Tagarchief: Aristoteles

SAWUBONA, HANNAH ARENDT – DEEL VI

Over Willen

Willen is het tweede deel van Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) en ik plaats het na Denken (het eerste deel) en Oordelen het derde deel) omdat ik m’n Cruciale Dialoogmodel in deze serie columns volg:

De linkerlus van m’n vereenvoudigd Cruciale Dialoogmodel omvat het Denken dat uitmond in Oordelen (hier in het midden van het model gevisualiseerd als ‘inzicht’). Dit ‘inzich’t leidt door het afwegen ervan ten overstaan van de ‘behoeften’ tot ‘gevoelens ‘die uiteindelijk gestalte geven aan het Willen.

De vertalers Dirk De Schutter en Remi Peeters schrijven in de inleiding tot het deel Willen het volgende dat m’n stelling bekrachtigt (Arendt, 2021, p. 250):

Waar het denken de geest op het verleden richt [de linker lus van het Cruciale Dialoogmodel] en de gebeurtenissen in een noodzakelijk verloop plaatst, daar treedt de wil in het leven van de geest [het midden van het Cruciale Dialoogmodel] op als het orgaan van de toekomst [de rechter lus van het Cruciale Dialoogmodel] dat de openheid op het nieuw en het onvoorspelbare belichaamt en de mogelijkheid van een begin hoedt [terug in het midden van het Cruciale Dialoogmodel].

De wil is in oorsprong een christelijke problematiek. Apostel Paulus heeft die problematiek geïntroduceerd. Arendt beklemtoont het ontbreken van de wil in de Griekse filosofie. Aristoteles heeft het wel over keuzevrijheid, dit is de vrijheid om tussen twee of meer mogelijkheden te kiezen teneinde één van de mogelijkheden te realiseren. In het Cruciale Dialoogmodel vindt de keuzevrijheid z’n plaats tussen de derde en vierde fase, dus tussen ‘imagineren’ en ‘handelen’. Het is kiezen tussen alle mogelijke acties die het ‘imagineren’ heeft voortgebracht. De wil die zich doelen stelt bevindt zich in het midden van het model en die kwam het eerst aan bod in de Brief aan de Romeinen van apostel Paulus. Paulus zag het goddelijk gebod niet als “Gij zult doen” maar “Gij zult willen”. Een oogopener van het boek Het leven van de Geest is de verschillende interpretaties van de gespletenheid van de wil. Want mensen doen niet steeds het goede (dat ze willen) en wel het kwade (wat ze niet willen).  Paulus zag dit conflict als een strijd tussen de geest en het vlees, terwijl Augustinus het zag als een conflict in de geest zelf.  Het is dus Arendt die de theologische herkomst van de wil heeft ontdekt. Ook staat ze stil bij het samengaan van wil en vrijheid.

Hierbij put ze uit de filosofie van Nietzsche, die de wil tot macht (Wille zur Macht) centraal. Nietzsche’s weerlegging van de ‘vrijheid van de wil’ vindt men in zijn ‘gedachte van de eeuwige terugkeer’, de basisgedachte van Aldus sprak Zarathoustra. 

Een voor mij ogen-opende passage over de zogenaamde ‘vrije wil’ verhaalt de visie van Bergson:

Theoretisch gesproken is het probleem altijd geweest dat de vrije wil – of die nu begrepen wordt als de vrijheid om te kiezen dan wel als de vrijheid om iets onvoorspelbaar nieuws te beginnen – volkomen onverenigbaar lijkt, niet alleen met de goddelijke voorzienigheid, maar ook met het oorzakelijkheidsprincipe; men kan aannemen dat de wil vrij is, en zich hierbij beroepen op de innerlijke ervaring, hoe sterk of zwak die als grond ook moge zijn, maar men kan die vrijheid nooit bewijzen. De ongeloofwaardigheid van de aanname of van het postulaat van de vrijheid is te wijten aan onze uitwendige ervaringen in de wereld van de verschijnselen, waarin wij in feite – wat Kant ook moge beweren – zelden een nieuwe serie in gang zetten. Zelfs Bergson, wiens hele filosofie steunt op de overtuiging dat “ieder van ons onmiddellijke kennis heeft … van zijn vrije spontaneïteit”,geeft toe: “We zijn vrij telkens wanneer we in onszelf willen keren, maar het gebeurt zelden dat we dit willen.” Ook zegt hij: “Vrije daden zijn uitzonderlijk.” (Het merendeel van onze daden stellen we uit gewoonte, juist zoals we vaak oordelen op basis van vooroordelen.) (Arendt, 2021, p. 280-281)

De botsing tussen denken en willen

De wil wil altijd iets doen, dus dien je ‘willen’ te begrijpen als ‘willen doen’. Daardoor is willen iets heel anders dan Denken en volgt Willen in het beste geval Denken. Want zonder denken staat Willen gelijk aan een reflex en die reflex gaat vlug over in het doen. Uitgezonderd heel specifieke situaties, zoals in het geval van een imminent gevaar, geeft die reflex zelden positieve resultaten.

Idealiter wordt over de huidige situatie nagedacht (denken is dus meestal nadenken) en komt men tot een inzicht. Bij afweging van dat inzicht ten overstaan van de behoeften worden – bij grote delta tussen die twee – gevoelens gegenereerd. Die gevoelens leiden tot het willen iets aan de situatie te doen. Dit komt neer op de actuele realiteit dichter brengen bij de gewenste realiteit. Arendt (2021, p. 285-286) verwoordt het zo:

In dit opzicht – laat me het de “tonaliteit” van mentale activiteiten noemen – is het vermogen van de wil om wat er nog niet is aanwezig te stellen exact het tegenovergestelde van de herinnering. De herinnering heeft een natuurlijke affiniteit met het denken; zoals ik al heb gezegd: elk denken is een na-denken. Gedachtegangen ontspringen op een natuurlijke wijze, haast automatisch en zonder enige onderbreking, aan de herinnering. Dat is de reden waarom de anamnêsis bij Plato een aannemelijke hypothese voor het menselijk leervermogen kon worden en waarom de gelijkstelling van geest en memoria bij Augustinus zo aannemelijk klinkt. De herinnering kan in de ziel een verlangen naar het verleden doen ontstaan. Deze nostalgie, ook al gaat ze soms gepaard met verdriet en smart, verstoort echter de gemoedsrust van de geest niet, omdat ze dingen betreft die we niet meer kunnen veranderen. Het willende ego daarentegen kijkt niet achteruit, maar vooruit. Het richt zich op dingen die in onze macht liggen, ook al is het helemaal niet zeker dat we die dingen ooit zullen bereiken. De spanning die hieruit resulteert, verschilt van de eerder stimulerende opwinding waarmee probleem-oplossende activiteiten gepaard kunnen gaan. Ze veroorzaakt een soort onrust in de ziel, die vaak aan ontsteltenis grenst – een mengeling van vrees en hoop die ondraaglijk wordt wanneer men ontdekt dat, met de woorden van Augustinus, willen en in staat zijn om uit te voeren, velle en posse, niet hetzelfde zijn. Men kan deze spanning alleen te boven komen door te handelen, dit wil zeggen door de mentale activiteit helemaal op te geven; de ommezwaai van willen naar denken heeft alleen een tijdelijke verlamming van de wil tot gevolg, juist zoals de ommezwaai van denken naar willen door het denkende ego wordt aangevoeld als een tijdelijke verlamming van de denkactiviteit. 

Het valt op dat deze passage heel precies verwoordt wat Peter M. Senge, gebruik makend van het gedachtegoed van Fritz, in z’n boek De Vijfde Dicipline als volgt neerschreef:

Het tegenover elkaar plaatsen van een visie (wat we willen) en een helder beeld van de werkelijkheid (waar we onbevinden met betrekking tot wat we willen) geneneert wat we noemen ‘creatieve spanning’: een kracht om ze bij elkaar te brengen, die veroorzaakt wordt door de natuurlijke neiging van spanning om zich te ontladen. (Senge, 1992, p. 139)

In het Cruciale Dialoogmodel is de tonaliteit van het denken iets anders weergegeven dan in het boek van Arendt. Het nadenken gebeurt in de tweede fase en daarin wordt nagedacht over het verleden en heden. De uitkomst is een helder beeld van de werkelijkheid (cf. Peter Senge). Dit helder beeld genereert door toedoen van de vergelijking ervan met de behoefte aan een toekomstige werkelijkheid voor een ‘creatieve spanning’. De grootte van de zogenaamde ‘delta’ tussen de twee (huidige en gewenste werkelijkheid) hangt uiteraard af van het verschil tussen de twee. Indien het verschil een zekere grens overschrijdt komt met tot het willen veranderen van die huidige realiteit. Dit alles – het cristaliseren van het inzicht, vormen van de delta en het uitmonden in het willen – gebeurt in het midden van het Cruciale Dialoogmodel. Het willen is het omslagpunt tussen de linker lus en de rechter lus. De rechterlus start met de derde fase van het model: het imagineren van mogelijke acties. Dit is ook nadenken, in dit geval wel niet over het verleden en het heden maar over de toekomst.

Peter Senge (1992, p. 148) ziet in die fase twee soorten fundamenteel van elkaar verschillende spanningen: de creatieve en emotionele spanning:

Maar de creatieve spanning voel je niet speciaal.  Het is de kracht die ontstaaat op het moment dat wij een visie als de onze beschouwen die niet overeenkomt met de actuele werkelijkheid.

Toch leidt creatieve spanning vaak tot gevoelens of emoties die geassocieerd worden met nervositeit, zoals verdrietigheid, moedeloosheid, teneergeslagenheid of ongerustheid. Dit gebeurt zo vaak dat men deze emoties verwart met creatieve spanning. Men begint te denken dat creatief zijn een kwestie is van permanent onder grote druk staan. Het is belangrijk te beseffen dat die ‘negatieve’ emoties die kunnen ontstaan niet de creatieve spanning zelf zijn. Die emoties noemen we dan de emotionele spanning.

Als we emotionele spanning niet van creatieve spanning weten te onderscheiden, zuullen we er gemakkelijk toe komen onze visie wat te laten zakken. […]

[…] Het verlichten van de emotionele spannig is verradelijk, omdat het ongemerkt een proces in werking kan stellen. Emotionele spanning kan altijd verminderd worden door de ene pool van de creatieve spanning die we helemaal in de hand hebben, de visie, bij te stellen. De gevoelens die we niet willen, verdwijnen, omdat de creatieve spanning die de bron van die gevoelens was, verminderd is. […]

Door ‘water in de wijn’ van de gewenste realiteit te doen vermindert de creatieve spanning en wordt die naar beneden gehaalde gewenste realiteit haalbaarder. Inderdaad de huidige realiteit kunnen we niet veranderen. Het willende ego richt zich op een gewenste toekomst. “Op dingen die in onze macht liggen ook al is het helemaal niet zeker dat we die dingen ooit zullen bereiken” stelt Arendt. De spanning die daaruit voorkomt noemt Senge emotionele spanning en ook Arendt ziet een verschil met  “de eerder stimulerende opwinding waarmee probleem-oplossende activiteiten gepaard kunnen gaan”, die Senge de creatieve spanning noemt.

In alle geval leidt de tweede nadenkfase tot een set mogelijke acties. Het willen is een willen tot  handelen. Na die derde fase dient echter wel gekozen worden welke van de geimagineerde acties werkelijk uitgevoerd zullen worden.

De uitdaging die het Cruciule Dialoogmodel voor ons in petto heeft is het er voor kan zorgen dat de denkactiviteit nooit verlamd wordt. Ook tijdens het kiezen van de mogelijke acties dient nagedacht te worden. Dit nadenken wordt gevisualiseerd door de staande acht in de rechter lus van de liggende acht. Er wordt daarbij nagegaan of er wel voldoende middelen (geld, tijd, mankracht, …) voor handen zijn om de mogelijke acties überhaupt uit te voeren. En zelfs tijdens het handelen mag de denkactiviteit niet tijdelijk verlamt te worden. Zelfs met ‘de neus in de guidon’ dient continu nagedacht te worden: zijn we wel op de juiste weg? Maken we wel de voorziene vooruitgang? Dienen we niet bij te schakelen? Enzovoort

Het keuzevermogen: proairêsis, de voorloper van de wil 

Proairêsis is een term die gesmeed werd door Aristoteles om de keuze tussen alternatieven te benoemen waarbij de voorkeur voor het ene gekozen wordt voor het andere. Arendt (2021, p. 308) schrijft daarover 

Proairêsis is de uitweg uit deze tegenspraak. Indien de rede en de begeerte het in hun ruw antagonisme zonder bemiddeling zouden moeten stellen, dan zouden we moeten concluderen dat een mens die belegerd wordt door de strijdige impulsen van beide vermogens “zichzelf dwingt afstand te nemen van zijn begeerte” in het geval hij zich beheerst, en “zichzelf dwingt afstand te nemen van zijn rede” wanneer de begeerte hem overweldigt. Maar in geen van beide gevallen speelt een dergelijke dwang; beide handelingen worden doelbewust gesteld, en “wanneer het principe van binnen uit werkt, is er geen dwang”.Wat er in feite gebeurt, is dat er in de strijd tussen rede en begeerte een beslissing valt: die is een zaak van “voorkeur”, van weloverwogen keuze. Het is de rede die tussenkomt, niet de nous, die zich richt op dingen die er voor altijd zijn en die niet anders kunnen zijn dan ze zijn, maar wel de dianoia of phronêsis, die zich inlaat met dingen die binnen onze macht liggen, in tegenstelling tot begeerten en verbeelding, die zich soms aangetrokken voelen tot dingen die we nooit kunnen bereiken, zoals wanneer we goddelijk of onsterfelijk wensen te zijn. 

Proairêsis wordt door Arendt de voorloper van de wil genoemd. Ik begrijp haar standpunt als de ruimte tussen de actuele werkelijkheid, waar men niet omheen kan, en de gewenste werkelijkheid die gestalte gegeven wordt door onze behoeften. Een gekozen voor transformatie (van de actuele werkelijkheid in de richting van de gewenste) dienen er eerst acties daartoe gekozen worden. Nadien is er een tweede Proairêsis moment. De keuze van die acties die we werkelijk gaan uitvoeren. Het doel is gekend, de acties die ons naar dat doel kunnen leiden ook, want nog rest zijn de middelen. Volgens Arendt (2021, p. 308) had Aristoteles dit al door: “soms moeten we uitzoeken waarin ze [de middelen] gelegen zijn, en soms hoe ze gebruikt moeten worden of door wie ze verworven kunnen worden.” Dit is dus een ‘rationele’ selectie tussen de middelen, ook daarin proairêsis de scheidsrechter.

Arendt steekt de draak met Aristoteles’ keuzevermogen, dat in het Latijn vertaald werd als liberum atribium met de verwijzing naar ‘de ezel van Buridan’:

[…] tussen twee op gelijke afstand staande en even lekker ruikende hooibundels zou het arme beest van honger zijn omgekomen, aangezien beraadslaging geen enkele reden zou opleveren om de ene boven de andere bundel te verkiezen; het beest overleefde, omdat het slim genoeg was om aan de vrije keuze te verzaken, te vertrouwen op zijn begeerte en te grijpen wat binnen zijn bereik lag. (Arendt, 2021, p. 309)

De vrijheid is mogelijk wanneer ‘gij zult’ samenvalt met ‘ik kan’. Op het moment dat je daaraan twijfelt wordt de vrijheid een probleem en rijst de vraag: “Liggen de dingen die alleen mezelf aangaan, ook werkelijk binnen mijn macht?” (Arendt, 2021, p. 309). Indien men over de middelen beschikt heeft men de vrijheid te kiezen van binnenuit. Indien men niet over die middelen beschikt, en iemand zegt “gij zult’, dan is er geen ‘ik kan’ en is er geen vrijheid van binnenuit. Dan is er een beval van buiten naar binnen en dat heeft niets met liberum atribium te maken.

Apostel Paulus en de onmacht van de wil

Ik ben het eens met Arendt die stelt dat zich inlaten met ervaringen die relevant zijn voor de wil, zich inlaten is met ervaringen die mensen niet alleen met zichzelf maar ook in zichzelf opdoen (2021,  p. 310).

In zijn Brief aan de Romeinen beschrijft apostel Paulus een twee-in-één die niet zoals bij Socrates partners zijn een voortdurend gevecht met elkaar voeren:

Juist wanneer “ik het goede (to kalon) wil doen, dringt het kwade zich aan mij op (7,21)”, want “indien de wet niet gezegd had: ‘gij zult niet begeren’”, dan “zou ik van de begeerte geen weet hebben”. Het is dus het gebod van de wet dat “alle soorten van begeerte” opwekt. “Zonder de wet is de zonde dood” (7,7- 8). 

De wet speelt een dubbelzinnige rol: de wet is “goed, omdat hij de zonde als zonde toont” (7,13), maar aangezien de wet spreekt met de stem van het gebod, “wekt hij de passies op” en “brengt hij de zonde weer tot leven”. “Zo bleek het gebod, dat bedoeld was ten leven, mij juist de dood te bezorgen” (7,10). Het resultaat is dat “ik mijn eigen daden niet begrijp. [‘Ik ben een vraag geworden voor mezelf.’] Ik doe immers niet wat ik wil, maar wat ik verafschuw” (7,15). En de kern van de zaak is dat dit innerlijk conflict nooit beëindigd kan worden door ofwel aan de wet te gehoorzamen ofwel zich aan de zonde te onderwerpen; alleen genade, die om niets gegeven wordt, kan volgens Paulus deze innerlijke “ellende” helen. Het is dit inzicht dat als een “bliksemflits” insloeg op de man uit Tarsus, Saül genaamd, die, naar eigen zeggen, een “overdreven ijverige” farizeeër was (Galaten 1,14), behorend tot de “strengste richting van onze godsdienst” (De handelingen van de apostelen 26,5). Wat hij wilde was “rechtschapenheid” (dikaiosynê), maar rechtschapenheid, d.i. “zich metterdaad houden aan alle voorschriften in het boek der wet” (Galaten 3,10), is onmogelijk; dit is de “vloek van de wet”, en “als we door de wet rechtschapen zouden kunnen worden, zou Christus voor niets gestorven zijn” (Galaten 2,21). (Arendt, 2021, p. 311)

De oorsprong ligt in “Ik doe niet het goede dat ik wil, maar het kwade dat ik niet wil” (Romeinen 7,19). Het is het gevecht tussen ik-wil en ik-nil waarbij alleen de daad uitkomst kan brengen. Als de werken niet meetellen is de wil hulpeloos, stelt Arendt (2021, p. 316). Ze verheldert dit als volgt (Arendt, 2021, pp. 316-317):

De wil is gespleten en brengt automatisch zijn eigen tegenwil voort. Daarom heeft hij nood aan heling, zodat hij opnieuw één wordt. Zoals het denken splijt ook het willen de ene mens in een twee-in-één, maar voor het denkende ego zou een “heling” van die splijting het ergste zijn wat zou kunnen gebeuren; ze zou zonder meer een einde maken aan het denken. Welnu, het is erg verleidelijk om te concluderen dat de goddelijke genade – Paulus’ oplossing voor de ellende van de wil – de wil op een miraculeuze wijze berooft van zijn tegenwil en zo in feite de wil vernietigt. Maar dit is geen zaak meer van wilsbesluiten, aangezien genade niet kan worden nagestreefd; de verlossing “hangt niet af van de wil of de inspanning van de mens, maar van Gods ontferming”, en “Hij ontfermt zich over wie Hij wil en maakt halsstarrig wie Hij wil” (Romeinen 9,16; 18). Bovendien, juist zoals de wet niet louter “intrad” om de zonde herkenbaar te maken maar om “de wetsovertreding te doen toenemen”, zo werd de genade “overvloedig” wanneer de “zonde toenam” – felix culpa inderdaad, want hoe zouden de mensen de glorie kennen als ze niet vertrouwd waren met de vervloeking; hoe zouden ze weten wat dag is, als er geen nacht was? 

