Tagarchief: Aubrey C. Daniels

BLIJF WAKKER ! – DEEL XXXIII

HOE CORRECT FEEDBACK GEVEN EN ONTVANGEN?

Jon Landau’s feedback changed Bruce Springsteen’s carreer dramatically:

The Wild, The Innocent & The E Street Shuffle’s defining moment would arrive via a live show in Boston in 1974. In the audience of this performance stood a captivated Jon Landau, a music critic who was there writing for Real Paper.

“On a night when I needed to feel young (Springsteen) made me feel like I was listening to music for the first time,” wrote Landau, and “I saw my rock and roll past flash before my eyes. And I saw something else. I saw rock and rolls’ future and its name is Bruce Springsteen.”

The label quickly shipped stocks of Springsteen records back into stores while a promotional campaign based off of Landau’s review was initiated. However it’s not Columbia’s renewed interest in the singer-songwriter that demonstrates the true value of the record. The music critic, who met the musician after the show, was called in on the crafting of Born To Run when Springsteen needed help overcoming a few hurdles. Without Landau witnessing one of his hair-raising performances The Boss’ breakthrough may never have happened[i]

Inleiding

Eloïse, Edward en Elvire, een cruciaal onderdeel van de eerste vaardigheid verbonden aan de vierde karakteristiek Continue TransformatieHerhalen en Evaluatie,  is de evaluatie van de actie. De evaluatie van de actie wordt in die vaardigheid door  jullie zelf verricht: het betreft dus zelfevaluatie. De tweede vaardigheid verbonden aan de vierde karakteristiek Continue Transformatie, betreft de reactie en/of evaluatie van de actie door een andere persoon dan deze die de actie verricht: de Feedback. Het is die vaardigheid, Feedback, die het onderwerp is van deze column

Het uitvoeren van de acties, nodig om het probleem op te lossen, vereist een wederzijdse ondersteuning van de betrokkenen; dit is pure interafhankelijkheid. Wil men elkaar ondersteunen, dan is het van belang een open en directe sfeer te creëren en te onderhouden. Het geven en ontvangen van feedback, volgens de regels van de kunst, kan hier in sterke mate toe bijdragen. 

Laten we op elkaar letten en elkaar aansporen tot liefde en goede daden. 

Heb 10:24 

Een belangrijke vaardigheid van het creatief wissselwerkiingsproces is dus het correct kunnen geven en ontvangen van feedback. Feedback betreft hier vooral het terugkoppelen van wat men ziet en ervaart met betrekking tot de uitvoering van de beloofde acties. Van Dale omschrijft feedback als ‘informatieve reactie’. Het is inderdaad de vaardigheid waarbij de deelnemers aan het creatief wisselwerkingsproces elkaar informatie geven over hoe ze elkaars werk waarnemen. Bovendien is aan één van de basisvoorwaarden van feedback voldaan, namelijk het hebben van een gezamenlijk belang waarbij wij interafhankelijk zijn. De activiteiten zijn bovendien gekozen om samen een gezamenlijk probleem op te lossen. 

In het Engelse begrip ‘feedback’ zit ook het gegeven ‘voeden’, wat per definitie een positieve daad is (want een werk van barmhartigheid[ii]). We voeden de persoon die feedback krijgt met informatie waarover hij niet per se beschikt en waar hij wel nood aan heeft. Feedback geven is de ander bewust duidelijke informatie geven over zijn functioneren. Men koppelt de ander terug wat men vindt van de inzet en de resultaten van diens werk. Feedback geven betekent ook dat men de ander informeert over de effecten van diens gedrag. Doordat het gaat over het effect van dat gedrag op u, zegt feedback meestal net zoveel over u als over die ander. Feedback speelt dus een belangrijke rol in het vergroten van zelfinzicht. 

Eloïse, Edward en Elvire, met het geven van feedback koppelt men ook terug welk effect het gedrag van de ander, in verband met het nakomen van beloftes, op jou heeft. Door die informatie kan de ander leren over het effect van haar of zijn gedrag en bovendien zichzelf verder ontwikkelen in de richting van de overeengekomen doelen. Door het persoonlijk karakter valt het niet altijd mee om feedback te geven, zeker als het gaat om negatieve zaken. Hier spelen vragen mee zoals: “Mag je als ‘zondaar’ wel kritiek geven op een ‘mede-zondaar’?” Je maakt tenslotte zelf ook fouten in het nakomen van jouw beloftes (denk daarbij aan ‘de splinter en de balk’[iii]). Indien die vragen jou zouden doen besluiten feedback achterwege te laten is dit jammer. Want daardoor ontberen mensen het noodzakelijke inzicht om beter te presteren. Iedereen heeft blinde vlekken ten aanzien van zijn eigen functioneren, ook ik. Het mooie aan feedback is dat het niet alleen het zelfinzicht vergroot, maar ook de relatie kan verstevigen tussen de gever en ontvanger. 

Feedback krijgen, ook terugkoppeling genoemd, is het proces waarbij iemand anders jou informeert over hoe hij jouw gedrag ziet en ervaart. Deze informatie helpt je om zeker te zijn dat jouw bedoelingen, via jouw handelen, goed zijn overgekomen. Ook dat vergroot zelfkennis!

Eloïse, Edward en Elvire, feedback is als een zachte regen; het bevordert iemands groei, zonder zijn wortels te ondergraven. 

Zoals ijzer met ijzer wordt geslepen, zo scherpt de ene mens de ander. 

Spreuken 27:17 

Het JOHARI-venster 

Als men een ander feedback geeft over diens functioneren, dan kan het zijn dat iets benoemd wordt waarvan de ander zich niet bewust is. Bewustwording biedt aanknopingspunten voor het veranderen van dit functioneren. Een groot verschil kan bestaan tussen hoe wij zelf onze manier van werken ervaren en hoe anderen dit beleven. We handelen meestal op grond van diepgewortelde beelden, opvattingen, aannames en vooronderstellingen. Iedereen heeft een bepaalde mate van zelfkennis. Anderen in jouw omgeving hebben echter ook een zekere kennis betreffende jou. Feedback is een goede manier om erachter te komen of er een discrepantie bestaat tussen de eigen waarneming en die van de ander. Feedback vergroot jouw kennis van de manier waarop je op anderen overkomt. Dit effect van feedback geven en ontvangen wordt verduidelijkt aan de hand van het ‘Johari-venster’. 

Eloïse, Edward en Elvire, twee Amerikaanse menswetenschappers, Joseph Luft en Harry Ingham, hebben in 1955 in het kader van hun onderzoeken een model[iv] opgesteld, waarmee op eenvoudige wijze kan uitgelegd worden wat de relatie is tussen gedrag en feedback. Het model bevat vier kwadranten die verwijzen naar vier gebieden van iemands persoonlijkheid en gedrag. Persoonlijkheid wordt hierbij gedefinieerd als het geheel van waarden, motieven en gedragingen. 

Het Johari-venster ziet er als volgt uit: 

Stel je voor dat je zo aandachtig kunt zijn dat je naar jezelf kunt kijken. Je bent als het ware in de actie én staat er ook buiten. Deze gave is overigens sterk verwant met de vierde vaardigheid van de vierde karakteristiek Continu Transformeren van Creatieve wisselwerking: Procesbewustzijn (Deel XXXV). 

Hierbij ontdek je dat sommige dingen die je doet, voor een groot deel, bekend zijn bij jezelf en voor een ander geen geheim zijn. Dit gebied wordt de open of vrije ruimte genoemd. 

In je omgang met anderen zijn er ook een aantal zaken waar je jezelf wel bewust van bent, maar waar je ten opzichte van anderen niet voor uitkomt; waardoor die anderen ze niet kunnen waarnemen. Dit wordt het verborgen gebied genoemd. In zekere mate bepaal je eigenlijk zelf hoe groot dit gebied is. 

Een gebied waarop niemand direct invloed kan uitoefenen, omdat het noch bij jou noch bij anderen bekend is, is het onbekende zelf. Hierin zitten de onbewuste motieven die jou ertoe brengen iets te doen of te laten. Dit gebied wordt soms pas zichtbaar bij onverwachte gebeurtenissen. 

Het vierde en  laatste gebied wordt de blinde vlek genoemd. Dit is het gedeelte waarvan je je zelf niet bewust bent, terwijl anderen het wel waarnemen en ervaren. Het is het onbewuste en onbedoelde effect van je acties. Het wordt ook vaak het gebied van de ‘slechte adem’ genoemd. Net als bij slechte adem – bijvoorbeeld na het eten van knoflook – weet je dit zelf niet; maar de anderen weten, of beter gezegd, ruiken het wel! 

Eloïse, Edward en Elvire, het ‘Johari-venster’ wijst er ons op dat we slechts ten dele een open boek zijn voor onszelf en anderen (open gebied), dat we onszelf niet volledig kennen (blinde vlek), dat we een deel van onze waarden, ideeën en gedragingen voor de ander verborgen houden (verborgen gebied) en dat een deel van onze persoonlijkheid door niemand gekend is (onbekende zelf). De kwadranten hebben overigens voor dezelfde persoon niet altijd dezelfde grootte. De context en de relaties waarin we ons op een bepaald ogenblik bevinden, bepalen de omvang van de vier gebieden. De omvang van de kwadranten evolueert ook in de tijd, naarmate relaties worden uitgebouwd. Het spreekt vanzelf dat wanneer we voor het eerst met iemand kennismaken, de open ruimte kleiner is en het verborgen gebied groter. 

Door het geven van informatie over hoe je elkaar ervaart en over de reacties die dat teweegbrengt, wordt de open ruimte van eenieder vergroot. Doordat je feedback krijgt van de ander over gedrag dat min of meer onbekend is voor jezelf, wordt een deel van je duidelijk. De ruimte van de blinde vlek wordt als het ware kleiner ten voordele van de open ruimte. Het uitwisselen van de informatie door middel van feedback heeft als voordeel dat het de communicatie tussen twee mensen inzichtelijker maakt, en daardoor effectiever. Bovendien kan men door feedback zich bewust worden van een groter aantal van eigen onbewuste gedragingen en van de onbedoelde effecten ervan op anderen. Dit bewustzijn geeft iemand de mogelijkheid te kiezen: de manier van werken handhaven of veranderen, en in elk geval afstemmen op de daadwerkelijke bedoeling. 

Doel van het feedback geven is dus ondermeer de open ruimte vergroten, waardoor de blinde vlek verkleint. Wanneer je feedback geeft, vergroot je ook je eigen open ruimte en verklein je eigen verborgen gebied. Je benoemt immers dingen die je zelf wel weet, maar tot dan toe niet kenbaar hebt gemaakt. Bij feedback geef je, zoals reeds gesteld, niet enkel informatie over de ander, maar ook informatie over jezelf. Als men dat wederzijds doet, kent men elkaar daardoor beter. Het ontstaan van vooroordelen en/of het voorbarig concluderen van iets, zal dan veel minder voorkomen. Met andere woorden het communicatieproces verloopt vlotter. 

Kenmerken van Feedback 

Feedback geef je best kort na het constateren van de feitelijke basis voor de feedback. De feedback zal inderdaad effectiever zijn indien de tijdspanne, die ligt tussen het tijdstip van het gedrag waarop de feedback betrekking heeft en dat van het feedback geven, zo klein mogelijk is. Dan ligt het gedrag nog vers in het geheugen. Je kiest wel een gepast tijdstip en een omgeving die bevorderlijk is voor een goede feedback, dus niet in een vergadering of ‘tussen neus en lippen’. 

