Tagarchief: D. F. Rice

SAWUBONA, HANNAH ARENDT – DEEL IV

Waar zijn we wanneer we denken?

In haar boek Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) stelt Hannah Arendt na het beantwoorden van de vraag “Wat zet ons aan het denken?” volgende bijkomende vraag: “Waar zijn we wanneer we denken?”

We leerden al dat het denken een activiteit is die zichzelf tot doel heeft en dat de enig passende metafoor ervoor het gevoel is ‘in leven te zijn’. “Ik denk, dus ben ik in leven” wat het vertrekpunt was van de filosofie van Descartes.

Maar, waar vertoeven we als we aan het denken zijn, vraagt Hannah Arendt zich af.

Zoals in vorige columns aangetoond, wordt het denken gevisualiseerd door de linker lus van m’n Cruciale Dialoogmodel:

Dus zou ik Hannah’s vraag kunnen beantwoorden met: “We bevinden ons in de linker lus van het Cruciale Dialoogmodel.” Dit antwoord leidt dan automatisch naar volgende vraag: “Maar waar bevindt die linker lus zich?”

Tantôt je pense et tantôt je suis (Valéry): het nergens

De dichter Paul Valéry verdraaide de beroemde formule van Descartes en zette daarmee de Franse nationale trots een dot van een neus. Terzelfdertijd zet die uitspraak de filosofische kwestie van het Denken en het Zijn op scherp. Het is alsof denken en werkelijk zijn elkaars tegengestelde zouden zijn. Descartes leidt het bestaan van zichzelf (en dus van mensen) af uit hun vermogen om te redeneren. Valéry nuanceert de conclusie van Descartes met een vermakelijke elegantie: natuurlijk denk ik soms, en laten we wel wezen… ik denk alleen maar soms! Hannah Arendt gebruikt die oneliner van Paul Valéry meesterlijk om haar punt te maken. 

Hannah Arendt (2021, pp. 218-220) formuleert drie stellingen:

1. Het denken gebeurt altijd wanneer men in rust is. Het denken onderbreekt alle gewone activiteiten en wordt door die activiteiten onderbroken;

2. Het denken lijkt ‘werkelijk’, terwijl al wat enkel ‘is’, zo vluchtig lijkt dat het net is alsof het niet bestaat. Arendt citeert daarbij Hegel’s stelling: “Was gedacht ist, ist; und was ist, ist nur, insofern es Gedanke ist.” (Wat gedacht wordt, is; en wat isis alleen maar voor zover het gedacht wordt);

3. Deze vreemde kenmerken van het denken komen voort uit de terugtrekking die inherent is aan alle mentale activiteiten; het denken laat zich altijd in met dingen die afwezig zijn; het verwijdert zich uit wat aanwezig en dicht bij de hand is. 

Uiteindelijk komt ze tot het besluit dat het denkende ego ‘nergens’ is:

Het denkende ego, dat zich in het universele beweegt, tussen onzichtbare essenties, is strikt genomen nergens: het is in een nadrukkelijke zin ontheemd – wat het vroege ontstaan van een kosmopolitische geest onder filosofen zou kunnen verklaren. (Arendt, 2021, p. 220)

Volgens haar was Aristoteles zowat de enige grote denker die dat besef had. Deze prijst in Protreptikos de bios theôrêtikos, omdat “die noch middelen noch plaatsen nodig heeft om te worden beoefend; wie zich, waar op aarde ook, aan het denken wijdt, zal overal de waarheid bereiken alsof ze daar aanwezig is”. (Arendt, 2021, p. 221)

Om nadien te stellen dat haar vraag naar de plaats van het denkende ego een misplaatste vraag is en dat omdat:

Het denkende ego is “overal” – het verzamelt in zijn aanwezigheid al wat het belieft, vanuit gelijk welke afstand in tijd en ruimte, want die doorkruist het met een snelheid, groter dan die van het licht. Maar bekeken vanuit het perspectief van de alledaagse wereld van de verschijnselen, is dit “overal” een “nergens”. (Arendt, 2021, p. 221)

En gezien we bestaan, want we denken, is dit ‘nergens’ niet het tweevoudig nergens van voor en na ons bestaan. Wat Arendt (2021, p.222) dan weer aanzet om na te denken over onze eindigheid:

De eindigheid van de mens is onherroepelijk, krachtens zijn eigen korte tijdsspanne in de tijd, die zich zowel in het verleden als in de toekomst oneindig uitstrekt. Deze eindigheid is als het ware de infrastructuur van alle mentale activiteiten: ze manifesteert zich als de enige werkelijkheid waarvan het denken als denken besef heeft, wanneer het denkende ego zich uit de wereld van de verschijnselen heeft teruggetrokken en het gevoel van werkelijk-zijn, inherent aan de sensus communis waarmee we ons in de wereld oriënteren, verloren heeft. 