Samengevat: de wil is machteloos, niet omwille van een uitwendige reden die de wil verhindert te slagen, maar omdat de wil zichzelf hindert. En waar hij zichzelf niet hindert, zoals bij Jezus, bestaat hij nog niet. Voor Paulus is de uitleg relatief eenvoudig: het vlees en de geest zijn met elkaar in conflict, en het probleem is dat mensen beide zijn, zowel vlees als geest. Het vlees zal sterven, en daarom leidt een leven volgens het vlees tot een gewisse dood. De voornaamste taak van de geest is niet alleen maar heersen over de begeerten en het vlees doen gehoorzamen, maar het versterven – het vlees “met zijn hartstochten en begeerten” kruisigen (Galaten 5,24). En dit gaat in feite de menselijke macht te boven. We hebben gezien dat het in de aard van het denkende ego ligt een zekere argwaan tegenover het lichaam te koesteren. De lichamelijkheid van de mens is dan wel niet noodzakelijk de bron van zonde, maar ze onderbreekt de denkende activiteit van de geest en biedt weerstand aan de geluidloze, snelle dialoog die de geest met zichzelf voert – een gedachtewisseling waarvan het “behaaglijke” juist ligt in een spiritualiteit waar geen materiële factor bij komt kijken. Dit ligt veraf van de agressieve vijandigheid jegens het lichaam die we bij Paulus vinden. Naast de vooroordelen tegen het vlees wordt deze vijandigheid bovendien veroorzaakt door de essentie van de wil. Afgezien van zijn mentale oorsprong krijgt de wil slechts besef van zichzelf door weerstand te overwinnen, en het “vlees” in Paulus’ redenering (maar ook in de latere vermomming van de “neiging”) wordt de metafoor voor een innerlijke weerstand. Zodoende heeft de ontdekking van de wil, zelfs in dit simplistische schema, van meet af aan een ware doos van Pandora met onbeantwoordbare vragen geopend – vragen waar Paulus zich terdege bewust van was en die vanaf dat moment elke strikt christelijke filosofie met absurditeiten hebben geteisterd. 

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Bos, A.H. (1974). Oordeelsvorming in Groepen, Scriptie (74-6). Wageningen: Med. Landbouwhogeschool. 

Palmgren, C. (2008). Ascent of the Eagle. Being and Becoming Your Best. Dayton: Innovative Interchange Press.

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Schein, E.H. (2013). Humble Inquiry. The Gentle Art of Asking instead of Telling. San Francisco: Berrett- Koehler Publishers.

Penge, P.M. (1992). De vijfde discipline. De Kunst & Praktijk van de Lerende Organisatie. Tielt: Lannoo

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

Sawubona, Hannah Arendt – Deel V

Over Oordelen

Oordelen had het derde deel van Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) moeten worden. Arendt is echter enkele dagen na het beëindigen van het tweede deel Willen overleden. Het derde deel is dus nooit door Arendt zelf geschreven. In het boek is het deel Oordelen door de vertalers samengesteld uit verschillende essays van Hannah Arendt. De teksten die Dirk De Schutter en Remi Peeters voor dit deel gebruikten, liggen in het verlengde van haar werk rond totalitarisme. Dus heeft Arendt het in die essays vooral over het begrijpen van en het oordelen over totalitaire regimes. In deze column behandel ik enkel wat Hannah Arendt over begrijpen en oordelen zegt wat algemeen geldt en kader het dus niet in haar context, het totalitarisme. 

Ik wil het voornamelijk hebben over Oordelen in het kader van oordeelsvorming en dus over betekenis geven aan de realiteit. Dus niet over het oordelen dat veelal in citaten uit het evangelie, zoals bij Mattheüs (7,1) en Lucas (6,37), gelijk staat met veroordelen. Weinig wordt gezegd over de positieve kant. Er wordt in de bijbel zelden aan lofprijzing gedaan. Oordeelsvorming, zoals bedoeld door Alexander Bos (1974), steunt volgens mijn begrip op de karakteristiek Waarderend Begrijpen onderdeel van Creatieve wisselwerking. Het begrip Waarderend Begrijpenkan de indruk wekken dat het enkel positief waarderen betreft. Niets is minder waar, het is zelfs zo dat wanneer je een standpunt van iemand waardeert dit niet noodzakelijk wil zeggen dat je het met dat standpunt eens bent. Het wil enkel zeggen dat je ten volle begrijpt waarop dat standpunt gebaseerd is en dat je dus mogelijks tot hetzelfde standpunt zou komen indien je hetzelfde denkkader zou hanteren. Gezien eenieder een uniek denkkader heeft, kan men iets waarderen zonder het te beamen. 

Om te kunnen oordelen, dient men eerst te begrijpen

Ook bij Hannah Arendt gaat het begrijpen het oordelen vooraf. Het gaat bij haar om het zoeken naar betekenis van een concreet fenomeen dat onderdeel is van de werkelijkheid.

Begrijpen verschilt van het beschikken over correcte informatie en wetenschappelijke kennis. Het is een ingewikkeld proces, dat nooit ondubbelzinnige resultaten oplevert. Het is een nooit eindigende activiteit waardoor we, in voortdurend veranderende en wisselende omstandigheden, in het reine komen en ons verzoenen met de werkelijkheid, dat wil zeggen, trachten thuis te zijn in de wereld.  […] Begrijpen is zonder einde, daarom kan het geen definitieve resultaten opleveren. Het is de specifiek menselijke wijze van in-leven-zijn; want elke persoon afzonderlijk heeft behoefte aan verzoening met een wereld waarin hij als vreemdeling geboren werd en waarin hij, als gevolg van zijn onmiskenbare uniekheid, altijd een vreemdeling blijft. Begrijpen begint met de geboorte en eindigt met de dood. (Arendt, 2021, p. 485)

Dit is in schijnbare tegenspraak met het oude nemo ante mortem beatus esse dici potest (“niemand kan voor zijn dood gelukkig worden genoemd”). Voor stervelingen begint het definitieve en eeuwige pas na de dood. Volgens Arendt (2021, p. 485) heeft die oude spreuk te maken met het begrijpen van mensen: wie iemand wezenlijk is weten we pas na zijn dood:

Begrijpen levert als resultaat een betekenis op, die wij voortbrengen in het levensproces, in zoverre we onszelf trachten te verzoenen met wat we doen en ondergaan. 

De linkerlus van m’n vereenvoudigd Cruciale Dialoogmodel omvat die ‘oneindigheid’ van het begrijpen. De visualisatie ervan gebeurt door de ‘staande acht’ in de linkerlus van de liggende acht:

Begrijpen heeft nood aan het beschikken over correcte informatie betreffende de realiteit (WERKELIJKE SITUATIE). Dat het begrijpen ook nooit ondubbelzinnige resultaten oplevert wordt in m’n volledige Cruciale dialoogmodel (Roels, 2012) weergegeven door de noodzakelijke conditie van het Waarderend Begrijpen: “kunnen omgaan met ambiguïteit.”

Begrijpen is niet hetzelfde als kennen

Arendt (2021, p. 487-488) maakt ook een subtiel onderscheid tussen kennen en begrijpen :

Kennen en begrijpen zijn niet hetzelfde, maar staan met elkaar in verband. Begrijpen is op kennis gebaseerd en kennis kan niet ontstaan zonder een preliminair, ongearticuleerd begrijpen. […]Begrijpen gaat aan kennis vooraf en volgt erop. Preliminair begrijpen, dat aan de basis van alle kennis ligt, en echt begrijpen, dat kennis overstijgt, hebben het volgende gemeen: ze maken kennis betekenisvol. […] Echt begrijpen keert altijd terug naar de oordelen en vooroordelen die aan het strikt wetenschappelijk onderzoek voorafgaan en het leiden. De wetenschappen kunnen het onkritische preliminaire begrijpen waaruit ze vertrekken wel verhelderen, maar niet bewijzen of weerleggen. Als een wetenschapper die misleid wordt door zijn onderzoekswerk begint te poseren als een expert in politiek en het populaire begrijpen dat zijn vertrekpunt was, begint te misprijzen, dan verliest hij onmiddellijk het gezond verstand,terwijl alleen dit gezond verstand hem, als een soort draad van Ariadne, veilig door het labyrint van zijn eigen resultaten kan leiden. Als aan de andere kant een geleerde zijn eigen kennis wil overstijgen – en dat is de enige manier om kennis betekenisvol te maken –, dan moet hij opnieuw heel bescheiden worden en nauwlettend luisteren naar de populaire taal.

Arendt haalt hier kritisch uit naar wetenschappers die denken dat ze de waarheid in pacht hebben. Ze raadt die wetenschappers aan in dialoog te gaan met wat ze het ‘populair begrijpen’ noemt. Daartoe dient elke wetenschapper goed te luisteren en nederig te zijn. Dus het ten toon spreiden z’n kennis (bepleiten) en de ander bevragen (cf. de vaardigheid “Bepleiten en Bevragen” van het Cruciale Dialoogmodel) en dit op een nederige manier (Schein, 2013). Wat de vertalers als ‘gezond verstand’ vertalen luidt in het Engels ‘common sense’. Ze schrijven daarover (Arendt, 2021, pp.  470-471):

Telkens wanneer Arendt dit oordelen aan een analyse onderwerpt, maakt ze ook gebruik van het begrip common sense. In tegenstelling tot de meeste moderne filosofen behandelt Arendt dit begrip niet neerbuigend: common sense valt voor haar niet samen met “boerenverstand” en is meer dan de neerslag van overgeërfde vooroordelen of algemene wijsheden, zoals we die in spreekwoorden aantreffen. Ze herinnert integendeel aan een andere, pre-moderne betekenis van de term, die ze in lijn brengt met een inzicht uit de fenomenologie: sensus communis is voor Thomas van Aquino het zesde zintuig dat de diverse gegevens van de zintuiglijke ervaring verenigt, mededeelbaar maakt en een plaats geeft in een met anderen gedeelde, gemeenschappelijke wereld. (De witte kleur en de zoete smaak horen bij hetzelfde klontje suiker, waar mijn kind, net als ik, verzot op is.) Daarnaast wordt in de fenomenologie de sensus communis herontdekt: de sensus communis is een gewaarwording die al mijn zintuiglijke waarnemingen vergezelt en mij het aan elk wetenschappelijk bewijs voorafgaand geloof schenkt dat aan mijn waarnemingen een “werkelijkheid” beantwoordt (en dat ze dus niet op een fictie of hallucinatie berusten). Het witte en zoete horen bij een klontje suiker, dat onafhankelijk van mijn gewaarwording bestaat en ook voor anderen waarneembaar is. Deze sensus communis wordt door Arendt ook aangeduid met de term le bon sens: “het gezond verstand is dat zesde zintuig, dat wij niet enkel allen gemeen hebben, maar dat ons een plaats geeft in een gemeenschappelijke wereld en zo deze wereld mogelijk maakt”.

Naast deze betekenis van common sense als le bon sens, die ze vooral in Denken uitwerkt, kent Arendt aan het begrip ook de betekenis toe van community sensegemeenschapszin. Waar le bon sens zich vooral afstemt op het feitelijk gegevene en op het onderscheid tussen waar en onwaar en dus op kennis, hebben we de gemeenschapszin nodig als we waardeoordelen uitspreken – “dit is mooi”, “dit is lelijk” of “dit is walgelijk” – waarin we de betekenis van concrete fenomenen trachten te vatten. De gemeenschappelijkheid van de wereld wordt niet alleen gedeeld in waarheidsuitspraken, maar ook in waardeoordelen. Het verschil tussen beide is dat een waarheidsuitspraak dwingend is, op grond van de evidentie die ze uitdrukt, terwijl een waardeoordeel op zoek moet gaan naar instemming – “vind je dit ook niet een uitzonderlijk mooi schilderij?”

Hun betoog begrijp ik zo. De ‘common sense’, in de zin van ‘gemeenschapszin’, is wat ik de Gedeelde Mening noem. Die Gedeelde Mening is de vrucht van het gemeenschappelijk waarderend begrijpen van een element van de werkelijkheid. In haar vraag: “vind je dit ook niet een uitzonderlijk mooi schilderij?” is de persoon die vraag stelt op zoek naar een Gedeelde Mening (‘uitzonderlijk mooi’) van een element van de werkelijkheid (die bewuste ‘schilderij’). Zelf vind ik die vraag nogal manipulerend, maar dit terzijde. Het gezamenlijk waarderend aanvoelen, Arendts community sense, wordt gecreëerd door de karakteristiek Waarderend Begrijpen van de dialoog en dus het Cruciale Dialoogmodel

Dat begrijpen sterk afhankelijk is van wat Arendt de gemeenschapszin of het gezond verstand noemt (sensus commonis) doet ze zo uit de doeken;

Het belangrijkste politieke verschil tussen gezond verstand (of gemeenschapszin) en logica is dat het gezond verstand een gemeenschappelijke wereld veronderstelt waarin wij allen passen, waarin wij kunnen samenleven omdat we één zintuig bezitten dat alle strikt particuliere zintuiglijke data controleert en afstemt op de data van alle anderen; de logica daarentegen, alsook elke evidentie waarvan het logische redeneren vertrekt, kan aanspraak maken op een betrouwbaarheid die volledig onafhankelijk is van de wereld en het bestaan van andere mensen. Vaak is de opmerking gemaakt dat de bewering 2+2=4 geldig is, onafhankelijk van de menselijke conditie; de bewering geldt zowel voor God als voor de mens. Anders gezegd, telkens wanneer het gezond verstand (of het gemeenschappelijke zintuig), het politieke zintuig bij uitstek, ons in de steek laat als we iets willen begrijpen, aanvaarden we maar al te graag de logiciteit als vervangmiddel: immers, het vermogen om logisch te redeneren hebben we ook allen gemeen. Maar dit gemeenschappelijk menselijk vermogen, dat zelfs functioneert wanneer we volledig van de werkelijkheid en de ervaring afgescheiden zijn, en dat strikt “in” ons is, zonder enige band met iets dat “gegeven” is, is niet in staat om iets te begrijpen; aan zichzelf overgelaten is het volslagen steriel. (Arendt, 2021, p. 495) 

Hierin geeft Arendt het duidelijk verschil weer tussen ‘gemeenschapszin’ en ‘logica’. Zij ziet de ‘gemeenschapszin’ als een zesde zintuig dat de vijf andere tot een geheel smeedt. De ‘logica’ ziet ze als een steriel vervangingsmiddel. De ‘logica’ is uiteraard ook een gemeenschappelijk vermogen. Het is echter een vermogen zonder emotie, kleur of waardeinhoud. Logica is eerder ‘het is wat het is’ en het ‘is in ons’. Een bijkomend verschil dat ik zie, is dat de ‘gemeenschapszin’ de vrucht is van een dialoog en er over ‘logica’ niet kan gedialogeerd worden. Zoals Arendt zo treffend stelt: 2+4=4, zowel voor God als elke mens.

Begrijpen en Oordelen

Begrijpen en Oordelen zijn nauw verbonden en verweven en zijn beiden elementen onder een algemene regel. Het oordeelsvermogen is volgens Kant reflecteren over de werkelijkheid en hij beschreef de afwezigheid ervan als ‘domheid’ en ‘een gebrek waarvoor geen remedie bestaat’ (Kant, 2009). Arendt zegt hierover (2021, 491):

Onze zoektocht naar betekenis wordt tegelijk gewekt en gefnuikt door ons onvermogen om betekenis te doen ontstaan. Kants definitie van domheid is geenszins naast de kwestie. Sinds het begin van deze eeuw gaat de groei van betekenisloosheid gepaard met een verlies aan gezond verstand (gemeenschapszin). In vele opzichten lijkt dit verlies eenvoudigweg op een toenemende domheid. Wij kennen geen eerdere beschaving waarin de mensen onnozel genoeg waren om hun koopgewoonten af te stemmen op de stelregel dat “eigenlof de hoogste aanbeveling verdient” – de veronderstelling van elke reclame. Ook is het weinig waarschijnlijk dat in een voorafgaande eeuw mensen ervan overtuigd konden worden om een therapie ernstig te nemen die zogezegd alleen helpt op voorwaarde dat de patiënten de therapeut er een hoop geld voor betalen – tenzij er uiteraard een primitieve samenleving bestaat waarin het overhandigen van geld op zich een magische kracht bezit. 

Wat gebeurd is met de verstandige kleine regels van het eigenbelang, heeft zich op een veel bredere schaal voorgedaan in alle sferen van het gewone leven die, omdat ze gewoon zijn, het best door gewoonten gereglementeerd worden. 

Arendt trekt verder van leer (2021, 491):

… de domheid in de Kantiaanse zin het gebrek van iedereen geworden. Daarom kan men ook niet langer beweren dat er “geen remedie” voor bestaat. Domheid is even gemeenschappelijk geworden als de gemeenschapszin vroeger was; en dit betekent niet dat ze een symptoom van de massamaatschappij is of dat “intelligente” mensen er vrij van zijn. Het enige verschil is dat de domheid bij de niet-intellectuelen zalig ongearticuleerd blijft en bij “intelligente” mensen onverdraaglijk offensief wordt. Binnen de intelligentsia kan men zelfs zeggen dat, hoe intelligenter een individu is, des te meer de domheid, die hij met allen gemeen heeft, irriteert. 

Verassend vind ik dat volgens Arendt begrijpen aan de andere kant van het handelen ligt, waarin ik dan de ‘andere kant van de liggende acht’ in zie:

Indien de essentie van elk handelen, en zeker van het politieke handelen, ligt in het maken van een nieuw begin, dan wordt het begrijpen de andere kant van het handelen, namelijk die wijze van kennen, onderscheiden van vele andere vormen, waardoor handelende mensen (en niet mensen die bezig zijn met het contempleren van een verloop in de geschiedenis, ten goede of ten kwade) uiteindelijk in het reine kunnen komen met wat onherroepelijk gebeurd is en zich kunnen verzoenen met wat onvermijdelijk bestaat. (Arendt, 2021, pp. 499-500)

Begrijpen is voor Arendt (2021, p. 500) het geven van betekenis aan het wezen van ‘alles wat is’ en dit op een manier waarbij het eigen denkkader in vraag wordt gesteld, hetgeen volledig in lijn ligt met onze eigen mening daaromtrent: 

Het zal integendeel, juist omdat het de andere kant van het handelen is, beseffen dat alle andere resultaten zo ver van het handelen verwijderd zijn dat ze onmogelijk waar kunnen zijn. Evenmin zal het proces van het begrijpen de cirkel vermijden die de logici “vicieus” noemen; het zal in dit opzicht wellicht enigszins op de filosofie lijken, waarin grote geesten altijd in cirkels draaien, daarbij de menselijke geest betrekkend in niets minder dan een nooit eindigende dialoog tussen zichzelf en het wezen van alles wat is. 

Arendt maakt dan een zijsprongetje naar het begrip ‘begrijpend hart’ uit een tot God gerichte smeekbede van Koning Salomon. Deze tekst vind ik persoonlijk van uitzonderlijk belang in de huidige context van de vloed van migranten die Europa overspoelt en de ‘afwijzende’ reflex van Europa. Wij hebben ook in die context nood aan Koning Salomon’s ‘begrijpend hart’.

