Tagarchief: Edgar Schein

SAWUBONA, HANNAH ARENDT – DEEL VI

Over Willen

Willen is het tweede deel van Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) en ik plaats het na Denken (het eerste deel) en Oordelen het derde deel) omdat ik m’n Cruciale Dialoogmodel in deze serie columns volg:

De linkerlus van m’n vereenvoudigd Cruciale Dialoogmodel omvat het Denken dat uitmond in Oordelen (hier in het midden van het model gevisualiseerd als ‘inzicht’). Dit ‘inzich’t leidt door het afwegen ervan ten overstaan van de ‘behoeften’ tot ‘gevoelens ‘die uiteindelijk gestalte geven aan het Willen.

De vertalers Dirk De Schutter en Remi Peeters schrijven in de inleiding tot het deel Willen het volgende dat m’n stelling bekrachtigt (Arendt, 2021, p. 250):

Waar het denken de geest op het verleden richt [de linker lus van het Cruciale Dialoogmodel] en de gebeurtenissen in een noodzakelijk verloop plaatst, daar treedt de wil in het leven van de geest [het midden van het Cruciale Dialoogmodel] op als het orgaan van de toekomst [de rechter lus van het Cruciale Dialoogmodel] dat de openheid op het nieuw en het onvoorspelbare belichaamt en de mogelijkheid van een begin hoedt [terug in het midden van het Cruciale Dialoogmodel].

De wil is in oorsprong een christelijke problematiek. Apostel Paulus heeft die problematiek geïntroduceerd. Arendt beklemtoont het ontbreken van de wil in de Griekse filosofie. Aristoteles heeft het wel over keuzevrijheid, dit is de vrijheid om tussen twee of meer mogelijkheden te kiezen teneinde één van de mogelijkheden te realiseren. In het Cruciale Dialoogmodel vindt de keuzevrijheid z’n plaats tussen de derde en vierde fase, dus tussen ‘imagineren’ en ‘handelen’. Het is kiezen tussen alle mogelijke acties die het ‘imagineren’ heeft voortgebracht. De wil die zich doelen stelt bevindt zich in het midden van het model en die kwam het eerst aan bod in de Brief aan de Romeinen van apostel Paulus. Paulus zag het goddelijk gebod niet als “Gij zult doen” maar “Gij zult willen”. Een oogopener van het boek Het leven van de Geest is de verschillende interpretaties van de gespletenheid van de wil. Want mensen doen niet steeds het goede (dat ze willen) en wel het kwade (wat ze niet willen).  Paulus zag dit conflict als een strijd tussen de geest en het vlees, terwijl Augustinus het zag als een conflict in de geest zelf.  Het is dus Arendt die de theologische herkomst van de wil heeft ontdekt. Ook staat ze stil bij het samengaan van wil en vrijheid.

Hierbij put ze uit de filosofie van Nietzsche, die de wil tot macht (Wille zur Macht) centraal. Nietzsche’s weerlegging van de ‘vrijheid van de wil’ vindt men in zijn ‘gedachte van de eeuwige terugkeer’, de basisgedachte van Aldus sprak Zarathoustra. 

Een voor mij ogen-opende passage over de zogenaamde ‘vrije wil’ verhaalt de visie van Bergson:

Theoretisch gesproken is het probleem altijd geweest dat de vrije wil – of die nu begrepen wordt als de vrijheid om te kiezen dan wel als de vrijheid om iets onvoorspelbaar nieuws te beginnen – volkomen onverenigbaar lijkt, niet alleen met de goddelijke voorzienigheid, maar ook met het oorzakelijkheidsprincipe; men kan aannemen dat de wil vrij is, en zich hierbij beroepen op de innerlijke ervaring, hoe sterk of zwak die als grond ook moge zijn, maar men kan die vrijheid nooit bewijzen. De ongeloofwaardigheid van de aanname of van het postulaat van de vrijheid is te wijten aan onze uitwendige ervaringen in de wereld van de verschijnselen, waarin wij in feite – wat Kant ook moge beweren – zelden een nieuwe serie in gang zetten. Zelfs Bergson, wiens hele filosofie steunt op de overtuiging dat “ieder van ons onmiddellijke kennis heeft … van zijn vrije spontaneïteit”,geeft toe: “We zijn vrij telkens wanneer we in onszelf willen keren, maar het gebeurt zelden dat we dit willen.” Ook zegt hij: “Vrije daden zijn uitzonderlijk.” (Het merendeel van onze daden stellen we uit gewoonte, juist zoals we vaak oordelen op basis van vooroordelen.) (Arendt, 2021, p. 280-281)

De botsing tussen denken en willen

De wil wil altijd iets doen, dus dien je ‘willen’ te begrijpen als ‘willen doen’. Daardoor is willen iets heel anders dan Denken en volgt Willen in het beste geval Denken. Want zonder denken staat Willen gelijk aan een reflex en die reflex gaat vlug over in het doen. Uitgezonderd heel specifieke situaties, zoals in het geval van een imminent gevaar, geeft die reflex zelden positieve resultaten.

Idealiter wordt over de huidige situatie nagedacht (denken is dus meestal nadenken) en komt men tot een inzicht. Bij afweging van dat inzicht ten overstaan van de behoeften worden – bij grote delta tussen die twee – gevoelens gegenereerd. Die gevoelens leiden tot het willen iets aan de situatie te doen. Dit komt neer op de actuele realiteit dichter brengen bij de gewenste realiteit. Arendt (2021, p. 285-286) verwoordt het zo:

In dit opzicht – laat me het de “tonaliteit” van mentale activiteiten noemen – is het vermogen van de wil om wat er nog niet is aanwezig te stellen exact het tegenovergestelde van de herinnering. De herinnering heeft een natuurlijke affiniteit met het denken; zoals ik al heb gezegd: elk denken is een na-denken. Gedachtegangen ontspringen op een natuurlijke wijze, haast automatisch en zonder enige onderbreking, aan de herinnering. Dat is de reden waarom de anamnêsis bij Plato een aannemelijke hypothese voor het menselijk leervermogen kon worden en waarom de gelijkstelling van geest en memoria bij Augustinus zo aannemelijk klinkt. De herinnering kan in de ziel een verlangen naar het verleden doen ontstaan. Deze nostalgie, ook al gaat ze soms gepaard met verdriet en smart, verstoort echter de gemoedsrust van de geest niet, omdat ze dingen betreft die we niet meer kunnen veranderen. Het willende ego daarentegen kijkt niet achteruit, maar vooruit. Het richt zich op dingen die in onze macht liggen, ook al is het helemaal niet zeker dat we die dingen ooit zullen bereiken. De spanning die hieruit resulteert, verschilt van de eerder stimulerende opwinding waarmee probleem-oplossende activiteiten gepaard kunnen gaan. Ze veroorzaakt een soort onrust in de ziel, die vaak aan ontsteltenis grenst – een mengeling van vrees en hoop die ondraaglijk wordt wanneer men ontdekt dat, met de woorden van Augustinus, willen en in staat zijn om uit te voeren, velle en posse, niet hetzelfde zijn. Men kan deze spanning alleen te boven komen door te handelen, dit wil zeggen door de mentale activiteit helemaal op te geven; de ommezwaai van willen naar denken heeft alleen een tijdelijke verlamming van de wil tot gevolg, juist zoals de ommezwaai van denken naar willen door het denkende ego wordt aangevoeld als een tijdelijke verlamming van de denkactiviteit. 