Eloïse, Edward en Elvire, wij gaan vooral feedback geven opdat de ander zou kunnen groeien en de samenwerking zou verbeteren. Het geven en ontvangen van feedback is in feite een constructieve dialoog, die soms op een Cruciale Dialoog kan uitdraaien. Inderdaad, feedback wordt niet altijd in dank afgenomen. Het spreekt vanzelf dat de vorige karakteristieken van het creatief wisselwerkingsproces, en ook de basiscondities en vaardigheden, in deze specifieke dialoog aan bod komen. Ze zorgen voor een sfeer van veiligheid, respect en vertrouwen tussen hij die feedback krijgt en diegene die feedback geeft. Die veilige sfeer is trouwens broodnodig. 

Feedback is een onmisbare vaardigheid wanneer je met anderen samenwerkt. Je moet zo nu en dan zeggen dat het werk van de ander niet in orde is, of juist heel erg goed. In beide gevallen dien je correcte feedback te geven. Feedback kan dus positief en negatief zijn. Mensen leren vaak meer van een duidelijk commentaar op werk dat ze goed hebben gedaan dan van kritiek op fouten. Positieve feedback is heel motiverend, het is een ‘plus plus’. Het werkt als het pure genot van een koel glas witte wijn op een warme zomerdag. Negatieve feedback heeft ook zijn functie. Het werkt als een deugddoende grog bij een zware verkoudheid. 

Feedback kan je geven én ontvangen. In deze context zijn het bedenkingen die we geven of ontvangen in het kader van het uitvoeren van acties die beslist werden tijdens een dialoog en die tot doel hebben een probleem op te lossen. 

Some people never say the words ‘I love you’, 

but like a child they’re longing to be told. 

Paul Simon, Something so Right 

Feedback moet in ieder geval oprecht zijn en zorgt dan voor de smering binnen een goed lopend veranderingsproces. Als feedback oprecht is, dan kan je heel wat maken en is vergiffenis werkelijk een optie mocht je per ongeluk een voorwaarde voor het goed geven van feedback over het hoofd hebben gezien. Feedback dient men echt te zien als een kans om te leren. Beide deelnemers aan het feedbackproces dienen echter de bereidheid hebben om van elkaar te leren. Feedback ondersteunt het goed uitvoeren van de beloofde acties en het bijsturen van die uitvoering wanneer een en ander te wensen overlaat. 

Afwegingen die bij het geven van feedback moeten worden gemaakt: 

  • Word ik er beter van? 
  • Wordt de ander er beter van? 
  • Wordt onze relatie er beter van? 
  • Hoe zal ik mij gedragen indien ik het vorige wens te bewerkstelligen? 
  • Wordt de organisatie er uiteindelijk beter van? 

Plan van aanpak voor het geven van feedback 

Wat geen moeite kost, is vaak de moeite ook niet waard. 

Herman de Coninck 

Eloïse, Edward en Elvire, een degelijke feedback kost moeite en vaak is ook durf nodig. Feedback geef je omdat je persoonlijk geraakt wordt door de actie van de ander. Je benoemt die actie zo snel mogelijk en daarbij geef je de materiële en emotionele consequenties aan die de bewuste actie voor jou heeft. We geven die het best op een gestructureerde manier: 

  • Stel je empathisch op en maak contact;
  • Beschrijf de actie, de manier van werken die je wenst te bespreken; 
  • Beschrijf hierbij concreet en specifiek wat je hebt gezien;
  • Gebruik stelselmatig ik-boodschappen;
  • Verklaar wat je hebt opgemerkt (i.e. geef jouw interpretatie);
  • Geef aan wat effect de huidige gang van zaken op jou heeft of de eventuele gevolgen;
  • Hou de dialoog open. Met andere woorden laat je gesprekspartner reageren;
  • Vraag om redenen voor de afwijkende uitvoering van de actie;
  • Zoek, indien nodig, samen naar oplossingen voor de bijsturing. 

Stel je empathisch op en maak contact 

Voor alle feedback is het van groot belang dat je de persoon aan wie je feedback geeft, enigszins kunt ‘aanvoelen’. Feedback is inlevend. Feedback heeft inderdaad te maken me jouw empathisch vermogen. Het helpt dat je de persoon in kwestie kent. Gezien je feedback geeft in verband met eerder gezamenlijk genomen beslissingen, ken je die persoon ten minste enigszins. 

Je leeft je eerst even in zijn situatie in: 

  • Ken je de context vanwaaruit iemand handelt? 
  • Ken je zijn gedragspatronen of manier van handelen? 
  • Ken je zijn waarden? 
  • Ken je de wijze waarop hij leert? 
  • Heb je inzicht in zijn relaties met anderen? 
  • Weet je zeker dat hij je vertrouwt? 

Deze informatie helpt je om er voor te zorgen dat de feedback overkomt op een dusdanige manier dat de ander er echt kan van leren. Met feedback raak je iemand persoonlijk aan, het helpt dus je eerst in zijn situatie in te leven. Je zorgt daarbij dat het tijdstip en de gespreksomgeving voor de ontvanger ‘respectvol’ zijn. 

Vervolgens dien je contact te maken met de ander, zodanig dat zij of hij je accepteert. Stem je houding, taalgebruik en spreektempo af op de ander. Zorg er daarbij voor dat je in het begin van de dialoog duidelijk de leiding van het gesprek neemt. Als je goed contact hebt, is de kans groot dat de ander naar jou zal luisteren. Heb daarbij het goede met de ander voor en wees daarom opbouwend. 

Beschrijf de actie 

De manier van werken, de actie waarover men feedback wil geven, dient eerst beschreven te worden. Wij gaan er hierbij van uit dat die actie überhaupt kan uitgevoerd worden. Deze aanname volgt uit de beslissingsevaluatie op het eind van vorige fase. Het komt er hier op aan het onderwerp van de feedback eerst te omschrijven. Laat het duidelijk zijn: feedback is niet gericht op de persoon maar op zijn manier van werken, op zijn manier van nakomen van beloftes. Je beschrijft de zaken in termen van gedrag. Dat wil zeggen: je benoemt het ‘doen’ in plaats van het ‘zijn’. 

Beschrijf concreet en specifiek wat je gezien hebt 

Eloïse, Edward en Elvire, hier komen we terug op het verschil tussen de eerste en de tweede karakteristiek van Creatieve wissselwerking. Observeren is inderdaad niet hetzelfde als interpreteren. Observeren is een beschrijving geven van wat je met je zintuigen waarneemt. Men geeft feedback over iets dat objectief kan vastgelegd worden door een camera. Je geeft in concrete termen een beschrijving van wat de ander doet, zoals je het gezien, gehoord of opgemerkt hebt. Feedback is een beschrijving van de werkelijkheid. Kortom: je richt je feedback op observaties in plaats van op gevolgtrekkingen, en op beschrijvingen in plaats van beoordelingen. Feiten en objectieve gegevens zijn stukken aanvaardbaarder dan meningen en vermoedens. Ze zijn zoals smaak, er valt niet over te twisten. 

Aangezien je feedback wenst te geven, ben je betrokken, ook op een zeker emotioneel niveau; je bent immers persoonlijk geraakt. Observeren van situaties waarbij je zelf min of meer emotioneel bent betrokken, is niet zo eenvoudig. De emoties (ontgoocheling, teleurstelling, boosheid, …) kleuren je bril. Je beschrijft met je feedback hoe je dat beleeft (het gevoel). Je bent geraakt en dus mag best ook duidelijk zijn dat het hier niet om kattenpis gaat. Wees dus niet te soft, maar zorg ervoor dat de ander ervan kan leren. Wees dus concreet, specifiek en gedetailleerd, om beider bestwil. 

Ook de woordkeuze is heel belangrijk. Feedback waarin woorden als ‘altijd’, ‘overal’ of ‘nooit’ voorkomen, geeft aanleiding tot welles-nietes-discussies. En die kunnen we hier missen als kiespijn. Wees dus concreet en precies! Hierbij is het van belang te onderlijnen dat je de elementen van je feedback zelf moet gezien of gehoord hebben. Anders krijg je steevast de reactie: ‘Wie heeft je dit gezegd en heeft die het wel goed gezien?’. Vragen die je steeds in een moeilijk parket brengen. Direct spreken – van gever naar ontvanger – in concrete en specifieke termen is de boodschap. Feiten verhinderen interpretatie. Door specifiek te zijn voorkom je misverstanden en weerstand. Hier bewijst de slagzin “Wie deed wat, waar, wanneer en hoe?” opnieuw zijn nut! Wees daarbij ook zo kort mogelijk, teneinde de essentie van de feedback correct te laten overkomen. 

Gebruik een ik-boodschap 

Een ik-boodschap nodigt je gesprekspartner uit om begrip op te brengen voor jouw visie op de zaak. Door een jij-boodschap schiet de ander, al dan niet terecht, in de verdediging. Feedback is altijd voor een stuk subjectief: vanuit je eigen referentiekader en werkelijkheid, zoals jij de acties van de ander ervaart. 

De werkelijkheid met betrekking tot de actie, die de ander geacht wordt op een zekere manier uit te voeren, wordt met een ik-boodschap op een concrete en specifieke manier beschreven. Je spreekt dus altijd voor jezelf, niet voor anderen of in het algemeen (generaliseren). Je neemt daarbij wel de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van je feedback en dus ook voor de gevoelens en reacties van de ander. 

Geef daarna jouw verklaring van wat je zag 

Je beseft daarbij dat feedback geven aan een ander, ook iets over jezelf zegt. Je geeft daarbij ook jouw interpretatie van wat je hebt opgemerkt. Dit wil zeggen hoe je denkt dat de ander het bedoelt of bedoeld heeft. Je laat daarbij de mogelijkheid duidelijk open dat je je kunt vergissen. Vraag de ander dus of jouw interpretatie klopt. Beperk je uiteraard tot wat de ander deed en richt je niet op de persoon. Blijf daarbij in het hier en nu, met andere woorden bij wat je hier en nu hebt vastgesteld. 

Geef aan welk effect het gegeven op je heeft 

Hierbij geef je aan hoe dit feitelijk gegeven door jou geapprecieerd wordt. Je geeft aan wat voor jou het gevolg is en wat dat in relatie tot het gezamenlijke doel betekent. Je geeft daarbij ook aan waarom je de feedback geeft. Je kunt hierbij stellen welke gevoelens de manier van werken van de ander bij jou oproept. Je geeft dus aan hoe het voor jou voelt en niet wat je er van vindt. De grootste valkuil is dat je nalaat te vertellen wat het effect op jou is, maar wel zegt wat je van die ander vindt. 

Hou de dialoog open 

Uiteraard geef je de ander de gelegenheid te reageren. Je geeft de ander letterlijk en figuurlijk de ruimte voor een reactie. Hoewel je zo duidelijk mogelijk bent geweest, zodat de ontvanger de bedoeling kan begrepen hebben, check je daarbij eerst of de ander wel goed begrijpt wat je bedoelt. 

