood hebt aan anderen die hetzelfde zien. Nu is denken een solitaire activiteit en is het denken niet zichtbaar en ontbreekt dus de toetssteen van anderen. Daardoor slaat Descartes de bal volledig mis. In de woorden van Hannah Arendt (2021, p. 75):

Bovendien, juist de denkactiviteit – de ervaring van het denkende ego – zaait twijfel over de werkelijkheid van de wereld en van mijzelf. Het denken kan vat krijgen op en zich meester maken van elke werkelijkheid – gebeurtenissen, voorwerpen, de eigen gedachten; hun werkelijkheid is echter de enige eigenschap die zich hardnekkig aan de greep van het denken onttrekt. Het cogito ergo sum is een misvatting, niet alleen in de zin dat uit het cogito enkel tot het bestaan van cogitationes kan worden besloten, zoals Nietzsche heeft opgemerkt; het cogito is dus voor dezelfde twijfel vatbaar als het sum. Het ik- ben is voorondersteld in het ik-denk; het denken kan deze vooronderstelling aangrijpen, maar het kan die bewijzen noch weerleggen.

Alles wat verschijnt wordt waargenomen in de modus “het-schijnt-me-toe” en is daardoor vatbaar voor dwaling en illusie, toch draagt het verschijnsel als bij voorbaat het stempel van werkelijkheid. Die werkelijkheid wordt gewaarborgd door zijn wereldlijke context, gezien anderen waarnemen zoals ik, en ook door de samenwerking van vijf zintuigen. En Arendt  (2021, p. 75) voegt daarbij, voor mij verrassend, het gezond verstand toe; het sensus communis van Thomas van Aquino. De noot van de vertalers – Dirk De Schutter en Remi Peeters – was een oogopener om (eindelijk) het begrip gezond verstand, als zijnde een zesde zintuig, ten volle waarderend te begrijpen:

“Gezond verstand” is in zekere zin de slechtst mogelijke, maar tegelijk de enig mogelijke vertaling van het Engelse common sense. Zoals het Latijnse sensus communis bewaart het Engelse common sense een verwijzing naar de zintuiglijkheid en beklemtoont het de gemeenschappelijkheid (intersubjectiviteit) van elke zintuiglijke waarneming. In die zin is common sense een soort zesde zintuig. In “gezond verstand” zit wel de notie van gemeenschappelijkheid, maar is er geen enkele verwijzing naar het zintuiglijke. Het woord “gezond” verwijst eerder naar het niet-aangeleerde dan naar de zintuiglijke waarneming. Ondanks deze verschilpunten hebben we in onze vertaling de term “gezond verstand” behouden, in de lijn van de traditie. (Arendt, 2021, p. 92)

Dit zesde zintuig is nodig om m’n vijf zintuigen samen te houden en om te waarborgen dat wat ik met die zintuigen waarneem er werkelijk is. Het zesde zintuig waarborgt wat waargenomen wordt in een met anderen gemeenschappelijke wereld. Hannah Arendt (2021, p. 76) vat meesterlijk samen:

In een wereld van verschijnselen, die doortrokken is van dwaling en schijn, wordt de werkelijkheid door de volgende drievoudige gemeenschappelijkheid gewaarborgd: de vijf zintuigen, die sterk van elkaar verschillen, hebben hetzelfde voorwerp gemeen; leden van dezelfde soort hebben de context gemeen die elk afzonderlijk voorwerp zijn bijzondere betekenis verleent; en alle andere met zintuigen toegeruste wezens zijn het eens over de identiteit van dit voorwerp, ook al nemen ze het vanuit volkomen verschillende perspectieven waar. Uit deze drievoudige gemeenschappelijkheid ontstaat de gewaarwording van werkelijkheid. 

Het gezond verstand is eigenlijk geen fysisch zintuig zoals de vijf andere. Het kan ook niet, zoals het denken, fysisch gelokaliseerd worden in de hersenen. Het denken kan evenwel het gevoel van werkelijk-zijn dat veroorzaakt wordt door het zesde zintuig, door de Fransen kenmerkend le bon sens – het goede zintuig – genoemd , niet bewijzen noch weerleggen. 

Het begrip dat de vooruitgang ‘oneindig’ is, waarmee ik sinds de ‘golden sixties’ opgroeide en het inspirerende principe van de wetenschap is, geeft aan dat die wetenschap floreert in het domein van het ‘gezond verstand’. Dwaling en misleiding is een inherent onderdeel van dit domein en wordt continu gecorrigeerd door wetenschappelijk onderzoek. Zo wordt het ‘steeds beter’, ‘steeds meer waar’ inherent vergezeld met het inzicht dat ‘het goede’ en ‘het ware’ onbereikbaar zijn. Zo ook zal m’n gecreëerde zelf nooit ten volle evolueren tot het Originele Zelf. Werd die ooit bereikt dan zou aan mijn zoektocht een einde komen en zou, in de wereld, aan de goesting om te weten en de zoektocht naar kennis een einde komen. Socrates had het bij het rechte eind: “Een wijs man is een man die weet dat hij niet weet.” en ik voeg er aan toe, en het volledig weten, de totale kennis zal zij of hij, gelukkig maar, nooit bezitten.

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

de Jager, P. (22 oktober 2015). Parsing the Personal Privacy Puzzle. Geraadpleegd op 13 mei 2021 van https://www.linkedin.com/pulse/parsing-personal

Edwards, B. (z.d.) Namaste and Sawubona, a Zulu greeting. Geraadpleegd op 13 mei 2021 van https://bridgetedwards.com/namaste-and-sawubona-a-zulu-greeting/

Goldsmith, E.S. (1996). “Henry Nelson Wieman: Introduction,” in W. Creighton Peden and Jerome A. Stone, eds., The Chicago School of Theology–Pioneers in Religious Inquiry, Volume II, The Later Chicago School, 1919-1988, 55, 57 

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Rohr, R. (2011); Falling Upward: A Spirituality for the Two Halves of Life. San Francisco: Jossey-Bass

Senge, P.M., Kleiner, A., Roberts, C., Ross, R.R., & Smith B. J. (1995). Het Vijfde Discipline Handboek: Strategieën en Instrumenten voor het Bouwen van een Lerende Organisatie. Schoonhoven: Accademic Services

Sullivan, G./O’Tool, G. (2014, 9 maart). We Don’t See Things As They are, We See Them As We Are. Geraadpleegd op 15 mei 2021 van https://quoteinvestigator.com/2014/03/09/as-we-are/

De cyclus van wantrouwen en hoe die te doorbreken

Deze column is gebaseerd op de tool “Maak een Selfie’ uit het boek van Martine Veeger ‘Superkrachten’ (Veeger, 2021) en op haar artikel “Hoe je onbewust in stand houdt, dat anderen niet doen wat je wilt.” (Veeger, 4 mei 2021).  Daarin wordt het patroon voorgesteld waardoor je volgens haar onbewust in standhoudt, dat anderen niet doen wat je wilt. Dat patroon noemt Martine de vicieuze cirkel. Deze is niet te verwarren met ‘mijn’ Vicieuze Cirkel uit m’n boek ‘Cruciale dialogen’ (Roels, 2012).

Het patroon dat Veeger beschrijft ziet er als volgt uit:

Merk op dat alle denkwerk gebeurt in jouw brein. 

Mevrouw Veeger stelt, teneinde bovenstaand patroon te doorbreken, het volgende voor:

In haar tool ‘Maak een Selfie’ beweert Martine Veeger dat met het gebruik van bovenstaand schema:

“De kans is groot dat je door je eigen gedrag aan te passen een nieuwe reactie bij de ander uitlokt. En de kans is heel groot dat dit gedrag beter past bij het gedrag dat je bij de ander wilt zien (Veeger, 2021).”

Ik durf dit, op grond van decennia ervaring, te betwijfelen. Het goede is dat haar schema een cirkel patroon is. Peter M.  Senge (Senge, 1990) schreef het al meer dan dertig jaar geleden in z’n bestseller ‘The Fifth Discipline’: “De werkelijkheid bestaat uit cirkels, maar wij zien rechte lijnen.” En gelijk had hij. Onze lineaire mindset is de hoofdoorzaak van onze beperktheid de werkelijkheid echt te zien. Gezien ik per definitie een andere mindset heb dan mevrouw Veeger, kom ik tot een andere ‘waarheid’. Het gebrek dat ik zie in het denkpatroon van Veeger is dat de mindset van de ander niet in haar tool is opgenomen. Anders gesteld, er is maar één denker. De werkelijkheid is wel complexer!

Martine Veeger’s vicieuze cirkel wordt in de systeemtheorie de versterkende lus genoemd. De psycholoog Robert Merton noemde dit verschijnsel de “self-fulfilling profecy” (Merton, 1948). Anderen noemen diezelfde cirkel dan weer het Pygmalion effect. Dit naar het beroemde toneelstuk van George Bernard Shaw (Shaw, 2005), wat later ‘My Fair Lady’ werd.  Het is een neerwaartse spiraal met een sneeuwbaleffect waarin iets slecht begint en steeds maar erger wordt. Een recent, weliswaar een verre van dramatisch, voorbeeld van dat laatste is het (Belgisch) fenomeen van het hamsteren van wc-papier bij het begin van de Corona pandemie. In m’n boek ‘Creatieve wisselwerking’ beschreef ik deze vicieuze cirkel als de cyclus van wantrouwen (Roels, 2001), dit in het kader van wat zich nogal eens afspeelt in een bedrijf. Ik stelde daarbij dat het voor managers en werknemers essentieel is te begrijpen hoe de cyclus van wantrouwen werkt. Een basisoorzaak, die aan de grond ligt van heel wat problemen binnen heel wat bedrijven, was – naar mijn ervaring als consultant in tientallen bedrijven –  dat  het topmanagement en de werknemers elkaar voor een stuk wantrouwden. Elke partij was ervan overtuigd dan de andere gestuurd werd door eigenbelang. Daarbij veronderstelde men dat de ene partij haar belangen verdedigde ten koste van de andere en omgekeerd.

De werknemers vreesden dat de directeur uiteindelijk zijn eigenbelang (lees eigen carrière) zou plaatsen boven de doelstellingen van de (lokale) Organisatie en de gerechtvaardigde noden van diens werknemers. Op dezelfde wijze vreesde de directeur van de vestiging in kwestie dat de werknemers hun eigenbelang plaatsten boven de belangen van de (lokale) Organisatie, de Klanten, de Productie, de Kwaliteit en de Veiligheid.

De cyclus van wantrouwen

De cyclus van wantrouwen is een combinatie van negatieve aannames en zelfbeschermend gedrag vervat in een zichzelf versterkende spiraal die herhaaldelijk zowel leidinggevenden als werknemers meesleept. De volgende figuur geeft een beeld van de cyclus van wantrouwen.

De cyclus kan om het even waar starten. Wij kiezen in wat volgt om arbitrair de beschrijving van de zeven stappen te starten met de negatieve aannames van de manager:

  1. Negatieve aannames: Een manager heeft negatieve veronderstellingen gebaseerd op aannames omtrent het eigenbelang van de werknemer(s) en hun hebbelijkheid om organisatieproblemen te creëren;
  2. Zelf beschermend gedrag: De manager gedraagt zich op een zelf beschermende manier die erop gericht is zijn eigen status te verdedigen tegen de potentieel negatieve acties van de werknemers;
  3. Waargenomen als agressief gedrag: De werknemers zien het zelf beschermend gedrag van de manager en interpreteren het als agressief en gesloten;
  4. Versterkte negatieve aannames: De werknemers zijn ervan overtuigd dat het agressief gedrag van de manager een teken van wantrouwen is en mogelijk van manipulatieve aard. Dit versterkt de negatieve aannames en stereotypen van de werknemers over de manager;
  5. Zelf beschermend gedrag: De werknemers gedragen zich op een zelf beschermende wijze teneinde zich te beschermen tegen de potentieel negatieve acties van de manager;
  6. Waargenomen als agressief gedrag: De manager ziet het zelf beschermend gedrag van de werknemers en interpreteert dit als agressief en gesloten;
  7. Versterkte negatieve aannames: De manager is ervan overtuigd dat het agressief gedrag van de werknemers een teken van wantrouwen is en mogelijk van manipulatieve aard is. Dit versterkt de negatieve aannames en stereotypen van de manager met betrekking tot zijn werknemers.

Martine Veeger schrijft dat je een vicieuze cirkel kan doorbreken door consistent een ander gedrag te vertonen. Wat ze niet belicht, is dat je daartoe naar jezelf moeten kijken en je eigen denkkader (mindset) duchtig in vraag dient te stellen. En niet alleen dat, je zal uiteindelijk het eigen gedrag duurzaam dienen te veranderen. De oplossing die Veeger aanreikt, is nogal manipulatief en bestaat erin dat men zelf een ‘gekunsteld’ nieuw gedrag dient te vertonen teneinde de ander aan te zetten te doen wat jij wenst te doen. En daarin zit het manipulatieve: men wenst dat de ander doet wat je wilt dat hij doet. Heeft weinig te maken met empathie en synergie!

Ik ben van mening dat om haar vicieuze cirkel te doorbreken je eerst de eigen mindset dient te veranderen. Dit kan men maar door het gedrag van de ander waarderend te begrijpen en samen met de ander naar een Gedeelde Mening te streven. Die Gedeelde Mening is steeds verschillend van de eigen initiële visie. Een mindset transformatie heeft dus plaatsgehad. Duurzame gedragsverandering volgt nu eenmaal uit duurzame mindset verandering. De beroemde Nederlandse filosoof Johan Cruyff zei ooit: “Je gaat het pas zien als je het doorhebt.” Edoch, de mindset kleurt de bril waardoorheen men de werkelijkheid ziet. Of, zoals Anaïs Nin in een van haar boeken schreef: “We do not see things as they are, we see them as we are.” (Nin, 2014); in het Nederlands luidt dat: “Men ziet de werkelijkheid niet zoals die is, men ziet ze zoals men zelf is.” Quote die Stephen R. Covey parafraseerde in ‘The Seven Habits of Highly Effective People’, zonder overigens te vermelden waar hij de mosterd haalde (Covey, 1990). Een vervelende gewoonte van deze goeroe, die wel het begrip paradigma, als synoniem van onder meer denkkader, wereldberoemd maakte.