Daaruit besluit Arendt dat Valéry’s opmerking – die ze interpreteert als wanneer we denken, zijn we niet – juist zou zijn indien ons gevoel van werkelijk te bestaan enkel zou bepaald worden door ons ruimtelijk bestaan. Wij zijn echter niet enkel in de ruimte, we zijn ook in de tijd, merkt Arendt (2021, p. 222) fijntjes op. Tijdens het denken herinneren we ons zaken, plukken die uit het geheugen en met de wil anticiperen we tijdens het denken op (en plannen we) wat nog niet is. De conventionele tijdlijn is dwingend in haar opvolging, vandaar dat in m’n Cruciale Dialoogmodel de linker lus het verleden, het midden het heden en de rechter lus de toekomst is.

De bres tussen verleden en toekomst: het nunc stans

Arendt stelt dat tijdens het denken over ‘wat niet meer is’ gaat over wat achter ons ligt en denken over ‘wat nog niet is’ ons van voren nadert (en duidt dat laatste met het Duitse ‘zukunft’ en het Franse ‘avenir’, als “wat toekomt”). Daarmee wordt het tijdscontinuüm verdeeld in drie tijdsdimensies: verleden, heden en toekomst. Arendt (2021, p. 224) ziet verleden en heden als elkaar tegenstanders en begrijpt ze als antagonistische krachten. Die krachten grijpen aan in het heden, dat ze ziet als de bres tussen verleden en toekomst. Die visie is ook gesymboliseerd in de tegenstrijdige krachten tussen de gewenste realiteit (de toekomst) en de huidig realiteit, die gecreëerd werd door het verleden. Deze spanning tussen verleden en toekomst werd door Fritz (1989) ‘structurele spanning’ genoemd:

Origineel concept is van Robert Fritz. Figuur uit Senge, P.M. (1992) De vijfde discipline, p. 153

De bres tussen verleden en toekomst wordt gezien als de arena van de vechter. Die vechter, de mens, is continu gevangen tussen zijn verleden (links) en de toekomst (rechts) en de spanning grijpt in op diegene die zijn heden beleeft. Dit heden is zowat het vluchtigste wat er is, terwijl je het aanwijst is het reeds verleden. De mens leeft in dit ‘tussen’ tijdsgewrocht en vecht een levenslange strijd tegen het dode gewicht van het verleden dat hem tegen wil houden en de hoop op de toekomst die hem voortstuwt, of anders gesteld, de hoop die hem vooruit stuwt naar een betere toekomst en een vrees voor die toekomst (met als enige zekerheid de dood) die hem terugdrijft naar de zekerheid van het verleden. Met nostalgie naar en herinnering aan de enige werkelijkheid waar de mens zeker van kan zijn, schrijft Arendt (2021, p. 226). 

Zelf zie ik dat als een continu gevecht tussen het gecreëerde zelf, die door z’n Vicieuze Cirkel vastzit in z’n ‘gouden kooi’ en het Originele Zelf die het actuele zelf aantrekt in de richting van z’n hoogste niveau en hopelijk het (continu) evoluerend zelf wordt. Dus terug de twee raderen die in elkaar inwerken, niet af en toe, eerder quasi continu (Roels, 2012, p. 305). Dit gevecht wordt enig mooi beschreven door Henry Nelson Wieman (1990, p. 72):

Man is made for creative transformation as a bird is made for flight. To be sure he is in a cage much of the time. The bars of the cage are the resistances to creative transformation which are present in himself and in the world round about. Also, like most birds when long confined, he settles down in time and loses both the desire and the ability to undergo creative transformation. But in childhood creativity dominates. The mind expands its range of knowledge and power of control, its appreciative understanding of other minds and its participation in the cultural heritage. At no other time is there so much expansion and enrichment of the mind and of the world which the mind can appreciate. But resistances are encountered, which bring on anxiety, frustration, failure and misunderstanding. To avoid suffering, the mind becomes evasive and creativity dies down.  The bird ceases to beat against the bars of the cage.