Salomo bad om deze bijzondere gave omdat hij koning was en wist dat alleen een “begrijpend hart”, en niet louter reflectie of louter voelen, het voor ons draaglijk maakt om met andere mensen, voor altijd vreemdelingen, in dezelfde wereld samen te leven, en het hun mogelijk maakt het met ons uit te houden. 

En Arendt voegt er als voetnoot bij (2021, p.683): “Alleen in het geduldig uithouden van de niet-vicieuze cirkel van het begrijpen smelt iedere zelfgenoegzaamheid en elke vorm van “betweterij” weg. Dit is ronduit schitterend gezien vanuit de optiek van m’n Cruciale Dialoogmodel, dat steunt op het creatief wisselwerkingsproces dat de werking van de Vicieuze Cirkel teniet doet. Inderdaad Arendts ‘niet-vicieuze cirkel’ is voor mij het creatief wisselwerkingsproces dat naar begrijpen leidt en daardoor iedere zelfgenoegzaamheid en elke vorm van “betweterij” teniet doet. Dit omdat het continu het denkkader omvormt tot Salomon’s “begrijpend hart”.

En Arendt (2021, pp. 500-501) besluit met:

Echt begrijpen wordt de eindeloze dialoog en de “vicieuze cirkels” niet beu, omdat het erop vertrouwt dat de verbeelding uiteindelijk al was het maar een glimp zal opvangen van het altijd vreesaanjagende licht van de waarheid. […]

Alleen de verbeelding stelt ons in staat om dingen in hun eigen perspectief te zien; om sterk genoeg te zijn om wat te dichtbij is op een zekere afstand te plaatsen, zodat we het kunnen zien en begrijpen zonder vooringenomenheid en vooroordeel; om voldoende grootmoedigheid aan de dag te leggen om de afgrond van de verwijdering te overbruggen, tot we alles wat te ver van ons af staat, kunnen zien en begrijpen alsof het onze eigen zaak is. Het scheppen van afstand tegenover sommige dingen en het bereiken van anderen over afgronden heen, maakt deel uit van de dialoog van het begrijpen; hiertoe brengt de directe ervaring een te nauw contact tot stand, en werpt loutere kennis kunstmatige barrières op. 

Zonder dit soort van verbeelding en zonder het begripen dat eraan ontspringt zouden wij nooit in staat zijn om ons in de wereld te oriënteren. Het is het enige innerlijke kompas dat we hebben. De mate waarin wij tijdgenoten zijn hangt af van de reikwijdte van ons begrijpen. Indien we op deze aarde thuis willen zijn, ook als we daarvoor de prijs betalen niet thuis te zijn in deze eeuw, dan moeten we trachten deel te nemen aan de nooit eindigende dialoog met de essentie van het totalitarisme.

De lessen van Socrates

Van oudsher is het gezegde van Socrates “Ik weet dat ik niet weet” m’n richtsnoer en het lezen van ‘Het leven van de Geest’ van Hannah Arendt toont eens te meer de waarheid besloten in deze spreuk weer. Anders gesteld, het boek heeft mij heel wat kennis bijgebracht. 

Waarheid en opinie (Arendt, 2021, pp. 505-508)

De tegenstelling tussen waarheid en opinie is het meest schrijnends in het proces van Socrates en dus de oorzaak van diens dood. De tragedie van diens dood berust op het verschil tussen de opinie van het volk en de waarheid van Socrates. Het volk begreep totaal niet dat Socrates betwijfelde dat sterfelijken überhaupt wijs kunnen zijn en daarmee de ironie in het orkakel van Delphi besefte. Dat orakel stelde dat Socrates de meest wijze van alle stervelingen was juist omdat hij wist dat mensen niet wijs kunnen zijn. Voor Socrates is zijn eigen doxa ook maar een ‘mening’ en hij stelt meermaals dat hij de waarheid niet in pacht heeft. Juist daarom is hij m’n lichtend voorbeeld.

De tirannie van de waarheid (Arendt, 2021, pp. 508-511)

Het belangrijkste verschil tussen overreding en dialoog is dat men zich in het eerste tot de mening richt en het tweede zich afspeelt tussen twee personen. Overreding gebeurt via opinies en houdt rekening met de menigte. Bij overreding dringt men z’n eigen opinies op. Die opinies worden tijdens een overreding als waarheid door het strot van de toehoorders geduwd. Socrates zag goed in dat zijn mening het formuleren in woorden was van ‘wat aan hem verscheen’. Hierbij veronderstelde Socrates dat de wereld zich voor ieder mens op een andere manier ontsluit. Arendt stelt (2021, p. 510) dit ontsluiten gebeurt “overeenkomstig diens positie in de wereld” wat ik dan weer vertaal als “overeenkomstig diens gekleurde bril geslepen door z’n specifieke mindset.”

Wat Plato later dialegesthai noemde, noemde Socrates zelf nog maieutiek of verloskunde: hij wou anderen helpen bij het baren van wat zij zelf hoe dan ook dachten, het vinden van de waarheid in hun doxa

De betekenis van deze methode lag in een tweevoudige overtuiging: ieder mens heeft zijn eigen doxa, zijn eigen openheid op de wereld, en Socrates moet daarom altijd beginnen met vragen; hij kan niet op voorhand weten welk soort van dokei moi, van het-lijkt-mij-toe, de ander bezit. Hij moet zich vergewissen van de positie van de ander in de gemeenschappelijke wereld. Nochtans, evenmin als iemand op voorhand de doxa van de ander kan kennen, kan iemand uit zichzelf en zonder verdere inspanning de inherente waarheid van zijn eigen opinie kennen. (Arendt, 2021, p. 510)

Socrates bracht de waarheid van elke burger ter wereld. Hij drong zijn waarheid niet op, hij was de ‘horzel’ die de burgers waarheidlievender maakte. De Socratische dialoog is gebaseerd op strikte gelijkheid en mondt niet uit in een algemene waarheid, hoogstens in een Gedeelde Mening, maar dat was voor hem als resultaat voldoende.

Dialoog onder vrienden (Arendt, 2021, pp. 512-516)

De dialoog die geen conclusie nodig heeft, is de dialoog onder vrienden. Vrienden zien we als gelijken en we respecteren hun mening. Meer nog men begrijpt waarderend de waarheid, besloten in de opinie van de ander. Gezien onze meningen verschillend zijn, zijn we verschillend. De dialoog zorgt ervoor dat we die verschillen begrijpen en waarderen. De dialoog veronderstelt wel dat je jouw opinie waarheidsgetrouw kan articuleren zodat deze waarderend begrepen kan worden. 

De dialoog onder vrienden maakt dat er geen heerschappij nodig is. De basis inzichten die Socrates aanwendde was het ‘ken uzelf’ van de Delphische god Apollo en z’n reeds eerder aangehaalde uitspraak: “Het is is beter om met de wereld in onenigheid te verkeren dan, één zijnde, met zichzelf in onenigheid te verkeren.”

In Socrates’ opvatting betekende het Delphische “ken uzelf ”: weten wat aan mij verschijnt – enkel aan mij, en daarom voor altijd gebonden aan mijn eigen concrete bestaan – is het enige waardoor ik ooit waarheid kan begrijpen. Absolute waarheid, die voor alle mensen dezelfde zou zijn, en daarom niet gebonden aan en onafhankelijk van het bestaan van ieder mens afzonderlijk, is voor stervelingen onbereikbaar. Waar het voor stervelingen op aankomt is de doxa waarheidlievend te maken, waarheid te zien in elke doxa, en op zodanige wijze te spreken dat de waarheid van iemands opinie zich aan hemzelf en aan anderen openbaart. In deze context betekent het Socratische “ik weet dat ik niet weet” niets anders dan: ik weet dat ik niet de waarheid voor iedereen bezit, ik kan de waarheid van de ander, mijn medeburger, niet kennen, tenzij door hem vragen te stellen, en zo zijn doxa – die zich voor hem, verschillend van alle anderen, openbaart – te leren kennen. Op zijn immer-dubbelzinnige manier eerde het Delphische orakel Socrates als de meest wijze van alle mensen: hij had de beperkingen van de waarheid voor stervelingen – het feit dat de waarheid doorheen het dokein, doorheen verschijningen, aan het licht komt – geaccepteerd. Tezelfdertijd had hij, in tegenstelling tot de Sofisten, ontdekt dat de doxa noch zuiver subjectieve illusie noch willekeurige verdraaiing was, maar integendeel datgene waar onveranderlijk waarheid aan kleefde. Als de kwintessens van het onderricht van de Sofisten lag in het duo logoi, in de klemtoon op het feit dat elke zaak op twee verschillende manieren kan worden besproken, dan was Socrates de grootste van alle Sofisten. Want hij dacht dat er zoveel verschillende logoi zijn, of zouden moeten zijn, als er mensen zijn, en dat al deze logoi samen de menselijke wereld vormen, in zoverre mensen al sprekend samenleven. (Arendt, 2021, p. 514)

Wat ik (Roels, 2012), samen met Henry Nelson Wieman (1990) en Charlie Palmgren (2008) Authentieke Interactienoemt is volgens Arendt (2021, p. 515):

Het voornaamste criterium voor de mens die waarheidsgetrouw zijn opinie uitspreekt was volgens Socrates “dat hij in overeenstemming zou zijn met zichzelf”, dat hij zichzelf niet zou tegenspreken en geen tegenstrijdige dingen zou zeggen – wat de meeste mensen in feite wel doen, maar waar ieder van ons toch ergens bevreesd voor is. De vrees voor de contradictie komt voort uit het feit dat ieder van ons, “één zijnde”, tezelfdertijd kan praten met zichzelf (eme emautô), alsof hij met z’n tweeën was. Juist omdat ik al twee-in-één ben, tenminste wanneer ik probeer te denken, kan ik, om Aristoteles’ definitie te gebruiken, een vriend ervaren als een “ander zelf” (heteros gar autos ho philos estin). Alleen iemand die de ervaring van het spreken met zichzelf kent, is in staat een vriend te zijn, in staat om een ander zelf te verwerven. De voorwaarde is dat hij één van geest is met zichzelf, in overeenstemming met zichzelf (homognômonei heautô), want iemand die zichzelf tegenspreekt is onbetrouwbaar. 

Socrates en diens “één zijnde, met zichzelf in onenigheid verkeren”

Wanneer we ons vereenzelvigen met onze gecreëerde zelf, zijn onze attitudes en gedrag meer gedreven van ‘buiten naar binnen’ dan andersom. Wij hangen voor ons ‘goed gevoel’ en welzijn van anderen af. “Wat zullen ze van mij denken?” is een symptomatische gedachte in dit verband. Bovendien hebben wij een grote behoefte om te tonen dat wij alles ‘onder controle’ hebben, dat wij er goed uitzien en dat wij ons conformeren aan vastgelegde regels. Daarbij staat het gecreëerde zelf continu onder spanning omdat het gevangen zit in het web van de opinies van anderen. Het zit vast in de val van de Vicieuze Cirkel. Uiteindelijk geloven we dat het gecreëerde zelf diegene is die we in werkelijkheid zijn. We steken zo veel energie in het beschermen van onszelf, tegen de angsten van het gecreëerde zelf, dat we ontkoppeld en vervreemd zijn van onze essentie en daardoor ook van de essentie van anderen. Wij zijn in oorlog met onszelf en met anderen. Wij vertrouwen onszelf niet meer en wij vertrouwen elkaar niet. 

Het gecreëerde zelf en het Originele Zelf is echter één en van zodra we dreigen in het web ven de Vicieuze Cirkel dreigen vast te zitten dienen we er ons ‘van binnen naar buiten’ via het Originele Zelf uit te bevrijden en stoppen met in oorlog te zijn in en met onszelf!

Samen met mezelf (Arendt, 2021, pp. 516-519)

Waarom het beter is “in onenigheid te verkeren met de hele wereld dan, een zijnde, in onenigheid met mezelf “ ligt besloten in dat één zijnde. Aan het zelf ben ik vastgeklonken en dit voor altijd. Ik verschijn dus niet alleen voor anderen, ik verschijn ook aan mezelf. En dat verschijnen dien ik continu te monitoren. Vandaar het advies van Socrates: “Wees zoals je zou willen verschijnen aan anderen.”

Zelf interpreteer ik Socrates ‘een zijnde’ of ‘samen zijn met mezelf’ als de interne dialoog tussen mijn gecreëerde zelf en m’n Originele Zelf. Ik besta dus niet in enkelvoud maar in meervoud. Bovendien is die ‘een zijnde met mezelf’ veranderlijk, wat ik dan weer zie als de gecreëerde zelf toegroeiend in de richting van het Originele Zelf. Anders gesteld ik ben een evoluerende dubbelzinnige zelf.

De doxa vernietigd (Arendt, 2021, pp. 519-522)

Het open einde van vele dialogen kan gezien worden als dat alle opinies worden vernietigd, zonder dat een waarheid voor in de plaats gegeven wordt. Het grote verschil tussen Socrates en mezelf die diens uitspraak “Ik weet dat ik niets weet” is dat ik zelf wel een opinie heb en me er sterk van bewust ben dat die doxa niet de waarheid is. Volgens mij wordt door de dialoog met de Ander, de doxa niet vernietigd, integendeel er wordt een Gedeelde Mening gecreëerd, indien de dialoog succesvol is. 

In de grot (Arendt, 2021, pp. 522-524)

De allegorie van de grot van Plato is een soort drietrapsraket die een metafoor is voor de transformaties van de filosoof, en gezien ik een zelfverklaarde filosoof ben, ook een metafoor van m’n leven.

De toekomstige filosoof is geketend en kijkt naar een wand van de grot waar hij enkel schaduwen en beelden ziet. 

De beelden op de wand waar de grotbewoners naar staren, zijn hun doxai, wat en hoe de dingen voor hen verschijnen. Indien zij de dingen zoals zij werkelijk zijn willen bekijken, moeten zij zich omkeren, dat wil zeggen hun positie veranderen, omdat, zoals we gezien hebben, iedere doxa afhangt van en beantwoordt aan iemands positie in de wereld. (Arendt, 2021, pp. 523)

De eerste transformatie is dus ‘zich omkeren’ om de dingen te zien zoals die werkelijk zijn. De filosoof in spé raakt uit de grot en komt terecht in een landschap zonder dingen of mensen. Hij komt terecht in de wereld van de ideeën:

Hier verschijnen de ideeën, de eeuwige essenties van de vergankelijke dingen en van de sterfelijke mensen, verlicht door de zon, de idee der ideeën, die de toeschouwer in staat stelt te kijken en de ideeën in staat stelt te schitteren. (Arendt, 2021, pp. 523)

Maar met ideeën alleen geraak je niet ver. Enkel door sommige ervan te realiseren bekom je de transformatie. Daarom dient de filosoof terug te keren naar de werkelijkheid; in dit geval de grot, waar zij of hij zich niet meer thuis voelt. En wanneer hij z’n wedervaren aan de andere grotbewoners wil meedelen loopt dat uit op een fiasco. Die hebben ‘het licht niet gezien’ en dus is de gemeenschapszin verloren. Het is alsof hij het ‘gezond verstand’ (gemeenschapszin) verloren heeft.

Het verschil tussen de filosoof en de grotbewoners is dat die laatsten zich in duisternis en onwetendheid bevinden en de filosoof zich in stralend licht met kennis van zaken.

Verwondering

Volgens Plato is verwondering het begin van de filosofie. 

Thaumazein, de verwondering over wat is zoals het is, is volgens Plato een pathos, iets wat doorstaan wordt en als zodanig sterk verschilt van doxazein of het vormen van een opinie over iets. De verwondering die de mens doorstaat of die hem overvalt, kan niet in woorden worden weergegeven worden, omdat zij te algemeen is voor woorden. (Arendt, 2021, p. 526)

Zelf begrijp deze paragraaf als volgt. Thaumazein volgt op het zien wat is zoals het is of het zien met het helder bewustzijn. Het zien is in dit geval ‘observeren’ en eerder dan in te kleuren is men verwonderd.  Die verwondering wordt anders gesteld doorleefd en dat is iets anders dan de observatie direct in te kleuren met het gekleurd bewustzijn en daardoor de verwondering om te zetten in een opinie of (gekleurde) mening. 

Arendt gaat verder (2021, pp. 526-527):

En zodra de sprakeloze toestand van de verwondering zichzelf vertaalt in woorden, zal ze niet beginnen met beweringen, maar zal ze oneindige variaties formuleren op wat wij ultieme vragen noemen – Wat is het Zijn? Wie is de mens? Wat is de zin van het leven? Wat is de dood? enz. –, die alle gemeen hebben dat zij niet op een wetenschappelijke manier beantwoord kunnen worden. Socrates’ bewering “Ik weet dat ik niet weet” drukt in termen van kennis dit gebrek aan wetenschappelijke antwoorden uit. Maar in de toestand van verwondering verliest deze uitspraak haar droge negativiteit, want het resultaat dat achterblijft in de geest van de persoon die het pathos van de verwondering doorstaan heeft, kan alleen uitgedrukt worden als: nu weet ik wat het betekent niet te weten; nu weet ik dat ik niet weet. Het is vanuit de feitelijke ervaring van niet-weten, waarin zich een van de basisaspecten van de menselijke conditie op aarde onthult, dat de ultieme vragen oprijzen, en niet vanuit het gerationaliseerde, bewijsbare feit dat er dingen zijn die de mens niet kan kennen – een feit dat de adepten van vooruitgang ooit volledig hopen recht te zetten, of de positivisten wellicht als irrelevant terzijde schuiven. Door onbeantwoordbare vragen te stellen, bevestigt de mensen zich als een vragend wezen. Dit is de reden waarom de wetenschap, die beantwoordbare vragen stelt, haar oorsprong heeft in de filosofie – een oorsprong die, over de generaties heen, haar altijd aanwezige bron blijft. Verloor de mens op een dag dit vermogen om beantwoordbare vragen te stellen. Hij zou ophouden een vragend wezen te zijn – wat het einde zou betekenen, niet alleen van de filosofie, maar evengoed van de wetenschap.

Het is dus niet te verwonderen dat in het midden van het Cruciale Dialoogmodel – wat ook model staat voor het creatief wisselwerkingsproces – de vraag staat. Meteen is ook duidelijk dat het eigenlijk normaal is dat ik zelf in de loop der jaren transformeerde van een wetenschapper (het vak van ingenieur behoort bij de toegepaste wetenschappen) tot een zelfverklaarde filosoof. Het vraagteken is een basisingrediënt van elk mensenleven. Dit veelal in de vorm van de waarom vraag en dit al vanaf de leeftijd van twee jaar (het zogenaamde ‘waarom-monstertje’). Als ingenieur in de veiligheidstechnieken (de start van m’n tweede professionele leven) de waarom vraag gesteld aan het begin van elke analyse van arbeidsongevallen of andere miskleunen. En elk antwoord op die beginvraag werd opnieuw bestookt met een variant van de basis vraag. Elke onderzoeker is inderdaad een ‘waarom-monster’. Veel later kwam ik uiteindelijk tot filosofische vragen als daar zijn ‘Moeder waarom leven wij?” M’n nooit definitieve antwoorden verwerkte ik in m’n columns en podcasts ten behoeve van m’n kleinkinderen, Eloïse, Edward en Elvire, die ooit met dezelfde levensvragen zullen geconfronteerd worden.