In je feedback ben je uitnodigend. Je geeft jouw feedback om de ander te helpen, niet om hem eens ‘de waarheid’ te vertellen. Je maakt duidelijk dat het over jouw mening gaat over iets dat je hebt gezien en dat de ander er best anders tegenover kan staan. Je hebt immers de waarheid niet in pacht. Hiervoor is een stiltemoment aangewezen en dit doe je effectief door een stilte te laten vallen. Het kan immers perfect dat de ander in eerste instantie de inhoud van jouw feedback niet begrepen heeft. Hij kan dan om bijkomende uitleg vragen of zelf uitleg geven waarom het loopt zoals het loopt. Hierbij wordt gestreefd naar het vormen van een gedeelde mening betreffende de manier van werken van de ander. 

Feedback moet de ontvanger in staat stellen er iets mee te doen. Het heeft dus geen zin, en werkt alleen maar frustrerend en contraproductief, als je iemand herinnert aan iets wat hij toch niet kan veranderen. De feedback moet zo gegeven worden, dat het de ander uitnodigt om te reageren en te reflecteren. Feedback is een uitnodiging tot dialoog. 

Daar feedback vaak wordt opgevat als kritiek, probeert men zich vaak te verdedigen door: 

  • Niet te horen wat er gezegd wordt; 
  • Te twijfelen aan de motieven van de feedbackgever; 
  • De geldigheid van de feedback in twijfel te trekken; 
  • Te rationaliseren, dus te verklaren waarom men zo handelde; 
  • Een tegenaanval te plaatsen op diegene die feedback geeft. 

Ga bij een ‘ja, maar’ of een andere defensieve reactie, niet drammen of uitleggen, integendeel reflecteer en vat samen. Benoem daarbij wat je bij de ander ziet aan gevoelens. Je gebruikt daarbij de vaardigheid ‘bevestigend herhalen’. 

Vraag om de correcte uitvoering van de beslissingen 

De feedback gaat in deze context over de manier van uitvoeren van de beslissingen die eerder tijdens een beleven van Creatieve wisselwerking werden genomen. Het spreekt vanzelf dat de moeite die men zich in fase een tot en met drie getroost heeft om tot uitvoerbare oplossingen te komen, gehonoreerd dient te worden. Dit is de onderliggende behoefte die je hebt. Op dit moment is het dus zinvol de ander aan zijn belofte om de zaken correct uit te voeren te herinneren. Je verwoordt dit concrete verzoek in positieve zin. Toets daarbij of de ander de feedback begrepen heeft en hou blijvend de dialoog open. Geef hem steeds de gelegenheid te reageren. Herinner zo nodig de ander hoe de beloftes tot stand zijn gekomen. Je kunt slechts dat veranderen wat zich op de drempel van je geest bevindt. Ook hier is Johan Cruijffs uitspraak van toepassing: “Je snapt het pas als je het ziet.” Door de (vorige) dialoog werd transparantie gecreëerd. De afspraken, expliciete en impliciete verwachtingen waren voor jou duidelijk. Je gaat hierbij na of dat voor de ander ook zo was. Hij moet het zelf zien. 

Zoek, indien nodig, samen naar uitvoerbare oplossingen, dit is de bijsturing

Je kunt alleen feedback geven over zaken waar de ander iets aan kan doen. Het moet gaan over iets wat de ander kan veranderen. Het kan gebeuren dat de ander de gemaakte afspraken niet kon nakomen. In dit geval blijken de afspraken toch niet SMART (Specifiek, Meetbaar, Aanvaardbaar, Realiseerbaar en Tijdsgebonden) genoeg. Indien dit het geval is, dienen de afspraken opnieuw tegen het licht gehouden te worden. Blijken de middelen wel voldoende te zijn? Welke zijn de redenen voor het niet nakomen van de belofte? Je legt daarbij de verantwoordelijkheid voor het leren en veranderen ook bij de ander. Wanneer hij de beloftes niet kan nakomen omdat hij de middelen (tijd, kennis, inzicht, …) niet heeft, is het zijn verantwoordelijkheid dit zo snel mogelijk duidelijk te maken. Eventueel dienen de randvoorwaarden aangepast te worden of wijzigingen in de afspraken te worden aangebracht. 

De feedback wordt afgesloten met een bekrachtiging van de al dan niet vernieuwde afspraken. Er werd dus nagegaan of ze nu wel SMART zijn. Verwacht niet dat de ander op dat moment reeds in actie schiet. De ander heeft namelijk vaak tijd nodig om de feiten te erkennen en de feedback te verwerken. Bedenk ook dat enkel als er sprake is van vrije keuze, de verandering van manier van werken een permanent karakter kan hebben. Laat de ander aangeven op welke termijn je hierop kunt terugkomen. 

Een beeld zegt vaak meer dan duizend woorden:

Bekrachtigende feedback.

Richtlijnen voor het ontvangen van feedback 

Eloïse, Edward en Elvire, ontvangen van feedback is niet evident. Feedback krijg je omdat de ander door jouw actie persoonlijk geraakt is. Doe je best om ook feedback ontvangen op een gestructureerde manier te laten plaatsvinden: 

  • Neem een lerende houding aan; 
  • Zorg voor een goede relatie;
  • Begrijp de feedback en de feedbackgever; 
  • Bedank de feedbackgever;
  • Beoordeel de feiten;
  • Beslis wat je met de feedback aanvangt. 

Neem een lerende houding aan 

Ga er a priori van uit dat feedback je persoonlijk iets oplevert. De mensen die het best zijn in het ontvangen van feedback, zijn diegenen die zich een lerende attitude aanmeten. Dit zijn mensen die beseffen dat zij niet alwetend zijn, maar voortdurend kunnen leren door ontvankelijk, verwonderd en leergierig te zijn. Leergierige mensen willen zichzelf ontplooien tot de best mogelijke versie van zichzelf. Ze zetten daartoe het creatief wisselwerkingsproces in. Ze gebruiken feedback als input voor hun leerproces. Als je jezelf een lerende attitude aanmeet, dan zal je merken dat je open staat voor allerlei feedback. 

Zorg voor een goede relatie 

Zorg ook voor een goede en gelijkwaardige relatie. Feedback is van groot belang voor effectieve samenwerking tussen mensen. Alleen in een goede, open en gelijkwaardige relatie is feedback op constructieve wijze mogelijk. Feedback is een onderdeel van een dialoog en tijdens een dialoog zijn de deelnemers gelijkwaardig.

Begrijp de feedback en de feedbackgever 

Als je feedback krijgt, is het eerste wat je moet doen deze trachten te begrijpen en niet in de verdediging te gaan. Vat feedback niet onmiddellijk op als een persoonlijke aanval. Beter is het de feedback voor kennisgeving aan te nemen en zorgvuldig na te gaan in hoeverre de inhoud van de feedback correct is. Ook hier is Sint-Franciscus’ regel goud waard: “Probeer eerst de ander te begrijpen vooraleer begrepen te willen worden.” Hierbij luister je actief. Luister goed en vraag om uitleg indien je niet direct begrijpt wat er met de feedback wordt bedoeld. Zorg ervoor dat de feedback concreet genoeg is, zodat je weet over welke actie het gaat. Vraag daarbij door naar de bedoeling. Het is belangrijk om naar de precieze strekking van de boodschap te vragen. Kortom, gebruik de vaardigheden van de eerste en tweede karakteristiek van Creatieve wisselwerkingAuthentieke Interactie en Waarderend Begrijpen. Let daarbij zeker op jouw non-verbale gedrag. Dit houdt in dat je verbaal en non-verbaal laat zien dat je aandacht hebt voor wat je gesprekspartner te zeggen heeft. Bedenk daarbij ook dat feedback ontvangen op een open manier niet wil zeggen dat je de feedback ook accepteert. Je moet er wel goed op reageren. Ga dus na of je de boodschap goed begrepen hebt, dit onder meer door gebruik te maken van de vaardigheid ‘bevestigend herhalen’. 

Bedank de feedbackgever 

Vergeet echter niet de feedbackgever te bedanken voor diens informatie. Dat klinkt misschien vreemd, maar als je feedback ziet als een leerinstrument, is dat zo gek nog niet. De ander geeft je informatie waarmee jij je voordeel kunt doen. Bovendien heeft de ander een zekere drempel moeten overschrijden om jou die feedback te geven. Hij geeft zich daarbij in zekere zin bloot: hij toont hoe hij jouw manier van werken opvat en loopt daarbij de kans dat ook zijn zwakke plekken zichtbaar worden. De ander vindt de relatie met jou echter zo belangrijk dat zij of hij het risico om afgewezen te worden neemt. Dit is op zich een bedankje waard! 

Beoordeel de feedback 

Wanneer je de feedback begrepen hebt, dien je deze te beoordelen. Vervang daarbij de ‘maar’ in de typische dooddoener ‘ja, maar’ door ‘en’. Denk bij die ‘ja, en’ goed na. In het omgaan met feedback speelt onzekerheid vaak een rol. Feedback is vaak ontzettend ambigu, dus voor meer dan één uitleg vatbaar. Ook hier komt de basisconditie ‘tolerantie voor ambiguïteit’ van pas. Pas ervoor op niet in jouw Vicieuze Cirkel terecht te komen. Inderdaad, feedback gaat in tegen een basisregel van de Vicieuze Cirkel. We hebben inderdaad van jongs af aan volgende regel geleerd: “Niet te tonen wat onaanvaardbaar is in onszelf én in de ander.” We moeten ervoor waken dat we niet in onze ‘natuurlijke’ ‘Fight, Freeze or Flight’-response terechtkomen. We dienen er bewust te kiezen voor een ‘Stay & Play’-houding. Dit kan je doen door rustig goed na te denken en zich daarbij volgende vragen te stellen: 

  • Vind ik deze feedback positief of negatief, terecht of onterecht? 
  • Hecht ik waarde aan deze feedback? 
  • Wat doet die feedback mij? 
  • Wat leert die feedback mij? 
  • Herken ik deze feedback? 
  • Heb ik deze al vroeger gehoord?
  • Kan ik bij anderen navragen of zij het ook zo (als de feedbackgever) zien? 
  • Kan ik er iets mee? 
  • Wil ik er iets mee? 
  • Wat zijn de consequenties als ik het op een andere manier doe? 

Beslis wat je met de feedback aanvangt 

Zodra je de feedback begrepen en geëvalueerd hebt, dien je te beslissen wat je er effectief mee zult aanvangen. Denk ook daar rustig over na. Alleen jij weet welk belang en welke functie je manier van doen voor je heeft. De mogelijkheden zijn: 

  • Er niets mee doen, omdat je de feedback als onzin hebt gecatalogeerd; 
  • Besluiten je manier van werken aan te passen (wanneer je de feedback terecht vindt); 
  • Bijkomende informatie vragen wanneer het je nog niet duidelijk is. Ga dus gerust terug naar de feedbackgever wanneer je nog op zijn opmerkingen terug wilt komen. 

Laat de feedbackgever weten wat jij met zijn commentaar doet. Als men besluit er niets mee aan te vangen, zeg dit dan ook! 

Je moet om feedback vragen! 

All lies and jest, still a man hears what he wants to hear and disregards the rest. 

Paul Simon, The Boxer 

Eloïse, Edward en Elvire, de term feedback roept tot nog toe in de praktijk nog veel weerstand op. Feedback wordt nog vaak geassocieerd met kritiek geven en dat is iets waarmee men iemand kan kwetsen zodat de relatie kan beschadigd worden. Feedback geeft men alleen als het nodig is of als er expliciet om gevraagd wordt. Het is nodig indien het gedrag van de persoon aanwijsbare consequenties heeft. Als feedback vragen een onderdeel is van de bedrijfscultuur, blijkt het veelal een succesvol instrument te zijn. Let wel, het is een onderdeel van een goede bedrijfscultuur als het doel is om ervan te leren, niet als men zich verplicht voelt feedback te vragen. Feedback vragen dient van binnenuit te gebeuren, niet van buitenaf opgelegd. Dan is het voordeel dat de vrager er in principe voor open staat. De vrager bepaalt immers zelf op welk moment aan wie feedback gevraagd wordt, en ook over welk aspect de feedback dient te gaan. 