Arendt (2021, p. 225) citeert een allegorie van Friedrich Nietzsche uit diens Aldus sprach Zarathoestra. De allegorie start wanneer Zarathoestra aankomt bij een doorritpoort, die kan gezien worden als het gemeenschappelijk punt van twee wegen. Een weg naar en een weg van de poort.  

Twee wegen komen hier te zamen; die wegen liep niemand nog ten einde. Deze lange weg terug: die duurt een eeuwigheid. En die lange weg rechtuit – dat is een andere eeuwigheid. Ze spreken elkander tegen, deze wegen; ze stoten elkaar recht voor het hoofd: – en hier bij deze wegpoort is het, dat zij elkander raken. De naam van de poort staat er boven geschreven: “ogenblik” (“Augenblick”). … Zie dit ogenblik! Vanuit deze doorrit-poort “Ogenblik” loopt een lange eeuwige weg terug: achter ons ligt een eeuwigheid. [En voorwaarts leidt een andere weg in een eeuwige toekomst.] 

De persoon die in die in de doorritpoort staat ziet dit als twee wegen, van op een afstand bekeken is er uiteraard enkel een doorlopende weg. De ‘botsing’ ervaart enkel diegene die op dat ogenblik op die bewuste plaats staat. Zij of hij staat dan in het ‘nu’. Enkel voor haar of hem is het alsof Verleden en Toekomst tegenelkaar knallen. De eeuwigheid (en dus Nietzsche’s eeuwige terugkeer) is het ‘nu’.

In het dagelijkse leven bestaat die bres omzeggens niet, de continuïteit van onze activiteiten zorgt voor een tijdscontinuüm: we doen vandaag verder met wat we gisteren begonnen en morgen hopen af te maken. De bres tussen verleden en toekomst opent zich alleen in reflectie. Tijdens die reflectie wordt wat afwezig is, want we zijn niet aanwezig in het heden, binnen de aanwezigheid van de geest getrokken. Arendt (2021, p. 227) ziet die denkactiviteit als een gevecht met de tijd zelf:

Alleen omdat “hij” denkt, en dus niet langer meegesleept wordt door de continuïteit van het dagelijkse leven in een wereld van verschijnselen, kunnen het verleden en de toekomst zich als pure entiteiten manifesteren, zodat “hij” een besef kan krijgen van een niet- meer dat hem vooruitduwt en van een nog-niet dat hem terugduwt. 

Die bres kan gezien worden vanuit het standpunt van het denkende ego als een onbeweeglijkheden, een nunc stans. Dit is de betekenis van de stop in ‘stop and think’ van reflectie. De tijd wordt bevroren tot het staande nu, het nunc stans. En gedurende dit staande nu wordt het Cruciale Dialoogmodel doorlopen en dat in alle richtingen en aan lichtsnelheid.

Arendt (2021, p. 232) zegt nog over het nunc stans het volgende:

De temporele dimensie van het nunc stans die in de denkactiviteit ervaren wordt, brengt de afwezige dimensies, het nog-niet en het niet-meer, samen in zijn eigen heden. Dit is Kants “land van het zuivere verstand” (Land des reinen Verstandes), “een eiland, dat door de natuur zelf met onveranderlijke grenzen is ingesloten” en “dat wordt omgeven door een wijde en stormachtige oceaan”, de zee van het alledaagse leven. Ik denk niet dat dit “het land van de waarheid” is, maar het is zeker het enige domein waar het betekenisvolle geheel van iemands leven zichzelf kan tonen. Voor sterfelijke mensen, wier bestaan, in tegenstelling tot alle andere dingen die pas echt beginnen te zijn wanneer ze voltooid zijn, eindigt wanneer het niet meer is, blijft dit betekenisvolle geheel ongrijpbaar (nemo ante mortem beatus esse dici potest). Alleen in de bres van het nunc stans kan dit ongrijpbare geheel van het menselijk bestaan zich tonen als de zuivere continuïteit van het ik-ben, een durende aanwezigheid te midden van de altijd veranderende vergankelijkheid van de wereld. 