Arendt beschrijft eigenlijk ook de moeilijkheden die ik ondervond met mensen die hun gekleurde mening voor waarheid aanzagen:

Aangezien het pathos van de verwondering de mensen niet vreemd is, maar integendeel een van de meest algemene kenmerken van de menselijke conditie is, en aangezien de gebruikelijke weg uit dit pathos er voor de meesten in bestaat opinies te vormen waar ze niet passen, zal de filosoof onvermijdelijk met deze opinies in conflict geraken: hij zal ze onverdraaglijk vinden. En aangezien zijn eigen ervaring van sprakeloosheid zich enkel uitdrukt in het stellen van onbeantwoordbare vragen, is hij inderdaad op een doorslaggevende manier benadeeld op het ogenblik dat hij terugkeert naar het politieke domein. Hij is de enige die niet weet, de enige die geen duidelijke en welomlijnde doxa heeft om te wedijveren met de andere opinies – over de waarheid of onwaarheid waarvan het gezond verstand wil beslissen: het gezond verstand is immers dat zesde zintuig dat wij niet enkel allen gemeen hebben, maar dat ons een plaats geeft in een gemeenschappelijke wereld en zo deze wereld mogelijk maakt. Als de filosoof het woord neemt in deze wereld van het gezond verstand, waartoe ook onze algemeen aanvaarde vooroordelen en oordelen behoren, zal hij altijd in de verleiding komen om te spreken in onzinnige termen, of – om de uitdrukking van Hegel nog eens te gebruiken – het gezond verstand op zijn kop te zetten. (Arendt, 2021, p.528)

En Arendt (2021, p. 529) gaat verder:

Want wat geldt voor deze verwondering, waarmee elk filosoferen begint, geldt niet voor de eenzame dialoog die erop volgt. Eenzaamheid, of de denkende dialoog van de twee-in-één, maakt integraal deel uit van het zijn en samenleven met anderen, en in deze eenzaamheid kan ook de filosoof niets anders doen dan opinies vormen – ook hij komt tot zijn eigen doxa. Het verschil met zijn medeburgers is niet dat hij een of andere bijzondere waarheid bezit, waarvan de menigte uitgesloten is, maar dat hij altijd bereid blijft het pathos van de verwondering te doorstaan en daarbij het dogmatisme van mensen met alleen maar opinies vermijdt. Om te kunnen wedijveren met dit dogmatisme van het doxazein, stelde Plato voor om de sprakeloze verwondering, die het begin en einde van de filosofie is, eindeloos te verlengen. Wat slechts een vluchtig moment kan zijn, of, om Plato’s eigen metafoor te gebruiken, de vluchtige vonk tussen twee vuurstenen, trachtte hij tot een levenswijze (bios theôrêtikos) te ontwikkelen. In deze poging brengt de filosoof zichzelf tot stand, baseert hij zijn hele bestaan op die singulariteit die hij ervoer wanneer hij het pathos van het thaumazein doorstond. En daardoor vernietigt hij de pluraliteit van de menselijke conditie in zichzelf. 

Dit begrijp ik als volgt. Uiteraard vorm ik uit de verwondering een doxa (mening) en dit door een interne dialoog tussen m’n helder bewustzijn en m’n gekleurd bewustzijn (de staande acht in de linkerlus van de liggende acht). Het verschil met medeburgers die enkel hun gekleurd bewustzijn inzetten, is dat ik weet dat ik niet weet. Anders gesteld, ik weet dat ik de waarheid niet in pacht heb. Ik weet ook dat mijn zogezegde ‘waarheid’ enkel een opinie, een mening is. Die mening is vatbaar voor transformatie en ik laat die transformatie ook toe via dialoog. Die houding is niet vluchtig, het is een levenswijze om mijn doxa af te toetsen aan andere doxa om daardoor tot een Gedeelde Mening te komen (in het midden van onderstaand model). En eens we tot dit inzicht, die Gedeelde Mening gekomen zijn, kunnen we er iets aan doen. Ten minste als we dat na het vormen van gevoelens door het nog niet vervuld zijn van de behoeften, dat Willen!

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Bos, A.H. (1974). Oordeelsvorming in Groepen, Scriptie (74-6). Wageningen: Med. Landbouwhogeschool. 

Palmgren, C. (2008). Ascent of the Eagle. Being and Becoming Your Best. Dayton: Innovative Interchange Press.

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Schein, E.H., (2013). Humble Inquiry. The Gentle Art of Asking instead of Telling. San Francisco: Berrett- Koehler Publishers.

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

SAWUBONA, hannah arendt – deel ii

Het verschil tussen iets ‘begrijpen’ en iets ‘vatten’.

In haar boek ‘Het Leven van de Geest’ (Arendt, 2021) citeert Hannah Arendt vaak Immanuel Kant. Dat is niet verwonderlijk wanneer men weet dat Kant, samen met Heidegger, haar de weg wees naar haar manier van denken. Denken dat niet per sé moet uitmonden in ‘waarheid’, wat meestal bij andere filosofen het geval is. Kant noemde het denkvermogen Vernunft (rede) om het te onderscheiden van Verstand (intellect, verstand). Belangrijk vind ik z’n stelling (Kant, 1781): “Vernunftbegriffe dienen zum Begreifen, wie Verstandesbegriffe zum Verstehen (der Wahrnehmungen).” De vertalers Dirk De Schutter en Remi Peeters (Arendt, 2021, p. 109): “Begrippen van de rede stellen ons in staat om te begrijpen, zoals begrippen van het verstand ons in staat stellen waarnemingen te vatten.” 

Leuk dat ik via Arendt in contact kom met deze stelling van Immanuel Kant die ik, zonder ze te kennen, gebruikte in m’n onderscheid tussen ‘observeren’ en ‘interpreteren’ in m’n Cruciale Dialoogmodel:

Het denken wordt gevisualiseerd door de linker lus waarbij het vatten van de werkelijkheid gebeurt door het observeren van die werkelijkheid gebruik makend van het helder bewustzijn. Het begrijpen van de werkelijkheid gebeurt dan door het interpreteren van wat gevat werd, gebruikmakend van het gekleurd bewustzijn. Het verstand tracht te vatten wat aan onze zintuigen gegeven is (vandaar observeren) en de rede (Vernuft) tracht de betekenis ervan te begrijpen (interpreteren).

Kant gebruikt het begrip Wahrnehmung, Duits voor het Latijnse Perceptio, om aan te geven dat de waarheid ligt in wat ik observeer (waar-neming). Het denken neemt die observatie aan en vraagt zich af wat het bestaan ervan betekent. Denken, de linker lus van m’n model, heeft te maken met betekenis geven. Het onderscheid tussen waarheid en betekenis is van cruciaal belang voor het menselijk denken. Betekenis geven aan wat werd geobserveerd, gebeurt dus met het gekleurd bewustzijn. Elke mens heeft een uniek gekleurd bewustzijn en geeft dus een specifieke betekenis aan ‘de waarheid’, waardoor het ‘zijn waarheid’ wordt. Enkel door dialoog kunnen twee verschillende mensen, die dezelfde werkelijkheid (‘de waarheid’) aanschouwen en verschillende ‘eigen waarheden’ hebben, tot een Gedeelde Mening (‘een gedeelde waarheid’) komen. Dit laatste noemen we in bovenstaande figuur het inzicht. Ook Arendt stelt, niet zoals de meeste filosofen, dat denken niet als doel heeft de ultieme ‘waarheid’ te vinden. Steeds opnieuw dient er te worden nagedacht. Vandaar de het infinity teken dat de lemniscaat is een adequaat beeld is om dit uit te drukken.

Wij worden geconditioneerd

Het gekleurd bewustzijn steunt op onze mindset die geconditioneerd is. In haar boek ‘Het leven van de Geest’ schrijft Hannah Arendt het volgende (2021, pp. 96-97):

Existentieel worden mensen weliswaar volledig geconditioneerd – ze worden beperkt door de tijdsspanne tussen geboorte en dood, gedwongen te arbeiden om te leven, aangezet tot werken om zich thuis te voelen in de wereld, en aangespoord tot handelen om hun plaats te vinden in het samenleven met hun medemensen – maar toch kunnen ze al deze condities mentaal overstijgen, zij het alleen mentaal, nooit in werkelijkheid of in de kennis en het weten, waarmee ze de wereld en zichzelf exploreren. Ze kunnen positief of negatief oordelen over de werkelijkheid waarin ze geboren zijn en waardoor ze ook geconditioneerd worden; ze kunnen het onmogelijke willen, bijvoorbeeld het eeuwige leven; en ze kunnen denken, d.w.z. zinvol speculeren over het onbekende en onkenbare. Daardoor kunnen ze de werkelijkheid weliswaar nooit onmiddellijk veranderen – er is in onze wereld inderdaad geen zo duidelijke en radicale tegenstelling als die tussen denken en doen – maar toch hangen de principes van ons handelen en de criteria van ons oordelen en onze levenswijze uiteindelijk af van het leven van de geest.

In deze paragraaf vermeld Arendt terloops haar onderscheid tussen Arbeiden, Werken en Handelen (zie m’n column Hannah Arendt over Arbeiden, Werken en Handelen) en gaat dieper in op het oordelen over de werkelijkheid die conditioneert. Inderdaad, opvoeding, opleiding en samenleven conditioneert de mens. Door dit socialisatieproces wordt diens specifieke gekleurde bril gevormd, waarmee zij of hij ‘de waarheid’ inkleurt.

Denken is onzichtbaar

Daar waar de werkelijkheid zichtbaar is, is het denken erover onzichtbaar. De uitwendige manifestatie van het denken is verstrooidheid en een afwezigheid. Men is blijkbaar niet meer geïnteresseerd in de omringende wereld. Het denken laat echter op geen enkele wijze zien wat er in ons feitelijk aan het gebeuren is. Het denkende ego, waarvan ik me bewust ben zolang de denkactiviteit duurt, verdwijnt als sneeuw voor de zon op het ogenblik dat de werkelijke wereld zich opnieuw opdringt. Mentale activiteiten komen tot stand bij een bewuste terugtrekking uit de aanwezigheid van werkelijke wereld voor de zintuigen. Je koppelt als het ware de zintuigen af. Niet zelden sluit je effectief de ogen en hoor je niet wanneer je in nadenken verzonken bent. Wat echter afwezig is voor de echte zintuigen verschijnt helder in de geest en wordt verbeelding genoemd. In m’n bovenstaand Cruciale Dialoogmodel vindt die verbeelding plaats zowel in de tweede karakteristiek Waarderend Begrijpen als in de derde karakteristiek Creatief Integreren van het Creatief wisselwerkingsproces. In de toepassing Cruciale Dialogen worden die karakteristieken respectievelijk Appreciatie en Imaginatie genoemd en het model is in die fasen ‘naar binnen gekeerd’, een visualisatie van het denkend ego, of de reflecterende mens. Zo wordt bij het Waarderend Begrijpen wat ‘niet meer’ of ‘wat is,’ een verleden en een heden, voor onszelf tot stand gebracht en in het Creatief Integreren een ‘nog niet’ van de toekomst verbeeld. Dit is echter maar mogelijk voor de mind wanneer die zich uit het aanwezige en uit het alledaagse reilen en zeilen heeft teruggetrokken. Die mind dient zich ver van de ‘jump to conclusion’ modus die zich zonder reflectie in de toekomst wil storten, houden en zich niet om objecten maar om een project bekommeren. Het oordeel dient zich weloverwogen, in het midden van m’n model, te transformeren in een wil die de behoeften (de begeerte) omzet in gevoelens (een intentie). We oordelen dus eerst over de ‘delta’, i.e. het verschil tussen wat is en wat gewenst is en die behoefte wordt omgezet in een wil om iets aan dat verschil te doen. Anders gesteld, het denken geeft inzicht dat vergeleken wordt met de behoeften en die vergelijking zwengelt al dan niet de wil aan om er iets aan te doen. Die wil stuurt dan de ‘imaginatie’ van de mogelijke handelingen om effectief de actuele werkelijkheid om te zetten in de gewenste.

Denken doet men altijd over een denkbeeld. Soms is dat ‘beeld’ een herinnering aan verleden, een beeld van het heden en soms een beeld van de toekomst. Meestal is denken letterlijk na-denken. Elk denken vereist een stop-en-denk. Ik kan stoppen in de toekomst en eraan denken alsof het er al is, of ik kan stoppen in het verleden en eraan denken alsof het nog niet verdwenen is.  Opdat ik aan iets zou kunnen denken moet het object, waaraan ik denk, tot een beeld omgevormd worden en die omvorming wordt ‘verbeelding’ genoemd. Zonder dit vermogen dat het afwezige aanwezig maakt in de vorm van een beeld zouden denkprocessen en gedachtegangen gewoon niet mogelijk zijn. Concreet, in aanwezigheid van de geliefde denkt men niet aan de geliefde; in afwezigheid van die geliefde denkt men aan een beeld van die geliefde. Terwijl ik denk, ben ik niet aanwezig waar ik op dat moment wekelijk ben, ik ben niet door wekelijke objecten omringd maar door beelden, die niemand anders kan zien.

Hannah Arendt zegt het zo (2021, p. 111):

Het vermogen om in gedachte vooruit te lopen op de toekomst komt voort uit het vermogen om zich het verleden te herinneren, dat op zijn beurt voortkomt uit het nog meer elementaire vermogen om het fysisch afwezige te ont-zinnelijken en als aanwezig voor (en niet slechts in) onze geest te brengen.

In de Griekse taal is het woord ‘weten’ afgeleid van het woord ‘zien’. Zien is namelijk edieen, weten is eidenai, wat overeenkomt met ‘gezien hebben’. Eerst zie je, daarna weet je. De Nederlandse filosoof Johan Cruyff draaide de sequentie om: “Je gaat het pas zien als je het doorhebt.”

Denken stopt nooit

Denken is een oneindig proces. Onze geest heeft een afkeer van ultieme zekerheid. Een denkend mens is een twijfelend mens. De activiteit van het denken is nooit ‘af’. Het is een steeds terugkerende activiteit omdat het denkend ego intuïtief aanvoelt dat ‘zekerheid’ niet bestaat. Het denken mondt nooit uit in een definitieve verworvenheid, maar moet telkens hernomen worden. Arendt suggereert dit men een prachtig, aan Homerus ontleend beeld: zoals Penelope elke morgen haar handwerk, dat ze de vorige avond weefde, ontrafelt, doet het denken telkens zijn eigen ‘resultaten’ teniet (Arendt, 2021, p. 113). Voor Arendt is dat de echte betekenis van Nietzsche ’s ‘eeuwig terugkeer’. 

Arendt vernoemt dan Hegel die voor de ‘eeuwige terugkeer’ van het denken zo een eigen analogie had (2021, p. 114):

Dat het denken zijn eigen resultaten tenietdoet, wordt volgens hem beheerst door dezelfde onverbiddelijke keten van ontwikkelingsfasen die, van kiem tot vrucht, heerst over de organische natuur, waarin elke fase altijd de voorafgaande fase “ontkent” en opheft. Het verschil tussen de organische natuur en het denkproces is dat het laatste “door bewustzijn en wil bemiddeld wordt”, door mentale activiteiten dus, en daarom kan worden beschouwd als “zichzelf producerend”: “De geest is enkel dat waartoe hij zichzelf maakt, en hij maakt zich daadwerkelijk tot dat, wat hij in zichzelf (potentieel) is.

Daarmee wordt duidelijk dat het denken een proces is dat gestuurd wordt door de geest die autonoom beslist om zichzelf te creëren. Ik beweer, met Henry Nelson Wieman, dat het niet de geest is die dat beslist maar de geest die het creatief wisselwerkingsproces van binnenuit beleeft. Want Creatieve wisselwerking was voor hem het ultieme antwoord op zijn levensvraag: “Wat transformeert de Mind, gezien de Mind dat zelf niet kan?” Die passage uit dit boek van Arendt is ook koren op m’n molen: Creatieve wisselwerking transformeert het gecreëerde zelf in de richting van het Originele Zelf.

Denken is het toeschouwen van doen

Denken komt neer op de linker lus van m’n Cruciale Dialoogmodel. Let wel het model is een lemniscaat en heeft daardoor geen begin, noch einde. Denken volgt steeds op het doen, de rechter lus van het model en kan daardoor gezien worden als het toeschouwen van het doen. Bij het denken is de denker ‘in rust’, zij of hij heeft zich teruggetrokken uit elk engagement en heeft alle onmiddellijke belangen, waardoor zij of hij deel uitmaken van de werkelijkheid, ‘on hold’ gezet.  Alleen als toeschouwer kan de denker kennen en begrijpen wat zich als schouwspel afspeelt, nooit als actor.

Deze historische zienswijze wordt omzeild door de zestiende vaardigheid van Creatieve wisselwerking: het Procesbewustzijn. Deze vaardigheid wordt ondermeer ingezet tijdens het reflecteren, wat een specifieke vorm van na-denken is. Reflecteren is een zich steeds herhalend proces van leren door: het opdoen van ervaringen en inzicht verwerven betreffende dit handelen en daardoor het handelen aan te passen waardoor nieuwe ervaringen worden opgedaan. Waarna nieuw inzicht verworven wordt, waardoor … Als acteur voer je de handelingen uit. Als toeschouwer reflecteer je over die handelingen, en meer bepaald over de oorzaken, zowel directe als onderliggende, en de gevolgen ervan. En als regisseur breng je wijzigingen aan het script, zodat de acteur vernieuwde handelingen kan uitvoeren … 

Het Procesbewustzijn heeft in zijn meest eenvoudige vorm te maken met een tweevoudig bewustzijn (Roels, 2012, pp. 262-264). Dit wil zeggen dat een gedeelte van het bewustzijn zich focust op de taak (wat gedaan wordt). Terwijl men dat doet, is een ander gedeelte van het bewustzijn gefocust op het proces (hoe het gedaan wordt). Met andere woorden, diegene bij wie het Procesbewustzijn operatief is, is niet volledig opgeslorpt door de taak; zij of hij heeft ook oog voor het werkproces zelf. Zij of hij voldoet daarbij aan het eerste van H.N. Wieman’s tweevoudige engagement (“two-fold-commitment”). Zij of hij geeft dus het beste van zichzelf, wat zij of hij kent en begrijpt en kan uitvoeren. Op hetzelfde moment reserveert zij of hij ook een gedeelte van het Procesbewustzijn voor het creatief wisselwerkingsproces. Dit gedeelte gaat na of iedere deelnemer aan het werkproces al dan niet de vaardigheden, nodig om Creatieve wisselwerking te kunnen beleven, effectief gebruikt, of eerder aan het worstelen is met haar of zijn Vicieuze Cirkel. Bij het Procesbewustzijn is het zo dat je zowel speler als observator bent, en dus zowel de uitvoering van de taak, het volgen van het werkproces, als het beleven van Creatieve wisselwerking meet en evalueert. Je bent er zich werkelijk van bewust dat het creatief wisselwerkingsproces al dan niet operatief is. En je monitort continu de condities voor dat proces en het effectief gebruik van de vaardigheden ervan. Procesbewustzijn heeft te maken met het bewustzijn van jezelf (self-awareness) en van je bekwaamheid je los te maken van jezelf en van de informatie die je in je hoofd aan het verwerken bent. Laat ik, om dit laatste enigszins te verduidelijken, Einstein parafraseren: 

The superiority of man lies not in his ability to perceive, but in his ability to perceive that he perceives, and to transfer his perception to others through words 

Zien waar je mee bezig bent, dus zowel de taak als het verwerken van informatie (en beide als gelijkwaardig beschouwen), is één. Zien dat je ziet waarmee je bezig bent, is dus een diepere laag van het Procesbewustzijn. Om te zien dat ik aan het zien ben, moet ik mij losmaken van diegene die ziet, in casu mezelf. 