Het valt op dat deze passage heel precies verwoordt wat Peter M. Senge, gebruik makend van het gedachtegoed van Fritz, in z’n boek De Vijfde Dicipline als volgt neerschreef:

Het tegenover elkaar plaatsen van een visie (wat we willen) en een helder beeld van de werkelijkheid (waar we onbevinden met betrekking tot wat we willen) geneneert wat we noemen ‘creatieve spanning’: een kracht om ze bij elkaar te brengen, die veroorzaakt wordt door de natuurlijke neiging van spanning om zich te ontladen. (Senge, 1992, p. 139)

In het Cruciale Dialoogmodel is de tonaliteit van het denken iets anders weergegeven dan in het boek van Arendt. Het nadenken gebeurt in de tweede fase en daarin wordt nagedacht over het verleden en heden. De uitkomst is een helder beeld van de werkelijkheid (cf. Peter Senge). Dit helder beeld genereert door toedoen van de vergelijking ervan met de behoefte aan een toekomstige werkelijkheid voor een ‘creatieve spanning’. De grootte van de zogenaamde ‘delta’ tussen de twee (huidige en gewenste werkelijkheid) hangt uiteraard af van het verschil tussen de twee. Indien het verschil een zekere grens overschrijdt komt met tot het willen veranderen van die huidige realiteit. Dit alles – het cristaliseren van het inzicht, vormen van de delta en het uitmonden in het willen – gebeurt in het midden van het Cruciale Dialoogmodel. Het willen is het omslagpunt tussen de linker lus en de rechter lus. De rechterlus start met de derde fase van het model: het imagineren van mogelijke acties. Dit is ook nadenken, in dit geval wel niet over het verleden en het heden maar over de toekomst.

Peter Senge (1992, p. 148) ziet in die fase twee soorten fundamenteel van elkaar verschillende spanningen: de creatieve en emotionele spanning:

Maar de creatieve spanning voel je niet speciaal.  Het is de kracht die ontstaaat op het moment dat wij een visie als de onze beschouwen die niet overeenkomt met de actuele werkelijkheid.

Toch leidt creatieve spanning vaak tot gevoelens of emoties die geassocieerd worden met nervositeit, zoals verdrietigheid, moedeloosheid, teneergeslagenheid of ongerustheid. Dit gebeurt zo vaak dat men deze emoties verwart met creatieve spanning. Men begint te denken dat creatief zijn een kwestie is van permanent onder grote druk staan. Het is belangrijk te beseffen dat die ‘negatieve’ emoties die kunnen ontstaan niet de creatieve spanning zelf zijn. Die emoties noemen we dan de emotionele spanning.

Als we emotionele spanning niet van creatieve spanning weten te onderscheiden, zuullen we er gemakkelijk toe komen onze visie wat te laten zakken. […]

[…] Het verlichten van de emotionele spannig is verradelijk, omdat het ongemerkt een proces in werking kan stellen. Emotionele spanning kan altijd verminderd worden door de ene pool van de creatieve spanning die we helemaal in de hand hebben, de visie, bij te stellen. De gevoelens die we niet willen, verdwijnen, omdat de creatieve spanning die de bron van die gevoelens was, verminderd is. […]

Door ‘water in de wijn’ van de gewenste realiteit te doen vermindert de creatieve spanning en wordt die naar beneden gehaalde gewenste realiteit haalbaarder. Inderdaad de huidige realiteit kunnen we niet veranderen. Het willende ego richt zich op een gewenste toekomst. “Op dingen die in onze macht liggen ook al is het helemaal niet zeker dat we die dingen ooit zullen bereiken” stelt Arendt. De spanning die daaruit voorkomt noemt Senge emotionele spanning en ook Arendt ziet een verschil met  “de eerder stimulerende opwinding waarmee probleem-oplossende activiteiten gepaard kunnen gaan”, die Senge de creatieve spanning noemt.

In alle geval leidt de tweede nadenkfase tot een set mogelijke acties. Het willen is een willen tot  handelen. Na die derde fase dient echter wel gekozen worden welke van de geimagineerde acties werkelijk uitgevoerd zullen worden.

De uitdaging die het Cruciule Dialoogmodel voor ons in petto heeft is het er voor kan zorgen dat de denkactiviteit nooit verlamd wordt. Ook tijdens het kiezen van de mogelijke acties dient nagedacht te worden. Dit nadenken wordt gevisualiseerd door de staande acht in de rechter lus van de liggende acht. Er wordt daarbij nagegaan of er wel voldoende middelen (geld, tijd, mankracht, …) voor handen zijn om de mogelijke acties überhaupt uit te voeren. En zelfs tijdens het handelen mag de denkactiviteit niet tijdelijk verlamt te worden. Zelfs met ‘de neus in de guidon’ dient continu nagedacht te worden: zijn we wel op de juiste weg? Maken we wel de voorziene vooruitgang? Dienen we niet bij te schakelen? Enzovoort

Het keuzevermogen: proairêsis, de voorloper van de wil 

Proairêsis is een term die gesmeed werd door Aristoteles om de keuze tussen alternatieven te benoemen waarbij de voorkeur voor het ene gekozen wordt voor het andere. Arendt (2021, p. 308) schrijft daarover 

Proairêsis is de uitweg uit deze tegenspraak. Indien de rede en de begeerte het in hun ruw antagonisme zonder bemiddeling zouden moeten stellen, dan zouden we moeten concluderen dat een mens die belegerd wordt door de strijdige impulsen van beide vermogens “zichzelf dwingt afstand te nemen van zijn begeerte” in het geval hij zich beheerst, en “zichzelf dwingt afstand te nemen van zijn rede” wanneer de begeerte hem overweldigt. Maar in geen van beide gevallen speelt een dergelijke dwang; beide handelingen worden doelbewust gesteld, en “wanneer het principe van binnen uit werkt, is er geen dwang”.Wat er in feite gebeurt, is dat er in de strijd tussen rede en begeerte een beslissing valt: die is een zaak van “voorkeur”, van weloverwogen keuze. Het is de rede die tussenkomt, niet de nous, die zich richt op dingen die er voor altijd zijn en die niet anders kunnen zijn dan ze zijn, maar wel de dianoia of phronêsis, die zich inlaat met dingen die binnen onze macht liggen, in tegenstelling tot begeerten en verbeelding, die zich soms aangetrokken voelen tot dingen die we nooit kunnen bereiken, zoals wanneer we goddelijk of onsterfelijk wensen te zijn. 