Een bijkomend gebrek dat ik in haar aanpak om het nefaste patroon van haar vicieuze cirkel te doorbreken zie, is dat er maar één brein aan bod komt. Het is alsof diegene die de cirkel wenst te doorbreken een allesweter is en dat het voldoende is om in de schoenen van de ander te staan om diens werkelijkheid te zien. Martine Veeger’s oplossing zit volgens mij aan de verkeerde kant van de eye ball van diegene wiens gedrag stoort. Ook is er in haar visie blijkbaar geen plaats voor een dialoog tussen beide protagonisten, want dat komt niet ter sprake. In mijn ervaring is enkel een diepgaande dialoog bij machte de impasse te doorbreken. Niet om van de ander te bekomen wat je wenst te bekomen, maar om te bekomen wat het beste is voor beiden. Een bijkomende spin-off van die dialoog is dan een sterk verbeterde relatie tussen beiden.

De eerste stap in het patroon van Martine Veeger is “het gedrag van de ander dat jou stoort.” Daarbij denk ik direct aan de theorie van de Kernkwadranten van ir. Daniel Ofman. Wanneer het gedrag van de ander jou stoort, heeft dat volgens Ofman vaak te maken met een Uitdaging van jezelf (Ofman, 1999). Een mens blijkt namelijk allergisch te zijn voor een te veel van de eigen uitdaging. Hij noemt dat dan ook jouw Allergie. Anders gesteld, waar men zich aan stoort bij een ander, is waarschijnlijk te veel van iets goeds dat men zelf juist het meeste nodig heeft. Iemand kan het meest over zichzelf leren van diegenen waar hij het moeilijkst mee om kan gaan. Om te kunnen leren van die ander dient men met haar of hem in dialoog te gaan. Dit is een totaal andere aanpak dan deze van Martine Veeger. Ze grijpt het storend gedrag niet aan om iets over zichzelf te leren, ze geeft handvatten om het gedrag van de ander te wijzigen om van die ander te bekomen wat men wenst te bekomen. Volgens mij een gemiste kans om te leren en te groeien!

Hoe ziet mijn oplossing er dan uit? Diegenen die mij kennen kunnen het antwoord op die vraag al vermoeden. De laatste vijfentwintig jaar ben ik bezig met het antwoord op een andere levensvraag: “Wat kan de ‘mind’ veranderen, gezien de mind dat zelf niet kan?”. Het antwoord op die vraag werd meer dan een eeuw geleden reeds gevonden door Henry Nelson Wieman en het zuiverst beschreven in z’n boek ‘Man’s Ultimate Commitment’ (Wieman, 1958). Het proces dat mindset transformatie teweegbrengt, noemde hij uiteindelijk Creative Interchange (Creatieve wisselwerking). Dus ben ik al een kwart eeuw doende dit proces van binnenuit te beleven, met veel vallen en evenveel opstaan. 

Om Veeger’s vicieuze cirkel en mijn cirkel van wantrouwen echt te doen stoppen, dienen beide protagonisten een cruciale dialoog aan te gaan. Hoe je dit voor elkaar brengt is beschreven in m’n boek ‘Cruciale dialogen’ (Roels, 2012). Zo komt men enerzijds tot een Gedeelde Mening over de werkelijkheid en anderzijds, bij een groot verschil tussen die mening en de gewenste werkelijkheid, kan Creatieve wisselwerking zorgen voor de broodnodige transformatie. Dat dit alles iets lastiger is dan wat Martine Veeger voorstelt in haar tool is een eufemisme om u tegen te zeggen.

Bibliografie

Covey, S. R. (1990). The seven habits of highly effective people: Powerful Lessons in Personal Change. New York: Fireside. 

Merton, R. (1948). The Self-Fulfilling Prophecy. The Antioch Review, (2), pp. 193-210. doi:10.2307/4609267

Nin, A. (2014). Seduction of the Minotaur. Athens: Ohio University Press.

Ofman, D. (1999). Bezieling en kwaliteit in organisaties. Utrecht-Antwerpen: Kosmos-Z&K (Servire).

Roels, J. (2001). Creatieve wisselwerking. Leuven-Apeldoorn: Garant. pp. 204-206.

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Antwerpen-Apeldoorn: Garant. pp. 103-121.

Senge, P. M. (1990). The Fifth Discipline: The Art & Practice of the Learning Organization. New York: Doubleday. 

Shaw, G. B. (2005). Pygmalion. New York: Simon & Shuster 

Veeger, M. (2021). Superkrachten.  Culemborg: van Duuren Management.

Veeger, M. (4 mei 2021). Hoe je onbewust in stand houdt, dat anderen niet doen wat je wilt. Geraadpleegd op 6 mei 2021 van https://www.managementsite.nl/hoe-onbewust-stand-houdt-dat-anderen-doen  

Wieman, H. N. (1958). Man’s Ultimate Commitment, Carbondale: Southern Illinois University Press. 

Sterk Sociaal Werk en Creatieve Wisselwerking[i]

Inleiding

Sterk Sociaal Werk was de titel van de Vlaamse sociaalwerkconferentie die op 24 mei 2018 georganiseerd werd in Brussel[ii]. Die conferentie kwam er naar aanleiding van de vaststelling dat de finaliteit van sociaal werk, namelijk het realiseren van sociale rechtvaardigheid, onder druk staat. De sociale onrechtvaardigheid is inderdaad de laatste vijfentwintig jaar gegroeid, onder ander als gevolg van de vele migratiegolven, de groeiende kloven, enerzijds tussen arm en rijk en anderzijds tussen laag en hooggeschoolden, en de negatieve neveneffecten van de globalisatie. Ook werden hoe langer hoe meer barrières, om sociale rechtvaardigheid te realiseren, gecreëerd die voornamelijk de meest kwetsbaren troffen en wentelt de overheid hoe langer hoe meer de zorg voor sociale rechtvaardigheid af op informele zorg, op vrijwilligerswerk en op de behoeftigen zelf, dit door neoliberale ‘stuiptrekkingen’[iii]. Diezelfde neoliberale reflex zorgt ook voor een sterkere focus op resultaatsindicatoren en de opkomst van commerciële spelers, onder meer in de woonzorg en de kinderopvang. Deze ontwikkelingen stellen sociaal werk voor belangrijke vraagstukken, vandaar de roep om een sterk sociaal werk.

In deze column wil ik aantonen dat sterk sociaal werk een grote behoefte heeft aan Creatieve wisselwerking

Vooreerst, wat bedoel ik met Creatieve wisselwerkingCreatieve wisselwerking is het natuurlijk transformatieproces waarmee we allen geboren zijn en dat duurzame verandering mogelijk maakt doordat het mensen en organisaties begeleidt bij :

1. Het ontdekken van feiten, waarnemingen en objectieve gegevens door Authentieke Interactie;

2. Het Waarderend Begrijpen van die, door de deelnemers aan het proces verschillend geïnterpreteerde, realiteit. Bij de toepassing van Creatieve wisselwerking drukt men, wanneer men van mening verschilt, zijn waarheid niet door. In plaats daarvan is men verwonderd en stelt men de leiderschapsvraag bij uitstek: “Hoe komt het dat wij dezelfde werkelijkheid zo verschillend zien?” en wordt er gezamenlijk een ‘Gedeelde Mening’ gezocht en gevonden;

3. Het Creatief Integreren van die diversiteit ten einde uit te deinen wat men weet, apprecieert, zich kan voorstellen en van binnenuit kan beheersen. Op z’n best zorgt het creatief wisselwerkingsproces ervoor dat synergetische oplossingen voor problemen gevonden worden en dat dynamische beslissingen worden genomen.

4. Het Transformerend uitvoeren, waarbij men de acties uitvoert die werden beslist. Het proces lost daarbij niet alleen het probleem op, het transformeert ook eenieder die eraan deelneemt.

Hierbij erken ik dankbaar het baanbrekend werk van dr. Henry Nelson Wieman voor zijn formulering van het creatief transformatieproces (o.m. in diens boek ‘Man’s Ultimate Commitment’[iv]), heerlijk hertaald door mijn vriend dr. Charles Leroy (‘Charlie’) Palmgren, die bovendien de basiscondities, nodig voor Creatieve wisselwerking, identificeerde [o.m. in zijn boeken ‘The Chicken Conspiracy’ (met coauteur Stacie Hagan)[v] en ‘The Ascent of the Eagle’[vi]]. Dit alles en nog veel meer heb ik dan zelf toegepast om vorm te geven aan het Cruciale Dialogenmodel in m’n boek ‘Cruciale dialogen’[vii].

In wat volgt leg ik de link tussen Sterk Sociaal Werk en Creatieve wisselwerking; daarbij  aantonend dat Creatieve wisselwerking en het succesvol voeren van Cruciale dialogen, gebaseerd op het creatief wisselwerkingsproces, hoekstenen zijn van Sterk Sociaal Werk.

De vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk

De Sociaal Werk Conferentie van 2018 identificeerde vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk: Nabijheid, Politiserend werken, Procesmatig werken, Generaliserend werken en Verbindend werken. Die kan men ook zien als het DNA van Sterk Sociaal Werk. Let wel, deze krachtlijnen kunnen niet los van elkaar gezien kunnen worden. Sterk sociaal werk is altijd een combinatie van deze krachtlijnen. DNA is het materiaal waarin de erfelijke informatie van een organisme is vastgelegd. Zo heeft elke sociale professional deze krachtlijnen in zijn/haar werk zitten. Niet altijd even zichtbaar, het DNA van een mens is dat ook niet, maar ze zijn er wel. Ze scheppen een kader, helpen de eigen opdrachten beter te vatten en de rol van partners scherp te krijgen.

Laten we, niettegenstaande deze eigenlijk niet los van elkaar kunnen gezien worden,  deze vijf krachtlijnen (nabijheid, politiserend werken, procesmatig werken, generaliserend werken en verbindend werken) toch, voor de duidelijkheid van m’n betoog, een voor een overlopen en aantonen hoe Creatieve wisselwerking voor elk van deze krachtlijnen een hoeksteen is.

Nabijheid

Een sociaal werker is aanwezig in de leefwereld van mensen in een kwetsbare situatie. De ‘agenda’ wordt altijd samen bepaald. Daartoe zoekt de sociaal werker altijd verbinding.  

In verbinding zijn is eigenlijk in Authentieke Interactie zijn. Authentieke Interactie is ook de eerste karakteristiek van Creatieve wisselwerking. Om dit te visualiseren gebruik ik hieronder een uiterst summiere versie van het Cruciale Dialogenmodel (CDM). Dit omvat uiteraard de eerste karakteristiek Authentieke Interactie van Creatieve wisselwerking, want het CDM is ten slotte ook een voorstelling van het creatief wisselwerkingsproces.

Het realiseren van grondrechten vraagt dan ook nabijheid. Daardoor kunnen ze samen nagaan ‘waar ze staan’ wat het realiseren van grondrechten betreft. Het CDM geeft ook aan ‘waar we naar toe moeten’, met name het realiseren van sociale rechtvaardigheid. Het spreekt vanzelf dat sociaal werkers tijd en ruimte nodig hebben om relaties op te bouwen. Daartoe dienen ze zo laagdrempelig en onvoorwaardelijk mogelijk te kunnen werken aan ontmoeting.  

Daarbij dienen ze het werkwoord ‘ontmoeten’ te splitsen: ‘ont – moeten’. Dat is onvoorwaardelijk werken: niets moet en alles mag.

Relaties opbouwen steunt op ‘openheid’ en ‘vertrouwen’. Dit tweespan is cruciaal bij Authentieke Interactie. Men kan namelijk niet authentiek zijn als men niet open is, en men kan niet authentiek en open zijn wanneer men elkaar niet vertrouwt. Niet toevallig zijn ‘openheid’ en ‘vertrouwen’ dan ook de basisvoorwaarden voor Authentieke Interactie zoals volgende figuur, een gedeelte van een uitgebreider Cruciale Dialogenmodel, aangeeft:

Gedurende deze fase komen de feiten, waarnemingen en objectieve gegevens van ‘waar we staan’ aan bod. Deze dienen geobserveerd te worden met het helder bewustzijn. Dit impliceert dat de sociaal werker kennis heeft van de twee soorten bewustzijn die cruciaal zijn bij dialogen met hun cliënten. Ik doel hier op het helder en het  gekleurd bewustzijn.

Een van de grootste talenten van de mens is dat zij of hij helder bewust kan zijn van zichzelf en ook bewust kan zijn van het inkleuren (‘consciousness’) van dat helder bewustzijn (‘awareness’). Ik gebruik hierbij bewust de Engelse begrippen ‘awareness’ en ‘consciousness’. Die termen worden in het Nederlands steevast als ‘bewustzijn’ vertaald. Dat is een van de oorzaken dat het voor mij, Nederlandstalige, lang duurde voor ik doorhad dat ‘awareness’ en ‘consciousness’ twee verschillende vormen bewustzijn zijn. Met name de bewustzijnsvormen van onze onderscheiden ‘zelven’. Om het voor mij, en hopelijk ook voor jullie, duidelijk te maken, heb ik een nieuwe Nederlandse vertaling van deze Engelse begrippen ‘ont-dekt’. Awareness vertaal ik als helder bewustzijn. Onze Originele of Creatieve Zelf komt helder bewust (‘aware’) ter wereld. Dit helder bewustzijn wordt langzamerhand geconditioneerd tot het gekleurd bewustzijn van de gecreëerde zelf (dit is onze actuele ‘zelf’); dus vertaal ik logischerwijze ‘consciousness’ als gekleurd bewustzijn. 