Het heeft ook te maken met het begrip ‘transcendentie’. Je hebt ooit wel eens de uitdrukking “in de wereld zijn en toch niet van de wereld zijn” gehoord. In de wereld zijn, betekent dat je jezelf identificeert met je gedachten, je gevoelens en je gedragingen. Van de wereld zijn zou suggereren dat al wat je bent een conglomeraat is van je ervaringen en acties in deze wereld. Niet van de wereld zijn betekent die wereld afstandelijk kunnen beschouwen. Je bent ‘boven’ de wereld en je kan dus beschouwen zonder er effectief de slaaf van te zijn .

Hannah Arendt noemt dat oordelen, dat op het denken volgt (2021, pp. 119-120):

Het oordelen verlaat de wereld van de verschijnselen niet, maar trekt zich uit zijn actieve betrokkenheid in de wereld terug naar een geprivilegieerde positie, met de bedoeling het geheel te overschouwen. … De toeschouwers nemen dus wel afstand van de bijzonderheden die karakteristiek zijn voor de acteurs, maar ze zijn niet eenzaam. En ze hebben evenmin genoeg aan zichzelf, zoals de “hoogste god” die de filosoof in zijn denken tracht te evenaren en die, volgens Plato, “voor altijd … eenzaam is omwille van zijn volmaaktheid; hij kan met zichzelf samenzijn en heeft niemand anders nodig, geen bekende noch vriend, hij is zichzelf genoeg.

De toeschouwer heeft volgens haar het recht om te oordelen en dat vanaf het moment het individu niet langer handelt en alleen toeschouwer is. 

Denken en willen

De visie van Hannah Arendt rond de sequentie denken, willen en oordelen wordt door mij enigszins gewijzigd, zoals duidelijk wordt in onderstaande lineaire voorstelling van m’n Cruciale dialoogmodel. 

De lineaire voorstelling, die dus een soort ‘ideaal’ is, heeft een didactisch nut (het is een eenvoudige voorstelling van Creatieve wisselwerking) en een theoretische tool om wat er werkelijk gebeurt af te toetsen (in welke fase bevind ik mij hier en nu?). 

Deze lineaire toepassing loopt als volgt: de werkelijkheid wordt eerst geobserveerd en nadien geïnterpreteerd door ons denken. Dit laatste geeft aanleiding tot een oordeel (inzicht) dat afgetoetst wordt aan de behoeften (de gewenste situatie) wat gevoelens creëert. Meer bepaald wordt het willen door die gevoelens (gebaseerd op het verschil tussen de begrepen en de gewenste werkelijkheid) aangezwengeld iets aan die ‘delta’ te doen. Vooraleer te kunnen doen, en dus actie te ondernemen, dienen er mogelijke acties te worden geïmagineerd en uit de set die acties gekozen die uitvoerbaar zijn. Dit laatste de beschikbare middelen in acht genomen, wat overeenkomt met de staande 8 in de rechter lus van de liggende 8. De werkelijke uitvoering van die acties is het handelen, dus het doen. Niet zelden voltrekt deze cyclus zich in een fractie van een seconde, een oogwenk, en daarbij worden soms etappes overgeslagen (het zogenaamde ‘jump to conclusion’ gedrag). Van dit alles zijn we ons niet steeds bewust. Reflectie in vooruitblik modus legt deze cyclus bloot! 

Tussen haakjes, in het boek ‘het leven van de Geest’ vond ik een ondersteuning voor m’n visie rond het helder en het gekleurd bewustzijn (Arendt, 2021, p. 137):

Afstand is de belangrijkste voorwaarde voor het goed functioneren van de gezichtszin. “De aanwinst is het begrip objectiviteit, het ding zoals het op zichzelf is, te onderscheiden van het ding zoals het mij beroert, en uit dit onderscheid ontstaat de hele idee van theôria en van theoretische waarheid.” Bovendien levert het zien ons een “gelijktijdige veelvoudigheid”. … Het zien laat ruimte voor “keuzevrijheid … die berust … op het feit dat ik tijdens het zien niet meteen door het geziene object in beslag genomen wordt …. [Het geziene object] laat mij zijn, zoals ik het object laat zijn”, terwijl de andere zintuigen mij onmiddellijk beroeren. 

 Wat inzicht betreft speelt Hannah Arendt ‘leentje buur’ bij Plato, meer bepaald uit diens zevende brief (2021, p. 142):

Klaarblijkelijke waarheid, geconstrueerd naar het voorbeeld van de lichamelijk-zintuiglijke waarneming van dingen, kan bereikt worden door zich te laten onderrichten (diagôgê) door woorden in het dialegesthai, de discursieve gedachtegang, die in stilte kan verlopen of luidop tussen leraar en leerling uitgesproken kan worden, die “op en neer beweegt” en onderzoekt “wat waar is en wat niet- waar is”. Maar het resultaat, dat geacht wordt een aanschouwing en geen conclusie te zijn, zal plotseling volgen, na een lange periode van vraag en antwoord: “wanneer als een bliksemschicht het inzicht (phronêsis) omtrent alle dingen inslaat, en de geest overstroomd wordt met licht”. Deze waarheid ligt voorbij de woorden; de namen van waaruit het denken vertrekt, zijn onbetrouwbaar – “wat zou erop tegen zijn zo men, wat nu ‘rond’ heet, ‘recht’ genoemd had, of ‘rond’ wat nu ‘recht’ heet?” – en de woorden, de beredeneerde betogen die trachten te verhelderen, zijn “zwak”; zij bieden slechts “een beetje hulp” om “in de ziel een vuur, als door een overspringende vonk, te doen ontbranden, dat, eenmaal aangestoken, zichzelf voedt.

Ik zie bovenstaande als de ‘staande acht’ binnen de linker lus van de liggende acht, de ‘op en neer beweging’ tussen het gekleurd en helder bewustzijn (zie figuur).

Denken en spreken

Het denken, dat onzichtbaar is, openbaart zich enkel in het spreken. De drang om te spreken, en zo manifest te maken wat anders geen onderdeel van de zichtbare wereld is, dient soms aangewakkerd te worden. Denk daarbij aan het Engels idioom ‘A penny for your thoughts’. Hannah Arendt stelt (Arendt, 2021, p. 123): “Niet onze ziel, maar onze geest vereist spreken.” In een adem vermeld ze daarbij een passage uit De Interpretatione van Aristoteles, waaruit blijkt dat het criterium van de logos, het coherente spreken, niet waarheid of onwaarheid, maar betekenis is. Het oordelen van het denken, kan gemakkelijk in de fout gaan indien de denker z’n gedachten niet formuleert. Het uitspreken van gedachten maakt het mogelijk om deze te toetsen aan de gedachten van anderen rond dezelfde werkelijkheid. Dit is nodig omdat we allen denken met ons gekleurd bewustzijn waardoor onze gedachten per definitie niet overeenkomen met de ‘naakte’ werkelijkheid, zoals gezien door het helder bewustzijn. We leggen door het spreken als het ware rekenschap af van ons denken en van de betekenis die we aan de werkelijkheid geven. Door het spreken eigenen wij ons de wereld toe en toetsen we onze visie aan dat van anderen. De mens bestaat niet in enkelvoud, maar in meervoud, stelt Hannah Arendt (2021, p. 124).

Omdat de taal lang niet zo goed berekend is voor het denken als het gezichtsvormogen berekend is voor het zien, heeft de taal metaforen en analogieënπ nodig. Hannah Arendt zegt daarover ondermeer (2021, p. 128):

En dit spreken in analogieën, in metaforische taal, is volgens Kant de enige manier waardoor de speculatieve rede, die wij hier het denken noemen, zichzelf kan manifesteren. De metafoor levert het “abstracte”, beeldloze denken een aanschouwing uit de wereld van de verschijnselen. De functie van deze aanschouwing bestaat erin “de werkelijkheid van onze begrippen aan te tonen” en op die manier de terugtrekking uit de wereld van de verschijnselen – de basisvoorwaarde van mentale activiteiten – als het ware ongedaan te maken. 

Het spreken blijft aan het zien gebonden, indien het spreken zich afscheidt van wat gezien kan worden, dan verschrompelt het tot leeg gepraat, zonder basis (Arendt, 2021, p. 143). En Arendt geeft aan dat de waarheid is wat wordt gezien en zowel het denken als het spreken is slechts authentiek wanneer het de zichtbare werkelijkheid volgt en die omgezet wordt in volzinnen. Van zodra die zichtbare werkelijkheid wordt verlaten, door bijvoorbeeld de mening van anderen te parafraseren, wordt spreken inauthentiek – precies zoals een afbeelding volgens Plato inauthentiek is in vergelijking met het originele voorwerp. Dit werd door Magritte meesterlijk geïllustreerd in z’n meesterwerk ‘La Trahison des images”:

H

Hannah Arendt zegt nog het volgende over de taal (2021, pp. 143-144):

Een van de opvallende eigenschappen van onze zintuigen is dat ze niet in elkaar kunnen worden vertaald – een geluid kan niet gezien worden, een beeld niet gehoord enzovoort – ook al zijn ze met elkaar verbonden dankzij het gezond verstand, dat alleen al hierom het belangrijkste van alle zintuigen is. …De taal, die aan het gezond verstand beantwoordt of het navolgt, geeft aan een object zijn gemeenschappelijke naam; deze gemeenschappelijkheid is niet alleen beslissend voor de intersubjectieve communicatie – hetzelfde voorwerp wordt door verschillende personen waargenomen en is voor hen gemeenschappelijk – maar stelt ons ook in staat een gegeven te identificeren dat voor elk van de vijf zintuigen op een totaal verschillende manier verschijnt: hard of zacht als ik het aanraak, zoet of bitter wanneer ik het proef, helder of donker als ik het zie, klinkend in verschillende tonen als ik het hoor. Geen van deze waarnemingen kan op een toereikende manier met woorden worden beschreven. 

Het denken wordt door Hannah Arendt ook de geluidloze dialoog tussen mij en mezelf genoemd (2021, p. 147) Die dialoog is een zuivere activiteit van de geest die gepaard gaat met een volstrekte onbeweeglijkheid van het lichaam. Arendt citeert in dit verband Cato: “Nooit ben ik actiever wanneer ik niets doe, nooit ben ik minder alleen dan wanneer ik in gezelschap van mezelf verkeer.” Ze grijpt daarbij terug naar een metafoor die Aristoteles aanwendt (Arendt, 2021, pp. 148-49):

De activiteit van het denken [energeia die haar doel in zichzelf heeft] is leven.” Haar inherente wet, die alleen een god voor altijd kan verdragen, maar de mens slechts nu en dan – en op die momenten is hij goddelijk – is een “onophoudelijke beweging, de cirkelbeweging”, dat wil zeggen, de enige beweging die nooit een einde kent of resulteert in een eindproduct. 

Ze vindt daarin een bevestiging van haar stelling dat het doel van denken betekenis vinden is en niet kennis (Arendt, 2021, p. 149):

Ware het denken een onderneming van kennis, dan zou het een rechtlijnige beweging moeten volgen, vertrekkend van de vraag naar zijn object en eindigend in de kennis ervan. Aristoteles’ circulaire beweging suggereert, samen met de metafoor van het leven, een zoektocht naar betekenis die het leven van de mens als denkend wezen vergezelt, en die slechts met de dood ten einde loopt. De circulaire beweging is een metafoor die aan het leven ontleend is: hoewel het leven van geboorte naar dood gaat, draait het, zolang de mens in leven is, ook in cirkels. 

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Kant, I (1781). Kritik der reinen Vernunft. Riga: J.F. Hartknoch 

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

BLIJF WAKKER ! – DEEL XXV

HOE ANALOGIËEN GEBRUIKEN?

Springsteen has been seeking to better understand his inner life. Here, too, he has used his own experience to inspire others. His use of psychotherapy demonstrates his belief disciplined self-discovery. Therapy helped Springsteen work through the scars of his childhood and learn how to appreciate life beyond work especially real intimacy and the family he’s created. 

Talking about this pursuit of self-knowledge turned him into a role model, helping to de-stigmatize therapy and open doors for people,  especially men, whomight not otherwise seek such help. It wasn’t easy to talk about these things publicly, but Sringsteen mustered the will to do so.

He crafted an analogy (going to your auto mechanic to check under the hood) to convey what he was doing. He showed others there are practical means available – tools they can use – to heal their own scars. Springsteen is a teacher.[i]

–  Lessons on Life and Harmony from Bruce Springsteen[ii]

Eloïse, Edward en Elvire, in dit deel is het de beurt om de tweede vaardigheid van de derde karakteristiek Creatief IntegrerenGebruiken van Analogieën. Dit is een vaardigheid om het vinden van ideeën, die het probleem kunnen oplossen, aan te wakkeren.

Het begrip Analogie

Het woord is afgeleid van het Griekse analôgia (evenredigheid). Het betekent een overeenkomst, een gelijk(aardig)heid, een parallellisme. Een Analogie wordt gebruikt als grondslag van een redenering, waarbij men de waarheid tracht te omlijnen aan de hand van analoge feiten. 


Het leuke aan de titel van dit onderdeel ‘Het begrip Analogie’ is dat het op zich ook een analogie is.  In deze column serie gaat het over denken en doen, dus – zoals ik het soms noem – over ‘doenken’ en daarin spelen analogieën en begrippen een hoofdrol. Zonder analogieën kunnen er geen begrippen zijn, zonder begrippen geen gedachten en zonder gedachten geen ideeën. Zonder ideeën kan er niet gekozen en beslist worden. Zonder beslissing kan er niet uitgevoerd worden en zonder de effectieve uitvoering van ideeën wordt het probleem niet opgelost. 

Elk idee in ons hoofd dankt zijn bestaan dus aan een lange serie analogieën die we in de loop der jaren hebben gemaakt en die op dat moment selectief geactiveerd worden door nieuwe analogieën. Analogieën worden onophoudelijk door ons brein gemaakt in een poging om het nieuwe en het onbekende te doorgronden in termen van het oude en bekende. Toegepast op probleemoplossing helpen analogieën dus om nieuwe oplossingen te genereren voor het probleem.

Een Griekse filosoof, volgens de meeste bronnen was dat Aristoteles, heeft ooit beweerd dat “wie de analogie beheerst, het leven beheerst’”. Daar zit zeker een kern van waarheid in. Wie analogieën herkent en weet toe te passen heeft een krachtig stuk gereedschap om de vraag te structuren en nieuwe ideeën te krijgen. En wie nieuwe ideeën heeft, heeft een voorsprong op gelijk wie die ze niet heeft en kan dus “het leven beheersen”.

De analogie heeft ook nauwe neven: de metafoor (waarop we uitgebreid terugkomen in volgend Deel XXVI) en de vergelijking. Een metafoor is een stijlfiguur dat gebruik maakt van een ding en eigenlijk een ander ding bedoelt. Een vergelijking vergelijkt dan weer twee verschillende zaken met als doel een ‘nieuwe’ of ‘diepgaander’ betekenis te creëren. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de tussenwoorden ‘zoals’ of ‘als’.  Voorbeeld daarvan is de uitdrukking “Slapen als een beer”; dat is niet ‘gewoon’ slapen, maar ‘heel diep’ slapen.  Een song met een schat aan vergelijkingen is ‘It’s A Big Old Goofy World’ van John Prine[iii]; een paar parels:

My head is just as empty
As the day is long
Why it’s clear as a bell
I should have gone to school
I’d be wise as an owl
Stead of stubborn as a mule.

Een analogie is vergelijkbaar met een metafoor en een vergelijking doordat de analogie laat zien hoe twee dingen vergelijkbaar zijn en toch is een analogie iets complexer. In plaats van een stijlfiguur is een analogie eerder een logisch argument waarvan de structuur leidt tot een nieuw begrip.

Het doel van dit deel XXV is dus analogie geven wat analogie toekomt, dit wil zeggen, hoe het menselijk vermogen tot het maken van analogieën aan de basis ligt van onze ideeën; anders gesteld, hoe ideeën worden opgeroepen door analogieën. Ik hoop, Eloïse, Edward en Elvire, dat ik jullie zal kunnen overtuigen dat analogie het voedsel en het vuur van ons denken is.

Twee misleidende karikaturen van het begrip analogie

Zoals met zoveel begrippen – zoals dialoog, het Zelf, … – heeft het begrip analogie last van simplistische en enigszins misleidende stereotypen.

Een eerste stereotype vorm van het gebruik van vat het begrip analogie op als het label voor een nogal beperkte klasse van volzinnen, behept met een schijnbaar wiskundige precisie, bijvoorbeeld:

West is voor oost wat links is voor rechts

Nogal wat mensen geloven dat dit alles is, wat analogie is; namelijk een woordbeeld met altijd exact vier woorden en met de strenge, sobere en ook wel precieze vorm van de logische syllogismen van Aristoteles. Jullie zullen mij zeker ooit het ‘klassieke’ “Alle mensen zijn sterfelijk; Opa is een mens, ergo Opa is sterfelijk” hebben horen parafraseren. Aristoteles had uiteraard niet over jullie Opa, maar over Socrates. Gezien een quote van Socrates m’n lijfspreuk is, dacht ik dat ik dit geintje wel met jullie mocht uithalen. Je hebt dit devies ook al meerdere keren gehoord: “Ik ben een wijs man, want ik weet dat ik het niet weet.”

Wat als een paal boven water staat is dat Aristoteles zowat de eerste was die de zogenaamde proportioneleanalogieën bestudeerde. Voor hem was deze strenge vorm van analogie een manier van redeneren zoals deductie, inductie en abductie. Dus is het feit dat heel wat mensen het begrip ‘analogie’ enkel maar in deze enge betekenis zien, in historisch opzicht heel goed te begrijpen. 

Het nadeel van deze enge visie is dat dit soort analogie de bedoeling heeft het juiste antwoord uit te lokken, daar waar wij met onze Creatieve wisselwerking aanpak juist streven naar meerdere ‘juiste’ antwoorden. Dus het begrip analogie beperken tot deze betekenis is misleidend, juist omdat de werkelijkheid heel wat complexer is dan het vinden van ‘het juiste’ antwoord? Een probleem heeft inderdaad steeds meerdere oplossingen.

Een tweede stereotype vorm van analogievorming is dat de analogie de vrucht dient te zijn van geniale ingevingen of in elk geval van diepzinnige en ongebruikelijke inzichten. Die opvatting komt voort uit het feit dat dit soort inzichten toegeschreven worden aan geleerden en kunstenaars als Henri Poincaré, Michelangelo, Galilei, Einstein en vele anderen van dat niveau. Dit stereotype van analogievorming gaat er van uit dat dergelijke inzichten onmogelijk zijn voor gewone stervelingen.

Niets is minder waar. Jullie zullen tijdens jullie schooltijd zeker meerdere analogieën te horen krijgen of reeds gekregen hebben, zoals die tussen het atoom en het zonnestelsel, een elektrisch circuit en een waterleidingstelsel, en die tussen de benzeenmolecule en een slang die in haar eigen staart bijt. Deze ringvormige voorstelling werd dr. August Kekulé (von Stradonitz) naar verluidt ingegeven tijdens een droom[iv]. Men kan dus moeilijk het stereotype blijven aanvaarden dat het vinden van een analogie enkel weggelegd zou zijn voor uitzonderlijke geesten en dan nog na diepzinnig nadenken. 