In feite gaat het om een paradigmaverschuiving: van feedback geven naar feedback vragen. Gezien de Cruciale Dialogenmethodiek een middel is om te leren, dient duidelijk gemaakt te worden dat leren behoefte heeft aan het vragen van feedback. Feedback vragen is bevorderlijk om de genomen beslissingen vlug, effectief en efficiënt uit te voeren. Feedback vragen dient daarom onderdeel te zijn van het beslissingsmoment binnen de Cruciale Dialoog. Wanneer op dat moment degenen die bij de uitvoering van de beslissingen betrokken zijn aan elkaar om feedback, met betrekking tot die uitvoering, vragen, dan wordt die feedback nadien niet gezien als kritiek. De feedback wordt noodzakelijk geacht voor het snel en doeltreffend realiseren van de doelstellingen. Feedback wordt dan gezien als een essentieel element van het benutten van het lerend vermogen van diegenen die betrokken waren in de dialoog. 

Door het vragen om feedback komt de feedbackvrager meer te weten over zichzelf en zijn functioneren. Hij kan daarbij antwoorden krijgen op vragen als: 

  • Wat doe ik goed en wat doe ik fout? 
  • Hoe kom ik over op anderen: wat wordt als positief, wat wordt als negatief ervaren? 
  • Welke invloed heeft mijn manier van werken op anderen, welke reacties roep ik op? 
  • Hoe ga ik met feedback om: sta ik er echt open voor, kan ik op een correcte manier assertief reageren, zie ik feedback werkelijk als een onderdeel van mijn leerproces? 

Men werkt dan met ‘nieuwe stijl’ feedback. Bij ‘oude stijl’ feedback is het vooral de feedbackgever die iets wil veranderen (en minder de feedbackontvanger). In het nieuwe paradigma gaat het erom dat de ontvanger veranderen wil en vanuit die wil feedback over zijn functioneren vraagt. Feedback raakt op die manier onlosmakelijk verbonden met leren en het bereiken van doelen. 

Belangrijk voor succesvolle feedback is dat de feedbackvrager en feedbackgever zich bewust zijn van de relatie die ze met elkaar hebben. De relatie steunt op de gezamenlijke belofte de, in vorige fase gevonden en gekozen, oplossingen te verwezenlijken. In een relatie is het normaal dat men iets aan elkaar vraagt en dat men daar zorgvuldig mee omspringt. Zo ontstaat de volgende feedbackcyclus: 

  • Feedback vragen; 
  • Feedback geven; 
  • Feedback ontvangen; 
  • Feedback delen. 

Feedback vragen 

Door om feedback te verzoeken creëer je gevoelsmatig gelijkwaardigheid. Het vraagt om vertrouwen in de ander (basisconditie van de eerste karakteristiek) en het is tevens een mogelijkheid om vertrouwen te doen groeien. 

De kunst is nu de vraag om feedback te koppelen aan de beloftes die gedaan werden met betrekking tot het realiseren van de oplossingen. Men vraagt dus de ander de uitvoering van die activiteiten op te volgen en jouw functioneren te bevragen. Daarbij kies je van wie je feedback wilt krijgen en waarover. Daarbij ben je er zich van bewust dat je die feedback echt wil horen. Je vraagt er tenslotte om. Bovendien leg je de verantwoordelijkheid voor jouw leren bij jezelf. 

Feedback geven 

De kunst is dan de feedback zo te geven dat de groei van de vrager, diensq bewustzijn en reflectief vermogen erdoor bevorderd worden. Daardoor wordt ook de relatie tussen beiden verstevigd. Het geven van feedback moet op een zorgvuldige manier gebeuren. Nodig is daarbij dat de feedbackgever gebruikt maakt van gedeelde ervaringen (de een als uitvoerder, de ander als observator) en deze ook concreet benoemt. Daarbij verplaatst hij zich in de ander en beantwoordt hij de cruciale feedbackvraag: “Hoe kan ik zo feedback geven zodanig dat die bij de ander binnen kan komen?” Feedback is inderdaad bedoeld om de ander te laten reflecteren zodat zij of hij kan bijsturen. Het gaat om opbouwende kritiek. 

Uiteraard is de hoger vermelde gestructureerde manier van feedback geven hier volledig van toepassing. 

Feedback ontvangen 

Om feedback te kunnen ontvangen, is het nodig om stil te zijn. In de stilte kan de boodschap gehoord en verwerkt worden. Ontvangen is zoals eerder gesteld gericht op begrijpen.

Het is tevens het moment voor de feedbackgever om na te gaan of de feedback ontvanger zich herkent in de ontvangen informatie. Een belangrijk neveneffect kan zijn dat de vrager waardering ontvangt voor zijn bijdrage in de realisatie van de oplossingen. Het adagium: ‘Geen nieuws is goed nieuws’ kan door het vragen naar feedback doorbroken worden. Waardering wordt hierbij effectief uitgesproken. 

Feedback delen 

In dit deel van de cyclus evalueren de partners in het feedbackproces wat de betekenis is van het uitwisselen van de informatie voor zowel de betrokken individuen als voor de relatie. De ontvanger deelt me mee wat het effect is van de ontvangen informatie. Het met elkaar delen van die informatie is gericht op het verfijnen van de cyclus zelf en op het aanvaarden en waarderen van elkaar en het duidelijk maken wat men aan elkaar heeft. Het begrip interafhankelijke samenwerking krijgt hiermee een extradimensie en een concrete invulling. Feedback wordt daarbij een essentieel onderdeel van het veranderingsproces, dat bovendien ook een verrijkingsproces is, waarbij de deelnemers leren en groeien. 

De Functies van Feedback 

Eloïse, Edward en Elvire, feedback heeft meerdere functies: 

  1. Door feedback wordt positief – i.e. door jou gewenst – gedrag ondersteund en bevestigd. Daardoor wordt de ander gestimuleerd dergelijk gedrag te blijven vertonen. Door de gemaakte afspraken blijvend te honoreren worden ze een goede gewoonte. Deze feedback noemt met ook ‘Positive Reinforcement’. 
  2. Door feedback wordt negatief – dit wil zeggen, door jou niet gewenst – gedrag  gecorrigeerd. Op de ander wordt een beroep gedaan om de gemaakte afspraken na te komen. 
  3. Feedback verduidelijkt de relaties tussen de mensen. Je leert door feedback elkaar beter te begrijpen. Daardoor wordt de samenwerking positief beïnvloed. 

Positive Reinforcement 

Positive Reinforcement maximizes performances, 

while negative reinforcement gets a level of performanc

 that is just enough to get by. 

Aubrey Daniels 

Een specifieke feedback is dus ‘reinforcement’ of bekrachtiging. Dit is straffen of belonen om het gewenste gedrag te bekomen, een methodiek gebaseerd op ‘operante conditionering’. Operante conditionering omvat een proces waarin het gedrag van een mens verandert als gevolg van de consequenties die dat gedrag heeft. Gedrag is een antwoord (respons) op een prikkel (stimulus) en heeft altijd consequenties, die de waarschijnlijkheid beïnvloeden dat het gedrag herhaald of juist nagelaten wordt. Het bestraffen van ongewenst en het belonen van gewenst gedrag zijn de bekendste methodes om gedrag te veranderen. 

People do what they do because of what happens to them when they do it. 

Aubrey Daniels 

Men onderscheidt echter in totaal vier types bekrachtiging van gedrag[v] : twee types beloningen, consequenties die de waarschijnlijkheid van het herhalen van het gedrag verhogen en twee types straffen, consequenties die de waarschijnlijkheid van het herhalen van het gedrag verlagen: 

  • Positieve bekrachtiging: het toevoegen of versterken van positieve consequenties van gewenst gedrag; men krijgt iets wat men wil (R+); 
  • Negatieve bekrachtiging: het wegnemen van negatieve consequenties van gewenst gedrag; men ontsnapt aan of vermijdt iets wat men niet wil (R-); 
  • Positief straffen: toevoegen of versterken van negatieve consequenties van ongewenst gedrag; men krijgt iets wat men niet wil (P+); 
  • Negatief straffen: wegnemen van positieve consequenties van ongewenst gedrag; men verliest iets wat men heeft (P-). 

Het operante conditioneren is een van de twee opvattingen over leren binnen het behaviorisme. De behavioristische theorie is gebaseerd op de reeds vernoemde stimulus-responstheorie. Deze theorie stelt dat leren plaatsvindt wanneer een prikkel uit de leeromgeving (stimulus) een reactie in de vorm van een bepaald gedrag (respons) teweegbrengt. Een positieve stimulus leidt tot een sneller en beter leerresultaat en door een negatieve stimulus kan iets worden afgeleerd. Binnen het behaviorisme zijn er twee opvattingen over leren: de klassieke conditionering en de operante conditionering. 

De klassieke conditionering verscheen aan het eind van de 19de eeuw in het werk van de Russische fysioloog Ivan Petrovitch Pavlov. Tijdens een onderzoek ontdekte Pavlov dat de speekselafscheiding bij een hond plaats kon vinden zonder dat de hond voedsel voorgeschoteld kreeg. Kennelijk bracht het geluid van zijn voetstappen al speekselvorming bij de hond op gang. Hij ontwikkelde een testsituatie waarin de hond gelijktijdig met het voedsel een willekeurige stimulus kreeg zoals een klank, een prik of iets dergelijks. Na verloop van tijd bleek dat de stimulus dezelfde functie ging vervullen als het voedsel. De stimulus alleen al leidde bij de hond tot speekselafscheiding. Pavlov toonde hiermee aan dat de fysiologische of aangeboren reflex kon worden vervangen door een geconditioneerde reflex. Het gaat hierbij om een principe waarbij twee gebeurtenissen die vaak tegelijkertijd of vlak na elkaar plaatsvinden ertoe leiden dat de ene gebeurtenis dezelfde functie voor het gedrag kan krijgen als de andere. Pavlov ontdekte ook dat de geconditioneerde reflex weer uitdoofde wanneer de respons na de stimulus niet meer werd aangeboden. Pavlov nam aan dat alle menselijke gedragingen volgens dit type leerproces werden geleerd. 

De operante conditionering werd ontdekt door de Amerikaan Thorndike. Hij voerde aan het begin van de twintigste eeuw een experiment uit met de ‘puzzle-box’, waarin een hongerige kat werd geplaatst die – eerst door toeval via trial-and-error, maar later sneller en ten slotte gericht – tegen een knop kon duwen, waardoor een deurtje openging waarachter een lekker ruikende vis lag te wachten. Thorndike ontdekte de wet van het effect: gedragingen die tot succes leiden worden versterkt, de ineffectieve gedragingen worden verzwakt en doven ten slotte uit (extinctie). Hij concludeerde dat leren plaatsvond door de versterking of bekrachtiging van (gewenst) gedrag. Het grote verschil met klassieke conditionering is dat bij operant conditioneren de prikkel uitgaat van het organisme zelf en niet van buitenaf wordt gegeven. 