Men zou met een metafoor kunnen stellen dat het helder bewustzijn van de Creatieve Zelf als helder ‘wit’ licht is dat door de gecreëerde zelf, fungerend als een prisma, gebroken wordt in alle kleuren van de regenboog. Vandaar dat ik, voor het bewustzijn horend bij de gecreëerde zelf, koos voor de naam gekleurd bewustzijn. Opvallend is dat gedurende het conditioneringsproces (met o.a. de opvoeding, school, vrienden, gemeenschap …), de meesten onder ons niet alleen hoe langer hoe meer gekleurd bewust worden en vooral, en dat is erg, zich gaan vereenzelvigen met hun gecreëerde zelf. Kortom, mensen worden hoe langer hoe meer gekleurd bewust (‘conscious’) en hoe langer hoe minder helder bewust (‘aware’). Dit alles zou men kunnen voorstellen als een muntstuk met aan de ene zijde de Creatieve Zelf met z’n helder bewustzijn en aan de andere zijde de gecreëerde zelf met z’n gekleurd bewustzijn. 

Het helder bewustzijn

Het helder bewustzijn is non-duaal, onbevooroordeeld, niet-lineair en neutraal. Het heeft als kenmerken transcendentie[viii], vrijheid, openheid en vertrouwen. Het is kalm en vredig. Heel jonge kinderen zijn nog hoofdzakelijk helder bewust. Dit is niet verwonderlijk, gezien zij nog hoofdzakelijk hun Originele Zelf zijn. Daar het pure helder bewustzijn een ervaring is van het heel jonge kind – een ervaring die volwassenen grotendeels kwijtgespeeld zijn – is het begrip helder bewustzijn moeilijk te verwoorden. Dit is de reden waarom het voor mij, de zeventig voorbij, echt moeilijk is om het helder bewustzijn ook helder te beschrijven. Het helder bewustzijn leent zich bovendien niet tot volzinnen, concepten, uitleg en/of definities. Toch zal ik, tegen beter weten in, het concept helder bewustzijn in wat volgt beschrijven. Mede omdat men, ook en vooral als sociaal werker, zo veel mogelijk (terug) haar of zijn Creatieve Zelf wordt in de mate dat men (terug) helder bewust wordt. 

Om het helder bewustzijn toch enigszins in woorden te vatten, dient men een pasgeborene voor ogen te houden. Een pasgeborene is authentiek, helder bewust, open en vol vertrouwen. Een van de sleutel elementen van z’n openheid en vertrouwen is z’n capaciteit om te observeren. Van zodra de oogfunctie het toelaat, observeert de pasgeborene de omgeving met het helder bewustzijn. Zij of hij kleurt die werkelijkheid nog niet in. Met andere woorden, het brein van een pasgeborene fungeert nog niet als een prisma. 

Observeren[ix] kan worden onderscheiden van percipiëren[x], maar is er niet van gescheiden. Perceptie steunt op observatie en voegt er, gekleurd bewust, onderwerp/object onderscheiden, positieve/negatieve oordelen, het lineair en ‘het één of het ander’ denken aan toe. Dit in een streven naar verschillende betekenissen, met als onderliggend doel zich aan te passen aan de sterk veranderende wereld en daarin goed overeind te blijven. Perceptie is interpretatie van de sensatie of observatie. Observatie van z’n kant is vrij van onderwerp/object onderscheiden, is onbevooroordeeld (oordeelt dus niet in positief/negatief), is niet- lineair en streeft alles behalve naar het kleven van labels op de werkelijkheid. Observatie streeft wel naar een klaar zicht krijgen op de dingen en het bekomen van ‘het één en het ander verschillend van’ denken. 

Observeren blijkt voor volwassenen een aartsmoeilijke taak. Hoewel het observeren echt zien en echt luisteren mogelijk maakt en dit zaken zijn die volwassenen broodnodig hebben. Toch staan volwassenen weigerachtig tegen goed observeren. Volwassenen willen niet echt observeren omdat ze intuïtief aanvoelen dat ze daardoor zullen aangezet worden te veranderen. Volwassenen percipiëren liever, ze interpreteren de observatie met hun eigen gekleurd denkkader, om niet te hoeven veranderen. Let wel, iedereen houdt van veranderen, zolang het ‘de ander’ is die dient te veranderen… Men wordt echter door observeren uitgenodigd het persoonlijk denkkader te veranderen en dat is een ander paar mouwen. Daarbij komt nog dat door echt observeren we helder bewust worden en we daardoor de controle dreigen te verliezen over onze manier van leven. Een manier waar we ons toch zo krampachtig aan vastklampen. En toch, wat een volwassene blijvend nodig heeft, is haar of zijn bereidheid iets nieuws te leren, zijn denkkader aan te scherpen. En dus te veranderen; want leren is veranderen en veranderen is leren. De mate dat een volwassene (terug) wakker wordt, is recht evenredig met de mate waarin zij of hij een portie ‘waarheid’ tot zich kan nemen zonder er van weg te vluchten. De vraag, die elke volwassene zich dient te stellen, komt neer op: “Hoeveel van waar ik mij aan vastklamp, kan door observatie worden losgeweekt zonder ik mij verschans in m’n gesloten denkkader?” De eerste reactie van een volwassene, wanneer die tegenvoets genomen wordt door echte observatie, is blijkbaar angst. Het is niet dat zij of hij angst heeft voor het onbekende. Men kan nu eenmaal geen angst hebben van iets dat men niet kent. Daarom ook is een heel jong kind zo onbevreesd. Wat de volwassene bij echte observatie vreest, is het mogelijk verlies van wat hij wel weet, waar hij zich aan vastklampt, en wat door echte observatie op losse schroeven dreigt te worden gezet. 

Openheid en Vertrouwen

De raad die ik elke Sociaal Werker meegeef in het kader van deze krachtlijn ‘Nabijheid’ luidt: “Wees open teneinde duurzame relaties te bouwen en daardoor meer vertrouwen te krijgen, waardoor de ander opener zal zijn.” 

Er is echter een belangrijk verschil tussen de twee concepten: 

  • Vertrouwen is een relatie-toestand tussen mensen, en het resultaat van alles wat er tussen de deelnemers aan het creatief wisselwerkingsproces gebeurt; 
  • Openheid is een gedrag. 

Dit is een cruciaal verschil. De sociaal werker kan zelf besluiten om zich naar z’n cliënt te openen om zo de positieve spiraal te starten die leidt tot meer vertrouwen, wat dan zorgt voor meer openheid. 

Door te begrijpen hoe vertrouwen en openheid zich tot elkaar verhouden, kan de sociaal weker ervoor kiezen om net wat opener te zijn dan wat het vertrouwen toestaat. Zo draag de sociaal werker bij aan de ontwikkeling van psychologische veiligheid en effectiviteit. 

Openheid leidt tot meer vertrouwen, wat de basis legt voor meer openheid[xi].

Openheid en vertrouwen zijn vast aan elkaar verbonden. Een persoon ten volle kennen en waarderen, weten wie zij of hij is en wat zij of hij werkelijk doet, creëert vertrouwen. Hoe opener iemand is, hoe meer zij of hij door de ander(en) kan gekend worden, hoe meer zij of hij echt kan begrepen worden en hoe groter het onderling vertrouwen kan worden. Vertrouwen en openheid zijn de basis hoekstenen van Authentieke Interactie, de eerste karakteristiek van het creatief wisselwerkingsproces. Om van het vertrouwen en de openheid een duurzame realiteit te maken, dienen deze hoekstenen uiteraard permanent onderhouden te worden. Dit kan door het voortdurend inzetten van de vier basisvaardigheden van deze karakteristiek: 

  1. het duidelijk stellen van de Kernvraag
  2. het in balans gebruiken van Bepleiten en Bevragen;
  3. het gebruiken en herkennen van Non-Verbale Communicatie;
  4. het bevestigen van wat herhaald wordt of Bevestigend Parafraseren.

Een omgeving waarin duurzaam vertrouwen en openheid heerst, is gekenmerkt door een vrije stroom van informatie. Openheid heeft twee dimensies: vertellen en luisteren en is dus een interpersoonlijke conditie die bestaat tussen Sociaal Werker en cliënt, wanneer zij: 

  • als ‘zender’ elkaar vertellen wat zij denken over feiten, ideeën, waarden, aannames, gevoelens en de manier waarop zij zaken zien en 
  • als ‘ontvanger’ naar die boodschap willen luisteren en dit ook echt ten volle doen. 

Sociale Werkers die niet beschikken over bovenvermelde vier basisvaardigheden van de interpersoonlijke communicatie zullen niet zeer open zijn en bovendien minder geneigd zijn om anderen te vertrouwen. “Vertrouwen is goed, Controle is beter”, is hun devies. Dat ze daardoor zelf ook heel wat minder vertrouwd worden, is logisch. 

Het open zijn en het op voorhand vertrouwen geven houden risico’s in. Het is anderzijds ook zo dat zonder het nemen van risico’s het creëren van een goede, respectvolle relatie onmogelijk is.

Wij zijn er, gebaseerd op onze ervaringen, van overtuigd dat het zich bekwamen in de vier basisvaardigheden, en deze ten volle inzetten bij elke diepe conversatie, de individuele niveaus van openheid en vertrouwen zal verhogen. Het gaat over – om het in systeemdenken taal[xii] te zeggen – een zelfversterkende lus: het effectief gebruik van de vier basisvaardigheden versterkt de openheid en het vertrouwen en … het verstevigd  vertrouwen en de grotere openheid bevorderen dan weer het gebruik van de vier basisvaardigheden. Dit totdat het (goede) gewoonten geworden zijn.

Creatieve wisselwerking ligt aan de basis van, en gaat over, een ingrijpend veranderingsproces. Deal en Kennedy[xiii] stellen dat openheid en vertrouwen een sleutelonderdeel zijn van verandering: 

Openness and Trust in the Change Process influence wether and how change occurs.

en de Freibergs[xiv] zeggen het zo: 

Full disclosure leads to more honest conversations and it creates culture that values authenticity.

Vertrouwen is organisch, het wordt echt niet geproduceerd op een assembleerlijn. Vertrouwen groeit door onze acties. Peter Senge et al.[xv] hebben vastgesteld dat “Culturen enkel bestaan wanneer die op elk moment beleefd worden”. Vertrouwen groeit wanneer: 

  • er naar elkaar geluisterd wordt, echt geluisterd; 
  • we elkaar aanmoedigen om onze ideeën uit te drukken en daarbij actief luisteren (cf. de vaardigheid Bevestigend Parafraseren); 
  • elkaar toestaan dat ook opinies aan bod komen, zelfs opinies die we liever niet horen; 
  • we fouten aanvaarden (want een fout kan gebeuren) en een fout is niet erg, vooral wanneer we ervan leren. 

Om Peter Senge et al. nog maar eens te citeren: 

We learn how to do something truly new only through doing it, then adjusting.

Door fouten te aanvaarden wordt blaam getransformeerd in creatief denken, we leren dan echt van onze fouten. Het Originele Zelf creëert dus vertrouwen, waarbij integriteit eerlijkheid omvat én verder gaat. Eerlijkheid is de waarheid vertellen – m.a.w. onze woorden in overeenstemming brengen met onze interpretatie van de realiteit. Integriteit is onze woorden in overeenstemming houden met de realiteit gezien vanuit onze Originele Zelf, dus met het helder bewustzijn. 

Eén van de belangrijkste manieren om de Originele Zelf te tonen en uw integriteit te bewijzen, is loyaal te zijn t.o.v. diegenen die niet aanwezig zijn. Door zo te handelen versterken wij het vertrouwen in ons van diegenen die wel aanwezig zijn. Inderdaad, wanneer men diegenen die niet aanwezig zijn, verdedigt, zal men het vertrouwen winnen van diegenen die wel aanwezig zijn. Integriteit in een interafhankelijke werkelijkheid komt neer op het behandelen van iedereen overeenkomstig dezelfde principes. Wanneer je dit werkelijk doet, zullen mensen je vertrouwen. 

Integriteit vermijdt misleidende communicatie. Een leugen is elke communicatie met de bedoeling om te misleiden. Wanneer we integer communiceren in woorden én gedrag, kan het onmogelijk onze intentie zijn te misleiden of te bedriegen. Dit voelt iedereen aan en daardoor versterkt integer gedrag in communicatie het vertrouwen en de openheid. 

Politiserend werken

Sociaal werkers zorgen er mee voor dat mensen gebruik kunnen maken van hun sociale rechten en voordelen. Maar ze wijzen ook op structurele mechanismen die tot sociale onrechtvaardigheid leiden. Ze zoeken naar collectieve oplossingen om die mechanismen te bestrijden. Sociaal werkers zijn publieke en democratische professionals die hun stem laten horen, maatschappelijke belemmeringen benoemen, dominante denkpatronen in vraag durven stellen en een eigen positie innemen vanuit de normatieve waarden van het beroep.

We schreven het al, de finaliteit van sociaal werk is het realiseren van sociale rechtvaardigheid. Dit wil zeggen dat Sociaal werkers er onder meer moeten voor zorgen dat mensen gebruik kunnen maken van hun sociale rechten en voordelen. Nog te veel is dit niet het geval en dat is zonder meer een sociale onrechtvaardigheid. Om die sociale onrechtvaardigheid bloot te leggen dient de sociaal werker outreachend en proactief te werken; en dit door tegenstroom te gaan en allesbehalve de schuld op de cliënt te schuiven. Eerder gaat de sociaal werker proactief op zoek naar structurele miskleunen.