Bij analogie worden steeds verbindingen gelegd tussen terreinen die, oppervlakkig beschouwd, ver van elkaar lijken te liggen. We kunnen analogieën aantreffen in alledaagse discussies, bijvoorbeeld wanneer iemand ‘zijn’ idee verdedigt of het idee van ‘de ander’ tracht neer te halen. De analogie is een vergelijking tussen twee begrippen op basis van overeenkomst van een of meerdere eigenschappen van deze begrippen. De analogie tussen een appel en een ei, denk maar aan de uitspraak “voor een appel en een ei”, is dat ze beiden min of meer rond zijn en beiden niet veel geld kosten. Dit is nogal voor de hand liggend. Bij het gebruik van analogieën bij deze karakteristiek van Creatieve wisselwerking: Creatief Integreren, mag het ook minder voor de hand liggend zijn. De analogie tussen een monnik en een ei is daar een voorbeeld van. Niet makkelijk te vinden als je niet bij het begrip monnik aan een tripel trappist denkt. Als je dat wel doet, wordt het eigenlijk makkelijk. Beiden zijn namelijk geel vanbinnen. Het ei door de dooier, de monnik door het drinken van ettelijke tripels. 

Het ontstaan van analogieën

Analogieën komen heel vaak in ons brein op. Die analogieën bevinden zich op een continuüm van alledaagse trivialiteiten tot briljante inzichten. Uiteraard legt een groot deel van deze analogieën het loodje, met andere woorden er wordt niets mee gedaan. De vaardigheid die wij hier uit de doeken doen gebruiken wij als een manier om een idee op te roepen, te begrijpen, te kaderen aan de hand van analoge feiten. In onze aanpak is een analogie niets anders dan een vergelijking die wijst op relaties tussen zaken die anders zijn en toch gelijkaardige kenmerken hebben. 
Je zegt dat twee elementen analogie vertonen als ze – gezien vanuit onze hersenen – gelijkaardige kenmerken vertonen. Deze gemeenschappelijke eigenschappen noemt men de analogiebasis. 

En omdat we het hier over imaginatie hebben, een proces dat zich in de hersenen afspeelt, kunnen we als voorbeeld de analogie tussen een gezonde organisatie en een gezond stel hersenen nemen. Met andere woorden: “Welke kenmerken van de hersenen zijn nodig voor een gezonde organisatie?” 

Kijken we vooreerst naar een paar kenmerken van de hersenen: 

  • In elk hersendeel zitten alle erfelijke eigenschappen opgeslagen;
  • Indien een deel wegvalt, neemt een ander deel de taken over;
  • Ze kunnen het handelen van delen van het lichaam coördineren;
  • Ze vormen een dynamisch netwerk;
  • Ze zijn gevoelig voor de omgeving;
  • Er is interafhankelijkheid en continue interactie tussen alle delen.

Kortom, hersenen zijn intelligent, flexibel, veerkrachtig, inventief en ook kwetsbaar!

De uitdaging van bedrijfsleiders wordt dan een gezonde organisatiestructuur ontwikkelen, die even creatief en flexibel functioneert als de hersenen. En dit in een maatschappij die zich onder meer kenmerkt door globalisering, informatisering en het continu omzetten van informatie in hanteerbare kennis in een sterk veranderende context. De uitdaging van de huidige organisaties is het leiden van alle afdelingen en werknemers, gebaseerd op een correct begrip van de context, dus aangepast aan een voortdurend veranderende situatie én in onstabiele omstandigheden: dit is de werking van het menselijk brein. En vergeet niet dat de mens de spilfiguur is binnen een organisatie: de mens en zij of hij alleen, zet informatie om in kennis en wijsheid. En elk brein doet dat op zijn manier. 

 Creatieve wisselwerking is dan het proces dat ervoor zorgt dat er meer geleerd wordt uit die informatie en de taak van het management bestaat erin een kader te creëren waarin zoveel mogelijk kennis gecreëerd en gedeeld wordt. Vandaar mijn standpunt dat het management verantwoordelijk is voor het scheppen van de condities die Creatieve wisselwerking mogelijk maken.

Trust things that are alien, 

and alienate things that are trusted 

Bill Gordon

Het gebruik van analogieën

Bij de creatieve analogietechnieken maken we gebruik van deze basisvaardigheid, maar wel op andere manieren dan gewoonlijk. We proberen verrassende verbanden te leggen tussen een element binnen de probleemcontext (onderwerp) en een erbuiten (analogon). We keren vanuit de analogon terug naar het onderwerp, naar het probleem en vragen ons af wat voor nieuwe ideeën dan tevoorschijn komen. 

Een eenvoudige maar veelgebruikte toepassing van analogieën vind je in de ‘Change Analysis’-methode. De probleemsituatie wordt vergeleken met een gelijkaardige situatie in dezelfde context maar zonder probleem. De verschillen leiden je naar mogelijke oorzaken en die worden getoetst aan legitimiteit. Zijn de verschillen waarachtig dan kunnen zo soms leiden tot het oplossen van het probleem. 

Ik was in Zuid-Frankrijk aan de slag, in Lavéra om precies te zijn en zoals zo vaak in die tijd had ik ’s avonds telefonisch contact met ‘ons Rita’ (Bonnie voor jullie): “De wasmachine doet het niet meer” was haar boodschap. Gebruikmakend van Change Analysis vroeg ik: “Wanneer heeft deze voor het laatst normaal gewerkt?” “Gisteren”, was het antwoord. “En heb je iets gedaan op het einde van de laatste wasbeurt?” was mijn volgende vraag. “Ik heb de filter onder in de machine gereinigd”. En toen zei ik: “En op dat ogenblik heeft je moeder Madeleine gebeld”. “Hoe weet je dat?” vroeg ‘ons Rita’. “Wel … je hebt waarschijnlijk het waterkraantje dichtgedraaid voor de filterreiniging en, door de interventie van je ma, vergeten, na de reiniging van de filteer, dit kraantje open te draaien”. “Denk je?” “Zie maar…”. En ja, zo had Change Analysis alweer een probleempje opgelost. 

Categorisering en analogieën

Vragen waarom het ene idee tot een ander verwant idee leidt kan men vergelijken met het vragen waarom iets naar beneden valt wanneer je het loslaat. Het verschijnsel van de zwaartekracht is zo vertrouwd en vanzelfsprekend dat niemand nog de behoefte heeft om er vragen over te stellen. Behalve heel jonge kinderen en fysici, zoals jij, jaren geleden, Eloïse en ook wel Albert Einstein, nog langer geleden. Door zijn doorgronden van zwaartekracht werd hem, onverwacht, de relativiteitstheorie geopenbaard.

Volgens ons vindt cognitie plaats dankzij een constante stroom van categorisering, niet gebaseerd op classificatie (dat alles in vaste hokjes plaatst) maar op analogieën, waaraan het menselijke denken zijn specifieke flexibiliteit ontleend. Dankzij categorisering via analogieën kunnen we gelijkenissen op spoor komen, die we gebruiken om het nieuwe en het vreemde een plaats te geven. Door een in het heden aangetroffen probleemsituatie te verbinden met andere, lang geleden aangetroffen gelijkaardige situaties, die gecodeerd in ons geheugen zijn opgeslagen liggen, kunnen we ideeën krijgen om deze huidige situatie aan te pakken. Zonder verleden en zonder analogie zijn er geen gedachten, want juist dankzij analogie kunnen we heden en verleden met elkaar in verband brengen. Zo zou ik kunnen stellen dat hoe meer ervaring, hoe meer analogieën kunnen ‘opspringen’, dus hoe meer ideeën er kunnen worden aangewend. Een gouden tip om in een team ook oudere mensen op te nemen.

Het belang van interferentie 

Ook hier maak ik gebruik van de brede betekenis van het begrip interferentie. Ik bedoel met het maken van een interferentie eenvoudig weg het invoeren van een nieuw mentaal element in de situatie waarmee we worden geconfronteerd. Of dat nieuwe element dat werd geactiveerd nu echt nieuw is of bruikbaar doet er niet toe. ‘Interferentie’ betekent simpelweg dat er in onze geest een nieuw idee is geactiveerd. Wanneer we iemand rood aangelopen zien gesticuleren dan interfereren we dat die persoon danig van streek is. En zo interfereren wij er maar op los. Het zijn wel cruciale bijdragen aan ons denken, en ze komen uit categorieën via analogie, want we steunen ons voortdurend op punten van overeenkomst die worden waargenomen tussen de huidige situatie en eerder beleefde situaties, die worden opgeroepen uit het geheugen. 

Indien we niet voortdurend onze kennis zouden extrapoleren naar nieuwe situaties, indien we zouden afzien van het maken van inferenties, zouden we conceptueel blind zijn. We zouden niet kunnen denken, begrijpen, blijvend ronddwalen in onzekerheid (ambiguïteit) en dus niet kunnen komen tot een besluit, beslissing en handelen (actie).  

Kortom, bij het waarnemen van de wereld om ons heen zijn we evenzeer afhankelijk van categorisering via analogie als van onze zintuigen.

De paradoxale analogie 

The Unbearable Lightness of Being 

Milan Kundera, 

Ik wil nu even stilstaan bij de paradoxale analogie. Deze analogie wordt ook wel ‘boektitelanalogie’ genoemd, omdat boektitels vaak paradoxen bevatten. 

Uitgangspunt van de paradoxale analogie is dat in elk probleem een tegenstelling zit. Een probleem hebben betekent dat iets ‘haalbaar’ wordt geacht, terwijl het feitelijk hier en nu ‘onhaalbaar’ is. De uitspraak ‘haalbare onhaalbaarheid’ noemt men een paradox of schijnbare tegenstelling. Vele tot dan toe onopgeloste problemen hebben iets paradoxaals in zich. Het zijn net de paradoxen die je op het spoor kunnen brengen van een richting van de oplossing. 

Praktisch gaat men op de volgende manier tewerk: 

  • Vertaal de kern van het vraagstuk in enkele paradoxen;
  • Vervolgens ga je op zoek naar voorbeelden in de context van cultuur, natuur of techniek, waarin deze paradox grotendeels is opgelost;
  • Ten slotte probeer je zoveel mogelijk kenmerken van het gekozen voorbeeld op te sommen en terug te koppelen naar de oorspronkelijke probleemstelling of vraag.

In Japan zegt men dat als in de natuur de paradox aanwezig is, deze paradox de oplossing van het probleem in zich draagt. En dat is eigenlijk niet alleen zo in de natuur. Ga steeds op zoek naar de essentie van het conflict in je probleemstelling. De oplossing ligt in de vraag. De oplossing verschuilt zich in hetgeen al aanwezig is. De oplossing zit in het idee dat door de ander wordt aangereikt. Het is de kunst deze oplossing te herkennen. Generaliseren van je dilemma door paradoxale analogie is een goed hulpmiddel: de generieke oplossing terugleiden naar jouw oplossing … dat is wat het is!

Voorstanders en tegenstanders van analogie

Sommige oude filosofen, zoals Plato en Aristoteles, waren fervente voorstanders van analogie. Aristoteles bekritiseerde wel veel analogieën van z’n voorgangers. De modernere filosofen Immanuel Kant en Friedrich Nietzsche – die dag en nacht verschilden qua persoonlijkheid, filosofie en opvattingen over religie – hadden een onwrikbaar geloof in analogie met elkaar gemeen. Voor Kant was analogie de bron van alle creativiteit en Nietzsche heeft een unieke definitie van de waarheid gegeven als ‘een beweeglijk metaforenleger’. De metaforen zijn eigenlijk neefjes van analogieën, maar daarover later meer (Deel XXVI).

Andere filosofen hadden het dan niet op analogieën begrepen en hebben zich naar hartenlust gewijd aan het hekelen van de analogie en de metafoor, die ze beschreven als oppervlakkige, misleidende, nutteloze vormen van denken. Voornamelijk Engelse filosofen, zoals Thomas Hobbes en John Locke, vonden analogieën en metaforen dubbelzinnig en daardoor nutteloos. Hobbes opvattingen komen neer op: waarheid is licht, woorden dienen gezuiverd en gereinigd te worden van dubbelzinnigheid en ironisch genoeg hanteert hij in z’n fulmineren tegen metaforen, nogal wat analogieën. Lees z’n betoog[v] uit Leviathan, Hobbes bekendste werk, maar na:

Het licht van ’s mensen geest is te vinden in duidelijke woorden, die door exacte definities van tevoren zijn gezuiverd en gereinigd van dubbelzinnigheid; […] metaforen zijn net als nutteloze, dubbelzinnige woorden een soort ignes fatui[vi]; wie ze gebruikt zwerft tussen een massa ongerijmdheden. 

Praktisch gebruik van analogieën bij Creatieve Integratie

Eloïse, Edward en Elvire, jullie hebben het reeds begrepen. Hier kunnen analogieën fungeren als hulpmiddelen om ideeën te genereren.

Concreet helpen ze om ons te verwijderen van het probleem door gebruik te maken van onderwerpen die op het eerste zicht niets met het probleem te maken hebben. Door het zoeken naar overeenkomsten tussen deze twee verschillende onderwerpen – het probleem en het ‘probleem-vreemde’ – komt men tot nieuwe inzichten en ideeën voor het oplossen van de probleemstelling. De techniek wordt ook ‘random stimulus’ genoemd. Er zijn verschillende manieren om te werken met analogieën en te komen tot een oplossingen voor de vraagstelling. Men kan vertrekken vanuit willekeurig gekozen begrippen uit woordenboeken, de natuur, trefwoorden, boektitels, personages, voorwerpen etc.

Spelregels bij het in groep gebruiken van Analogieën

Deze zijn uiteraard de spelregels van het Creatief wisselwerkingsproces:

1. Geen hiërarchie in de groep, wel diversiteit! Tijdens het genereren van ideeën bestaat er (uiteraard tijdelijk) geen hiërarchie. Eenieder bevindt zich op hetzelfde niveau. Verschillen in afkomst, geslacht, ouderdom, ervaring, status, enz. spelen geen enkele rol. Wel dient ervoor gezorgd te worden dat binnen de groep de diversiteit maximaal is, omdat die juist garant staat voor het hebben van veel mindsets, dus van een grote diversiteit aan ideeën. In dit stadium is kwantiteit het belangrijkste.

2. Wees open binnen de groep en respecteer de privacy naar buiten. Geen enkel idee dat tijdens de divergerende fase wordt geuit is voor de buitenwereld bestemd. Uit de context van de creatieve sessie gerukt, is het idee van geen positief nut voor een andere gemeenschap. Die openheid creëert zoals we gezien hebben psychologische veiligheid.

3. Stel je oordeel uit. Alle ideeën zijn welkom. Elke vorm van oordeel, en nog niet in het minst de zelfkritiek, werkt verlammend voor deze vaardigheid.  Dus alle ideeën zijn welkom in deze fase van het genereren ervan.

 4. Geef extra aandacht aan waanzinnige en naïeve ideeën. Elk echt nieuw idee past per definitie niet in de huidige denkpatronen. Ze zijn geboren door het denken ‘out-of-the-box’. Daarom juist is het verstandig om bijzondere aandacht te geven aan verassende, niet direct passende ideeën. Jullie herinneren zich zeker Einstein’s beroemde uitspraak: “If at first the idea is not absurd, then there is no hope for it.” Wanneer je weigert absurditeit toe te laten, zal je verstoken blijven van heel wat goede ideeën. Overweeg alles wat op het eerste gezicht heel raar overkomt. Mogelijk is net hier de doorbraak te vinden waar je op zoek naar bent.

5. Surf mee op de golf van de ideeën van anderen. Elk idee fungeert als opstapje voor andere ideeën. Begrijp de ideeën van anderen waarderend en hou je vooral niet in om er op in te haken. Dit is de spirit, die diametraal staat op het inhakken op andermans ideeën. Zo lokt een ‘gek’ idee nieuwe, haalbare ideeën uit en die helpen een nieuwe invalshoek bloot te leggen. Wanneer dit effectief gebeurt en een idee bij jou een nieuw idee doet ontvlammen, breng het dan zeker naar voren. En accepteer terzelfdertijd dat anderen voortbouwen op jouw lievelings idee. Daarover gaat bovendien een volgend deel (Deel XXVII).

Zoals we hierboven zagen, vertonen twee elementen analogie als ze, gezien vanuit ons brein, gelijkaardige kenmerken vertonen. De gemeenschappelijke kenmerken noemt men de analogiebasis. Een stel hersenen en een scalpel of chirurgenmes noemen we analoog omdat ze een zekere analogiebasis hebben. Er zijn natuurlijk ook verschillen. Het schema hieronder maakt een en ander duidelijk.

Hersenen

Opgebouwd uit neuronen

Zachte massa

Kneedbaar

Chirurgenmes

Opgebouwd uit atomen

Harde massa

Niet echt kneedbaar

Beide

Scherp

Kunnen zowel goed als minder goed gebruikt worden

Hebben meerdere ‘kanten’

Bij nefast gebruik, catastrofale gevolgen

Dienen héél regelmatig ‘aangescherpt’ worden

Worden ingezet om problemen op te lossen

Vereisen een gezond lichaam

Het herkennen van analogie is een basiskwaliteit van het menselijk denken. Telkens we iets nieuws observeren, maken we verbindingen met onze bestaande kennis, we kleuren die nieuwe werkelijkheid in, en dan herkennen we het nieuwe. Bij deze vaardigheid maken we dus eigenlijk gebruik van een basisvaardigheid van ons denken. Wel op een andere manier dan gewoonlijk.  We proberen namelijk verrassende verbanden te leggen tussen een element binnen de probleemcontext (de cruciale vraag, het onderwerp) en een element buiten de probleemcontext (wat de analogon wordt genoemd). Van daaruit ontspringen nieuwe ideeën.

Hoe werkt die vaardigheid?

Eloïse, Edward en Elvire, door de directe analogie wordt men geïnspireerd door een thema (analogon) dat ver van het probleem af staat. Dit analogon wordt gebruikt als startpunt om terug te redeneren naar de startformulering van het probleem toe. Dit gaat concreet als volgt:

Je kiest een concrete en cruciale term uit de startformulering van het probleem als ‘onderwerp’. Het is belangrijk dat dit onderwerp een concrete term is. Is er geen concrete term als cruciaal aan te wijzen, wordt er een cruciale abstracte term genomen en wordt die concreet gemaakt. Financieel wordt daarbij concreet gemaakt door de term ‘geld’ of zelfs ‘muntstuk’; klantgericht wordt concreter geformuleerd met de term ‘klant’.

Daarna kiest men een analogon dat als inspiratiebron zal dienen.

Dit analogon dient aan een paar voorwaarden te voldoen: a) een concrete term, b) ver weg van het onderwerp en c) inspirerend. Het kan wel elk onderwerp zijn die aan bovenstaande drie voorwaarden voldoen. Dan worden eigenschappen van de analogon opgezocht en opgelijst.

Praktisch voorbeeld: 

Nemen we een probleem van een Colruyt winkel en de startformulering van een van hun problemen: “Hoe kunnen we het wachten aan onze kassa’s voor onze klanten aangenamer maken?” 

De concrete term uit de probleemdefinitie: klant.

De analogon: Italië – voldoet aan de drie voorwaarden: is concreet, ver weg van het onderwerp (klantenrij bij Colruyt) en inspirerend (een bruisend land op zich).