Bij het begrip nunc stans denk ik steevast aan de tekst van Leonard Cohen’s lied ‘Anthem’ uit z’n album ‘The Future’ (1992), met de boodschap van hoop in donkere tijden. De eerste strofe maakt mij duidelijk dat je elke dag opnieuw het creatief wisselwerkingsproces dient te beleven; dus in het nu. Dat je bovendien niet langer achteruit mag kijken dan strikt nodig, en dan enkel om lessen uit dat verleden te trekken teneinde er effectief iets mee te doen in het nu. Je mag zich ook niet verliezen in dromen over de toekomst. Op zich is het hebben van een droom goed, het zich verliezen in dromerij is dat helemaal niet. Een droom is een richtsnoer, dat men nodig heeft om het in het nu te volgen. Je creëert de toekomst die je wil in het nu; niet in het verleden en ook niet in de toekomst! 

Het helder bewust leven in het nu is verre van gemakkelijk. Dit is een van de weinige zekerheden die in het nieuwe paradigma overheid is gebleven. Het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking (waarvoor in het lied de duif als metafoor wordt gebruikt) is en blijft vechten tegen de persoonlijke Vicieuze Cirkel

The birds they sang At the break of day   Start again
I heard them say
Don’t dwell on what  Has passed away
Or what is yet to be  Yeah the wars they will Be fought again
The holy dove
She will be caught again Bought and sold
And bought again
The dove is never free 

Het refrein herinnert mij er aan dat ik het beste van mezelf dien te geven en niet mag wachten tot wat ik doe perfect is. Imperfectie is geen probleem, want door elke imperfectie (‘the crack’) komt The Ligth (het licht) binnen. The Light is wat Yoda The Force noemt (Keshner, 1980) en ik Creatieve wisselwerking (Roels, 4 februari 2018). Leonard Cohen zei ooit, vertaald in het Nederlands, naar verluid over dat refrein het volgende (Werber; 11 november 2016): 

De toekomst is geen excuus om afstand te doen van je eigen persoonlijke verantwoordelijkheden ten opzichte van jezelf, je werk en jouw liefde. “Laat de klokken, die dat nog steeds, kunnen klinken.” Ze zijn met weinig, maar je kunt ze vinden. 

Het refrein gaat als volgt: 

Ring the bells (ring the bells) that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack in everything (there is a crack in everything)  That’s how the light gets in

Er bestaan verschillende verhalen over waarop Leonard Cohen zijn beroemd geworden quote – “There is a crack in everything. That’s how the light gets in” – baseerde . De meest geciteerde verklaring over de bron van die quote is een verhaal uit het boek van de Boeddhist Meditatie leraar, Jack Kornfield (2002), ‘A Path With Heart’. Reden voor die verklaring is waarschijnlijk dat Cohen zelf Boeddhist werd met de bedoeling ‘heel’ uit een zware depressie te komen. Dit lukte hem uiteindelijk na jaren verblijf in een Californisch Zen Boeddhistisch klooster (Abramović, 14 november 2016). 

Het bewuste verhaal gaat over een jonge man waarvan een been diende geamputeerd te worden teneinde hem te redden van een gewisse dood. Die jongen leed aan een agressieve beenkanker. De kanker werd effectief overwonnen. Om het trauma veroorzaakt door het verlies van een been te kunnen verwerken, werd hij intensief begeleid door een vrouwelijke dokter, Naomi Remen. Deze arts gebruikte onder meer kunst en meditatie om mensen, niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk, te genezen. In het begin van zijn therapie tekende de jongen op de rand van razernij zichzelf als een vaas met een lelijke barst. Wanneer hij, na jaren therapie en meditatie, de innerlijke vrede teruggevonden heeft, door de arts wordt hij confronteerd met een van z’n eerste tekeningen. Zijn directe reactie was: “Oh, deze tekening is niet afgewerkt.” De arts suggereerde om alsnog de tekening af te werken, wat hij deed. Hij bewoog een vinger over de dikke barst en zei tot de dokter: “Kijk eens naar die barst, daar komt het licht doorheen.” Hij nam een geel potlood en tekende het stromend licht doorheen de barst van het lichaam van de vaas en zei: “Onze harten kunnen sterk groeien op de gebroken plaatsen.” 