Skinner[vi] ontwikkelde op basis van ‘de wet van het effect’ een onderwijsvorm: de geprogrammeerde instructie. Bij deze methode beantwoorden leerlingen vragen in hun eigen tempo nadat ze kleine stukjes tekst hadden gelezen waarin de antwoorden op de vragen al zijn opgenomen. Onmiddellijk daarna krijgen ze feedback over de juistheid van het gegeven antwoord. De instructie is zo opgezet dat zo weinig mogelijk fouten worden gemaakt en dat leerlingen actief bezig kunnen blijven. Inmiddels is duidelijk dat de geprogrammeerde instructie geen wondermiddel is, omdat het leerproces van tevoren te veel wordt vastgelegd. 

Brownie, you’re doing a heck of a job 

President George W. Bush Praising FMEA Director Michael D. Brownie

 02 September 2005 despite incompetent handling of the aftermath of Hurricane Katrina 

Eloïse, Edward en Elvire, Positieve Bekrachtiging verhoogt niet alleen de waarschijnlijkheid van het herhalen van gewenst gedrag maar ook van ongewenst gedrag. Let dus goed op wanneer je complimenten geeft, en doe dus niet zoals President George W. Bush, die zich schromelijk vergiste door iemand te prijzen wanneer het voor iedereen al duidelijk was dat de respons op Katrina zwaar ondermaats was. Dus ook hier geldt: richt je op wat beslist niet mag (of op wat per se moet). Waardeer het gedrag dat wel gewenst is. Alles wat je aandacht geeft, groeit… ook het negatieve! 

We gaan er voor alle duidelijkheid van uit dat het al dan niet uitvoeren van de overeengekomen activiteiten geen probleem is van vaardigheden en middelen (je kan het al dan niet doen) maar van motivatie (je wenst het al dan niet te doen). Robert Mager beschreef die essentiële stap in het oplossen van een gedragsprobleem in zijn boek, ‘Analyzing Performance Problems’[vii]. In dit boek stelt hij voor een geladen Magnum.45-pistool op de slaap van de ‘niet-uitvoerder’ te houden en deze te vragen te doen wat was overeengekomen. Je waarschuwt hem meteen dat je, wanneer hij dit niet doet, de trekker zult overhalen. Wanneer hij het in die omstandigheden toch niet voor elkaar brengt, dan was het niet uitvoeren van de activiteit een ‘middelenprobleem’. Wanneer de persoon het dan wel voor elkaar brengt, dan was het niet uitvoeren van de activiteit een ‘motivatieprobleem’. Uiteraard is dit een weinig praktisch voorbeeld. Het geeft wel het belang aan van het nagaan waar het probleem zich stelt, vooraleer men actie onderneemt: op het niveau van kennen en kunnen of op het niveau van willen. 

Aubrey Daniels heeft de inzichten uit de operante conditioneringstheorie uitgediept en toegespitst op gedragsverandering binnen organisaties. Daniels stelt in zijn reeds geciteerd boek dat gedrag zich slechts op twee manieren laat veranderen: via het antecedent of via de consequentie Het antecedent is dat wat gebeurt vóór het gedrag plaatsvindt en de consequentie is dat wat gebeurt nádat het gedrag heeft plaatsgevonden. Dit is de ABC (Antecedent – Behavior – Consequence) – Analyse, een systematische methode om de antecedenten en consequenties die een bepaald gedrag (behavior) beïnvloeden systematisch te analyseren. De “A” staat dus voor het antecedent en kan in dit model gezien worden als een, meestal geplande, gebeurtenis. De “B” staat voor behavior (gedrag) en de “C” staat voor consequentie, doorgaans in de vorm van een bekrachtiging of een straf. Deze analyse hebben we reeds diepgaand behandeld in het deel rond gewoontevorming (deel VIII). Hieruit volgt dat operant gedrag door z’n consequenties wordt beheerst. 

Elk gedrag heeft een antecedent[viii]. Antecedenten hebben als kenmerk dat ze gedrag uitlokken, aanwakkeren en activeren, maar ze garanderen niet dat het gedrag ook daadwerkelijk zal plaatsvinden. Een antecedent werkt het best als dit een goede voorspeller is voor een (positieve) consequentie. Positief versterken houdt in dat de medewerker iets krijgt wat hij wil, nadat gewenst gedrag heeft plaatsgevonden. Positief versterken wordt veelal belonen genoemd. Het gaat erom dat de medewerker de consequentie ook daadwerkelijk als een beloning ervaart. Positief versterken heeft, naast de vergrote kans op het optreden van het gewenste gedrag, een aantal positieve bijeffecten. Hierbij kan worden gedacht aan een verbeterde arbeidsrelatie, meer plezier in het werk, grotere loyaliteit naar het bedrijf toe, plezieriger werksfeer en medewerkers die bereid zijn om iets extra’s te doen. 

Overigens kunnen consequenties zelf ook antecedenten zijn. Zodra bijvoorbeeld een leidinggevende zijn medewerkers een antecedent aanbiedt (verzoek om bepaalde acties uit te voeren die het probleem oplossen) en daarna zorgt voor positieve consequenties (een compliment bij het zien van het gewenste gedrag), dan kan de betrokken medewerker het compliment zien als een antecedent om blijvend die activiteiten uit te voeren. 

Om echt het beoogde resultaat op te leveren dient positieve versterking aan een aantal voorwaarden te voldoen: 

  • Positieve versterking moet positief zijn in het perspectief van diegene die de actie uitvoert, het gedrag vertoont, de versterking ontvangt en dient dus persoonlijk te zijn.
  • Positieve versterking dient zo snel mogelijk te volgen op het gedrag, dus direct. 
  • Positieve versterking moet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid volgen op het gewenste gedrag, dus frequent indien de prestatie frequent wordt geleverd. 

Positieve versterking moet, zoals reeds gesteld, wel verdiend zijn. Niets is zo funest om een positieve ‘stroke’ te geven na negatief gedrag. Het gevolg van het prijzen van een dergelijke prestatie is dat je meer krijgt van hetzelfde. Als je mensen prijst die risico’s (op niveau van veiligheid en/of van een ander werkgebied) nemen, dan kan je er van op aan dat ze in de toekomst nog meer risico’s zullen nemen. 

Corrigeren 

Corrigeren van ongewenst gedrag – in dit geval het niet uitvoeren van de beloofde acties – is wat volgt op een bepaalde manier van werken en de kans op herhaling ervan in de toekomst vermindert. Bij straffen krijgt de medewerker iets wat hij niet wil. Dit wordt ook ‘positief’ straffen genoemd. Het doel van dit corrigeren is het ongewenste gedrag te doen stoppen. Leidinggevenden die straffen, geven verwijten, berispingen en spreken medewerkers aan op de dingen die ze fout doen. Bij straffen neemt het afgekeurde gedrag af, maar de medewerker doet daarom nog niet wat hij wél had moeten doen. De bijeffecten van straffen zijn een verlaagde loyaliteit, “stiekem gedrag”, verhoogd ziekteverzuim, negatieve werksfeer, weinig wederzijds begrip en in sommige gevallen zelfs wraakzuchtig gedrag. 

Negatief straffen is dan weer het wegnemen van positieve consequenties van het ongewenste gedrag; men verliest iets wat men heeft, privileges bijvoorbeeld. 

Wat kiezen, positieve bekrachtiging of correctie? 

Eloïse, Edward en Elvire, zoals de beginquote van Aubrey Daniels aangeeft, is positieve versterking steeds beter dan negatieve, omdat het eerste de prestaties op het hoogst mogelijke niveau tilt en het tweede een niveau van prestaties oplevert dat juist het gestelde doel bereikt, en niets meer. Zelfs al bekom je resultaat met negatieve versterking, dan misloop je de substantieel betere resultaten die je zou verkrijgen met positieve versterking. 

Ook is het zo dat correctie enkel ethisch is, wanneer de uitvoerder aansprakelijk kan gesteld worden voor de uitvoering van zijn acties. Dit wil zeggen dat hij zelf een zo groot mogelijke controle moet hebben over het al dan niet uitvoeren van de van hem verwachte activiteiten. Anders gesteld, wanneer uitvoerders verondersteld worden bepaalde taken uit te voeren waarbij ze weinig of geen invloed kunnen uitoefenen, dan hebben we te maken met een inherent unfaire werksituatie. Unfaire en niet-realistische verwachtingen aan iemand opdringen, zet de Vicieuze Cirkel in gang. Een waarheid als een koe in verandering is: dat ik niet kan weten waar ik naartoe ga, indien ik niet weet waar ik nu ben. Versterkende feedback werkt als een soort spiegel, die mensen in zuiver contact brengt met hun gedrag en de consequenties ervan. Die feedback ‘giet’ als het ware de pomp van gedragsverandering op. 


[i] https://tonedeaf.thebrag.com/40-years-on-bruce-springsteen-the-wild-the-innocent-the-e-street-shuffle/2/

[ii] Mattheüs 25, 35: https://www.biblegateway.com/passage/?search=Mattheüs+25%3A35-40&version=HTB

[iii] Lucas 6, 39-42: https://www.gewijderuimte.org/node/186144

[iv] Luft, J. and Ingham, H. The Johari window, a graphic model of interpersonal awareness, Proceedings of the western training laboratory in group develop- ment. Los Angeles: UCLA, 1955. 

[v] Daniels Aubrey, C. Bringing out the best in people: how to apply the astoni- shing power of positive reinforcement. New-York, McGraw-Hill, 1999. 

[vi] Skinner Burrhus, F. The Technology of Teaching, Englewood Cliffs, NJ: Prentice-Hill, 1969. 

[vii] Mager Robert F. and Pipe Peter, Analyzing Performance Problems or You Re- ally Oughta Wanna, How to figure out why people aren’t doing what they should b, and what to do about it. Belmont, CA, Fearon-Pittman Publishers Inc., 1970. 

[viii] Daniels, Aubrey, C. Performance management. Atlanta: Performance Management Publications. 2006. 

BLIJF WAKKER ! – DEEL VIII

HOE GEWOONTEN AAN- EN AFLEREN?

Imagine you are in a car,

And your new selves can’t get in,

But your old selves can’t get out.

You can bring new vision and guidance in your life,

But you can’t forget who you’ve been 

And what you’ve seen

– Bruce Springsteen

Quote uit een ‘Rolling Stone’ interview[i]

(Habit, once formed, is one of the selves in the car)

Eloïse, Edward en Elvire, mensen zijn gewoontedieren[ii]. Ook in deze context, dus met betrekking tot gewoonten, is het enig correcte antwoord op de vraag uit het verhaal van ‘De boer en z’n Zen Meester’: “Is dat goed of is dat slecht?” (zie onder meer ook deel II) een volmondig JA! Sommige gewoonten zijn nu eenmaal goed (bv. het dagelijks correct tandenpoetsen is een gezonde gewoonte) en andere dan weer slecht (bv. dagelijks een tiental sigaretten roken is een ongezonde gewoonte). Goede gewoonten zou ik dienen te behouden (bv. dagelijks een half uur gaan doorstappen in de Lembeekse bossen) of aante leren (bv. beter begrijpend én waarderend luisteren naar m’n kleinkinderen). Minder goede gewoonten (voorbeeld: niet altijd luisteren, laat staan waarderend begrijpen van Bonnie) zou ik dienen af te leren. 