Proairêsis wordt door Arendt de voorloper van de wil genoemd. Ik begrijp haar standpunt als de ruimte tussen de actuele werkelijkheid, waar men niet omheen kan, en de gewenste werkelijkheid die gestalte gegeven wordt door onze behoeften. Een gekozen voor transformatie (van de actuele werkelijkheid in de richting van de gewenste) dienen er eerst acties daartoe gekozen worden. Nadien is er een tweede Proairêsis moment. De keuze van die acties die we werkelijk gaan uitvoeren. Het doel is gekend, de acties die ons naar dat doel kunnen leiden ook, want nog rest zijn de middelen. Volgens Arendt (2021, p. 308) had Aristoteles dit al door: “soms moeten we uitzoeken waarin ze [de middelen] gelegen zijn, en soms hoe ze gebruikt moeten worden of door wie ze verworven kunnen worden.” Dit is dus een ‘rationele’ selectie tussen de middelen, ook daarin proairêsis de scheidsrechter.

Arendt steekt de draak met Aristoteles’ keuzevermogen, dat in het Latijn vertaald werd als liberum atribium met de verwijzing naar ‘de ezel van Buridan’:

[…] tussen twee op gelijke afstand staande en even lekker ruikende hooibundels zou het arme beest van honger zijn omgekomen, aangezien beraadslaging geen enkele reden zou opleveren om de ene boven de andere bundel te verkiezen; het beest overleefde, omdat het slim genoeg was om aan de vrije keuze te verzaken, te vertrouwen op zijn begeerte en te grijpen wat binnen zijn bereik lag. (Arendt, 2021, p. 309)

De vrijheid is mogelijk wanneer ‘gij zult’ samenvalt met ‘ik kan’. Op het moment dat je daaraan twijfelt wordt de vrijheid een probleem en rijst de vraag: “Liggen de dingen die alleen mezelf aangaan, ook werkelijk binnen mijn macht?” (Arendt, 2021, p. 309). Indien men over de middelen beschikt heeft men de vrijheid te kiezen van binnenuit. Indien men niet over die middelen beschikt, en iemand zegt “gij zult’, dan is er geen ‘ik kan’ en is er geen vrijheid van binnenuit. Dan is er een beval van buiten naar binnen en dat heeft niets met liberum atribium te maken.

Apostel Paulus en de onmacht van de wil

Ik ben het eens met Arendt die stelt dat zich inlaten met ervaringen die relevant zijn voor de wil, zich inlaten is met ervaringen die mensen niet alleen met zichzelf maar ook in zichzelf opdoen (2021,  p. 310).

In zijn Brief aan de Romeinen beschrijft apostel Paulus een twee-in-één die niet zoals bij Socrates partners zijn een voortdurend gevecht met elkaar voeren:

Juist wanneer “ik het goede (to kalon) wil doen, dringt het kwade zich aan mij op (7,21)”, want “indien de wet niet gezegd had: ‘gij zult niet begeren’”, dan “zou ik van de begeerte geen weet hebben”. Het is dus het gebod van de wet dat “alle soorten van begeerte” opwekt. “Zonder de wet is de zonde dood” (7,7- 8). 

De wet speelt een dubbelzinnige rol: de wet is “goed, omdat hij de zonde als zonde toont” (7,13), maar aangezien de wet spreekt met de stem van het gebod, “wekt hij de passies op” en “brengt hij de zonde weer tot leven”. “Zo bleek het gebod, dat bedoeld was ten leven, mij juist de dood te bezorgen” (7,10). Het resultaat is dat “ik mijn eigen daden niet begrijp. [‘Ik ben een vraag geworden voor mezelf.’] Ik doe immers niet wat ik wil, maar wat ik verafschuw” (7,15). En de kern van de zaak is dat dit innerlijk conflict nooit beëindigd kan worden door ofwel aan de wet te gehoorzamen ofwel zich aan de zonde te onderwerpen; alleen genade, die om niets gegeven wordt, kan volgens Paulus deze innerlijke “ellende” helen. Het is dit inzicht dat als een “bliksemflits” insloeg op de man uit Tarsus, Saül genaamd, die, naar eigen zeggen, een “overdreven ijverige” farizeeër was (Galaten 1,14), behorend tot de “strengste richting van onze godsdienst” (De handelingen van de apostelen 26,5). Wat hij wilde was “rechtschapenheid” (dikaiosynê), maar rechtschapenheid, d.i. “zich metterdaad houden aan alle voorschriften in het boek der wet” (Galaten 3,10), is onmogelijk; dit is de “vloek van de wet”, en “als we door de wet rechtschapen zouden kunnen worden, zou Christus voor niets gestorven zijn” (Galaten 2,21). (Arendt, 2021, p. 311)

De oorsprong ligt in “Ik doe niet het goede dat ik wil, maar het kwade dat ik niet wil” (Romeinen 7,19). Het is het gevecht tussen ik-wil en ik-nil waarbij alleen de daad uitkomst kan brengen. Als de werken niet meetellen is de wil hulpeloos, stelt Arendt (2021, p. 316). Ze verheldert dit als volgt (Arendt, 2021, pp. 316-317):

De wil is gespleten en brengt automatisch zijn eigen tegenwil voort. Daarom heeft hij nood aan heling, zodat hij opnieuw één wordt. Zoals het denken splijt ook het willen de ene mens in een twee-in-één, maar voor het denkende ego zou een “heling” van die splijting het ergste zijn wat zou kunnen gebeuren; ze zou zonder meer een einde maken aan het denken. Welnu, het is erg verleidelijk om te concluderen dat de goddelijke genade – Paulus’ oplossing voor de ellende van de wil – de wil op een miraculeuze wijze berooft van zijn tegenwil en zo in feite de wil vernietigt. Maar dit is geen zaak meer van wilsbesluiten, aangezien genade niet kan worden nagestreefd; de verlossing “hangt niet af van de wil of de inspanning van de mens, maar van Gods ontferming”, en “Hij ontfermt zich over wie Hij wil en maakt halsstarrig wie Hij wil” (Romeinen 9,16; 18). Bovendien, juist zoals de wet niet louter “intrad” om de zonde herkenbaar te maken maar om “de wetsovertreding te doen toenemen”, zo werd de genade “overvloedig” wanneer de “zonde toenam” – felix culpa inderdaad, want hoe zouden de mensen de glorie kennen als ze niet vertrouwd waren met de vervloeking; hoe zouden ze weten wat dag is, als er geen nacht was? 