Inderdaad, door te dialogeren en te werken met hun cliënten leren sociaal werkers welke structurele mechanismen tot sociale onrechtvaardigheid leiden. Een van die mechanismen is (nog steeds) het zogenaamde Mattheuseffect. In het sociaal beleid betekent het Mattheuseffect dat het profijt van het overheidsbeleid vooral ten goede komt aan de midden- en hogere inkomensgroepen en minder aan de laagste inkomens (voor wie ze eigenlijk bedoeld zijn). Met andere woorden de mensen die het profijt het meest nodig hebben, krijgen er het minst van. Herman Deleeck[xvi] was een van de eersten om dit fenomeen systematisch te analyseren in relatie tot het sociaal beleid. Tegenwoordig is het overheidsbeleid, zoals reeds geschetst, doordrongen van een soort neoliberalisme dat het hoe langer hoe moeilijker maakt, voor diegenen die de hulp echt nodig hebben, die hulp ook te verkrijgen. De middenklasse heeft daar minder moeite mee omdat die de middelen (zowel immateriële: kennis als materiële: internet, pc, …) hebben om de obstakels, die de overheid hoe langer hoe meer opwerpt, te omzeilen.

De opdracht van sociaal werkers is te zoeken naar collectieve oplossingen om die mechanismen te bestrijden. Voor die deeltaak van Sociaal Werk is het complete Cruciale Dialogenmodel een uitgelezen tool. Dit is namelijk een universeel model om problemen op te lossen en vragen te beantwoorden. Dus wanneer een Sociaal Werker op zo’n probleem stoot, kan hij het probleem verwoorden als een vraag: “Hoe kan ik ervoor zorgen dat dit specifiek structureel mechanisme ten gronde wordt bestreden?”. Die hamvraag wordt in het midden van het Cruciale Dialogenmodel geplaatst. In z’n summierste vorm is het Cruciale Dialogenmodel (CDM) eigenlijk een lemniscaat met in het midden het vraagteken: 

Die lemniscaat wordt dan verder van links naar rechts (in tegenwijzer zin) en indien nodig nogmaals van links naar rechts afgewerkt, en dit tot de oplossing effectief en efficiënt is.

Uiteraard komen de vier kwadranten van het CDM overeen met de vier karakteristieken van het creatief wisselwerkingsproces:

  1. Authentieke Interactie m.b.t. de werkelijke situatie: Communicatie;
  2. Waarderend Begrijpen van deze werkelijke situatie: Appreciatie;
  3. Creatief Integreren om te groeien naar de gewenste situatie: Imaginatie;
  4. Continue Transformatie om de gewenste situatie (i.e. de nieuwe werkelijke situatie) te realiseren: Transformatie.

Het zou mij te ver leiden om hier het volledige model, dat nog een stuk complexer is dan bovenstaande figuur, en ook het ‘vlindermodel’ wordt genoemd, uit de doeken te doen. Daar is m’n reeds geciteerde boek ‘Cruciale dialogen’ voor (Roels, 2012, pp. 58-64). 

Het politiserend werken bestaat er voornamelijk in de maatschappelijke belemmeringen te benoemen en de dominante denkpatronen in vraag te stellen. Dat moed nodig is om een cruciale dialoog aan te gaan met de overheid, waar men meestal, direct of indirect, voor het eigen loon afhankelijk van is, hoeft geen betoog. Een Sociaal werker dient inderdaad een eigen positie in te nemen vanuit zowel de eigen normatieve waarden als die van het beroep. Die eigen normen en waarden vindt men overigens in het lichaam van het ‘vlinder’ terug.

Een en ander gebeurt in het tweede kwadrant van het creatief wisselwerkingsproces en hoe dit in z’n werk gaat kan als volgt beschreven worden.

Om een situatie waarderend te kunnen begrijpen kleurt men de ‘heldere’ waarheid in met het gekleurd bewustzijn. De perceptie en interpretatie gebeuren inderdaad met het gekleurd bewustzijn (cf. Perceptie is de interpretatie van de sensatie). Men ziet namelijk de werkelijkheid niet zoals deze is, men ziet die realiteit zoals men zelf is. Dus met het eigen denkkader, de eigen mindset of, metaforisch, de eigen gekleurde bril. 

De twee deelnemers aan de cruciale dialoog, in dit geval de sociaal werker en de beleidsmaker, hebben elk hun eigen gekleurde bril op de neus en zien daardoor de werkelijkheid per definitie verschillend. Om uit de impasse te geraken, want niemand heeft de waarheid in pacht, dienen in deze fase de twee basiscondities Nieuwsgierigheid en Kunnen omgaan met Onzekerheid (Ambiguïteit) vervuld te zijn. Dat is meestal geen probleem bij de Sociaal werker, want die is sowieso nieuwsgierig en gaat dagelijks om met onzekerheid, anders had hij nooit inzicht gekregen in het structureel mechanisme dat tot sociale onrechtvaardigheid leidt en wat hij hier aankaart. De vraag is of ook de beleidsmedewerker die basiscondities ter harte neemt en de moed heeft om in de schoenen van de sociaal werker te gaan staan. Anders gesteld, hebben beiden de moed om elkaars gekleurde bril op te zetten en elkaars werkelijkheid te zien en van daaruit te streven naar een Gedeelde Mening?

Het gekleurd bewustzijn

Het gekleurd bewustzijn omvat dus perceptie en geeft zaken een ‘label’: voordelig-nadelig, akkoord-niet akkoord, inclusief-exclusief, goed-slecht, en juist-fout. Let wel, perceptie is essentieel om zich te kunnen aanpassen en daardoor te kunnen overleven in deze steeds maar sneller veranderende wereld. Percepties zorgen er voor dat er voorkeuren, betekenissen en waarden ontwikkeld worden en kleuren daardoor ons bestaan. 

Door interpretatie, evaluatie en beslissing wordt wat bekomen werd door observatie met het helder bewustzijn getransformeerd doordat perceptie gebruik maakt van het gekleurd bewustzijn. Daardoor wordt de “één en het ander verschillend van” observatie van het helder bewustzijn vaak de “het een of het ander” perceptie van het gekleurd bewustzijn. We komen terecht in wat het “in-the-box” denken wordt genoemd. Die ‘box’ (doos) wordt gevormd door de grenzen van onze ‘fixed’ (gesloten) mindset. Door ons gekleurd bewustzijn appreciëren we de werkelijkheid op een bepaalde manier en de aldus gewaardeerde werkelijkheid wordt als het ware in de doos van onze ‘mindset’ (denkkader, mentaal model) gestopt. In feite bepaalt die gekleurde appreciatie wat er in de doos terecht komt en, wat nog belangrijker is, wat er uit wordt geweerd. Anders gesteld, we voegen toe wat we waarderen en weren wat we niet waarderen. Uiteindelijk zien we de werkelijkheid niet zoals deze is, we zien ze zoals wij zijn! (cf. Anaïs Nin[xvii], Stephen R. Covey, …). 

Onze voorkeuren maken dat verschillen gepolariseerd worden. Het gekleurd bewustzijn werkt inderdaad polarisatie in de hand. Er is geen sprake meer van “het één en het ander”; inderdaad, de ‘en’ is een ‘of’ geworden. We leggen onszelf op te kiezen. Daarbij wordt een van de twee polen gekozen ten nadele van de andere pool en dit werkt uiteraard polarisatie in de hand. 

Deze splitsing, de verschuiving van ‘en’ naar ‘of’, heeft meerdere gevolgen; zowel positieve als negatieve. Een van de gevolgen is dat elk idee wordt gecatalogeerd als een goed of slecht idee. Terwijl in werkelijkheid elk idee beide eigenschappen in zich heeft. Inderdaad, elk idee en elke situatie kan gepercipieerd worden als positief én als negatief. Het begrip ‘appreciatie’ wordt vaak geassocieerd met onze voorkeuren. We worden als het ware blind voor de andere zijde van de medaille en dus voor de niet voorziene, niet geanticipeerde en collaterale ‘schade’. We zien die laatste niet omdat we enkel percipiëren doorheen de gekleurde bril van onze voorkeuren. We zien enkel wat ‘goed’ is in een idee, dus wat we als goed catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke ‘negatieve’ effecten van dat idee. Het tegenovergestelde is ook waar. Wanneer we een idee niet appreciëren, zien we enkel wat ‘slecht’ is aan dit idee, dat we door het niet te appreciëren als ‘slecht’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke ‘positieve’ effecten van dat idee. Dit alles zorgt er voor dat we afglijden naar een gekleurd denkkader ten koste van een helder én correct gekleurd denkkader. 

In plaats van in de polarisatie te blijven steken, dienen we naar een gedeelde mening te streven en dit door de verschillende meningen met elkaar te vermengen tot een mening die voor eenieder aanvaardbaar is. Ten einde een Gedeelde Mening te creëren, dient elkeen wat zij of hij heeft waargenomen, in vraag durven te stellen. Het in vraag stellen van de denkkaders gebeurt op een integere manier, men schetst eerlijk hoe men de gegevens, de boodschap waardeert en staat open voor de waardering ervan door de ander. 

Dit zeer belangrijk onderdeel van de dialoog kan als volgt weergegeven worden:

Bij het waarderen van elkaars meningen worden een viertal vaardigheden ingezet: 

  1. Nederig vragen;
  2. De ‘plus’ achter de ‘min’;
  3. Integreren van verschillende inzichten;
  4. Invraagstelling van Mentale modellen.

Voor de bespreking van die vier vaardigheden verwijs ik graag naar m’n boek (Roels, 2012, pp. 175-189).

Procesmatig werken

Elke sociaal werker stemt haar of zijn handelen voortdurend af op verwachte en onverwachte gebeurtenissen in het proces dat zij of hij met mensen aan het lopen is. Daarnaast benut de sociaal werker ook de ervaringskennis van betrokkenen. Inspraak en participatie staan altijd centraal. De uitkomst ligt dus niet vooraf vast.

Het proces, het kan niet anders, is het creatief wisselwerkingsproces!

Een paar kenmerken van dit procesmatig werken:

  • Een proces is nodig, want het gaat om een complexe realiteit. Vandaar van dat het complete Cruciale Dialogenmodel complex oogt en is;
  • Elk antwoord is onvolledig en roept nieuwe vragen op. Daardoor is het Cruciale Dialogenmodel een lemniscaat en dient de ‘liggende acht’ meestal meerdere keren doorlopen te worden, teneinde een afdoende antwoord op de vraag te formuleren;
  • Creatieve wisselwerking is interactief, de eerste karakteristiek noemt zelfs Authentieke Interactie. Interactie tussen individuen, in groepen en in buurten. 
  • Creatieve wisselwerking is per definitie participatief. Iedereen bouwt mee aan het succes van het proces. De ervaringskennis van de betrokkenen wordt ten volle benut.
  • En waartoe het proces leidt, ligt helemaal niet vast. Creatieve wisselwerking kan niet gestuurd worden. Daardoor is de uitkomst nooit op voorhand gekend. Het is een proces, een methode om te creëren. De richting kan gekozen worden (door de vraag in het midden), maar van dan af ligt niets vast. Dit is een van de eigenheden van Creatieve wisselwerking: men weet op voorhand niet waar men uitkomt. Hetgeen ik soms onderstreep met de boutade: “The Process is the Leader!” De liggende acht is eerder een methode dan een stappenplan, of beter gezegd: de methode zorgt voor een stappenplan voor de uitvoering van de gekozen oplossingen die op voorhand verre van vast liggen. 

Ik ben er heilig van overtuigd dat deze krachtlijn en kerntaak van elke sociaal werker neerkomt op het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Het spreekt van zelf dat het Cruciale dialogenmodel, dat de acht basiscondities en zestien vaardigheden beschrijft die nodig zijn en ingezet dienen te worden voor het succesvol van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking, op het nachtkastje van elke sociaal werker thuishoort. Let wel, ‘Cruciale dialogen’ (Roels, 2012) is geen leesboek… het is een doe-boek. Want al doende, leert men. Ook en misschien vooral in het kader van Creatieve wisselwerking. Het boek is vooral ook een naslagwerk bij het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Kortom, men dient als sociaal werker Creatieve wisselwerking van binnenuit te beleven om wendbaar (i.e. proactief) en weerbaar (i.e. re-actief) te zijn en te blijven en daardoor dient Creatieve wisselwerking o. i. een element van de Body of Knowledge van Sterk Sociaal Werk te zijn.

Generalistisch werken

Als sociaal werker plaats je een persoon in zijn bredere context en heb je oog voor alle levensdomeinen. Dat maakt dat je perfect als brugfiguur of kruispuntwerker ingezet kan worden. Door de generalistische aanpak heb je een goed zicht op de sociale kaart, en heb je een uitgebreid netwerk.

Daartoe is nodig dat de sociaal werker een ‘brede bril’ hanteert. Anders gesteld, zij of dient bekwaam te zijn om ‘out of the box’ te denken. Dit kan door bij elke ontmoeting de eigen ‘gekleurde bril’ af te zetten en die te vervangen door de andere mogelijke brillen. 

Het heeft ook te maken met bij de eerste ontmoeting het helder bewustzijn in te zetten en het gekleurd bewustzijn even uit te schakelen. Nadien dient men zich, wanneer men tracht waarderend te begrijpen, te hoeden voor een ‘jump to conclusion’ reflex. Hoe meer ervaring de sociaal werker heeft, hoe gevaarlijker het wordt om heel vlug een inzicht (conclusie) te koppelen aan een ‘favoriete’ oplossing. Het gevaar voor dit gedrag vergroot wanneer men het probleem ‘eng’ bekijkt. Iedere sociaal werker zou de cliënt in z’n brede context dienen te zien. Dit betekent dat zij of hij op zoek dient te gaan naar verbanden tussen meerdere levensdomeinen. De sociaal werker dient zich ter degen bewust te zijn dat alles met alles verbonden is.  Zo is heeft het probleem ‘armoede’ vele facetten en gaat niet alleen om het ‘niet hebben van werk’.