Sommigen beweren dat er noch goede, noch slechte gewoonten zijn. Er zouden enkel effectieve gewoonten zijn. Dit zijn gewoonten die effectief zijn in het oplossen van terugkerende problemen. Die hebben wel een punt. Alle gewoonten brengen iets op – ook de slechte. Het is zelfs omdat het iets opbrengt dat gewenst is dat wij een bepaald gedrag zolang herhalen tot het een gewoonte geworden is. Het klassieke voorbeeld is het roken van sigaretten (of tegenwoordig ‘vapen’, is het niet Edward?), dat geeft een zekere rust en een bepaald genot.

Het probleem is dat mensen, dus ook wij, onze dagelijkse routines niet zo makkelijk bijstellen en ze al helemaal niet door anderen laten opleggen.  Wanneer we ons eenmaal goede of slechte gewoonten hebben eigen gemaakt, komen we daar niet snel van af, want éthos (gewoonte) wordt èthos (karakter). Veranderen van gewoonten dient bovendien van binnen uit te gebeuren (in het geval van bovenstaande quote van Bruce Springsteen door de eigenaar van de wagen)!

Belang van gewoonten

Zonder gewoonten kunnen we niet goed functioneren in het dagelijkse leven.

Gewoonten zorgen ervoor dat we dingen doen zonder dat we er hoeven bij na te denken. De al bij al beperkte hersencapaciteit waarover we beschikken, kunnen we dan inzetten voor wat er echt toe doet. Inderdaad, de mentale energie die we niet hoeven te steken in onze gewoonten, kunnen we spenderen aan belangrijker zaken.

Heel wat resultaten zijn de gevolgen van gewoonten. Aan de hand van die resultaten kan men gewoonten catalogeren. Meestal spreken we daarbij, zoals hierboven, van goede gewoonten en slechte gewoonten. Het spreekt vanzelf dat goede gewoonten naar goede resultaten leiden. Zo leidt het dagelijks goed poetsen van de tanden tot het behouden van een gezond gebit. Slechte gewoonten leiden daarentegen naar minder goede resultaten. Zo leidt de gewoonte van het vaak eten van overvloedig ‘junk food’ tot obesitas (zwaarlijvigheid) en diabetes (suikerziekte).

Maar, Eloïse, Edward en Elvire, een gewoonte heeft meestal goede enslechte gevolgen. Zo leidt het reeds vermelde roken van sigaretten tijdelijk tot minder stress en wat genot enook, uiteindelijk, tot een longziekte. Daarenboven zijn de labels, die men aan gewoonten hecht, ‘goed’ en ‘slecht’ persoonsgebonden. Zij komen voort uit de persoonlijke interpretatie en appreciatie van de gevolgen. En wat we soms als ‘goed’ catalogeren, is dit, op de keper beschouwd, niet steeds. Dit komt onder meer omdat we de – voor ons – goede gevolgen hoger waarderen dan de minder goede. Kortom, die labels komen uit de mindset van de specifieke gecreëerde zelf.

Hoe ontstaan gewoonten?

We worden niet geboren met gewoonten. Gewoonten worden aangeleerd. Hierbij speelt het zogenaamde conditioneringsproces een cruciale rol. Dit proces wordt sterk beïnvloed door de cultuur waarbinnen het opereert. Het wordt mede daardoor ook socialisatie genoemd. Het is het proces waarbij een cultuur haar leden bepaalde overtuigingen, voorkeuren, gewoonten en de taal aanleert. Zo spreken wij, Eloïse, Edward en Elvire, Nederlands. Dit is een door onze cultuur aangeleerde gewoonte. Indien jullie in een andere cultuur waren grootgebracht, spraken jullie de taal ervan. Naast de cultuur ontwikkelen zich op persoonlijk vlak gewoonten door individuele voorkeuren en vooral ook door de werking van onze persoonlijkeVicieuze Cirkel.

Over het ontstaan van gewoonten zijn er heel wat boeken geschreven. Ik heb er nogal wat van gelezen. Dit omdat het menselijke gedrag mij ook professioneel boeide. Arbeidsongevallen hebben bijvoorbeeld veel te maken met gedrag, en dan nog voornamelijk met gewoontegedrag. Daardoor boeiden mij gewoonten, en hoe die ontstaan en veranderen, mij enorm. Wat mij daarbij opviel is dat alle auteurs van die boeken een eigen invulling geven aan het ontstaansproces van gewoonten. Gewoonten blijken namelijk te ontstaan volgens een drie stappen ontwikkelingsproces. Zo beschrijft onder meer Aubrey C. Daniels het klassiek geworden ABC plan[iii]. Het is een mnemotechnisch geintje dat steunt op de beginletters van het alfabet. In de Angelsaksische landen komt men zo tot volgende drie stappen: Antecedents – Behavior – Consequences. Mijn vertaling is wat krakkemikkig omdat ik persé de B wou behouden (anders speelde ik het ‘alfabet’ kwijt). Daarbij staat A voor Aansporing, dit is de prikkel om een bepaald gedrag te vertonen. B staat voor Behavior, dit is dan het getoonde gedrag. C tenslotte staat voor de Consequenties, dit zijn de gevolgen van het gedrag.

Nu ontstaan gewoonten door een bepaald gedrag zolang te herhalen dat het ingesleten geraakt. Aristoteles wist dit al, want hij stelde: “Wij zijn wat wij bij herhaling doen.” Dit wil zeggen het gedrag wordt vertoont zonder dat er nog bij wordt nagedacht. Als men niet meer nadenkt bij het uitvoeren van een bepaalde handeling, is die handeling inderdaad een gewoonte geworden. Het klassieke voorbeeld, dat door zowat alle auteurs van boeken rond gewoontevorming wordt meegegeven, is het volgende. Wanneer we een kamer binnen komen die donker is, gaat ons hand automatisch op zoek naar de lichtschakelaar om die in duwen. De donkere kamer is de Aansporing, de lichtschakelaar induwen is het Behavior (gedrag) en de verlichte kamer is de Consequentie van die handeling. De gewoonte is het middenstuk van de ABC keten. Dit voorbeeld maakt ook duidelijk waarom gewoonten simpelweg betrouwbare oplossingen voor terugkerende problemen kunnen genoemd worden[iv]. Gewoonten zijn ingesleten reflexen of rituelen. Het zijn met andere woorden mentale overbruggingen die we door ervaring leerden. Nog anders gesteld, Eloïse, Edward en Elvire, gewoonten zijn terugkerende handelingen waar we niet meer bij nadenken.

We hebben twee invalshoeken, twee bepaalde manieren om naar gewoonten te kijken. Meestal kijken we naar watwe met een bepaalde gewoonte wensen te bekomen. De output of consequentie is bij die manier van kijken belangrijk. Er is ook een tweede manier, Eloïse, Edward en Elvire en daar wil ik het in dit deel voornamelijk over hebben. Bij een gewoonte en dus ook bij gewoonte vorming is de input of aanleiding belangrijk. Die gewoonten, waarbij de input belangrijk is, zijn gekoppeld aan jullie identiteit. Deze tweede invalshoek start met de focus te richten op wiewe willen worden. Jullie hebben onderhand al begrepen dat dit voor mij onze Originele Zelfis. Onze actuele identiteit is wie we actueel zijn. Ik heb dit in vorige delen onze gecreëerde zelf genoemd. Onze Creatieve Zelf kan de gecreëerde zelf transformeren in de richting van onze Originele Zelf. Daarbij beleven we van binnenuit het proces waarmee wij geboren zijn, Creatieve wisselwerking.

Kortom, gewoonten worden gevormd door het inslijten van de identiteit die bestaat uit het geheel van aannames, vooronderstellingen en onderliggende meningen. Dit geheel noem ik nogal vaak onze mindset, wat kan vertaald worden als referentiekader, denkkader en mentaal model. Hierdoor wordt duidelijk dat we moeilijk gewoonten kunnen veranderen indien we niet onze mindset, die geleid heeft tot deze gewoonten, veranderen. Bij het veranderen van gewoonten gaat het voor mij, Eloïse, Edward en Elvire, niet zo zeer om het doel of om wat het opbrengt, maar om te veranderen wie ik ben; mijn gecreëerde zelf met diens unieke mindset. Daardoor blijven verbeteringen in gewoonten meestal slechts tijdelijk … totdat ze een deel worden van wie men is. Gewoonten zijn dus een inherent deel van onze gecreëerde zelf, onze mindset, ons individueel paradigma en onze individuele cultuur. Willen wij gewoonten af en aanleren dienen we dus onze gecreëerde zelf, onze mindset te veranderen.

En dat brengt ons naadloos terug naar het antwoord op de reeds in deze serie columns gestelde cruciale vraag: “Hoe kunnen we onze mindset veranderen gezien onze ‘mind’ dat zelf niet kan?”. Het antwoord op die vraag kennen jullie, Eloïse, Edward en Elvire onderhand wel: “Door het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking.’ 

Hoe meer we een bepaald gedrag vertonen, hoe meer we onze identiteit, verbonden met dat gedrag, versterken. Het begrip ‘identiteit’ werd origineel afgeleid uit de Latijnse woorden ‘essensitas’, wat ‘zijn’ betekend en ‘identidem’, wat ‘herhaald’ betekent. Identiteit betekent dus letterlijk: ‘herhaald zijn’. Het proces dat gewoonten bouwt is in wezen het proces waardoor men zichzelf, en dus (hopelijk) z’n Originele Zelf, wordt. De werkelijkheid  gebied mij om te stellen dat we slechts een verbeterde gecreëerde zelf bereiken, de Originele Zelf blijft het doel; doel dat we m.i. nooit bereiken (maar jullie, Eloïse, Edward en Elvire, mogen mij het tegendeel bewijzen).

In Systeemdenken taal zou men het zo kunnen zeggen: “Gewoonten vormen uw identiteit en uw identiteit geeft vorm aan uw gewoonten.” Het is dus een versterkende feedback lus totdat het gedrag gebeiteld is en dus een gewoonte geworden is. Zowel het aanleren, vormen van een gewoonte, als het afleren van een gewoonte, vergt herhaling en dus tijd. 

Nogmaals, Eloïse, Edward en Elvire, gewoonten hebben te maken met zichzelf worden. De echte vraag daarbij is: “Worden jullie wel de personen die jullie echt willen worden?” Onze parafrasering van deze vraag kennen jullie al: “Worden jullie wel jullie Originele Zelf?”. En de opdracht zit al besloten in de vraag. De praktische moeilijkheid van het verwezenlijken van die opdracht – met name de transformatie van de gecreëerde zelf – hangt af van het huidig verschil tussen de actuele gecreëerde zelf en de Originele Zelf. Gezien jullie nog meer jullie Originele Zelf zijn dan ik, is de moeilijkheidsgraad van jullie transformatie eigenlijk kleiner dan die van jullie grootvader Johan. Dat is alvast het goede nieuws! Voor jullie althans… En zoals zo vaak is de weg naar het doel uiterst interessant. Gelukkig maar, want het doel bereiken we volgens mijn persoonlijk inzicht nooit!

Zoals reeds gesteld is het transformatieproces het creatief wisselwerkingsproces. Ik heb dus gezocht naar die gewoonten die het creatief wisselwerkingsproces bevorderen. Ik heb ze ten slotte in m’n boek ‘Cruciale dialogen’ beschreven als zestien vaardigheden. Ik zal die vaardigheden in deze serie columns één voor één uitgebreid beschrijven.

Het creatief wisselwerkingsproces toegepast op gewoontevorming

Hierbij gebruik ik het Cruciale Dialoogmodel. Nogmaals, de linkerkant ervan is de zone van het denken, het midden de zone van de gevoelens en emoties, en de rechterkant de zone van het doen en dus van de transformatie.