Samengevat: de wil is machteloos, niet omwille van een uitwendige reden die de wil verhindert te slagen, maar omdat de wil zichzelf hindert. En waar hij zichzelf niet hindert, zoals bij Jezus, bestaat hij nog niet. Voor Paulus is de uitleg relatief eenvoudig: het vlees en de geest zijn met elkaar in conflict, en het probleem is dat mensen beide zijn, zowel vlees als geest. Het vlees zal sterven, en daarom leidt een leven volgens het vlees tot een gewisse dood. De voornaamste taak van de geest is niet alleen maar heersen over de begeerten en het vlees doen gehoorzamen, maar het versterven – het vlees “met zijn hartstochten en begeerten” kruisigen (Galaten 5,24). En dit gaat in feite de menselijke macht te boven. We hebben gezien dat het in de aard van het denkende ego ligt een zekere argwaan tegenover het lichaam te koesteren. De lichamelijkheid van de mens is dan wel niet noodzakelijk de bron van zonde, maar ze onderbreekt de denkende activiteit van de geest en biedt weerstand aan de geluidloze, snelle dialoog die de geest met zichzelf voert – een gedachtewisseling waarvan het “behaaglijke” juist ligt in een spiritualiteit waar geen materiële factor bij komt kijken. Dit ligt veraf van de agressieve vijandigheid jegens het lichaam die we bij Paulus vinden. Naast de vooroordelen tegen het vlees wordt deze vijandigheid bovendien veroorzaakt door de essentie van de wil. Afgezien van zijn mentale oorsprong krijgt de wil slechts besef van zichzelf door weerstand te overwinnen, en het “vlees” in Paulus’ redenering (maar ook in de latere vermomming van de “neiging”) wordt de metafoor voor een innerlijke weerstand. Zodoende heeft de ontdekking van de wil, zelfs in dit simplistische schema, van meet af aan een ware doos van Pandora met onbeantwoordbare vragen geopend – vragen waar Paulus zich terdege bewust van was en die vanaf dat moment elke strikt christelijke filosofie met absurditeiten hebben geteisterd. 

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Bos, A.H. (1974). Oordeelsvorming in Groepen, Scriptie (74-6). Wageningen: Med. Landbouwhogeschool. 

Palmgren, C. (2008). Ascent of the Eagle. Being and Becoming Your Best. Dayton: Innovative Interchange Press.

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Schein, E.H. (2013). Humble Inquiry. The Gentle Art of Asking instead of Telling. San Francisco: Berrett- Koehler Publishers.

Penge, P.M. (1992). De vijfde discipline. De Kunst & Praktijk van de Lerende Organisatie. Tielt: Lannoo

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

Sawubona, Hannah Arendt – Deel V

Over Oordelen

Oordelen had het derde deel van Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) moeten worden. Arendt is echter enkele dagen na het beëindigen van het tweede deel Willen overleden. Het derde deel is dus nooit door Arendt zelf geschreven. In het boek is het deel Oordelen door de vertalers samengesteld uit verschillende essays van Hannah Arendt. De teksten die Dirk De Schutter en Remi Peeters voor dit deel gebruikten, liggen in het verlengde van haar werk rond totalitarisme. Dus heeft Arendt het in die essays vooral over het begrijpen van en het oordelen over totalitaire regimes. In deze column behandel ik enkel wat Hannah Arendt over begrijpen en oordelen zegt wat algemeen geldt en kader het dus niet in haar context, het totalitarisme. 

Ik wil het voornamelijk hebben over Oordelen in het kader van oordeelsvorming en dus over betekenis geven aan de realiteit. Dus niet over het oordelen dat veelal in citaten uit het evangelie, zoals bij Mattheüs (7,1) en Lucas (6,37), gelijk staat met veroordelen. Weinig wordt gezegd over de positieve kant. Er wordt in de bijbel zelden aan lofprijzing gedaan. Oordeelsvorming, zoals bedoeld door Alexander Bos (1974), steunt volgens mijn begrip op de karakteristiek Waarderend Begrijpen onderdeel van Creatieve wisselwerking. Het begrip Waarderend Begrijpenkan de indruk wekken dat het enkel positief waarderen betreft. Niets is minder waar, het is zelfs zo dat wanneer je een standpunt van iemand waardeert dit niet noodzakelijk wil zeggen dat je het met dat standpunt eens bent. Het wil enkel zeggen dat je ten volle begrijpt waarop dat standpunt gebaseerd is en dat je dus mogelijks tot hetzelfde standpunt zou komen indien je hetzelfde denkkader zou hanteren. Gezien eenieder een uniek denkkader heeft, kan men iets waarderen zonder het te beamen. 

Om te kunnen oordelen, dient men eerst te begrijpen

Ook bij Hannah Arendt gaat het begrijpen het oordelen vooraf. Het gaat bij haar om het zoeken naar betekenis van een concreet fenomeen dat onderdeel is van de werkelijkheid.

Begrijpen verschilt van het beschikken over correcte informatie en wetenschappelijke kennis. Het is een ingewikkeld proces, dat nooit ondubbelzinnige resultaten oplevert. Het is een nooit eindigende activiteit waardoor we, in voortdurend veranderende en wisselende omstandigheden, in het reine komen en ons verzoenen met de werkelijkheid, dat wil zeggen, trachten thuis te zijn in de wereld.  […] Begrijpen is zonder einde, daarom kan het geen definitieve resultaten opleveren. Het is de specifiek menselijke wijze van in-leven-zijn; want elke persoon afzonderlijk heeft behoefte aan verzoening met een wereld waarin hij als vreemdeling geboren werd en waarin hij, als gevolg van zijn onmiskenbare uniekheid, altijd een vreemdeling blijft. Begrijpen begint met de geboorte en eindigt met de dood. (Arendt, 2021, p. 485)

Dit is in schijnbare tegenspraak met het oude nemo ante mortem beatus esse dici potest (“niemand kan voor zijn dood gelukkig worden genoemd”). Voor stervelingen begint het definitieve en eeuwige pas na de dood. Volgens Arendt (2021, p. 485) heeft die oude spreuk te maken met het begrijpen van mensen: wie iemand wezenlijk is weten we pas na zijn dood:

Begrijpen levert als resultaat een betekenis op, die wij voortbrengen in het levensproces, in zoverre we onszelf trachten te verzoenen met wat we doen en ondergaan. 