Een checklist benadering is uit de boze, want die leidt naar standaardoplossingen en die bestaan niet. Problemen zijn altijd uniek en dulden geen passe-partout antwoorden. Vandaar mijn stelling dat ook hier Creatieve wisselwerking van binnenuit dient beleefd te worden.

De sociaal werker krijgt door haar of zijn generalistische aanpak een goed zicht op de zogenaamde sociale kaart en behoedt er zich voor die als checklist te gebruiken. Eerder kan die dienen om haar of zijn uitgebreid netwerk van professionelen te stofferen. Met dit uitgebreid netwerk gaat de sociaal werker regelmatig in dialoog. Het spreekt vanzelf dat daarbij Creatieve wisselwerking van binnenuit beleefd wordt. 

Door de kennis van de sociale kaart en het hebben van een uitgebreid netwerk kan de sociaal werker fungeren als een uitstekende gids. In die hoedanigheid verwijst hij z’n cliënt door naar de verschillende instanties die haar of hem kunnen helpen.

Verbindend werken

De sociaal werker is op drie manieren verbindend. 

  1. Individueel: versterken van mensen om opnieuw greep te krijgen op hun eigen leven en betekenisvol te kunnen deelnemen aan de samenleving. 
  2. Collectief: werken aan verbinding in buurten en op het lokale niveau om het samenleven te versterken. 
  3. En ten slotte: verbinden van mensen met maatschappelijke basisinstituties (onderwijs, gezondheidszorg, de arbeidsmarkt) door ervoor te zorgen dat ook groepen in kwetsbare situaties er toegang toe krijgen.

Empowermentparadigma 

Het gebruik van het begrip paradigma in de cursus (De Greef & Goris, 2020) gaat er vanuit dat elke sociaal werker dit begrip ten volle begrijpt. Maar is dat wel zo? Voor alle zekerheid en, zoals de Fransen zo mooi zeggen ‘A toutes fins utiles’, volgende uitwijding:

Het begrip Paradigma

Het begrip Paradigma werd populair door het boek ‘De zeven eigenschappen van effectief leiderschap’ van Stephen Covey[xviii]. Om diens eigenschappen waarderend te kunnen begrijpen, dient men te weten wat ‘paradigma’s’ zijn en hoe we een paradigmaverschuiving kunnen creëren. Het begrip paradigmaverschuiving werd geïntroduceerd door Thomas Kuhn in zijn klassiek werk ‘De structuur van wetenschappelijke revoluties’[xix]. Die merkte op dat bijna elke belangrijke doorbraak in wetenschappelijk onderzoek een breuk met het tot dan gangbare paradigma betekent. 

Zo was voor Copernicus de aarde het centrum van het heelal. Copernicus realiseerde een paradigmaverschuiving door de zon centraal te stellen. Dit was een schok en Copernicus werd er zelfs voor vervolgd. Dit geeft aan dat iemand, die de ogen van zijn medemens opent, niet altijd gewaardeerd wordt. Dit ondervond ook Galileo Gallilei toen deze met z’n uitvindingen het heliocentrische model van Copernicus bewees en er over publiceerde. Hij werd tot tweemaal toe terecht gewezen door de Inquisitie. De overlevering wil dat Galilei, toen al 69 jaar oud, bij het vernemen van het vonnis – levenslang huisarrest – “Eppur si muove”: “en toch beweegt ze” (de aarde rond de zon) zou uitgeroepen hebben. Dat de Katholieke kerk moeite had om officieel hun miskleun te erkennen, blijkt uit het feit dat het tot in 1992 duurde vooraleer Paus Johannes Paulus II officieel een excuus uitsprak. Iemand die het heliocentrisch wereldbeeld nog aannemelijker maakte, was Isaac Newton. Diens natuurkundig model is nog steeds de basis voor de moderne bouwkunde. Het is echter niet volledig. Het duurde tot Einstein z’n relativiteitstheorie de wetenschappelijke wereld op z’n kop zette, voor men dit inzag. Die theorie verklaarde heel wat meer en maakte daardoor een diepgaander begrijpen mogelijk. Later kwam dan de kwantummechanica, waar Einstein het dan op z’n beurt moeilijk mee had. 

Probleme kann man niemals mit derselben Denkweise lösen, dürch die sie entstanden sind. – Albert Einstein 

Paradigma’s hebben een enorme invloed; ze zijn de lens waardoor we naar de wereld kijken. Fundamentele veranderingen hebben niet zelden te maken met paradigma verschuivingen. Paradigma’s zijn bepalend voor wie je bent. Zijn is zien. We kunnen onze visie niet fundamenteel veranderen zonder zelf te veranderen en omgekeerd. Zelf veranderen komt neer op het transformeren van het eigen denkkader of mindset (paradigma) waardoor ook het eigen gedrag verandert.

De levenscyclus van elk paradigma heeft volgens Joel Barker[xx] in de groeifase, zoals elk levend organisme, de vorm van de linkerzijde van een Gauss curve. 

De horizontale as is de tijd as, de verticale de ‘succes’ as. Het succes van een bestaand paradigma kan gemeten worden aan de hand van het aantal problemen dat het oplost. Anders gesteld, wordt op de y-as de vooruitgang weergegeven.

In de opbouw van de curve kunnen drie fases worden onderscheiden. De A fase is de ontwikkelingsfase. Het nieuwe paradigma heeft dan nog weinig succes en daardoor ook weinig aanhang. Er worden binnen het nieuwe paradigma nog niet veel problemen opgelost. In het begin zijn de regels, de grenzen, de mogelijkheden van het nieuwe paradigma vrijwel onbekend. Het paradigma wordt in die A fase enkel maar gebruikt door de zogenaamde pioniers. Indien men er echter in slaagt om het nieuwe paradigma goed te onderbouwen en te propageren, gaan meer en meer mensen ervan gebruik maken. Gaat het werkelijk om een nieuw paradigma dan worden er hoe langer hoe meer problemen opgelost. Problemen die daarvoor onopgelost bleven. Wij komen in de B fase terecht.

Dit kunnen we toepassen op het paradigma van sociaal werk dat voorafging aan het empowermentparadigma. Toen nam de Sociaal werker alle last op z’n schouders. Dit ging lange tijd goed. Toch constateerde men vanaf een bepaald ogenblik dat bepaalde problemen van de cliënten niet op die manier konden opgelost worden. Hetzelfde niveau van dienstverlening kon niet behouden blijven en men had de indruk dat er afgegleden werd. Dit zijn tekenen die erop wijzen dat de C fase is bereikt. Dit kwam vooral omdat de ‘oude’ dienstverlening van “buitenaf” te weinig gebruik maakte van de kracht van de betrokkenen. Om één of andere reden waren we er nog niet in geslaagd om Sociaal werk van “binnenuit” te beleven. Het sociaal werk werd van ‘buitenaf’ beheerst en stagneerde. Het oude paradigma leek over zijn hoog­tepunt heen. Er was dus nood aan een nieuw paradigma. Inderdaad, vroeg of laat beginnen zich in elk paradigma specifieke problemen op te stapelen, die er niet door opgelost worden. De enige manier om ze alsnog op te lossen is een wezenlijke paradigmawissel of ‘paradigm shift’ en het empowermentparadigma ontstond.

Meestal wordt een oud paradigma door een nieuw vervangen “voor het te laat is”, dus vooraleer de curve daalt. Inderdaad is het bij paradigma’s zo dat de eerste verschijnselen van een nieuw paradigma zichtbaar worden wanneer het oude paradigma op zijn hoogtepunt is. Er zijn immers hoe langer hoe meer problemen die door het oude paradigma niet kunnen opgelost worden. En het zijn uiteindelijk de niet oplosbare problemen die de katalysator vormen voor het zoeken naar een nieuw paradigma.

Wij hadden op een zeker ogenblik een nieuwe manier van denken nodig, een nieuwe ‘mindset’, een nieuw paradigma, om nog vooruitgang te boeken op gebied van sociaal werk.

Het nieuw paradigma kan eigenlijk op elk punt van de curve verschijnen. In de A fase gaat het om meerdere nieuwe paradigma’s die in competitie zijn met elkaar om door te dringen. In de C fase gaat het om de strijd tussen het bestaande en het nieuwe paradigma. 

De moeilijkheid in het tweede geval is dat het nieuwe paradigma doorgaans niet in dank wordt afgenomen door diegenen die het bestaande paradigma prediken. De pioniers staan hier meestal letterlijk alleen en moeten optornen tegen heel wat scepticisme, niet in het minst vanuit de hoek van diegenen die de ‘tools’ van het oude paradigma propageren. Dit is helemaal niet verwonderlijk, het tegendeel zou dat eerder zijn. Het huidig paradigma lost immers nog heel wat problemen op.

Toegepast op het empowermentparadigma ging dit als volgt. Intuïtief voelden de pioniers van het nieuwe paradigma aan dat dit de manier is om verder te evolueren.  Vraag hen op dat moment niet om data, want die hebben ze niet en kunnen ze ook niet hebben. Zij wisselen van paradigma omdat ze in het nieuwe paradigma geloven. Hun oordeel is grotendeels intuïtief, zij geloven de bekwaamheid te hebben de beslissingen te nemen die zich opdringen steunende op onvolledige gegevens. Zij voelen intuïtief aan dat hun paradigma, hét paradigma is.

Een kenmerk van de paradigmaverschuivingen in Sociaal Werk is dat de nieuwe paradigma’s het goede van de oude paradigma’s overnemen. Het nieuwe paradigma lost niet alleen de problemen even goed op als het oude, het lost daarenboven de hardnekkige problemen, waar het oude paradigma zich op stuk beet, succesvol op. Dit is ook wat gebeurt in het empowermentparadigma dat nu in volle bloei is.

Nu mensen empoweren, wendbaar en weerbaar maken heeft veel, zo niet alles met Creatieve wisselwerking te maken. Niets voor niets zeg ik soms, Yoda parafraserend, “May the Force be with you” en zijn voor mij ‘The Force’ en ‘Creative Interchange’ synoniemen (zie ook: http://www.creativeinterchange.be/?p=822 ). Empowerment duidt inderdaad op de “power from within’. Nu wordt binnen Sociaal Werk Creatieve wisselwerking nog te weinig van binnenuit beleefd, dus voorzie ik een nieuw paradigma: het creatievewisselwerkingparadigma. Nogmaals, IMHO dient Creatieve wisselwerking tot de Body of Knowledge van Sociaal Werk te horen. Benieuwd of er pioniers zullen gevonden worden!

Collectief verbinden

Verbinding in buurten en samenleven op het lokale niveau en dialogisch samenwerken, ook tussen diensten en organisaties.

Verbinden is niet anders dan samen Creatieve wisselwerking van binnenuit beleven, het is ‘power with’. Dialogisch samenwerken is noch min, noch meer in die buurten op lokaal niveau dialogeren en samenwerken volgens het Cruciale Dialogenmodel, dat gebaseerd is op Creatieve wisselwerking. En ook op dit vlak van het collectiviseren van problemen bij toegang tot rechten helpt het met succes kunnen voeren van Cruciale dialogen en het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking.

Verbinden van mensen met basisorganisaties.

Opdat mensen aan hun rechten zouden kunnen komen, dienen ze uiteraard verbonden te worden met die basisinstituties als daar zijn onderwijs, de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt. Nochtans is er veel angst en wantrouwen ten opzichte van de VDAB omdat die naast begeleiding naar werk ook instaat voor de controle en sanctie van het zoekgedrag van werkzoekenden. Bovendien heeft de VDAB vele drempels opgeworpen die hinderend werken. Door de afbouw van rechtstreeks toegankelijke werkwinkels verdwijnt de dienst uit de onmiddellijke nabijheid van mensen. Nabije medewerkers en consulenten werden vervangen door de online tool ‘Mijn loopbaan’[xxi]. Dat alles is ronduit nefast voor de hulpzoekende die in armoede leeft.


[i] De Greef, F. & Goris, B. (2020) Deze column is gebaseerd op de cursus Basis Sociaal Werk van het eerste jaar Sociaal Werk (B-UCCL-MBW85B)  gedoceerd door De Greef Frieda en Goris Brit, PBA Sociaal Werk (Leuven).

[ii] Hermans, K. (2018). Sociaalwerkconferentie 2018. Sterk Sociaal Werk. Eindrapport. Brussel: Steunpunt. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

[iii] De term neoliberalisme is in de 21ste eeuw niet meer eenduidig. Dus voor alle duidelijkheid hetgeen volgt. Ik gebruik die term om het ‘doorschieten’ van de vrije markt, het toenemend (her)gebruik van het individueel schuldmodel en de tendens in onze samenleving naar nog meer individualisme en dus minder solidariteit en wereldbewustzijn te duiden.

[iv] Wieman, H. N. (1958). Man’s Ultimate Commitment. Carbondale: Southern Illinois University Press.

[v] Hagan, S. & Palmgren, C. (1998). The Chicken Conspiracy. Breaking the Cycle of Personal Stress and Organizational Mediocrity.Baltimore: Recovery Communications, Inc.

[vi] Palmgren, C. (2008). Ascent of the Eagle. Being and Becoming Your Best. Dayton: Innovative InterChange Press.

[vii] Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Het dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

[viii] Transcendentie is een filosofisch begrip dat kan gedefinieerd worden als het overstijgen van de mens; het zich verheffen boven de dualiteit van het zich vereenzelvigen met de werkelijkheid, het hier en nu bewustzijn; het gekleurd bewustzijn.