Hoe mooi deze verklaring ook is, ze is onmogelijk. Jack Kornfield’s boek werd voor het eerst gepubliceerd in 1993 en de song ‘Anthem’ werd uitgebracht in 1992. In een interview met singersongwriter Paul Zollo (Zollo, 1992) verklaarde Leonard Cohen dat “it took a decade to write Anthem” en met betrekking tot de quote: 

That’s old, that’s very old. That has been the background of much of my work. I had those lines in the works for a long time. I’ve been recycling them in many songs. I must not be able to nail it. (Zollo, 2003).  

Ook de tweede strofe is een ode aan die imperfectie. Direct perfect, de oude slogan van de kwaliteitsgedachte van de jaren tachtig, is een leugen. Imperfectie verbonden aan continue verbetering door transformatie is het nieuwe normaal. 

Het eigen commentaar van Leonard Cohen luidt als volgt (Werber; 11 november 2016): 

Deze situatie kent geen perfecte oplossing. Dit is ook niet de plaats weer men dingen pefect maakt; noch in je huwelijk, noch in je werk, noch in je liefde voor jouw familie of land. Het leven is onvolmaakt. 

De strofe zelf luidt: 

We asked for signs  The signs were sent  The birth betrayed  The marriage spent Yeah the widowhood  Of every government  Signs for all to see 

En terzelfdertijd dienen we er ons bewust te zijn van de hypocrisie van wat Leonard Cohen de “lawless crowed” en de “killers in high places” noemt. The Crack kan dus ook gezien worden als de scheur in de muren van corruptie, in regeringen en in de machtigen van deze aarde. Het gaat om structuren die ons omwikkelen, gevangen houden, van buiten naar binnen controleren en die mensen tot slaaf maken en de middelen van de wereld knechten. In mijn optiek gaat het om de Vicieuze Cirkel. Zoals Leonard Cohen heb ik besloten mij niet te laten knechten en dus niet tevreden te zijn met de status quo. Het gaat niet alleen om persoonlijke groei, het gaat ook om anderen te inspireren. 

I can’t run no more
With that lawless crowd
While the killers in high places
Say their prayers out loud
But they’ve summoned, they’ve summoned up  A thundercloud
And they’re going to hear from me 

Die laatste zin doet mij dan weer denken aan een uitspraak van Martin Luther King (1967): “We must speak with all the humility that is appropriate to our limited vision, but we must speak.” 

De strofe wordt gevolgd door het refrein, dat oproept om zowel wakker als authentiek te blijven. Leonard Cohen zegt daarover (Werber; 11 november 2016): 

Er is een scheur in alles wat je kunt samenstellen: fysieke objecten, mindsets, kortom constructies van welke aard dan ook, fysiek of mentaal. Er is echter hoop, want een scheur is waar het licht binnenkomt, waar de opstanding is, waar de terugkeer en de berouw is. Het is de confrontatie van de gebrokenheid der dingen. 

Door die gebrokenheid groeien we omdat we beseffen dat alles wat gebroken is op een of andere manier kan hersteld worden, terug ‘heel’ gemaakt worden. 

(Ring, ring, ring, ring)
Ring the bells that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in 

De laatste strofe is een oproep tot synergie. Hetgeen ik uiteraard interpreteer als een oproep tot het van binnenuit beleven van Creatieve wissselwerking, dat ook voor Leonard Cohen synoniem is van Liefde: 

You can add up the parts  You won’t have the sum  You can strike up the march There is no drum  Every heart, every heart to love will come  But like a refugee 

Om die laatste zin ‘But like a refugee’ waarderend te kunnen begrijpen dien je te overwegen dat Leonard Cohen sterk beïnvloed was door het Boedhisme. Dus kan die zin een specifieke Boedhistische betekenis hebben. Er bestaat een Boedhistische ceremonie, “Taking Refuge (Toevlucht zoeken)” genaamd. De uitgesproken geloften tijdens deze ceremonie zijn: “Ik zoek toevlucht bij de Boeddha (de leraar), ik zoek toevlucht bij de darhma (de leerstellingen), ik zoek toevlucht bij de sangha (de gemeenschap van Boeddhisten).” Je doet deze geloften om jou< toewijding aan het boeddhistisch pad te versterken. Het is niet verwonderlijk dat ik daarin Man’s Ultimate Commitment (Wieman, 1990) voor Creatieve wisselwerking zie. Ook Henry Nelson Wieman was beïnvloed door het Boeddhisme (Rice, 1017). 