De linkerlus van m’n vereenvoudigd Cruciale Dialoogmodel omvat die ‘oneindigheid’ van het begrijpen. De visualisatie ervan gebeurt door de ‘staande acht’ in de linkerlus van de liggende acht:

Begrijpen heeft nood aan het beschikken over correcte informatie betreffende de realiteit (WERKELIJKE SITUATIE). Dat het begrijpen ook nooit ondubbelzinnige resultaten oplevert wordt in m’n volledige Cruciale dialoogmodel (Roels, 2012) weergegeven door de noodzakelijke conditie van het Waarderend Begrijpen: “kunnen omgaan met ambiguïteit.”

Begrijpen is niet hetzelfde als kennen

Arendt (2021, p. 487-488) maakt ook een subtiel onderscheid tussen kennen en begrijpen :

Kennen en begrijpen zijn niet hetzelfde, maar staan met elkaar in verband. Begrijpen is op kennis gebaseerd en kennis kan niet ontstaan zonder een preliminair, ongearticuleerd begrijpen. […]Begrijpen gaat aan kennis vooraf en volgt erop. Preliminair begrijpen, dat aan de basis van alle kennis ligt, en echt begrijpen, dat kennis overstijgt, hebben het volgende gemeen: ze maken kennis betekenisvol. […] Echt begrijpen keert altijd terug naar de oordelen en vooroordelen die aan het strikt wetenschappelijk onderzoek voorafgaan en het leiden. De wetenschappen kunnen het onkritische preliminaire begrijpen waaruit ze vertrekken wel verhelderen, maar niet bewijzen of weerleggen. Als een wetenschapper die misleid wordt door zijn onderzoekswerk begint te poseren als een expert in politiek en het populaire begrijpen dat zijn vertrekpunt was, begint te misprijzen, dan verliest hij onmiddellijk het gezond verstand,terwijl alleen dit gezond verstand hem, als een soort draad van Ariadne, veilig door het labyrint van zijn eigen resultaten kan leiden. Als aan de andere kant een geleerde zijn eigen kennis wil overstijgen – en dat is de enige manier om kennis betekenisvol te maken –, dan moet hij opnieuw heel bescheiden worden en nauwlettend luisteren naar de populaire taal.

Arendt haalt hier kritisch uit naar wetenschappers die denken dat ze de waarheid in pacht hebben. Ze raadt die wetenschappers aan in dialoog te gaan met wat ze het ‘populair begrijpen’ noemt. Daartoe dient elke wetenschapper goed te luisteren en nederig te zijn. Dus het ten toon spreiden z’n kennis (bepleiten) en de ander bevragen (cf. de vaardigheid “Bepleiten en Bevragen” van het Cruciale Dialoogmodel) en dit op een nederige manier (Schein, 2013). Wat de vertalers als ‘gezond verstand’ vertalen luidt in het Engels ‘common sense’. Ze schrijven daarover (Arendt, 2021, pp.  470-471):

Telkens wanneer Arendt dit oordelen aan een analyse onderwerpt, maakt ze ook gebruik van het begrip common sense. In tegenstelling tot de meeste moderne filosofen behandelt Arendt dit begrip niet neerbuigend: common sense valt voor haar niet samen met “boerenverstand” en is meer dan de neerslag van overgeërfde vooroordelen of algemene wijsheden, zoals we die in spreekwoorden aantreffen. Ze herinnert integendeel aan een andere, pre-moderne betekenis van de term, die ze in lijn brengt met een inzicht uit de fenomenologie: sensus communis is voor Thomas van Aquino het zesde zintuig dat de diverse gegevens van de zintuiglijke ervaring verenigt, mededeelbaar maakt en een plaats geeft in een met anderen gedeelde, gemeenschappelijke wereld. (De witte kleur en de zoete smaak horen bij hetzelfde klontje suiker, waar mijn kind, net als ik, verzot op is.) Daarnaast wordt in de fenomenologie de sensus communis herontdekt: de sensus communis is een gewaarwording die al mijn zintuiglijke waarnemingen vergezelt en mij het aan elk wetenschappelijk bewijs voorafgaand geloof schenkt dat aan mijn waarnemingen een “werkelijkheid” beantwoordt (en dat ze dus niet op een fictie of hallucinatie berusten). Het witte en zoete horen bij een klontje suiker, dat onafhankelijk van mijn gewaarwording bestaat en ook voor anderen waarneembaar is. Deze sensus communis wordt door Arendt ook aangeduid met de term le bon sens: “het gezond verstand is dat zesde zintuig, dat wij niet enkel allen gemeen hebben, maar dat ons een plaats geeft in een gemeenschappelijke wereld en zo deze wereld mogelijk maakt”.

Naast deze betekenis van common sense als le bon sens, die ze vooral in Denken uitwerkt, kent Arendt aan het begrip ook de betekenis toe van community sensegemeenschapszin. Waar le bon sens zich vooral afstemt op het feitelijk gegevene en op het onderscheid tussen waar en onwaar en dus op kennis, hebben we de gemeenschapszin nodig als we waardeoordelen uitspreken – “dit is mooi”, “dit is lelijk” of “dit is walgelijk” – waarin we de betekenis van concrete fenomenen trachten te vatten. De gemeenschappelijkheid van de wereld wordt niet alleen gedeeld in waarheidsuitspraken, maar ook in waardeoordelen. Het verschil tussen beide is dat een waarheidsuitspraak dwingend is, op grond van de evidentie die ze uitdrukt, terwijl een waardeoordeel op zoek moet gaan naar instemming – “vind je dit ook niet een uitzonderlijk mooi schilderij?”