Nu zoeken we vijf eigenschappen die specifiek zijn voor dit analogon: Italië. Dit mogen clichés of stereotypen zijn, dat maakt het makkelijker om die eigenschappen te vinden. Hier zijn deze die ik vond:

  • Auto’s claxonneren veel;
  • Er rijden daar veel scooters rond;
  • Lekker eten;
  • Corruptie (maffia);
  • Familiecultuur.

Associëren met het onderwerp: de klantenwachtrij:

  • Claxonneren: Je laten horen in de rij wachtenden of rustige muziek in die ruimte.  
  • Scooters: die wringen zich door het verkeer, dus Colruyt kan voorzien voor een kassa voor diegenen met weinig boodschappen.
  • Lekker eten: de wachtenden kan een versnapering aangeboden worden die dan in de rij kan verorberd worden.
  • Corruptie, Maffiapraktijken: Je kan altijd trachten mensen voor u in de rij ‘om te kopen’ om in de rij wachtenden te kunnen ‘opschuiven’;
  • Familiecultuur: Men kan een praatje maken met de wachtenden voor en na u en zo, dat is gezellig en zo gaat de tijd ‘vlugger’ voorbij.

Een tweede mogelijkheid is te vertrekken van uit een analogon geïnspireerd door het onderwerp: de wachtrij. We kiezen bijvoorbeeld als analogon een mierenkolonie. Wat hebben deze gemeenschappelijk?

  • Het is een groepsgebeuren;
  • Er is een ingang en uitgang,
  • Mieren en mensen lijken op elkaar;
  • Er is transport mee gemoeid;
  • Er zijn ongeschreven regels. 

Dit zou kunnen aanleiding geven tot de volgende associaties:

  • De mensen in de wachtrij als groep gezamenlijk een activiteit laten doen: zingen, quiz, popsongs herkennen vanaf de intro van 10 seconden, …
  • Er is een ingang en een uitgang; het groepsgebeuren kan verdergezet worden aan de uitgang: een gezellige koffiebar bijvoorbeeld.;
  • Mensen lijken op elkaar, dus hebben gelijklopende interesses. Daarop inspelen kan door met klantenkaarten te werken waarop die interesses vrijblijvend zijn aangeduid. Op die interesses inspelen om het wachten aangenamer te maken.
  • Er is transport: dit transport individualiseren door individuele ‘out check’ punten te creëren.
  • De ongeschreven regels in vraag laten stellen door een bevraging van het cliënteel.

Eloïse, Edward en Elvire, jullie zien dat deze vaardigheid heel wat ideeën creëert. Hoe die verder kunnen uitgediept worden bespreek in bij de behandeling van de vierde vaardigheid van de derde karakteristiek Creatief IntegrerenVier plussen en een wens (Deel XXVII).


[i] Stewart D. Friedman. Lessons on Life and Harmony from Bruce Springsteen. https://www.fastcompany.com/3037099/lessons-on-life-and-harmony-from-bruce-springsteen

[ii] Stewart D. Friedman. Leading the life you want: skills for integrating work and life. Boston MA: Harvard Business Review Press. 2014. Bladzijden 129-151

[iii] https://www.youtube.com/watch?v=ZACwVOJXpn0

[iv] https://ojs.ugent.be/index/article/view/8029  

[v] Douglas Hofstadter en Emmanuel Sander. Analogie: de kern van ons denken. Amsterdam: Atlas Contact, 2014

[vi] Ignes Fatui is hier onvertaald gelaten. Het begrip komt van het Middeleeuws Latijn: ignis (vuur) en fatui (dwaas). Het heeft twee betekenissen a) dwaallicht en, zoals het hier is bedoeld, b) iets dat misleidt en bedriegt, een illusie.

BLIJF WAKKER ! – DEEL VIII

HOE GEWOONTEN AAN- EN AFLEREN?

Imagine you are in a car,

And your new selves can’t get in,

But your old selves can’t get out.

You can bring new vision and guidance in your life,

But you can’t forget who you’ve been 

And what you’ve seen

– Bruce Springsteen

Quote uit een ‘Rolling Stone’ interview[i]

(Habit, once formed, is one of the selves in the car)

Eloïse, Edward en Elvire, mensen zijn gewoontedieren[ii]. Ook in deze context, dus met betrekking tot gewoonten, is het enig correcte antwoord op de vraag uit het verhaal van ‘De boer en z’n Zen Meester’: “Is dat goed of is dat slecht?” (zie onder meer ook deel II) een volmondig JA! Sommige gewoonten zijn nu eenmaal goed (bv. het dagelijks correct tandenpoetsen is een gezonde gewoonte) en andere dan weer slecht (bv. dagelijks een tiental sigaretten roken is een ongezonde gewoonte). Goede gewoonten zou ik dienen te behouden (bv. dagelijks een half uur gaan doorstappen in de Lembeekse bossen) of aante leren (bv. beter begrijpend én waarderend luisteren naar m’n kleinkinderen). Minder goede gewoonten (voorbeeld: niet altijd luisteren, laat staan waarderend begrijpen van Bonnie) zou ik dienen af te leren. 

Sommigen beweren dat er noch goede, noch slechte gewoonten zijn. Er zouden enkel effectieve gewoonten zijn. Dit zijn gewoonten die effectief zijn in het oplossen van terugkerende problemen. Die hebben wel een punt. Alle gewoonten brengen iets op – ook de slechte. Het is zelfs omdat het iets opbrengt dat gewenst is dat wij een bepaald gedrag zolang herhalen tot het een gewoonte geworden is. Het klassieke voorbeeld is het roken van sigaretten (of tegenwoordig ‘vapen’, is het niet Edward?), dat geeft een zekere rust en een bepaald genot.

Het probleem is dat mensen, dus ook wij, onze dagelijkse routines niet zo makkelijk bijstellen en ze al helemaal niet door anderen laten opleggen.  Wanneer we ons eenmaal goede of slechte gewoonten hebben eigen gemaakt, komen we daar niet snel van af, want éthos (gewoonte) wordt èthos (karakter). Veranderen van gewoonten dient bovendien van binnen uit te gebeuren (in het geval van bovenstaande quote van Bruce Springsteen door de eigenaar van de wagen)!

Belang van gewoonten

Zonder gewoonten kunnen we niet goed functioneren in het dagelijkse leven.

Gewoonten zorgen ervoor dat we dingen doen zonder dat we er hoeven bij na te denken. De al bij al beperkte hersencapaciteit waarover we beschikken, kunnen we dan inzetten voor wat er echt toe doet. Inderdaad, de mentale energie die we niet hoeven te steken in onze gewoonten, kunnen we spenderen aan belangrijker zaken.

Heel wat resultaten zijn de gevolgen van gewoonten. Aan de hand van die resultaten kan men gewoonten catalogeren. Meestal spreken we daarbij, zoals hierboven, van goede gewoonten en slechte gewoonten. Het spreekt vanzelf dat goede gewoonten naar goede resultaten leiden. Zo leidt het dagelijks goed poetsen van de tanden tot het behouden van een gezond gebit. Slechte gewoonten leiden daarentegen naar minder goede resultaten. Zo leidt de gewoonte van het vaak eten van overvloedig ‘junk food’ tot obesitas (zwaarlijvigheid) en diabetes (suikerziekte).

Maar, Eloïse, Edward en Elvire, een gewoonte heeft meestal goede enslechte gevolgen. Zo leidt het reeds vermelde roken van sigaretten tijdelijk tot minder stress en wat genot enook, uiteindelijk, tot een longziekte. Daarenboven zijn de labels, die men aan gewoonten hecht, ‘goed’ en ‘slecht’ persoonsgebonden. Zij komen voort uit de persoonlijke interpretatie en appreciatie van de gevolgen. En wat we soms als ‘goed’ catalogeren, is dit, op de keper beschouwd, niet steeds. Dit komt onder meer omdat we de – voor ons – goede gevolgen hoger waarderen dan de minder goede. Kortom, die labels komen uit de mindset van de specifieke gecreëerde zelf.

Hoe ontstaan gewoonten?

We worden niet geboren met gewoonten. Gewoonten worden aangeleerd. Hierbij speelt het zogenaamde conditioneringsproces een cruciale rol. Dit proces wordt sterk beïnvloed door de cultuur waarbinnen het opereert. Het wordt mede daardoor ook socialisatie genoemd. Het is het proces waarbij een cultuur haar leden bepaalde overtuigingen, voorkeuren, gewoonten en de taal aanleert. Zo spreken wij, Eloïse, Edward en Elvire, Nederlands. Dit is een door onze cultuur aangeleerde gewoonte. Indien jullie in een andere cultuur waren grootgebracht, spraken jullie de taal ervan. Naast de cultuur ontwikkelen zich op persoonlijk vlak gewoonten door individuele voorkeuren en vooral ook door de werking van onze persoonlijkeVicieuze Cirkel.

Over het ontstaan van gewoonten zijn er heel wat boeken geschreven. Ik heb er nogal wat van gelezen. Dit omdat het menselijke gedrag mij ook professioneel boeide. Arbeidsongevallen hebben bijvoorbeeld veel te maken met gedrag, en dan nog voornamelijk met gewoontegedrag. Daardoor boeiden mij gewoonten, en hoe die ontstaan en veranderen, mij enorm. Wat mij daarbij opviel is dat alle auteurs van die boeken een eigen invulling geven aan het ontstaansproces van gewoonten. Gewoonten blijken namelijk te ontstaan volgens een drie stappen ontwikkelingsproces. Zo beschrijft onder meer Aubrey C. Daniels het klassiek geworden ABC plan[iii]. Het is een mnemotechnisch geintje dat steunt op de beginletters van het alfabet. In de Angelsaksische landen komt men zo tot volgende drie stappen: Antecedents – Behavior – Consequences. Mijn vertaling is wat krakkemikkig omdat ik persé de B wou behouden (anders speelde ik het ‘alfabet’ kwijt). Daarbij staat A voor Aansporing, dit is de prikkel om een bepaald gedrag te vertonen. B staat voor Behavior, dit is dan het getoonde gedrag. C tenslotte staat voor de Consequenties, dit zijn de gevolgen van het gedrag.

Nu ontstaan gewoonten door een bepaald gedrag zolang te herhalen dat het ingesleten geraakt. Aristoteles wist dit al, want hij stelde: “Wij zijn wat wij bij herhaling doen.” Dit wil zeggen het gedrag wordt vertoont zonder dat er nog bij wordt nagedacht. Als men niet meer nadenkt bij het uitvoeren van een bepaalde handeling, is die handeling inderdaad een gewoonte geworden. Het klassieke voorbeeld, dat door zowat alle auteurs van boeken rond gewoontevorming wordt meegegeven, is het volgende. Wanneer we een kamer binnen komen die donker is, gaat ons hand automatisch op zoek naar de lichtschakelaar om die in duwen. De donkere kamer is de Aansporing, de lichtschakelaar induwen is het Behavior (gedrag) en de verlichte kamer is de Consequentie van die handeling. De gewoonte is het middenstuk van de ABC keten. Dit voorbeeld maakt ook duidelijk waarom gewoonten simpelweg betrouwbare oplossingen voor terugkerende problemen kunnen genoemd worden[iv]. Gewoonten zijn ingesleten reflexen of rituelen. Het zijn met andere woorden mentale overbruggingen die we door ervaring leerden. Nog anders gesteld, Eloïse, Edward en Elvire, gewoonten zijn terugkerende handelingen waar we niet meer bij nadenken.

We hebben twee invalshoeken, twee bepaalde manieren om naar gewoonten te kijken. Meestal kijken we naar watwe met een bepaalde gewoonte wensen te bekomen. De output of consequentie is bij die manier van kijken belangrijk. Er is ook een tweede manier, Eloïse, Edward en Elvire en daar wil ik het in dit deel voornamelijk over hebben. Bij een gewoonte en dus ook bij gewoonte vorming is de input of aanleiding belangrijk. Die gewoonten, waarbij de input belangrijk is, zijn gekoppeld aan jullie identiteit. Deze tweede invalshoek start met de focus te richten op wiewe willen worden. Jullie hebben onderhand al begrepen dat dit voor mij onze Originele Zelfis. Onze actuele identiteit is wie we actueel zijn. Ik heb dit in vorige delen onze gecreëerde zelf genoemd. Onze Creatieve Zelf kan de gecreëerde zelf transformeren in de richting van onze Originele Zelf. Daarbij beleven we van binnenuit het proces waarmee wij geboren zijn, Creatieve wisselwerking.

Kortom, gewoonten worden gevormd door het inslijten van de identiteit die bestaat uit het geheel van aannames, vooronderstellingen en onderliggende meningen. Dit geheel noem ik nogal vaak onze mindset, wat kan vertaald worden als referentiekader, denkkader en mentaal model. Hierdoor wordt duidelijk dat we moeilijk gewoonten kunnen veranderen indien we niet onze mindset, die geleid heeft tot deze gewoonten, veranderen. Bij het veranderen van gewoonten gaat het voor mij, Eloïse, Edward en Elvire, niet zo zeer om het doel of om wat het opbrengt, maar om te veranderen wie ik ben; mijn gecreëerde zelf met diens unieke mindset. Daardoor blijven verbeteringen in gewoonten meestal slechts tijdelijk … totdat ze een deel worden van wie men is. Gewoonten zijn dus een inherent deel van onze gecreëerde zelf, onze mindset, ons individueel paradigma en onze individuele cultuur. Willen wij gewoonten af en aanleren dienen we dus onze gecreëerde zelf, onze mindset te veranderen.

En dat brengt ons naadloos terug naar het antwoord op de reeds in deze serie columns gestelde cruciale vraag: “Hoe kunnen we onze mindset veranderen gezien onze ‘mind’ dat zelf niet kan?”. Het antwoord op die vraag kennen jullie, Eloïse, Edward en Elvire onderhand wel: “Door het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking.’ 

Hoe meer we een bepaald gedrag vertonen, hoe meer we onze identiteit, verbonden met dat gedrag, versterken. Het begrip ‘identiteit’ werd origineel afgeleid uit de Latijnse woorden ‘essensitas’, wat ‘zijn’ betekend en ‘identidem’, wat ‘herhaald’ betekent. Identiteit betekent dus letterlijk: ‘herhaald zijn’. Het proces dat gewoonten bouwt is in wezen het proces waardoor men zichzelf, en dus (hopelijk) z’n Originele Zelf, wordt. De werkelijkheid  gebied mij om te stellen dat we slechts een verbeterde gecreëerde zelf bereiken, de Originele Zelf blijft het doel; doel dat we m.i. nooit bereiken (maar jullie, Eloïse, Edward en Elvire, mogen mij het tegendeel bewijzen).

In Systeemdenken taal zou men het zo kunnen zeggen: “Gewoonten vormen uw identiteit en uw identiteit geeft vorm aan uw gewoonten.” Het is dus een versterkende feedback lus totdat het gedrag gebeiteld is en dus een gewoonte geworden is. Zowel het aanleren, vormen van een gewoonte, als het afleren van een gewoonte, vergt herhaling en dus tijd. 

Nogmaals, Eloïse, Edward en Elvire, gewoonten hebben te maken met zichzelf worden. De echte vraag daarbij is: “Worden jullie wel de personen die jullie echt willen worden?” Onze parafrasering van deze vraag kennen jullie al: “Worden jullie wel jullie Originele Zelf?”. En de opdracht zit al besloten in de vraag. De praktische moeilijkheid van het verwezenlijken van die opdracht – met name de transformatie van de gecreëerde zelf – hangt af van het huidig verschil tussen de actuele gecreëerde zelf en de Originele Zelf. Gezien jullie nog meer jullie Originele Zelf zijn dan ik, is de moeilijkheidsgraad van jullie transformatie eigenlijk kleiner dan die van jullie grootvader Johan. Dat is alvast het goede nieuws! Voor jullie althans… En zoals zo vaak is de weg naar het doel uiterst interessant. Gelukkig maar, want het doel bereiken we volgens mijn persoonlijk inzicht nooit!

Zoals reeds gesteld is het transformatieproces het creatief wisselwerkingsproces. Ik heb dus gezocht naar die gewoonten die het creatief wisselwerkingsproces bevorderen. Ik heb ze ten slotte in m’n boek ‘Cruciale dialogen’ beschreven als zestien vaardigheden. Ik zal die vaardigheden in deze serie columns één voor één uitgebreid beschrijven.

Het creatief wisselwerkingsproces toegepast op gewoontevorming

Hierbij gebruik ik het Cruciale Dialoogmodel. Nogmaals, de linkerkant ervan is de zone van het denken, het midden de zone van de gevoelens en emoties, en de rechterkant de zone van het doen en dus van de transformatie.

In de denkfase horen uiteraard de aansporingen. Dit zijn informatie en data (‘triggers’) die het denken in gang zetten. Daartoe dient het helder bewustzijn ingezet te worden. Men dient dus ‘wakker’ te zijn. Carl Jung zei ooit: “Until you make the unconscious conscious, it will direct your life and you will call it fate.” Jung was ervan overtuigd dat het leven een doel heeft dat voorbij gaat aan het zuiver materiële. De primaire taak van iedere mens is het ontdekken en vervullen van haar of zijn diepgelegen innerlijk potentieel. Dit proces van transformatie, dat Jung ‘individuatie’ noemde, is een proces waarin we, stelde hij, trachten het Zelf tegen te komen, alsook het Goddelijke. Het proces van individuatie, of het differentiëren van het Zelf uit bewuste en onbewuste elementen, staat centraal in het werk van Jung[v]. Eloïse, Edward en Elvire, mijn denkkader is dus Jungiaans, met dien verstande dat ik het heb over de Originele Zelf, dat het Goddelijke voor mij Creatieve wisselwerkingis, en het transformatieproces het creatief wisselwerkingsproces is. Door blijvend Creatieve wisselwerkingvan binnenuit te beleven, wordt onze gecreëerde zelf continu verbeterd in de richting van de Originele Zelf. De gecreëerde zelf is dus idealiter niet statisch maar continu evoluerend. Dus kunnen we eigenlijk spreken van de continu evoluerende gecreëerde zelf.

Informatie heeft geen mening tenzij ze geïnterpreteerd wordt. Daarbij is het gekleurd bewustzijn aan zet. De interpretatie van de data leidt naar gevoelens en emoties.  Die vertalen zich in een verlangen naar verandering. Men is niet gelukkig met de actuele situatie, zoals gepercipieerd met behulp van de info en data. Daardoor verlangt men naar een gewenste situatie. Volgens onze visie is elk verlangen gekoppeld aan de wens om de gecreëerde zelf te veranderen. Dit leidt tot de creatiespanning. Dit is de spanning die men voelt wanneer men beslist de actuele gecreëerde zelf te gaan veranderen. Die spanning is een natuurlijke spanning die ontspringt uit het verschil tussen wat ik nu heb (de gepercipieerde realiteit met betrekking tot de gecreëerde zelf) en de toekomst die ik mezelf toewens (de gewenste gecreëerde zelf, dichter bij de Originele Zelf). Ze komt voort uit zowel de herkenning van het verschil als de erkenning van de eigen verantwoordelijkheid om die afstand te overbruggen. 

De respons is uiteindelijk de keuze van de gewoonte die men wil afleren of aanleren. Eerst dient men zich de nieuwe gewoonte voor te stellen (imaginatie) en nadien aan te leren (transformatie). Of men tot de effectieve realisatie van de respons komt, hangt af van de intrinsieke motivatie en van de frictie die de gedragstransformatie vergezelt.