De betekenis van ‘toevlucht zoeken’ is een ietwat complex en potentieel verwarrend. Maar is Creatieve wisselwerking ook niet ‘Kunnen omgaan met ambiguïteit’?!? Volgens mijn interpretatie betekent ‘toevlucht zoeken’ het tegenovergestelde van wat men zou kunnen denken. Men zoekt geen toevlucht om veilig te zijn, toevlucht zoeken is een verplichting die men zich oplegt om de realiteit van ongegrondheid te ervaren (i.e. het tegenovergestelde van veiligheid in de betekenis van ‘securitiy’). Die veiligheid is overigens een illusie gebleken. Toevlucht zoeken tot Creatieve wisselwerking is bereid zijn om het eigen denkkader (Mindset) in vraag te stellen en zich volledig open op te stellen en compleet wakker (i.e. helder bewust) te zijn. Het eigen referentiekader mordicus vasthouden komt neer op vasthouden wat een veilig en stabiel gevoel geeft. Dit is de identiteit van de gecreëeerde zelf. Meestal laat je jouw gecreëerde zelf maar los in tijden van wanhoop en wanneer je zekerheden uit elkaar ziet vallen. 

Er is ook een link met de vluchteling (refugee) in de gebruikelijke zin van het woord. Die vlucht voor vervolging of nare situatie in haar of zijn thuisland, in de hoop vrijheid en een betere situatie te vinden in een ander land. Het boeddhisme zegt, vertaalt in Creatieve wisselwerking taal, dat we in onze gecreëerde zelf vast zitten. Dat we gevangenen zijn van onze eigen Vicieuze Cirkel met z’n gehechtheden aan eigen concepten en denkkaders. We zitten gevangen in onze Mindset en dienen toevlucht zoeken in het creatief wisselwerkingsproces teneinde onszelf te bevrijden van die boeien. Daartoe dienen we op elk ogenblik open en wakker te zijn. 

(Ring, ring, ring, ring)
Ring the bells that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in
Ring the bells that still can ring (ring the bells that still can ring) Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in (3x)

En tot slot nog een ‘wijze gedachte’ in de vorm van volgende quote: 

The real act of discovery consists not in finding new lands, But in seeing with new eyes. – Marcel Proust

Bibliografie

Abramović, M. (24 november 2016). My Dinner Date With Leonard Cohen. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://time.com/4570605/marina-abramovic-leonard-cohen/  

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Cohen, L. (1992). Anthem lied uit studio album The Future, Columbia Records.

Fritz, R. (1989). The Path of Least Resistance. New York: Fawcett-Columbine.

Keshner, I. (Regisseur). (1980). Star Wars Episode V – The Empire Strikes Back [Film], Lucasfilm, Ltd./20th Century Fox Home Entertainment.

King, M.L. (4 April, 1967). Excerpts of Dr. Martin Luther King Jr’s speech on war on April 4, 1967. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://www.soundvision.com/article/excerpts-of-dr-martin-luther-king-jrs-speech-on-war-on-april-4-1967

Kornfield, J. (2002). A Path With Heart. The Classic Guide Trhrough the Perils and promisses of Spiritual Life. London: Rider, an imprint of Ebury Press, Random House. p. 48

Rice, D. F. (2017). Henry Nelson Wieman on Religion and Reinhold Niebuhr. https://doi.org/10.1111/zygo.12333

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Roels, J. (4 februari 2018). The Force (i.e. Creative Interchange). Geraadpleegd op 22 juni 2021 via http://www.creativeinterchange.be/?p=822 

Penge, P.M. (1992). De vijfde discipline. De Kunst & Praktijk van de Lerende Organisatie. Tielt: Lannoo.

Werber, M. C. (11 november 2016). “There is a crack in everything, that’s how the light gets in”: The story of Leonard Cohen’s “Anthem”. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://qz.com/835076/leonard-cohens-anthem-the-story-of-the-line-there-is-a-crack-in-everything-thats-how-the-light-gets-in/

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

Zollo, P. (1992). Leonard Cohen. Los Angeles 1992. Geraadpleegd op 22 juni ’21 via https://www.leonardcohenfiles.com/zollo.html

Zollo, P. (2003). Songwriters on Songwriting. New York: Hachette Books (vierde druk).