Hun betoog begrijp ik zo. De ‘common sense’, in de zin van ‘gemeenschapszin’, is wat ik de Gedeelde Mening noem. Die Gedeelde Mening is de vrucht van het gemeenschappelijk waarderend begrijpen van een element van de werkelijkheid. In haar vraag: “vind je dit ook niet een uitzonderlijk mooi schilderij?” is de persoon die vraag stelt op zoek naar een Gedeelde Mening (‘uitzonderlijk mooi’) van een element van de werkelijkheid (die bewuste ‘schilderij’). Zelf vind ik die vraag nogal manipulerend, maar dit terzijde. Het gezamenlijk waarderend aanvoelen, Arendts community sense, wordt gecreëerd door de karakteristiek Waarderend Begrijpen van de dialoog en dus het Cruciale Dialoogmodel

Dat begrijpen sterk afhankelijk is van wat Arendt de gemeenschapszin of het gezond verstand noemt (sensus commonis) doet ze zo uit de doeken;

Het belangrijkste politieke verschil tussen gezond verstand (of gemeenschapszin) en logica is dat het gezond verstand een gemeenschappelijke wereld veronderstelt waarin wij allen passen, waarin wij kunnen samenleven omdat we één zintuig bezitten dat alle strikt particuliere zintuiglijke data controleert en afstemt op de data van alle anderen; de logica daarentegen, alsook elke evidentie waarvan het logische redeneren vertrekt, kan aanspraak maken op een betrouwbaarheid die volledig onafhankelijk is van de wereld en het bestaan van andere mensen. Vaak is de opmerking gemaakt dat de bewering 2+2=4 geldig is, onafhankelijk van de menselijke conditie; de bewering geldt zowel voor God als voor de mens. Anders gezegd, telkens wanneer het gezond verstand (of het gemeenschappelijke zintuig), het politieke zintuig bij uitstek, ons in de steek laat als we iets willen begrijpen, aanvaarden we maar al te graag de logiciteit als vervangmiddel: immers, het vermogen om logisch te redeneren hebben we ook allen gemeen. Maar dit gemeenschappelijk menselijk vermogen, dat zelfs functioneert wanneer we volledig van de werkelijkheid en de ervaring afgescheiden zijn, en dat strikt “in” ons is, zonder enige band met iets dat “gegeven” is, is niet in staat om iets te begrijpen; aan zichzelf overgelaten is het volslagen steriel. (Arendt, 2021, p. 495) 

Hierin geeft Arendt het duidelijk verschil weer tussen ‘gemeenschapszin’ en ‘logica’. Zij ziet de ‘gemeenschapszin’ als een zesde zintuig dat de vijf andere tot een geheel smeedt. De ‘logica’ ziet ze als een steriel vervangingsmiddel. De ‘logica’ is uiteraard ook een gemeenschappelijk vermogen. Het is echter een vermogen zonder emotie, kleur of waardeinhoud. Logica is eerder ‘het is wat het is’ en het ‘is in ons’. Een bijkomend verschil dat ik zie, is dat de ‘gemeenschapszin’ de vrucht is van een dialoog en er over ‘logica’ niet kan gedialogeerd worden. Zoals Arendt zo treffend stelt: 2+4=4, zowel voor God als elke mens.

Begrijpen en Oordelen

Begrijpen en Oordelen zijn nauw verbonden en verweven en zijn beiden elementen onder een algemene regel. Het oordeelsvermogen is volgens Kant reflecteren over de werkelijkheid en hij beschreef de afwezigheid ervan als ‘domheid’ en ‘een gebrek waarvoor geen remedie bestaat’ (Kant, 2009). Arendt zegt hierover (2021, 491):

Onze zoektocht naar betekenis wordt tegelijk gewekt en gefnuikt door ons onvermogen om betekenis te doen ontstaan. Kants definitie van domheid is geenszins naast de kwestie. Sinds het begin van deze eeuw gaat de groei van betekenisloosheid gepaard met een verlies aan gezond verstand (gemeenschapszin). In vele opzichten lijkt dit verlies eenvoudigweg op een toenemende domheid. Wij kennen geen eerdere beschaving waarin de mensen onnozel genoeg waren om hun koopgewoonten af te stemmen op de stelregel dat “eigenlof de hoogste aanbeveling verdient” – de veronderstelling van elke reclame. Ook is het weinig waarschijnlijk dat in een voorafgaande eeuw mensen ervan overtuigd konden worden om een therapie ernstig te nemen die zogezegd alleen helpt op voorwaarde dat de patiënten de therapeut er een hoop geld voor betalen – tenzij er uiteraard een primitieve samenleving bestaat waarin het overhandigen van geld op zich een magische kracht bezit. 

Wat gebeurd is met de verstandige kleine regels van het eigenbelang, heeft zich op een veel bredere schaal voorgedaan in alle sferen van het gewone leven die, omdat ze gewoon zijn, het best door gewoonten gereglementeerd worden. 

Arendt trekt verder van leer (2021, 491):

… de domheid in de Kantiaanse zin het gebrek van iedereen geworden. Daarom kan men ook niet langer beweren dat er “geen remedie” voor bestaat. Domheid is even gemeenschappelijk geworden als de gemeenschapszin vroeger was; en dit betekent niet dat ze een symptoom van de massamaatschappij is of dat “intelligente” mensen er vrij van zijn. Het enige verschil is dat de domheid bij de niet-intellectuelen zalig ongearticuleerd blijft en bij “intelligente” mensen onverdraaglijk offensief wordt. Binnen de intelligentsia kan men zelfs zeggen dat, hoe intelligenter een individu is, des te meer de domheid, die hij met allen gemeen heeft, irriteert. 

Verassend vind ik dat volgens Arendt begrijpen aan de andere kant van het handelen ligt, waarin ik dan de ‘andere kant van de liggende acht’ in zie:

Indien de essentie van elk handelen, en zeker van het politieke handelen, ligt in het maken van een nieuw begin, dan wordt het begrijpen de andere kant van het handelen, namelijk die wijze van kennen, onderscheiden van vele andere vormen, waardoor handelende mensen (en niet mensen die bezig zijn met het contempleren van een verloop in de geschiedenis, ten goede of ten kwade) uiteindelijk in het reine kunnen komen met wat onherroepelijk gebeurd is en zich kunnen verzoenen met wat onvermijdelijk bestaat. (Arendt, 2021, pp. 499-500)

Begrijpen is voor Arendt (2021, p. 500) het geven van betekenis aan het wezen van ‘alles wat is’ en dit op een manier waarbij het eigen denkkader in vraag wordt gesteld, hetgeen volledig in lijn ligt met onze eigen mening daaromtrent: 

Het zal integendeel, juist omdat het de andere kant van het handelen is, beseffen dat alle andere resultaten zo ver van het handelen verwijderd zijn dat ze onmogelijk waar kunnen zijn. Evenmin zal het proces van het begrijpen de cirkel vermijden die de logici “vicieus” noemen; het zal in dit opzicht wellicht enigszins op de filosofie lijken, waarin grote geesten altijd in cirkels draaien, daarbij de menselijke geest betrekkend in niets minder dan een nooit eindigende dialoog tussen zichzelf en het wezen van alles wat is. 