[ix] Observeren: Het aandachtig en nauwkeurig bekijken (helder waarnemen) van dingen zonder te oordelen.

[x] Percipiëren: Waarnemend begrijpen door te interpreteren (inkleuren) wat geobserveerd werd.

[xi] Vollebregt, M. Waarom psychologische veiligheid essentieel is voor effectieve teams. Geraadpleegd op 16 september 2020 van https://www.frankwatching.com/archive/2018/06/27/waarom-psychologische-veiligheid-essentieel-is- effectieve-teams/ 

[xii] Senge, P. M. (1990). The fifth discipline. The art and practice of the learning organization. New York: Doubleday. 

[xiii] Deal, T. E. & Kennedy, A.A. (1982). Corporate cultures: the rules and rituals of corporate life. Reading: Addison-Wesley Publishing Company, Inc. 

[xiv] Freiberg, K. & Freiberg, J. (2004). Guts: Companies that blow the doors off. Business as usual. New York: Doubleday. 

[xv] Senge, P.M., Scharmer, O., Jaworski, J. and Flowers, B.S. (2004). Presence. Human purpose and the field of the future. Cambridge: The Society of Organizational Learning. 

[xvi] Deleeck, H., Huybrechts, J. & Cantillon B. (1983). Het Matteüseffect. De ongelijke verdeling van de sociale overheidsuitgaven in België. Antwerpen: Kluwer. 

[xvii] “We don’t see things as they are, we see them as we are.” Quote van Anaïs Nin. Dezelfde quote wordt ook toegeschreven aan vele anderen, waaronder Stephen Covey. Ere wie ere toekomt, hoewel er veel quotes bestaan die in de richting gaan, is het Anaïs Nin die het adagium in haar boek ‘The seduction of the Minotour’ als dusdanig verwoorde. Opmerkelijk is wel dat haar personage – Lillian – in het boek refereert naar een Talmud tekst: Lillian was reminded of the talmudic words. Bij nadere analyse gaat de religieuze tekst eigenlijk essentiëel over de interpretatie van dromen, dus besluit Gregory Sullivan alias Garson O’Tool (Geraadpleegd op 6 januari 2021 via https://quoteinvestigator.com/2014/03/09/as-we-are/) dat Anaïs Nin met de eer gaat lopen. 

[xviii] Covey, S.R. (1993). De zeven eigenschappen van effectief leiderschap. Amsterdam: Business Contact.

[xix] Kuhn, T.S. (1970). The Structure of Scientific Revolutions. Chicago: University of Chicago Press.

[xx] Barker, J. A. (1992). The Business of Discovering the Future. New York: Harper Collins Publisher.

[xxi] Sociaal.Net. Eerdekens, W. & Declercq, L. Outreachers zijn de sterke buitenbeentjes van sociaal werk. Geraadpleegd op 9 januari 2021 via https://sociaal.net/achtergrond/outreachers-zijn-de-sterke-buitenbeentjes-van-sociaal-werk/

BLIJF WAKKER ! – DEEL III

WIE ZIJN JULLIE?

So when you look at me

you better look hard and look twice:

Is that me baby? 

or just a brilliant disguise.[i]

– Bruce Springsteen

Brilliant disguise – Tunnel of Love – 1987

Wat een rare vraag, Opa! Je weet toch wie wij zijn ?!?

Die vraag is, Eloïse, Edward en Elvire, toch niet zo raar als ze op het eerste zicht lijkt. In vorig deel zagen we dat er een wezenlijk verschil is tussen het helder bewustzijn(het Ik-bewustzijn) en het gekleurd bewustzijn (het mij-bewustzijn). Daardoor wordt de vraag voor elk van jullie : “Wie ben ik?” en daarbij bedoel ik jullie helder bewuste “Ik” en niet jullie gekleurd bewuste “mij”.

Wanneer mensen wordt gevraagd zich voor te stellen, stellen ze meestal de “mij” voor en zelden de “Ik”. Hoe komt dit? Wel, omdat de meeste mensen hun ware “Ik” niet kennen, zo eenvoudig is het!

Wij hebben in vorige column ook gezien dat de “Ik” de “mij” kan observeren. Dit is een interessant fenomeen dat nooit heeft opgehouden filosofen, mystici, wetenschappers, psychologen en psychiaters bezig te houden. Het blijkt dat dieren dit niet kunnen en dat er een zeker niveau van intelligentie nodig is om dit wel te kunnen. Ik wil het in deze column zo simpel mogelijk houden en dus geen metafysica, noch filosofie doceren. Toch is deze manier van observeren uiterst belangrijk, ook voor jullie. Het gaat in feite over iets dat eenvoudig lijkt: simpelweg observeren (uit je doppen kijken) en het gezond verstand gebruiken.  Het probleem met het ‘gezond verstand’ is dat zowat iedereen er zich op beroept en dat, zoals ik ooit een wijs man hoorde beweren, er op de dag van de schepping, wel gewogen 2784 gram ‘gezond verstand’ beschikbaar was … en dit voor de ganse mensheid over de eeuwen heen. Men gebruikt dus meestal niet het gezond verstand maar wel het gekleurd bewustzijn van het eigen mentaal model.

Het observeren van zaken wordt veelal gevolgd door het observeren van de daarbij opkomende gedachten (van de “mij”). Tenslotte worden wij ons (hopelijk) helder bewust van de ‘denker’ (van de “Ik”). Maar, nogmaals, wie is die “Ik”? Laat ik het praktisch houden en eerst beschrijven wie die “Ik’ nietis. Ik zal daarbij langzaam een en ander duiden. De kans is groot dat ik jullie ‘tegenvoets’ zal nemen. Het inzicht dat jullie hierbij zullen verwerven kan “super” of “schrikaanjagend” zijn, naargelang jullie gezichtspunt (en dus jullie huidig denkkader of mindset). Nu, vooruit met de geit!

Is jullie “Ik” de gedachten die in jullie opkomen? Natuurlijk niet, gedachten komen en gaan; dus jullie “Ik” is nietjullie gedachten! 

Is jullie “Ik” dan jullie lichaam? Wetenschappers leren ons dat miljoenen cellen van ons lichaam per minuut veranderen of vernieuwd worden en dat na zeven jaar geen enkele levende cel in ons lichaam te vinden is, die er al zeven jaar voordien was! Cellen komen en gaan en het lichaam vernieuwd zich quasi continu. Maar de “Ik” blijft overeind. Dus jullie “Ik” is nietjullie lichaam! 

De “Ik” is dus iets anders en meer dan het lichaam waarin de “Ik” huist. Jullie zouden wel kunnen stellen dat het lichaam een onderdeel is van de “Ik”. Het veranderende deel dan wel. Het lichaam blijft veranderen. Wanneer het dit niet meer doet, sterft het. We geven er blijvend de unieke naam ‘lichaam’ aan, hoewel het lichaam zelf het continu verandert. Zoals we dezelfde naam behouden voor de stad Antwerpen, hoewel Antwerpen bestaat uit elementen die continu veranderen en dus ook de stad Antwerpen quasi continu verandert. Ook om de Schelde te duiden gebruiken we blijvend dezelfde naam; voor een continu veranderende watermassa hebben we één unieke naam. Dat doet me denken aan de zinsnede “zoals de Schelde voorbij Antwerpen stroomt”, waarbij twee unieke namen voor twee veranderende grootheden worden gebruikt. Tussen haakjes: historisch gezien zou de Schelde, ter hoogte van Antwerpen, eigenlijk de Rupel moeten genoemd worden, maar dat verwerpen zeker de Antwerpenaren en ik weet niet hoe die van Rupelmonde tegenover een naamsverandering, van Rupelmonde naar Scheldemonde, zouden staan.

En hoe zit het overigens met jullie naam? Is jullie “Ik” dan jullie naam, respectievelijk Eloïse Jacobs, Edward Jacobs en Elvire Jacobs. Uiteraard niet, alleen al omdat die naam jullie werd gegeven volgens een conventie, althans wat jullie achternaam betreft. Indien jullie later waren geboren, hadden jullie, volgens een nieuwe conventie, Roels als achternaam kunnen hebben. En wat jullie voornaam betreft, die werd ‘toevallig’ gekozen door jullie ouders, zonder dat jullie daar inspraak in hadden. Indien jullie voornaam jullie niet bevalt, kunnen jullie die zelfs officieel wijzigen. Weliswaar met enige administratieve rompslomp en een paar honderd Euro, maar toch. Dus jullie zijn zeker nietjullie naam, al was het maar omdat jullie die kunnen wijzigen zonder dat jullie “Ik” zelf wijzigt.

Hetzelfde geldt voor: ik ben Belg, ik ben katholiek, ik ben ‘groen’, … Jullie kunnen van nationaliteit, van religie en politieke voorkeur veranderen zonder dat jullie “Ik” verandert.

Anders gesteld, we krijgen in ons leven ‘labels’ opgespeld. Sommige daarvan geven we ons zelf, andere krijgen we van anderen. Het is voornamelijk erg wanneer we onze “Ik” identificeren met die ‘labels’. Al die labels gaan nietover de “Ik”, die gaan over de “mij” en die verandert continu. Nogmaals, jullie “Ik” is geen enkele van de ‘labels’ die op jullie gekleefd worden (door jullie zelf én door anderen!). 

Wanneer jullie uit de cocon van jullie gecreëerde zelf stappen en de ‘mij” observeren met jullie helder bewustzijn, dan identificeren jullie zich niet meer met jullie “mij” en observeren die vanuit het standpunt van de “Ik”: de Creatieve Zelf. Ziedaar het antwoord. Jullie “Ik’ is jullie OrigineleCreatieve Zelf!

Wie lijdt pijn?

Sta mij toe om het onderscheid tussen de “Ik” en de “mij” nog iets scherper te stellen. Daarbij ga ik het even over “pijn” en “lijden” hebben. De vraag is uiteraard: “Wie voelt de pijn, wie lijdt?” De pijn wordt gevoeld door de “mij”. Het is zelfs zo dat wanneer men zich overmatig identificeert met de “mij”, het lijden eigenlijk start.

Stel dat jullie angstig, gretig of ongerust zijn. Wanneer de “Ik” zich niet identificeert met geld, naam, nationaliteit, personen of vrienden, of om het even wat, dan is die “Ik” nooit bedreigd. De “Ik” kan heel actief zijn (hopelijk wel, want het is de Creatieve Zelf), maar is nooit bedreigd. Denk eens aan iets dat jullie pijn doet lijden, of onrustig/angstig maakt. Zoek dan eens wat jullie verlangen onder dat lijden is.  De oorzaak van jullie lijden is namelijk dat jullie verlangen naar iets dat (nog) niet vervuld wordt. De vraag die jullie dienen uit te klaren is: “Waar verlang ik gretig naar dat niet wordt vervuld?” Bovendien gaat het niet enkel om een verlangen, het gaat hier ook om een identificatie. Jullie hebben jullie, op één of andere manier, het volgende wijsgemaakt: “Het welbehagen van “Ik”, omzeggens het bestaan van “Ik”, hangt vast aan het vervullen van het verlangen van de “mij””. Eloïse, Edward en Elvire, al jullie lijden – in het heden en in de toekomst – wordt veroorzaakt door jullie te identificeren met iets en dat iets kan zowel binnen als buiten jullie liggen. En laat mij duidelijk zijn, het is niet de “Ik” die zo verlangt. Dit is een illusie die jullie zichzelf wijsmaken. Het is de “mij” die naar alles en nog wat verlangt en onverzadigbaar lijkt.

Wie heeft negatieve gevoelens?

Laat ik het nu even hebben over iets waar ik zelf ook nog heel wat mee worstel, namelijk het hebben van negatieve gevoelens tegenover iets of iemand. Hoewel ik cognitief (verstandelijk) weet dat, wanneer ik negatieve gevoelens (emoties) heb tegenover iemand, ik eigenlijk in een illusie leef, laat ik mij vaak vangen door dit soort negatieve gevoelens. 

Dit komt omdat, wanneer ik negatieve gevoelens koester, ik voor een stuk blind wordt. Dat geldt overigens ook voor positieve gevoelens. Denk maar aan de spreuk “Liefde maakt blind.” Wanneer de “mij” in beeld komt, wordt alles minder helder. Met andere woorden, voordat dit gebeurde had ik één probleem en nu heb ik er twee. Menigeen denkt, verkeerdelijk, dat het niet hebben van negatieve gevoelens, zoals woede, wrok en haat, betekent dat men niets aan de situatie wilt doen.  Dat is niet het geval! Het is niet omdat je niet emotioneel aangegrepen bent door de situatie, dat je niet direct in actie schiet. Integendeel, het helder bewustzijn zorgt er voor dat je zeer gevoelig bent voor zaken en mensen rondom jou. Wat die sensitiviteit teniet doet, is de gecreëerde zelf. Wanneer men zich teveel met de “mij” identificeert, is er teveel “mij” betrokken om nog de zaken objectief te kunnen bekijken. Men kan de werkelijkheid niet op een afstandelijke manier zien. Het is uiterst belangrijk dat, vooraleer effectief in actie te komen, men bekwaam is de werkelijkheid afstandelijk te observeren. Eerst dan ziet men de werkelijkheid zoals die is (en niet zoals de “mij” is)[ii]. Negatieve emoties verhinderen het observeren omdat men door die negatieve emoties vereenzelvigd wordt met de “mij” en daardoor los geslagen is van de “Ik”.

Hoe kunnen we dan de soort passie voelen die de energie motiveert iets aan objectieve slechtheid te doen? Wat het ook is, het is niet een reactie, het is een actie!