In de denkfase horen uiteraard de aansporingen. Dit zijn informatie en data (‘triggers’) die het denken in gang zetten. Daartoe dient het helder bewustzijn ingezet te worden. Men dient dus ‘wakker’ te zijn. Carl Jung zei ooit: “Until you make the unconscious conscious, it will direct your life and you will call it fate.” Jung was ervan overtuigd dat het leven een doel heeft dat voorbij gaat aan het zuiver materiële. De primaire taak van iedere mens is het ontdekken en vervullen van haar of zijn diepgelegen innerlijk potentieel. Dit proces van transformatie, dat Jung ‘individuatie’ noemde, is een proces waarin we, stelde hij, trachten het Zelf tegen te komen, alsook het Goddelijke. Het proces van individuatie, of het differentiëren van het Zelf uit bewuste en onbewuste elementen, staat centraal in het werk van Jung[v]. Eloïse, Edward en Elvire, mijn denkkader is dus Jungiaans, met dien verstande dat ik het heb over de Originele Zelf, dat het Goddelijke voor mij Creatieve wisselwerkingis, en het transformatieproces het creatief wisselwerkingsproces is. Door blijvend Creatieve wisselwerkingvan binnenuit te beleven, wordt onze gecreëerde zelf continu verbeterd in de richting van de Originele Zelf. De gecreëerde zelf is dus idealiter niet statisch maar continu evoluerend. Dus kunnen we eigenlijk spreken van de continu evoluerende gecreëerde zelf.

Informatie heeft geen mening tenzij ze geïnterpreteerd wordt. Daarbij is het gekleurd bewustzijn aan zet. De interpretatie van de data leidt naar gevoelens en emoties.  Die vertalen zich in een verlangen naar verandering. Men is niet gelukkig met de actuele situatie, zoals gepercipieerd met behulp van de info en data. Daardoor verlangt men naar een gewenste situatie. Volgens onze visie is elk verlangen gekoppeld aan de wens om de gecreëerde zelf te veranderen. Dit leidt tot de creatiespanning. Dit is de spanning die men voelt wanneer men beslist de actuele gecreëerde zelf te gaan veranderen. Die spanning is een natuurlijke spanning die ontspringt uit het verschil tussen wat ik nu heb (de gepercipieerde realiteit met betrekking tot de gecreëerde zelf) en de toekomst die ik mezelf toewens (de gewenste gecreëerde zelf, dichter bij de Originele Zelf). Ze komt voort uit zowel de herkenning van het verschil als de erkenning van de eigen verantwoordelijkheid om die afstand te overbruggen. 

De respons is uiteindelijk de keuze van de gewoonte die men wil afleren of aanleren. Eerst dient men zich de nieuwe gewoonte voor te stellen (imaginatie) en nadien aan te leren (transformatie). Of men tot de effectieve realisatie van de respons komt, hangt af van de intrinsieke motivatie en van de frictie die de gedragstransformatie vergezelt.

De nieuwe gewoonte leidt naar een consequentie, met name de geëvolueerde gecreëerde zelf. De consequentie realiseert twee doelen: het stilt het verlangen en men heeft iets geleerd dat waard is om meegenomen te worden in de toekomst. Wat men geleerd heeft, komt neer op de het ervaren van de kracht van Creatieve wisselwerking. Edward, daarbij denk ik steevast aan Yoda’s kracht (“May the Force be with you!”).

Het creatief wisselwerkingsproces is idealiter niet iets dat sporadisch in werking is. Ideaal is het eerder een eindeloze feedback lus die elk moment actief kan zijn. En dat in elke fase van jullie leven, Eloïse, Edward en Elvire!

Men kan het proces ook zien als twee fasen: de probleem fase en de oplossingsfase. Zoals we al zagen heeft elke gewoonte tot doel een terugkerend probleem op te lossen.

De vaardigheden van het Cruciale Dialoogmodel zijn gewoonten die er voor zorgen dat we – theoretisch althans – uiteindelijk terug onze Originele Zelfworden.

De eerste stap is wakker worden en onze acties en gedachten observeren. Observeren zonder oordeel of interne kritiek (van de ‘Monkey-mind’). Dit is je zelf observeren zoals iemand anders dat zou doen, hoewel het zelf-observatie is. Gedurende de observatie fase bemerk je heel waarschijnlijk dat het verkieselijk is je een paar van de Creatieve wisselwerking vaardigheden eigen te maken. Je kiest één van die vaardigheden.

Dan doorloop je het proces dat in bovenstaande tekening is weergegeven (eerst de probleemfase en nadien de oplossingsfase) en beslist in het midden of je genoeg motivatie hebt om iets aan die vaardigheid te doen. Hier gebeurt overigens de omslag van het ‘wensen’ naar het ‘willen’. Dan zoek je manieren om je die vaardigheid eigen te maken. Daarna neem je de beslissing (rechts op de tekening) om je effectief die vaardigheid eigen te maken. Je mag tijdens die transformatie heel wat wrijving (frictie) verwachten. Die transformatie lukt indien de motivatiekracht grotere is dan de wrijvingskracht.

Een uitdrukking, die ik van Charlie Palmgren leerde, hou ik daarbij altijd voor ogen : “When the rubber meets the road.” Dit wil zeggen dat zolang men aan het nadenken is en zelfs wanneer met een besluit genomen heeft om iets in gang te zetten er van frictie geen sprake is. Het is enkel wanneer men beslist heeft ‘de hand aan de ploeg’ te slaan dat er wrijving onstaat. Daarin ligt het grote verschil tussen besluiten en beslissen. Bij een besluit is er zelden frictie, bij een beslissing bijna steeds. Deze laatste wordt bij sommige transformatie processen zodanig groot dat het proces tot stilstand komt en soms zelfs wordt afgeblazen. In het geval van gewoontenvorming komt dat er op neer dat de gewoonte nooit wordt gevormd. Anders gesteld, men blijft steken bij de intentie. Om toch succes te hebben bij het aanleren van een een nieuwe of het afleren van een oude gewoonte kan een implementatie intentie met bijhorend plan helpen.

Een goede manier om een gewoonte aan te leren[vi]

Een implementatie intentie is een op voorhand gemaakte verklaring met betrekking waar en wanneer men in actie zal schieten. Men maakt een planning betreffende de gedragsacties die nodig zijn om een bepaalde gewoonte in te slijpen.

Een implementatie intentie heeft volgende vorm:

“Wanneer situatie X zich voordoet, zal ik gedrag Y vertonen.”

Het doel van een implementatie intentie is om de situatie (plaats en tijdstip) zo duidelijk te maken zodat men het juiste gedrag vertoont totdat dit gedrag, mits genoeg herhaling, ingesleten is. Wanneer een gedrag een gewoonte geworden is, kan men meestal zelfs niet meer zeggen waarom men dit gedrag automatisch vertoont.

Hoe strakker je een aan te leren gewoonte verbindt met een specifieke situatie (die dan optreedt als aanleiding – zie het ABC van gewoontenvorming), hoe groter de kans dat men effectief aangezet wordt tot het vertonen van dat gewoontegedrag.

Heel belangrijk daarbij is dat we de werkelijkheid correct “zien”.  In feite gebruiken wij alle zintuigen om te observeren – de vijf klassieke en het zesde zintuig, de intuïtie – en wat wij observeren wordt geïnterpreteerd door ons brein en onze ‘mindset’. 

Het idee dat een beetje discipline voldoende is om al onze problemen op te lossen is een in onze cultuur ingebakken illusie.  Belangrijker dan discipline is het coderen van een gewoonte. Eens dat is gebeurt volgt de gewoonte automatisch wanneer de aanleiding zich voordoet.  Dit is echter ook het geval met zogenaamde ‘slechte’ gewoonten. Die zijn meestal autokatalytisch: het proces voedt zichzelf. Het gedrag is daarbij de katalysator van z’n eigen vorming. Omdat er aan het begin van deze autokatalistische reactie weinig ‘product’ (i.e. gedrag) aanwezig is, komt de transformatie traag op gang. Ze gaat bij een slechte gewoonte wel veelal tot de finish!

Het afleren van gewoonten[vii]

Je kan een gewoonte afleren door ze te vervangen door een andere gewoonte. Maar een oude gewoonte ‘vergeet’ je nooit (cf. ‘de macht der gewoonte’). Die is ingesleten in jouw brein. De reden daarvan is dat een gewoonte in de hersenen kan gezien worden als een koppeling tussen twee synapsen. Bij onderzoek van het geheugen is men tot de bevinding gekomen dat elke gewoonte te maken heeft met neuronale circuits in de hersenen. De neuronale circuits, die aan de basis liggen van het ontstaan van een gewoonte, bestaan uit drie componenten, met name gedachten, gevoelens en gedrag. Dit komt dus exact overeen met onze voorstelling van gewoontevorming: denken, voelen en doen (zie de tekeningen van dit deel). Gewoontevorming ontstaat door veranderingen in de sterkte van de verbindingen tussen neuronen, die ervoor zorgen dat herinneringen gecodeerd en opgeslagen worden in het centrale zenuwstelsel. Wil men een nieuwe gewoonte aanleren dient men dus nieuwe neuronen verbindingen te creëren. Wanneer er een aanleiding is om die nieuwe gewoonte te realiseren, worden deze verbindingen aangesproken. Dit ten koste van de oude verbindingen van de af te leren gewoonte. Evenwel worden de oude verbindingen nooit volledig verbroken, zelfs indien ze een hele tijd niet aangesproken worden. Men kan jaren gestopt zijn met roken of het overmatig drinken van alcohol, wanneer men plots in een emotionele crisis terecht komt, is de kans reëel dat men in de oude gewoonte hervalt. 

Elke gewoonte lenigt een verlangen en heeft een dieperliggende reden. Het verlangen is daarbij een specifieke uiting van de dieper onderliggende reden. Dieper liggende redenen blijven meestal bestaan, het specifiek gedrag, om het verlangen gebaseerd op de onderliggende reden te lenigen, kan gewijzigd worden. 

Onze huidige gewoonten zijn niet noodzakelijke de beste manier om een probleem op te lossen. Bijvoorbeeld roken of een stevige borrel drinken om stress te reduceren [cf. de succesvolle reclameslogan (de jaren 1975-1986): “Schat, staat de Bokma koud.”] 

Ons gedrag hangt voornamelijk af van hoe we de gebeurtenissen die ons overkomen interpreteren en dus niet van de obectieve realiteit betreffende deze gebeurtenissen. Men zou kunnen stellen dat ons gedrag meer verbonden is met ons gekleurd bewustzijn en minder met ons helder bewustzijn.  En de interpretaties creëren ogenblikkelijk gevoelens. Onze gevoelens en emoties transformeren het verlangen in een mogelijke respons. Wij maken een voorstelling, een beeld van de toekomstige realiteit. 

We verlangen dus iets wat er nog niet is. We wensen dit verlangen te lenigen. Er is dus een wezenlijk verschil tussen de huidige gepercipieerde realiteit en de gewenste toekomstige realiteit. En dit verschil levert de nodige energie om in actie te schieten. Het is de spanning tussen de twee die omgezet wordt in de transformatie beweging en het ‘wensen’ is nu wel degelijk omgezet in ‘willen’.