Arendt maakt dan een zijsprongetje naar het begrip ‘begrijpend hart’ uit een tot God gerichte smeekbede van Koning Salomon. Deze tekst vind ik persoonlijk van uitzonderlijk belang in de huidige context van de vloed van migranten die Europa overspoelt en de ‘afwijzende’ reflex van Europa. Wij hebben ook in die context nood aan Koning Salomon’s ‘begrijpend hart’.

Salomo bad om deze bijzondere gave omdat hij koning was en wist dat alleen een “begrijpend hart”, en niet louter reflectie of louter voelen, het voor ons draaglijk maakt om met andere mensen, voor altijd vreemdelingen, in dezelfde wereld samen te leven, en het hun mogelijk maakt het met ons uit te houden. 

En Arendt voegt er als voetnoot bij (2021, p.683): “Alleen in het geduldig uithouden van de niet-vicieuze cirkel van het begrijpen smelt iedere zelfgenoegzaamheid en elke vorm van “betweterij” weg. Dit is ronduit schitterend gezien vanuit de optiek van m’n Cruciale Dialoogmodel, dat steunt op het creatief wisselwerkingsproces dat de werking van de Vicieuze Cirkel teniet doet. Inderdaad Arendts ‘niet-vicieuze cirkel’ is voor mij het creatief wisselwerkingsproces dat naar begrijpen leidt en daardoor iedere zelfgenoegzaamheid en elke vorm van “betweterij” teniet doet. Dit omdat het continu het denkkader omvormt tot Salomon’s “begrijpend hart”.

En Arendt (2021, pp. 500-501) besluit met:

Echt begrijpen wordt de eindeloze dialoog en de “vicieuze cirkels” niet beu, omdat het erop vertrouwt dat de verbeelding uiteindelijk al was het maar een glimp zal opvangen van het altijd vreesaanjagende licht van de waarheid. […]

Alleen de verbeelding stelt ons in staat om dingen in hun eigen perspectief te zien; om sterk genoeg te zijn om wat te dichtbij is op een zekere afstand te plaatsen, zodat we het kunnen zien en begrijpen zonder vooringenomenheid en vooroordeel; om voldoende grootmoedigheid aan de dag te leggen om de afgrond van de verwijdering te overbruggen, tot we alles wat te ver van ons af staat, kunnen zien en begrijpen alsof het onze eigen zaak is. Het scheppen van afstand tegenover sommige dingen en het bereiken van anderen over afgronden heen, maakt deel uit van de dialoog van het begrijpen; hiertoe brengt de directe ervaring een te nauw contact tot stand, en werpt loutere kennis kunstmatige barrières op. 

Zonder dit soort van verbeelding en zonder het begripen dat eraan ontspringt zouden wij nooit in staat zijn om ons in de wereld te oriënteren. Het is het enige innerlijke kompas dat we hebben. De mate waarin wij tijdgenoten zijn hangt af van de reikwijdte van ons begrijpen. Indien we op deze aarde thuis willen zijn, ook als we daarvoor de prijs betalen niet thuis te zijn in deze eeuw, dan moeten we trachten deel te nemen aan de nooit eindigende dialoog met de essentie van het totalitarisme.

De lessen van Socrates

Van oudsher is het gezegde van Socrates “Ik weet dat ik niet weet” m’n richtsnoer en het lezen van ‘Het leven van de Geest’ van Hannah Arendt toont eens te meer de waarheid besloten in deze spreuk weer. Anders gesteld, het boek heeft mij heel wat kennis bijgebracht. 

Waarheid en opinie (Arendt, 2021, pp. 505-508)

De tegenstelling tussen waarheid en opinie is het meest schrijnends in het proces van Socrates en dus de oorzaak van diens dood. De tragedie van diens dood berust op het verschil tussen de opinie van het volk en de waarheid van Socrates. Het volk begreep totaal niet dat Socrates betwijfelde dat sterfelijken überhaupt wijs kunnen zijn en daarmee de ironie in het orkakel van Delphi besefte. Dat orakel stelde dat Socrates de meest wijze van alle stervelingen was juist omdat hij wist dat mensen niet wijs kunnen zijn. Voor Socrates is zijn eigen doxa ook maar een ‘mening’ en hij stelt meermaals dat hij de waarheid niet in pacht heeft. Juist daarom is hij m’n lichtend voorbeeld.

De tirannie van de waarheid (Arendt, 2021, pp. 508-511)

Het belangrijkste verschil tussen overreding en dialoog is dat men zich in het eerste tot de mening richt en het tweede zich afspeelt tussen twee personen. Overreding gebeurt via opinies en houdt rekening met de menigte. Bij overreding dringt men z’n eigen opinies op. Die opinies worden tijdens een overreding als waarheid door het strot van de toehoorders geduwd. Socrates zag goed in dat zijn mening het formuleren in woorden was van ‘wat aan hem verscheen’. Hierbij veronderstelde Socrates dat de wereld zich voor ieder mens op een andere manier ontsluit. Arendt stelt (2021, p. 510) dit ontsluiten gebeurt “overeenkomstig diens positie in de wereld” wat ik dan weer vertaal als “overeenkomstig diens gekleurde bril geslepen door z’n specifieke mindset.”

Wat Plato later dialegesthai noemde, noemde Socrates zelf nog maieutiek of verloskunde: hij wou anderen helpen bij het baren van wat zij zelf hoe dan ook dachten, het vinden van de waarheid in hun doxa

De betekenis van deze methode lag in een tweevoudige overtuiging: ieder mens heeft zijn eigen doxa, zijn eigen openheid op de wereld, en Socrates moet daarom altijd beginnen met vragen; hij kan niet op voorhand weten welk soort van dokei moi, van het-lijkt-mij-toe, de ander bezit. Hij moet zich vergewissen van de positie van de ander in de gemeenschappelijke wereld. Nochtans, evenmin als iemand op voorhand de doxa van de ander kan kennen, kan iemand uit zichzelf en zonder verdere inspanning de inherente waarheid van zijn eigen opinie kennen. (Arendt, 2021, p. 510)

Socrates bracht de waarheid van elke burger ter wereld. Hij drong zijn waarheid niet op, hij was de ‘horzel’ die de burgers waarheidlievender maakte. De Socratische dialoog is gebaseerd op strikte gelijkheid en mondt niet uit in een algemene waarheid, hoogstens in een Gedeelde Mening, maar dat was voor hem als resultaat voldoende.