De nieuwe gewoonte leidt naar een consequentie, met name de geëvolueerde gecreëerde zelf. De consequentie realiseert twee doelen: het stilt het verlangen en men heeft iets geleerd dat waard is om meegenomen te worden in de toekomst. Wat men geleerd heeft, komt neer op de het ervaren van de kracht van Creatieve wisselwerking. Edward, daarbij denk ik steevast aan Yoda’s kracht (“May the Force be with you!”).

Het creatief wisselwerkingsproces is idealiter niet iets dat sporadisch in werking is. Ideaal is het eerder een eindeloze feedback lus die elk moment actief kan zijn. En dat in elke fase van jullie leven, Eloïse, Edward en Elvire!

Men kan het proces ook zien als twee fasen: de probleem fase en de oplossingsfase. Zoals we al zagen heeft elke gewoonte tot doel een terugkerend probleem op te lossen.

De vaardigheden van het Cruciale Dialoogmodel zijn gewoonten die er voor zorgen dat we – theoretisch althans – uiteindelijk terug onze Originele Zelfworden.

De eerste stap is wakker worden en onze acties en gedachten observeren. Observeren zonder oordeel of interne kritiek (van de ‘Monkey-mind’). Dit is je zelf observeren zoals iemand anders dat zou doen, hoewel het zelf-observatie is. Gedurende de observatie fase bemerk je heel waarschijnlijk dat het verkieselijk is je een paar van de Creatieve wisselwerking vaardigheden eigen te maken. Je kiest één van die vaardigheden.

Dan doorloop je het proces dat in bovenstaande tekening is weergegeven (eerst de probleemfase en nadien de oplossingsfase) en beslist in het midden of je genoeg motivatie hebt om iets aan die vaardigheid te doen. Hier gebeurt overigens de omslag van het ‘wensen’ naar het ‘willen’. Dan zoek je manieren om je die vaardigheid eigen te maken. Daarna neem je de beslissing (rechts op de tekening) om je effectief die vaardigheid eigen te maken. Je mag tijdens die transformatie heel wat wrijving (frictie) verwachten. Die transformatie lukt indien de motivatiekracht grotere is dan de wrijvingskracht.

Een uitdrukking, die ik van Charlie Palmgren leerde, hou ik daarbij altijd voor ogen : “When the rubber meets the road.” Dit wil zeggen dat zolang men aan het nadenken is en zelfs wanneer met een besluit genomen heeft om iets in gang te zetten er van frictie geen sprake is. Het is enkel wanneer men beslist heeft ‘de hand aan de ploeg’ te slaan dat er wrijving onstaat. Daarin ligt het grote verschil tussen besluiten en beslissen. Bij een besluit is er zelden frictie, bij een beslissing bijna steeds. Deze laatste wordt bij sommige transformatie processen zodanig groot dat het proces tot stilstand komt en soms zelfs wordt afgeblazen. In het geval van gewoontenvorming komt dat er op neer dat de gewoonte nooit wordt gevormd. Anders gesteld, men blijft steken bij de intentie. Om toch succes te hebben bij het aanleren van een een nieuwe of het afleren van een oude gewoonte kan een implementatie intentie met bijhorend plan helpen.

Een goede manier om een gewoonte aan te leren[vi]

Een implementatie intentie is een op voorhand gemaakte verklaring met betrekking waar en wanneer men in actie zal schieten. Men maakt een planning betreffende de gedragsacties die nodig zijn om een bepaalde gewoonte in te slijpen.

Een implementatie intentie heeft volgende vorm:

“Wanneer situatie X zich voordoet, zal ik gedrag Y vertonen.”

Het doel van een implementatie intentie is om de situatie (plaats en tijdstip) zo duidelijk te maken zodat men het juiste gedrag vertoont totdat dit gedrag, mits genoeg herhaling, ingesleten is. Wanneer een gedrag een gewoonte geworden is, kan men meestal zelfs niet meer zeggen waarom men dit gedrag automatisch vertoont.

Hoe strakker je een aan te leren gewoonte verbindt met een specifieke situatie (die dan optreedt als aanleiding – zie het ABC van gewoontenvorming), hoe groter de kans dat men effectief aangezet wordt tot het vertonen van dat gewoontegedrag.

Heel belangrijk daarbij is dat we de werkelijkheid correct “zien”.  In feite gebruiken wij alle zintuigen om te observeren – de vijf klassieke en het zesde zintuig, de intuïtie – en wat wij observeren wordt geïnterpreteerd door ons brein en onze ‘mindset’. 

Het idee dat een beetje discipline voldoende is om al onze problemen op te lossen is een in onze cultuur ingebakken illusie.  Belangrijker dan discipline is het coderen van een gewoonte. Eens dat is gebeurt volgt de gewoonte automatisch wanneer de aanleiding zich voordoet.  Dit is echter ook het geval met zogenaamde ‘slechte’ gewoonten. Die zijn meestal autokatalytisch: het proces voedt zichzelf. Het gedrag is daarbij de katalysator van z’n eigen vorming. Omdat er aan het begin van deze autokatalistische reactie weinig ‘product’ (i.e. gedrag) aanwezig is, komt de transformatie traag op gang. Ze gaat bij een slechte gewoonte wel veelal tot de finish!

Het afleren van gewoonten[vii]

Je kan een gewoonte afleren door ze te vervangen door een andere gewoonte. Maar een oude gewoonte ‘vergeet’ je nooit (cf. ‘de macht der gewoonte’). Die is ingesleten in jouw brein. De reden daarvan is dat een gewoonte in de hersenen kan gezien worden als een koppeling tussen twee synapsen. Bij onderzoek van het geheugen is men tot de bevinding gekomen dat elke gewoonte te maken heeft met neuronale circuits in de hersenen. De neuronale circuits, die aan de basis liggen van het ontstaan van een gewoonte, bestaan uit drie componenten, met name gedachten, gevoelens en gedrag. Dit komt dus exact overeen met onze voorstelling van gewoontevorming: denken, voelen en doen (zie de tekeningen van dit deel). Gewoontevorming ontstaat door veranderingen in de sterkte van de verbindingen tussen neuronen, die ervoor zorgen dat herinneringen gecodeerd en opgeslagen worden in het centrale zenuwstelsel. Wil men een nieuwe gewoonte aanleren dient men dus nieuwe neuronen verbindingen te creëren. Wanneer er een aanleiding is om die nieuwe gewoonte te realiseren, worden deze verbindingen aangesproken. Dit ten koste van de oude verbindingen van de af te leren gewoonte. Evenwel worden de oude verbindingen nooit volledig verbroken, zelfs indien ze een hele tijd niet aangesproken worden. Men kan jaren gestopt zijn met roken of het overmatig drinken van alcohol, wanneer men plots in een emotionele crisis terecht komt, is de kans reëel dat men in de oude gewoonte hervalt. 

Elke gewoonte lenigt een verlangen en heeft een dieperliggende reden. Het verlangen is daarbij een specifieke uiting van de dieper onderliggende reden. Dieper liggende redenen blijven meestal bestaan, het specifiek gedrag, om het verlangen gebaseerd op de onderliggende reden te lenigen, kan gewijzigd worden. 

Onze huidige gewoonten zijn niet noodzakelijke de beste manier om een probleem op te lossen. Bijvoorbeeld roken of een stevige borrel drinken om stress te reduceren [cf. de succesvolle reclameslogan (de jaren 1975-1986): “Schat, staat de Bokma koud.”] 

Ons gedrag hangt voornamelijk af van hoe we de gebeurtenissen die ons overkomen interpreteren en dus niet van de obectieve realiteit betreffende deze gebeurtenissen. Men zou kunnen stellen dat ons gedrag meer verbonden is met ons gekleurd bewustzijn en minder met ons helder bewustzijn.  En de interpretaties creëren ogenblikkelijk gevoelens. Onze gevoelens en emoties transformeren het verlangen in een mogelijke respons. Wij maken een voorstelling, een beeld van de toekomstige realiteit. 

We verlangen dus iets wat er nog niet is. We wensen dit verlangen te lenigen. Er is dus een wezenlijk verschil tussen de huidige gepercipieerde realiteit en de gewenste toekomstige realiteit. En dit verschil levert de nodige energie om in actie te schieten. Het is de spanning tussen de twee die omgezet wordt in de transformatie beweging en het ‘wensen’ is nu wel degelijk omgezet in ‘willen’.

TOEKOMSTIGE REALITEIT

HUIDIGE REALITEIT

Afleren hardnekkige ‘slechte’ & aanleren harde ‘goede’ gewoonten

Gewoonten worden gevormd door een specifiek proces dat we het ABC proces genoemd hebben. Nogmaals, daarin staat de A voor de aanleiding om een bepaald gedrag te vertonen, B voor het gedrag zelf en C voor de consequentie die volgt op het gedrag. Opmerkelijk is dat op den duur de Consequentie de Aanleiding vormt voor het gedrag. Zeker in het geval dat deze Consequentie snel volgt op het vertonen van het gedrag (B). Wanneer een Consequentie snel volgt op een gedrag en bovendien zeker is, dan wint dat specifieke effect het van een Consequentie die langzaam volgt op een bepaald gedrag en bovendien onzeker is. Zo wordt de roker verleidt om te volharden in de boosheid, hoewel zij of hij pertinent weet dat roken een voor de gezondheid slechte gewoonte is. Dit komt omdat het positief gevolg, bekomen van rust en genot, direct van bij de eerste haal voelbaar is en dat bij elke sigaret, terwijl het mogelijk negatief gevolg, longkanker, eerst heel veel jaren nadien zal verschijnen en misschien zelfs nooit. Wanneer de longkanker zich uiteindelijk onverhoopt toch manifesteert is de roker ‘plots’ geneigd wel te stoppen. Hoewel het er dan veelal niet meer toe doet…

Dus de consequenties kunnen veelzijdig zijn. Zo kan een consequentie positief zijn of negatief zijn. Voor elke van die twee onderverdelingen kan die consequentie snel volgen op het gedrag of traag volgen op dit gedrag. Daarbij kan men nog de onderverdeling ‘zeker’ en ‘onzeker’ onderscheiden. Meestal is een consequentie die snel volgt op een gedrag ook zeker. Hoewel dit niet altijd zo is. Zo wordt de consequentie ‘overdreven snelheid’, die wel snel en zeker volgt op het gedrag (het hard indrukken van het gaspedaal) niet altijd gevolgd door een tweede negatieve consequentie ‘boete’. Een en ander kan door volgende tekening voorgesteld worden, hoewel uiteraard heel wat varianten daarvan mogelijk zijn:

Wat dus veel voorkomt is dat bij sommige gewoonten de Consequentie terugkoppelt. Het directe zekere positieve gevolg (C+ volgt SNEL en zeker) wordt daardoor de aanleiding voor het herhalen van het gedrag totdat het een gewoonte is geworden.

Ander gedrag – dat nochtans positieve effecten op langere termijn heeft – wordt moeilijk genoemd, omdat het ook een direct en zeker negatief gevolg (C- volgt SNEL en zeker) heeft. Voorbeeld daarvan is een dagelijkse stevige wandeling van een half uur in de Lembeekse bossen. Indien men daar in de herfst aan begint zijn de directe negatieve gevolgen legio: verkleumde handen, stijve spieren, … Daardoor krijgen de hersenen het signaal ‘Herhaal NIET!!!’. Het directe negatieve gevolg verdringt de aanleiding (‘het is beter voor m’n gezondheid’). Het positieve effect is slechts na maanden zichtbaar: men ‘voelt zich beter’ en het ‘gemiddeld suikerniveau in het bloed’ is merkelijk gedaald. Maar indien het gedrag geen kans krijgt om een gewoonte te worden, is men er aan voor de moeite. De positieve gevolgen hebben in dat geval niet de kans om merkbaar te worden.

Hierbij is, Eloïse, Edward en Elvire, een uitspraak van de Vlaamse – veel te vroeg gestorven – dichter, Herman de Coninck in m’n geheugen gegrift: “Wat geen moeite kost, is vaak de moeite ook niet waard.” Die gevleugelde uitspraak is geldig bij het aanleren van elke ‘moeilijke’ Creatieve Wisselwerking gewoonte en het afleren van elke ‘leuke’ Vicieuze Cirkel gewoonte.

Zo gebruik ik zelf om af te komen van een hardnekkige negatieve gewoonte of het aanleren van een harde positieve gewoonte de vaardigheid ‘Herkaderen’ van het creatief wisselwerkingsproces. Ik zal in de loop van deze reeks columns die vaardigheid diepgaand beschrijven. Voorlopig beperk ik mij met te stellen dat herkaderen neerkomt op anders naar de werkelijkheid te kijken. Daarbij ga ik de positieve effecten van een hard ‘goed’ gedrag versterken en de negatieve effecten ervan afzwakken. Uiteraard doe ik het bij een hardnekkig negatief gedrag andersom. In beide gevallen neem ik mijn Mindset tegenvoets. Ik ga daarbij ook op zoek naar de onderliggende oorzaken van m’n slechte gewoonten en herkader de associaties die ik met die oorzaken heb. 

Zo stopte ik ooit met roken nadat ik op tv gezien had hoeveel teer er zich gemiddeld in de longen ophoopt gedurende een jaar, indien men een pakje sigaretten per dag rookt (wat ik toen deed). De liter teer werd op een rood vierkant vloeipapier uitgegoten en de grote vlek inktzwarte smurrie deed mij inzien dat ik echt geen tien jaar meer hoefde te wachten om m’n gewoonte af te leren. 

Het aanleren van de goede gewoonte ‘dagelijks een half uur stevig gaan stappen’ in de Lembeekse bossen, startte ik in de vroege lente van 2018. De aanleiding was een nogal ‘dwingend’ advies van m’n huisarts, dr. Inge De Gussem. De zomer was uitzonderlijk, dus geen probleem met verkleumde handen en tijd zat om stevige handschoenen te voorzien tegen dat het koud werd. Ook mat ik zelf regelmatig (om de 2 à 3 dagen) het suiker gehalte in m’n bloed. Door die metingen werd het positieve effect van deze inspanning redelijk snel duidelijk. Dus heel wat vroeger dan bij de driemaandelijkse controle bij de huisdokter, waar m’n metingen bevestigd werden. Het schouderklopje dat ik van Inge De Gussem kreeg, was dan nog een bijkomend positief effect. Nu kan ik zeggen dat m’n dagelijkse wandeling een gewoonte geworden. Ik voel mij onwennig, en zelfs een beetje ongelukkig, indien die gewoonte, het stevig doorstappen in de Lembeekse bossen, door omstandigheden op een bepaalde dag onmogelijk is.

Hoelang duurt het vooraleer een gewoonte effectief gevormd is?

Gewoontevorming is een proces waarbij een bepaald gedrag progressief een gewoonte wordt door langdurige herhaling van dat gedrag. Hoe meer een gedrag herhaald wordt, hoe meer het ingesleten raakt in het brein en daardoor wordt het gedrag niet alleen makkelijker maar hoe langer hoe meer een gewoonte. Neurowetenschappers noemen dit ‘Long-term Potentiation’ of LTP, een proces waarbij verbindingen tussen neuronen sterker worden door frequente activering: 

Herhalen van een gedrag veroorzaakt duidelijke fysische veranderingen in het brein. Nieuwe gewoonten vereisen niet alleeen een veelvuldige herhaling van het gedrag, ze vereisen ook een hoge frequentie van het vertonen van dit gedrag. Er moet een hoge reeks herhalingen van een bepaald gedrag in een relatief korte tijd uitgevoerd worden, willen wij een kans maken dit specifieke het gedrag inslijt en een gewoonte geworden is. 

Wat die frequentie is en hoe lang het duurt vooraleer een bepaald gedrag effectief een gewoonte wordt, is nog niet volledig uitgeklaard. Gebaseerd op talloze wetenschappelijke artikelen kwam Charlie Palmgren aan ‘28 opeenvolgende dagen minstens één keer het nieuwe gedrag vertonen’. Niet dat dit foutloos dient te gebeuren. Het gedrag dient echter wel te worden gesteld. Wachten op de perfectie is ook hier uit de boze. Maar één dag het gedrag totaal niet vertonen, betekent dat de teller terug op nul wordt gezet. Niet verwonderlijk dat harde gewoonten zelden ingesleten raken. De kans dat een gewoonte effectief gevormd wordt is veel groter indien men haar of zijn vertonen ervan dagelijks monitort. Tegenwoordig zijn er hiervoor prachtige apps op de markt. Het handige van deze apps is, dat ze je ook attenderen op het oefenen en dat ze je voortgang bijhouden. Zelf heb ik nog geen app gebruikt en ik plan dit eerstdaags te doen. Ik heb gekozen voor de strides app[viii]. Nu nog een aan- of af te leren gewoonte kiezen voor ik ermee start in het voorjaar van 2019. Misschien wordt het gebruik van deze app wel een gewoonte …  

Ik nam het magisch getal 28 in mijn cursussen over omdat er nogal wat gebeurtenissen in de natuur volgens dit schema verlopen. Zoals: de ‘normale’ menstruatie cyclus bij de vruchtbare vrouw, de duurtijd van één omwenteling van de maan rond de aarde, de tijd die nodig is om beton ‘natuurlijk’ te laten harden, … De eerlijkheid gebied mij jullie, Eloïse, Edward en Elvire, te zeggen dat die vuistregel geen wetenschappelijke grond heeft. Het getal 28 is dus niet meer dan een metafoor om te duiden dat het aanleren of afleren van een gewoonte geen handeling is zoals het drukken op een lichtschakelaar. Daarvoor is meer nodig. Iets wat ik soms met een andere quote duidde: “Blood, sweat and tears.[ix]” Maar zoals gezegd, wat geen moeite kost, is vaak de moeite ook niet waard!


[i]Steve Heisler. The Missing Link. Teaching and Learning Critical Skills.Lanham MA : Rowman & Littlefield Education, 2014. Page 3.

[ii]De uitspraak “De mens is een gewoontedier” wordt veelal aan Aristoteles (384 v. Chr. – 322 vr. Chr.) toegeschreven. Hij zei ook ooit: “We zijn dat, wat we bij herhaling doen.” Dus wat ik hier neerschrijf is niet zo nieuw.

[iii]Aubrey C. Daniels. Bringing Out the Best in People: How to Apply the Astonishing Power of Positive Reinforcement.New York, NY: Mc Graw-Hill, Inc. 1999. Bladzijden 34-40.

[iv]“Habits are, simply, reliable solutions to recurring problems in our environment.” Quote Jason Hreha: Why Our Conscious Minds are Suckers for Novelty.” Revuehttps://www.getrevue.co/profile/jason/issues/why-our-conscious-minds-are-suckers-for-novelty-54131, geraadpleegd op 25 feb. 2019

[v]http://www.dejongepsycholoog.be/theorie/8-inspirerende-citaten-carl-gustav-jung/geraadpleegd op 25 feb. 2019

[vi]James Clear. Atomic Habits: An Easy and Proven Way to Build Good Habits and Break Bad Ones.London, GB: Random House Business Books, 2018, bladzijden 69-79.

[vii]Quote Tom Lanoye: “Een mens is een gewoontedier met afkickverschijnselen.” Uit Tom Lanoye, Het Derde Huwelijk. Amsterdam: Prometheus, II, 5.

[viii]https://www.stridesapp.com

[ix]Quote die veelal toegeschreven wordt aan sir Winston Churchill wegens de frase “I  have nothing to offer but blood, toil, tears and sweat” uit diens speech in het Britse Lagerhuis (House of Commons) op 13 mei 1940 : https://yle.fi/vetamix/media/doc/tal_19400513_Churchill_Blood_Sweat_and_Tears.pdf