TOEKOMSTIGE REALITEIT

HUIDIGE REALITEIT

Afleren hardnekkige ‘slechte’ & aanleren harde ‘goede’ gewoonten

Gewoonten worden gevormd door een specifiek proces dat we het ABC proces genoemd hebben. Nogmaals, daarin staat de A voor de aanleiding om een bepaald gedrag te vertonen, B voor het gedrag zelf en C voor de consequentie die volgt op het gedrag. Opmerkelijk is dat op den duur de Consequentie de Aanleiding vormt voor het gedrag. Zeker in het geval dat deze Consequentie snel volgt op het vertonen van het gedrag (B). Wanneer een Consequentie snel volgt op een gedrag en bovendien zeker is, dan wint dat specifieke effect het van een Consequentie die langzaam volgt op een bepaald gedrag en bovendien onzeker is. Zo wordt de roker verleidt om te volharden in de boosheid, hoewel zij of hij pertinent weet dat roken een voor de gezondheid slechte gewoonte is. Dit komt omdat het positief gevolg, bekomen van rust en genot, direct van bij de eerste haal voelbaar is en dat bij elke sigaret, terwijl het mogelijk negatief gevolg, longkanker, eerst heel veel jaren nadien zal verschijnen en misschien zelfs nooit. Wanneer de longkanker zich uiteindelijk onverhoopt toch manifesteert is de roker ‘plots’ geneigd wel te stoppen. Hoewel het er dan veelal niet meer toe doet…

Dus de consequenties kunnen veelzijdig zijn. Zo kan een consequentie positief zijn of negatief zijn. Voor elke van die twee onderverdelingen kan die consequentie snel volgen op het gedrag of traag volgen op dit gedrag. Daarbij kan men nog de onderverdeling ‘zeker’ en ‘onzeker’ onderscheiden. Meestal is een consequentie die snel volgt op een gedrag ook zeker. Hoewel dit niet altijd zo is. Zo wordt de consequentie ‘overdreven snelheid’, die wel snel en zeker volgt op het gedrag (het hard indrukken van het gaspedaal) niet altijd gevolgd door een tweede negatieve consequentie ‘boete’. Een en ander kan door volgende tekening voorgesteld worden, hoewel uiteraard heel wat varianten daarvan mogelijk zijn:

Wat dus veel voorkomt is dat bij sommige gewoonten de Consequentie terugkoppelt. Het directe zekere positieve gevolg (C+ volgt SNEL en zeker) wordt daardoor de aanleiding voor het herhalen van het gedrag totdat het een gewoonte is geworden.

Ander gedrag – dat nochtans positieve effecten op langere termijn heeft – wordt moeilijk genoemd, omdat het ook een direct en zeker negatief gevolg (C- volgt SNEL en zeker) heeft. Voorbeeld daarvan is een dagelijkse stevige wandeling van een half uur in de Lembeekse bossen. Indien men daar in de herfst aan begint zijn de directe negatieve gevolgen legio: verkleumde handen, stijve spieren, … Daardoor krijgen de hersenen het signaal ‘Herhaal NIET!!!’. Het directe negatieve gevolg verdringt de aanleiding (‘het is beter voor m’n gezondheid’). Het positieve effect is slechts na maanden zichtbaar: men ‘voelt zich beter’ en het ‘gemiddeld suikerniveau in het bloed’ is merkelijk gedaald. Maar indien het gedrag geen kans krijgt om een gewoonte te worden, is men er aan voor de moeite. De positieve gevolgen hebben in dat geval niet de kans om merkbaar te worden.

Hierbij is, Eloïse, Edward en Elvire, een uitspraak van de Vlaamse – veel te vroeg gestorven – dichter, Herman de Coninck in m’n geheugen gegrift: “Wat geen moeite kost, is vaak de moeite ook niet waard.” Die gevleugelde uitspraak is geldig bij het aanleren van elke ‘moeilijke’ Creatieve Wisselwerking gewoonte en het afleren van elke ‘leuke’ Vicieuze Cirkel gewoonte.

Zo gebruik ik zelf om af te komen van een hardnekkige negatieve gewoonte of het aanleren van een harde positieve gewoonte de vaardigheid ‘Herkaderen’ van het creatief wisselwerkingsproces. Ik zal in de loop van deze reeks columns die vaardigheid diepgaand beschrijven. Voorlopig beperk ik mij met te stellen dat herkaderen neerkomt op anders naar de werkelijkheid te kijken. Daarbij ga ik de positieve effecten van een hard ‘goed’ gedrag versterken en de negatieve effecten ervan afzwakken. Uiteraard doe ik het bij een hardnekkig negatief gedrag andersom. In beide gevallen neem ik mijn Mindset tegenvoets. Ik ga daarbij ook op zoek naar de onderliggende oorzaken van m’n slechte gewoonten en herkader de associaties die ik met die oorzaken heb. 

Zo stopte ik ooit met roken nadat ik op tv gezien had hoeveel teer er zich gemiddeld in de longen ophoopt gedurende een jaar, indien men een pakje sigaretten per dag rookt (wat ik toen deed). De liter teer werd op een rood vierkant vloeipapier uitgegoten en de grote vlek inktzwarte smurrie deed mij inzien dat ik echt geen tien jaar meer hoefde te wachten om m’n gewoonte af te leren. 

Het aanleren van de goede gewoonte ‘dagelijks een half uur stevig gaan stappen’ in de Lembeekse bossen, startte ik in de vroege lente van 2018. De aanleiding was een nogal ‘dwingend’ advies van m’n huisarts, dr. Inge De Gussem. De zomer was uitzonderlijk, dus geen probleem met verkleumde handen en tijd zat om stevige handschoenen te voorzien tegen dat het koud werd. Ook mat ik zelf regelmatig (om de 2 à 3 dagen) het suiker gehalte in m’n bloed. Door die metingen werd het positieve effect van deze inspanning redelijk snel duidelijk. Dus heel wat vroeger dan bij de driemaandelijkse controle bij de huisdokter, waar m’n metingen bevestigd werden. Het schouderklopje dat ik van Inge De Gussem kreeg, was dan nog een bijkomend positief effect. Nu kan ik zeggen dat m’n dagelijkse wandeling een gewoonte geworden. Ik voel mij onwennig, en zelfs een beetje ongelukkig, indien die gewoonte, het stevig doorstappen in de Lembeekse bossen, door omstandigheden op een bepaalde dag onmogelijk is.

Hoelang duurt het vooraleer een gewoonte effectief gevormd is?

Gewoontevorming is een proces waarbij een bepaald gedrag progressief een gewoonte wordt door langdurige herhaling van dat gedrag. Hoe meer een gedrag herhaald wordt, hoe meer het ingesleten raakt in het brein en daardoor wordt het gedrag niet alleen makkelijker maar hoe langer hoe meer een gewoonte. Neurowetenschappers noemen dit ‘Long-term Potentiation’ of LTP, een proces waarbij verbindingen tussen neuronen sterker worden door frequente activering: 

Herhalen van een gedrag veroorzaakt duidelijke fysische veranderingen in het brein. Nieuwe gewoonten vereisen niet alleeen een veelvuldige herhaling van het gedrag, ze vereisen ook een hoge frequentie van het vertonen van dit gedrag. Er moet een hoge reeks herhalingen van een bepaald gedrag in een relatief korte tijd uitgevoerd worden, willen wij een kans maken dit specifieke het gedrag inslijt en een gewoonte geworden is. 

Wat die frequentie is en hoe lang het duurt vooraleer een bepaald gedrag effectief een gewoonte wordt, is nog niet volledig uitgeklaard. Gebaseerd op talloze wetenschappelijke artikelen kwam Charlie Palmgren aan ‘28 opeenvolgende dagen minstens één keer het nieuwe gedrag vertonen’. Niet dat dit foutloos dient te gebeuren. Het gedrag dient echter wel te worden gesteld. Wachten op de perfectie is ook hier uit de boze. Maar één dag het gedrag totaal niet vertonen, betekent dat de teller terug op nul wordt gezet. Niet verwonderlijk dat harde gewoonten zelden ingesleten raken. De kans dat een gewoonte effectief gevormd wordt is veel groter indien men haar of zijn vertonen ervan dagelijks monitort. Tegenwoordig zijn er hiervoor prachtige apps op de markt. Het handige van deze apps is, dat ze je ook attenderen op het oefenen en dat ze je voortgang bijhouden. Zelf heb ik nog geen app gebruikt en ik plan dit eerstdaags te doen. Ik heb gekozen voor de strides app[viii]. Nu nog een aan- of af te leren gewoonte kiezen voor ik ermee start in het voorjaar van 2019. Misschien wordt het gebruik van deze app wel een gewoonte …  

Ik nam het magisch getal 28 in mijn cursussen over omdat er nogal wat gebeurtenissen in de natuur volgens dit schema verlopen. Zoals: de ‘normale’ menstruatie cyclus bij de vruchtbare vrouw, de duurtijd van één omwenteling van de maan rond de aarde, de tijd die nodig is om beton ‘natuurlijk’ te laten harden, … De eerlijkheid gebied mij jullie, Eloïse, Edward en Elvire, te zeggen dat die vuistregel geen wetenschappelijke grond heeft. Het getal 28 is dus niet meer dan een metafoor om te duiden dat het aanleren of afleren van een gewoonte geen handeling is zoals het drukken op een lichtschakelaar. Daarvoor is meer nodig. Iets wat ik soms met een andere quote duidde: “Blood, sweat and tears.[ix]” Maar zoals gezegd, wat geen moeite kost, is vaak de moeite ook niet waard!


[i]Steve Heisler. The Missing Link. Teaching and Learning Critical Skills.Lanham MA : Rowman & Littlefield Education, 2014. Page 3.

[ii]De uitspraak “De mens is een gewoontedier” wordt veelal aan Aristoteles (384 v. Chr. – 322 vr. Chr.) toegeschreven. Hij zei ook ooit: “We zijn dat, wat we bij herhaling doen.” Dus wat ik hier neerschrijf is niet zo nieuw.

[iii]Aubrey C. Daniels. Bringing Out the Best in People: How to Apply the Astonishing Power of Positive Reinforcement.New York, NY: Mc Graw-Hill, Inc. 1999. Bladzijden 34-40.

[iv]“Habits are, simply, reliable solutions to recurring problems in our environment.” Quote Jason Hreha: Why Our Conscious Minds are Suckers for Novelty.” Revuehttps://www.getrevue.co/profile/jason/issues/why-our-conscious-minds-are-suckers-for-novelty-54131, geraadpleegd op 25 feb. 2019

[v]http://www.dejongepsycholoog.be/theorie/8-inspirerende-citaten-carl-gustav-jung/geraadpleegd op 25 feb. 2019

[vi]James Clear. Atomic Habits: An Easy and Proven Way to Build Good Habits and Break Bad Ones.London, GB: Random House Business Books, 2018, bladzijden 69-79.

[vii]Quote Tom Lanoye: “Een mens is een gewoontedier met afkickverschijnselen.” Uit Tom Lanoye, Het Derde Huwelijk. Amsterdam: Prometheus, II, 5.

[viii]https://www.stridesapp.com

[ix]Quote die veelal toegeschreven wordt aan sir Winston Churchill wegens de frase “I  have nothing to offer but blood, toil, tears and sweat” uit diens speech in het Britse Lagerhuis (House of Commons) op 13 mei 1940 : https://yle.fi/vetamix/media/doc/tal_19400513_Churchill_Blood_Sweat_and_Tears.pdf