Pijn bij overlijden van een familielid waar men een sterke band mee heeft

“Fasten seatbelts”, Eloïse, Edward en Elvire, want in wat volgt ga ik nog een stapje verder. Stel dat ik, jullie opa Johan, overlijd. Het lijkt mij normaal dat jullie wat bedroefd zullen zijn. Maar tracht u eens die droefheid voor te stellen. Hoe zou je die benoemen? Mag ik een suggestie doen? Ik gok op zelfmedelijden

De cruciale vraag is namelijk: “Waar ligt de oorzaak van jullie droefheid?” Denk daar eens even over na. Wat ik nu zal stellen zullen jullie misschien vreselijk vinden. Jullie pijn  zal te maken hebben met jullie persoonlijkverlies, toch?!? Jullie specifiek verlangen, om mij bij jullie te hebben, krijgt plots een onherroepelijke knauw en wordt dus niet meer vervuld, nooit meer! Jullie hebben medelijden met jullie “mij” en, dat denk ik, ook wel met Bonnie. Maar dat wil zeggen dat jullie medelijden hebben met iemand, in dit geval Bonnie, die medelijden heeft met haar “mij”. 

Indien jullie geen medelijden hebben met jullie zelf, met wie leven jullie dan mee? Met mij, jullie grootvader Johan? Sorry, die leeft niet meer, dus daar kan je niet met mede-leven, noch met mede-lijden. Mijn leven en lijden zijn namelijk onherroepelijk voorbij! 

De les die jullie hieruit kunt leren is de volgende: wij voelen nooit pijn wanneer we iets of iemand verliezen die we echte vrijheid toewensen; waarbij we nooit gepoogd hebben haar of hem te bezitten. Bedroefdheid is meestal een teken dat ik m’n geluk afhankelijk gemaakt heb van iets of iemand, ten minste tot op zekere hoogte. Wij zijn zo gewend het anders (gekleurd) te zien, dat wat ik hier neerpen jullie misschien zelfs onmenselijk lijkt. En toch is dit niet zo. Eerder het tegendeel is waar! Wat ik hier net neerschreef, is namelijk uiterst menselijk, want ‘des mensen’.  

Laat ik dit onderdeel eindigen met een gevleugeld woord van Maurice Raimbault. Hij was m’n directeur en die zei mij, een goede dertig jaar geleden, toen ik hem om een loonsverhoging vroeg wegens grote inzet en uitzonderlijke verdiensten: “Indien je enkel maar gelukkig kunt zijn wanneer je een Maserati bezit, Johan, zal je misschien je leven lang ongelukkig zijn!”

Wie is afhankelijk?

Met betrekking tot ‘afhankelijkheid’ zijn er verschillende graden: bij de geboorte zijn we totaal afhankelijkvan onze omgeving, ergens op het einde van de pubertijd denken we dat weonafhankelijkzijn, het is slechts wanneer we (terug) wijs worden dat we begrijpen dat we onderling interafhankelijkzijn. En dat is juist en zelfs fijn, we hebben de anderen (partner, kinderen, kleinkinderen, vrienden, bakker, slager, kok, …) nodig om een goed leven te hebben.

Edoch, psychologisch en emotioneel afhankelijk zijn van een ander betekent afhankelijk zijn van een ander menselijk wezen voor het eigen geluk! Indien dat het geval is, dreigt men het volgende te doen: die ander vragen(smeken, eisen, dreigen, …) om bij te dragen tot jouw geluk. Daarop volgt meestal iets dat nog erger is. Men krijgt angst. De angst om te verliezen, de angst om verworpen te worden,… Angst die uiteindelijk uitmondt in wederzijdse controle. Weten jullie, Eloïse, Edward en Elvire, echte liefde bant angst uit. Want echte liefde vraagt niets, eist niets, verwacht niets; er is geen afhankelijkheid. Echte liefde vraagt de ander niet jou gelukkig te maken. Daardoor hangt jouw geluk niet af van ‘de ander’. 

Een correcte levenshouding in het kader van liefde voor een andere persoon is wat volgt: “Indien je mij zou verlaten, dan zal ik geen zelfmedelijden hebben. Ik hou van jou, ik hou van jouw aanwezigheid, maar ik klamp mij niet aan jou vast.” Hierbij denk ik aan de liefde tussen Tereza, een van de hoofdpersonages van het boek “De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ van Milan Kundera[iii]– ik raad jullie overigens aan dat boek ooit eens te lezen – en haar hond Karenin. Volgende passage uit dit boek zal jullie hopelijk helpen begrijpen wat ik eigenlijk bedoel:

Uit deze warboel van denkbeelden ontkiemt de heiligschennende gedachte die ze niet van zich af kan zetten: de liefde die haar aan Karenin bindt is beter dan die tussen haar en Tomas. Beter, niet groter. Tereza wil Tomas noch zichzelf de schuld geven, ze wil niet beweren dat ze meer van elkaar zouden kunnen houden. Ze vindt eerder dat een mensenpaar zo geschapen is dat hun liefde a priori van een slechtere soort is dan (althans in het beste geval) de liefde die kan bestaan tussen een mens en een hond, het bizarre in de geschiedenis der mensheid dat door de Schepper waarschijnlijk niet was gepland.

Die liefde is onbaatzuchtig: Tereza wil niets van Karenin. Ze vraagt niet eens liefde. Nooit heeft ze zich de vragen gesteld die mensenparen kwellen: houdt hij van me? Heeft hij ooit van iemand anders meer gehouden dan van mij? Houdt hij meer van mij dan ik van hem? Misschien dat al deze vragen naar liefde, die liefde meten, doorgronden, onderzoeken, verhoren, haar tegelijkertijd in de kiem smoren. Misschien zijn we juist daarom niet in staat liefde te geven, omdat we ernaar verlangen liefde te krijgen, dat wil zeggen dat we steeds iets (liefde) van de ander willen in plaats van hem te benaderen zonder eisen en niets anders te willen dan zijn aanwezigheid.  En dan nog iets: Tereza accepteerde Karenin zoals hij was, ze wilde hem niet naar haar eigen beeld veranderen, ze was het bij voorbaat eens met zijn hondenwereld, ze wilde hem die niet afnemen, ze was niet jaloers op zijn geheime avonturen. Ze voedde hem niet op om hem te herscheppen (zoals een man zijn vrouw en een vrouw haar man herscheppen wil), maar alleen om hem de elementaire taal te leren die het mogelijk maakte elkaar te begrijpen en met elkaar te leven.

Makkelijk? Helemaal niet! Mogelijk, ook tussen mensen? Jawel! Bijvoorbeeld, mijn liefde voor jullie Eloïse, Edward en Elvire. Ik vraag jullie niet mij gelukkig te maken. Ik eis en verwacht niets en mijn geluk hangt daardoor niet af van jullie. Wanneer jullie mij zullen ‘verlaten’ (lees minder contact met mij zullen hebben, omdat jullie nu eenmaal andere dingen aan jullie hoofd zullen hebben dan een stokoude grootvader), zal ik daar niet treurig om zijn; want dit is de normale gang van zaken. Kleinkinderen dienen, zeker indien het nog arenden zijn, op een zeker moment met eigen vleugels te vliegen. “Het is wat het is!” zei Spinoza al. Ik ben weerbaar omdat ik dat voorzie; ik ben als het ware pro-actief en aanvaard deze werkelijkheid. Ondertussen geniet ik wel ten volle van onze liefde en ons samenzijn. Tereza parafraserend: “We hebben een gemeenschappelijke taal die het mogelijk maakt elkaar waarderend te begrijpen en van elkaars gezelschap te genieten.”

Het gaat inderdaad over het genieten van iemands aanwezigheid en belangrijkheid, zonder zich aan haar of hem vast te klampen. Ik wens jullie ook niet te herscheppen! Ik wens jullie wel, onder meer door deze reeks columns, te helpen, zodat jullie zichzelf kunnen creëren. Waar ik van geniet, is dus niet alleen jullie ‘as such’; het is iets dat groter is dan beide: jullie en mezelf. Het is echt ‘het één en het ander & verschillend van’. Dit is wat echte Creatieve wisselwerkingverwezenlijkt. Creatieve wisselwerkingis een gegeven, wij zijn er mee geboren en zelfs wanneer we niet meer bereikbaar zijn voor elkaar, blijft Creatieve wisselwerkingovereind. Ook als ik er niet meer zal zijn, blijft Creatieve wisselwerkingleven, namelijk in jullie. Jullie zullen andere mensen in jullie leven ontmoeten waarbij je Creatieve wisselwerkingop een andere, even goede en hopelijk nog betere en vollere, manier zullen beleven.

Dit is wakker blijven! Wakker blijven is eenieder laten zijn wie ze zijn, hen toelaten de richting te kiezen die ze willen kiezen, hen hun keuzes laten maken en ook mede daarom van hen houden en respecteren. Dit doet me denken aan een oud middeleeuws verhaal van Sir Gawain en de liefde van z’n leven. Een verhaal dat ik ooit hoorde vertellen door Fred Kofman[iv]en dat ik zelf een paar keer vertelde. Het verhaal gaat over de cruciale vraag: “Waar verlangt een vrouw het meest naar?” en geeft er ook het correcte antwoord op. Ik wil het jullie niet onthouden. Het is één van die typische Koning Arthur verhalen en is gekend als “The Wedding of Sir Gawain and Dame Ragnelle[v].” Het gaat als volgt: 

Op een zekere dag was King Arthur aan het jagen in zijn geliefd woud ‘Inglewood’. Hij zat een prachtig everzwijn achter na. Uiteindelijk zat het dier uitgeput in de val en Arthur sprong van zijn paard. Toen Arthur op het punt stond het dier met z’n dolk te doden, realiseerde Arthur zich plots dat hij niet alleen was. Hij voelde priemende ogen in z’n rug, draaide zich om en zag dat een enorme speer op z’n hart gericht was. Die speer werd gehanteerd door een reusachtige zwarte ridder gezeten op een groot zwart paard.

“Arthur, bereid je voor om te sterven. Je hebt heel wat verknald in jouw leven en het is hoog tijd om voor je zonden te boeten!”

Arthur had geen flauw idee wie deze immense zwarte ridder was en vroeg om tijd te winnen: “Wie ben jij?” “Dit doet niets te zake, ik wil jouw hoofd!” was het antwoord.

Arthur verdedigde zich wanhopig: “Indien jij mij doodt dan zit daar voor jou toch geen eer in. Een ongelijk gewapende ridder heeft geen enkele kans. Jouw gedrag is eerlijk gezegd onridderlijk. Je dient mij een kans te geven, toch?!?”

De zwarte ridder zag daar de redelijkheid van in en zei: “Ik stel jou het volgende voor. Ik zal je een raadsel geven en een vol jaar om het op te lossen. Indien je mij op het einde van dat jaar het correcte antwoord kan geven, laat ik jou leven. Indien je dit niet lukt, dan ga je er alsnog aan!”

Arthur had geen andere keus dan het voorstel te aanvaarden. En de zwarte ridder zei ten slotte: “Volgend jaar op hetzelfde tijdstip verwacht ik jou hier terug op deze plek met het correcte antwoord op m’n vraag: “Waar verlangt een vrouw het meest naar?”

Toen hij de vraag waarderend begrepen had, was Arthur als het ware aan de grond genageld. Hij had geen schijn van kans en was dus reeds zo goed als dood. Vooraleer Arthur het besefte, was de zwarte ridder verdwenen.

Terug in Camelot zag Sir Gawain, Arthur’s neef en de jongste, koene ridder van de Ronde Tafel, dat Arthur er zeer bedrukt bij liep. Arthur vertelde zijn wedervaren en Gawain stelde hem gerust: “Ik weet wat wij moeten doen, een heus onderzoek! Ik stel voor dat wij een bevraging doen met de beste steekproefmethode die ik nog aan het SUI heb geleerd. Wij gaan die doen over het hele land en gaan de vrouwelijke populatie van jouw koninkrijk, met de leeftijd tussen de 18 en de 48 jaar, bevragen. Op hun antwoorden laten we een analyse los. Met de hulp van alle ridders van de Ronde Tafel en hun schildknapen zal het ons zeker lukken.”

Zo gezegd, zo gedaan. Alle ridders van de Ronde Tafel gingen samen met hun schildknapen in de vier windstreken op pad. Aan elke vrouw die ze tegenkwamen stelden ze de cruciale vraag: “Waar verlang je het meeste naar?” De antwoorden tekenden de schildknapen vlijtig op. Nogal wat antwoorden kwamen terug: een lieve trouwe echtgenoot, een prachtig huis, een mooie garderobe van Dries van Noten, veel chocolade, …

Terug in Camelot werden alle antwoorden door de Management Assistenten van de Ridders verwerkt in spread sheets en behandeld met regressie analyse en het volledige gereedschap van de Kwaliteitswetenschap. Toen koning Arthur de print-outs zag, twee dikke farden, zei hij “Dit voelt niet goed aan”, maar sir Gawain verzekerde hem dat hij op z’n twee oren mocht slapen.

Edoch van slapen kwam er niet veel meer in huis. Arthur was er niet gerust in. Met nog twee maanden te gaan, ging hij hoe langer hoe meer gaan wandelen in z’n vertrouwde bos om tot rust te komen en het antwoord in de natuur te vinden. Een paar dagen voor de cruciale ontmoeting met de zwarte ridder werd hij plots uit zijn overpeinzingen gerukt door een verschrikkelijke geur. Die stank was onbeschrijfelijk walgelijk. Bah!!! Het was alsof duizend kadavers aan het rotten waren. Op dat ogenblik hoorde Arthur een krijsende stem die koude rillingen over z’n rug joeg. Jullie kennen dat wel: het geluid van krijsend krijt op het schoolbord. Die stem schreeuwde: “Arthur geen enkel van de antwoorden, die uw ridders verzameld hebben, zal jouw leven redden! Alleen ik ken het correcte antwoord op de vraag van de zwarte ridder!” Arthur, heel nieuwsgierig en sterk geïnteresseerd, hoe zouden jullie zelf zijn, trotseerde de stank en ging in de richting van de stem. Plots ziet hij op een hoop rottend hout een vormeloze, etterende massa vlees ‘getooid’ met slierten geklit vaal blond haar. Een heks, zoals hij nog nooit aanschouwde, met een werkelijk afgrijselijk wegrottend aangezicht. Het walgelijk geheel krijste: “King Arthur, dame Ragnelle heeft een levensreddende boodschap voor U!” Arthur kwam wat nader en terzelfdertijd maakte de gestalte zich los van de hoop hout en kwam ook dichter. De stank was niet te harden en Arthur zag geen andere keus dan het afschuwelijk gezicht, met een tandeloze mond en praktisch kale schedel met wat plukken geel vettig haar, te aanschouwen. De heks, die blijkbaar Ragnelle heette, vervolgde: “De antwoorden die uw ridders verzameld hebben, houden geen steek. Alleen ik ken het antwoord dat jouw leven zal redden.” Ofschoon walgend van het onwaarschijnlijke geheel bleef Arthur, nu wel uiterst geïntrigeerd, staan. Dame Ragnelle kwam nog een paar stappen nader… squash, squash, was het geluid van haar sompige voetstappen… en volgende dialoog ontspon zich toen:

“Ik weet wat je de zwarte ridder moet antwoorden om jouw vel te redden.”

“Als je die kennis hebt, Lady Ragnelle, zeg het jouw koning! Waar verlangt een vrouw het meeste naar?”

“Ik vertel het u wanneer je me belooft een dienst te bewijzen.”

“Ik schenk je de helft van m’n koninkrijk indien jouw antwoord m’n leven red.”

“Niet zo vlug, Arthur, ik hoef jouw eigendommen niet; ik wens een heel specifieke gunst.”

“Kom er mee voor de dag!”

“Ik zal u mijn wens enkel kenbaar maken indien mijn antwoord werkelijk jouw leven heeft gered. U dient mij echter nu, op jouw eer van Koning, te beloven mijn wens in dat geval in te willigen.”

Ook nu had King Arthur weinig keus, en hij zei: “OK, indien jouw antwoord m’n leven redt, dan zal ik uw wens gestand doen!”

Uiteindelijk gaf Lady Ragnelle haar unieke antwoord prijs:

“Wat een vrouw het liefste wil is

in haar leven haar eigen keuzes te mogen maken,

teneinde te leven zoals haar hart haar ingeeft,

en bemind en gerespecteerd te worden om wat ze is.”

Arthur’s Euro viel onmiddellijk. Hij kreeg de innerlijke zekerheid: dit was het antwoord!

Exact één jaar na z’n eerste ontmoeting met de Zwarte Ridder stond King Arthur oog in oog met z’n belager, en die zei: “Ah, den Arthur. Welke zijn jouw antwoorden op m’n gemakkelijk raadsel, m’n simpele vraag?” “Hier zijn de boeken met m’n antwoorden” en Arthur gaf de Zwarte Ridder de fardes met alle antwoorden die z’n ridders van de Ronde Tafel verzameld hadden. De zwarte ridder keek die door en gaf bij elk antwoord een passende reactie: “Een lieve trouwe echtgenoot, bah! Een prachtig huis, nope! Een mooie garderobe van Dries van Noten, te gek! veel chocolade, je meent dat niet!, …” De Zwarte Ridder scheurde elk antwoord uit de boeken en gooide uiteindelijk de kaften naar het hoofd van King Arthur, roepend: “Arthur, je bent zo goed als dood!”

Op dat ogenblik zei Arthur: “Ik heb nog één verlossend antwoord”. “Kom op ermee!” Uiteindelijk gaf King Arthur lady Ragnelle’s antwoord:

“Wat een vrouw het liefste wil is

in haar leven haar eigen keuzes te mogen maken,

teneinde te leven zoals haar hart haar ingeeft,

en bemind en gerespecteerd te worden om wat ze is.”

Het antwoord van de Zwarte Ridder kwam terstond: “Aah!!! Die verdoemde Lady Ragnelle!! Zij gaf jou het correcte antwoord!” schreeuwde hij en vervolgde: “Jouw lot zal nu erger zijn dan dat je dood ware geweest” en weg was hij.

King Arthur, uiteraard verrukt omdat z’n leven was gered, was er toch niet geheel gerust in. Dit wegens de dreigende laatste woorden van de Zwarte Ridder. Met enige siddering ging hij op zoek naar Lady Ragnelle. 

“Ik heb goed nieuws Dame Ragnelle” zei hij, wanneer hij het hoopje ellende gevonden had, “Uw antwoord heeft mijn leven gered, ik schenk jou de helft van m’n koninkrijk!”

“Ik zei je een paar maand geleden al dat ik jouw bezittingen niet hoef en dat ik, nadat je leven gered was, jouw deel van de afspraak kenbaar zou maken” repliceerde Lady Ragnelle “en dat is: dat je mij uithuwelijkt aan Sir Gawain!”

“Maar dat kan ik niet waarmaken!” schreeuwde Arthur, waarop Lady Ragnelle rustig riposteerde: “Beloofd is beloofd en een koning houdt z’n beloftes!”

Heel bedrukt vertrok Arthur dan naar Camelot, waar de ridders hem stonden op te wachten om z’n overwinning op de Zwarte Ridder te vieren. Maar aan z’n gezicht zagen ze dat het verre van een feestdag was. Arthur maakte Gawain deelgenoot van z’n ervaring en die antwoordde onmiddellijk: “Sire, ik was bereid om voor u te sterven, dus zal ik met plezier huwen met Dame Ragnelle, hoe afschuwelijk ze ook moge wezen.”

“Je weet niet wat je zegt, m’n jongen. Uw offer heeft m’n leven gered en enkel de dood kan u van uw belofte verlossen.”

Alles werd in gereedheid gebracht om het huwelijk van Sir Gawain en Dame Ragnelle groots te vieren, want daar stond de Lady op. Ondanks hun verwoede pogingen om de dame enigszins op te kalefateren en ze te besprenkelen met de duurste en krachtigste parfums, werd het een echte ramp. De gêne van allen zette een grote domper of het huwelijksfeest. Ook het tafelgedrag van Lady Ragnelle was een kaakslag in het gezicht van de koninklijke familie. Iedereen walgde bovendien van de stank en was door dat alles helemaal niet in de stemming om te vieren. Het kon voor iedereen niet rap genoeg middernacht zijn, edoch niet voor Sir Gawain… Om klokslag middernacht verliet het pas gehuwde paar het huwelijksfeest. In een oogwenk lag Lady Ragnelle op het bed. Sir Gawain stond nog even aan de haard en poogde zich enige moed in te rammen…

“Waar is mijn lieve echtgenoot, komt die mij niet ten minste een kus geven?”

“Ik zal je een kus geven, my Lady, en ook m’n plicht als echtgenoot vervullen.”

Toen Sir Gawain het hemelbed opende zag hij de meest betoverende verschijning die hij ooit mocht ontwaren. Bovendien had de onbeschrijfelijke stank plaats gemaakt voor een betoverende geur. De mooiste vrouw van Camelot verwelkomde hem met uitgestoken zachte armen … Gawain stamelde… “Wat is er gaande!?!” en Dame Ragnelle antwoordde: “Ik werd door m’n stiefmoeder betoverd en zou, zolang ik niet gehuwd was met de moedigste ridder van de Ronde Tafel, verder leven als de meest afschuwelijke heks.” “Dus als ik het goed begrijp, dit is jouw Originele Zelf?” Lady Ragnelle knikte.

Naast andere dingen, die jullie, Eloïse, Edward en Elvire, zich al misschien kunnen voorstellen, praatten Gawain en Ragnelle heel wat die nacht en werden ze smoor verliefd op elkaar. Uiteindelijk vielen ze uitgeput in elkaars armen in slaap. 

Bij zonsopgang werd Gawain wakker door het gefilterde zonlicht in z’n ogen en een hevige stank in z’n neus. Hij rook weer die afschuwelijke geur en toen hij z’n ogen van het zonlicht afwende zag hij dat hij de afschuwelijke heks, waarmee hij de dag voordien was gehuwd, in z’n armen hield.

“Wat gebeurt er nu weer’ schreeuwde hij. Lady Ragnelle schoot wakker en antwoordde: “Ons huwelijk heeft de betovering van m’n stiefmoeder maar voor de helft gebroken, mijn liefste. Voor de helft van de tijd zal ik zijn zoals je mij deze nacht zag en voor de andere helft zoals ik nu ben. En jij mag kiezen, lieve man Gawain: Ik kan mooi zijn voor je vrienden overdag en lelijk voor jou gedurende de nacht of andersom, lelijk voor jouw vrienden overdag en mooi voor jou ’s nachts.”

Wat een keuze! Wat zouden jullie kiezen, Eloïse, Edward en Elvire? Gawain wist het niet direct; hij ijsbeerde door hun slaapkamer, bedaarde plots want begreep het enige correcte antwoord en sprak het uit: “Wat wenst u zelf, m’n liefste. Jij mag kiezen en wat je ook kiest, ik zal je blijven beminnen en respecteren.”

Op dat moment werd Dame Ragnelle de wondermooie prinses die zij in werkelijkheid was en sprak: “Liefste Gawain, jij hebt de vloek nu volledig doorbroken. De tweede helft zou doorbroken worden indien m’n echtgenoot, de moedigste ridder van de Ronde Tafel, mij de gift zou geven waar elke vrouw het meest naar verlangt[vi].”

Wakker blijven is vooral, zoals het verhaal ons leert, iedereen (dus ook de mannen onder ons, Edward) toelaten te zijn wie ze zijn, hen toelaten de richting te kiezen die ze willen kiezen. Hen de keuzes, die hun hart en ingeeft, niet alleen laten maken, maar daarom ook van hen houden en hen respecteren. Wakker blijven is van iemand houden en deze los kunnen laten. Wakker blijven is niemand ketenen aan jezelf. Wakker blijven is niet afhankelijk zijn, noch onafhankelijk; het is interafhankelijk zijn van elkaar in de echte realiteit. Wakker blijven is illusies laten vallen voor de realiteit[vii]. Wakker blijven is jullie vereenzelvigen met jullie echte “Ik”, jullie Origineleof Creatieve Zelfen niet met jullie “mij”,  jullie actuele gecreëerde zelf. 

De vraag en ook titel van dit Deel III: “Wie zijn jullie?” heeft hiermee een definitief antwoord gekregen: “Jullie zijn jullie Creatieve Zelf(en dus niet, wat veel wordt gedacht, jullie gecreëerde zelf)!”[viii]


[i]Bruce Springsteen. Quote uit Brilliant disguisesong uit de studioalbum Tunnel of Love, Columbia Records, 1987.

[ii]“We don’t see things as they are, we see them as we are.” Quote van Anaïs Nin. Dezelfde quote wordt ook toegeschreven aan vele anderen, waaronder Stephen Covey. Ere wie ere toekomt, hoewel er veel quotes bestaan die in de richting gaan, is het Anaïs Nin die het adagium in haar boek ‘The seduction of the Minotour’ als dusdanig verwoorde. Opmerkelijk is wel dat haar personage – Lillian – in het boek refereert naar een Talmud tekst: Lillian was reminded of the talmudic words: “We do not see things as they are, we see them as we are.”Bij nadere analyse gaat de religieuze tekst eigenlijk essentiëel over de interpretatie van dromen, dus besluit de ‘quoteinvestigator’ (https://quoteinvestigator.com/2014/03/09/as-we-are/) dat Anaïs Nin met de eer gaat lopen.

[iii]Milan Kundera. De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.Amsterdam: Ambo/Anthos uitgevers, 2014.

[iv]Fred Kofman. Revealing the Heart of the Learning Organization. Boston MA: Systems Thinking in Action™ Conference: Building Learning Organizations through Communities of Commitment, 1993.

[v]Zie onder meer: http://www.lone-star.net/mall/literature/gawain.htmen http://www.eleusinianm.co.uk/middle-english-literature-retold-in-modern-english/arthurian-legends/the-wedding-of-sir-gawain-and-dame-ragnelle

[vi]Waar elke vrouw het meest naar verlangt wordt in het originele verhaal geduid met het begrip Sovereigntyof in het Nederlands: Sovereniteit, i.e. volledige recht en macht om over zichzelf te beschiken zonder enige inmenging van anderen. In de oorspronkelijke tekst, vertaald in hedendaags Engels, vind men:

We desire most from men,

From men both lund and poor,
To have sovereignty without lies.
For where we have sovereignty, all is ours,
Though a knight be ever so fierce,
And ever win mastery.
It is our desire to have master
Over such a sir.

Such is our purpose.

[vii]Illusies die de druk van de werkelijkheid niet aankunnen zijn onder meer:

  • de illusie van ‘zekerheid’ (het principe van ‘onzekerheid’ van Heisenberg)
  • de illusie van ‘stabiliteit’ (verandering is de enige constante)
  • de illusie van ‘beheersing’ (controle van buitenaf heeft afgedaan)
  • de illusie van ‘veiligheid’ (‘security’ – gevoel van veiligheid is een illusie)
  • de illusie van ‘onafhankelijkheid’ (wij zijn interafhankelijk – ‘alles is met alles verbonden’)

[viii]Anders gesteld, jullie zijn een Boeddha! Elke volledig ontwaakte persoon is een Boeddha. De naam Boeddha (‘De Verlichte’) verwijst naar het hoogste niveau van ‘wakker zijn’.