Dialoog onder vrienden (Arendt, 2021, pp. 512-516)

De dialoog die geen conclusie nodig heeft, is de dialoog onder vrienden. Vrienden zien we als gelijken en we respecteren hun mening. Meer nog men begrijpt waarderend de waarheid, besloten in de opinie van de ander. Gezien onze meningen verschillend zijn, zijn we verschillend. De dialoog zorgt ervoor dat we die verschillen begrijpen en waarderen. De dialoog veronderstelt wel dat je jouw opinie waarheidsgetrouw kan articuleren zodat deze waarderend begrepen kan worden. 

De dialoog onder vrienden maakt dat er geen heerschappij nodig is. De basis inzichten die Socrates aanwendde was het ‘ken uzelf’ van de Delphische god Apollo en z’n reeds eerder aangehaalde uitspraak: “Het is is beter om met de wereld in onenigheid te verkeren dan, één zijnde, met zichzelf in onenigheid te verkeren.”

In Socrates’ opvatting betekende het Delphische “ken uzelf ”: weten wat aan mij verschijnt – enkel aan mij, en daarom voor altijd gebonden aan mijn eigen concrete bestaan – is het enige waardoor ik ooit waarheid kan begrijpen. Absolute waarheid, die voor alle mensen dezelfde zou zijn, en daarom niet gebonden aan en onafhankelijk van het bestaan van ieder mens afzonderlijk, is voor stervelingen onbereikbaar. Waar het voor stervelingen op aankomt is de doxa waarheidlievend te maken, waarheid te zien in elke doxa, en op zodanige wijze te spreken dat de waarheid van iemands opinie zich aan hemzelf en aan anderen openbaart. In deze context betekent het Socratische “ik weet dat ik niet weet” niets anders dan: ik weet dat ik niet de waarheid voor iedereen bezit, ik kan de waarheid van de ander, mijn medeburger, niet kennen, tenzij door hem vragen te stellen, en zo zijn doxa – die zich voor hem, verschillend van alle anderen, openbaart – te leren kennen. Op zijn immer-dubbelzinnige manier eerde het Delphische orakel Socrates als de meest wijze van alle mensen: hij had de beperkingen van de waarheid voor stervelingen – het feit dat de waarheid doorheen het dokein, doorheen verschijningen, aan het licht komt – geaccepteerd. Tezelfdertijd had hij, in tegenstelling tot de Sofisten, ontdekt dat de doxa noch zuiver subjectieve illusie noch willekeurige verdraaiing was, maar integendeel datgene waar onveranderlijk waarheid aan kleefde. Als de kwintessens van het onderricht van de Sofisten lag in het duo logoi, in de klemtoon op het feit dat elke zaak op twee verschillende manieren kan worden besproken, dan was Socrates de grootste van alle Sofisten. Want hij dacht dat er zoveel verschillende logoi zijn, of zouden moeten zijn, als er mensen zijn, en dat al deze logoi samen de menselijke wereld vormen, in zoverre mensen al sprekend samenleven. (Arendt, 2021, p. 514)

Wat ik (Roels, 2012), samen met Henry Nelson Wieman (1990) en Charlie Palmgren (2008) Authentieke Interactienoemt is volgens Arendt (2021, p. 515):

Het voornaamste criterium voor de mens die waarheidsgetrouw zijn opinie uitspreekt was volgens Socrates “dat hij in overeenstemming zou zijn met zichzelf”, dat hij zichzelf niet zou tegenspreken en geen tegenstrijdige dingen zou zeggen – wat de meeste mensen in feite wel doen, maar waar ieder van ons toch ergens bevreesd voor is. De vrees voor de contradictie komt voort uit het feit dat ieder van ons, “één zijnde”, tezelfdertijd kan praten met zichzelf (eme emautô), alsof hij met z’n tweeën was. Juist omdat ik al twee-in-één ben, tenminste wanneer ik probeer te denken, kan ik, om Aristoteles’ definitie te gebruiken, een vriend ervaren als een “ander zelf” (heteros gar autos ho philos estin). Alleen iemand die de ervaring van het spreken met zichzelf kent, is in staat een vriend te zijn, in staat om een ander zelf te verwerven. De voorwaarde is dat hij één van geest is met zichzelf, in overeenstemming met zichzelf (homognômonei heautô), want iemand die zichzelf tegenspreekt is onbetrouwbaar. 

Socrates en diens “één zijnde, met zichzelf in onenigheid verkeren”

Wanneer we ons vereenzelvigen met onze gecreëerde zelf, zijn onze attitudes en gedrag meer gedreven van ‘buiten naar binnen’ dan andersom. Wij hangen voor ons ‘goed gevoel’ en welzijn van anderen af. “Wat zullen ze van mij denken?” is een symptomatische gedachte in dit verband. Bovendien hebben wij een grote behoefte om te tonen dat wij alles ‘onder controle’ hebben, dat wij er goed uitzien en dat wij ons conformeren aan vastgelegde regels. Daarbij staat het gecreëerde zelf continu onder spanning omdat het gevangen zit in het web van de opinies van anderen. Het zit vast in de val van de Vicieuze Cirkel. Uiteindelijk geloven we dat het gecreëerde zelf diegene is die we in werkelijkheid zijn. We steken zo veel energie in het beschermen van onszelf, tegen de angsten van het gecreëerde zelf, dat we ontkoppeld en vervreemd zijn van onze essentie en daardoor ook van de essentie van anderen. Wij zijn in oorlog met onszelf en met anderen. Wij vertrouwen onszelf niet meer en wij vertrouwen elkaar niet. 

Het gecreëerde zelf en het Originele Zelf is echter één en van zodra we dreigen in het web ven de Vicieuze Cirkel dreigen vast te zitten dienen we er ons ‘van binnen naar buiten’ via het Originele Zelf uit te bevrijden en stoppen met in oorlog te zijn in en met onszelf!

Samen met mezelf (Arendt, 2021, pp. 516-519)

Waarom het beter is “in onenigheid te verkeren met de hele wereld dan, een zijnde, in onenigheid met mezelf “ ligt besloten in dat één zijnde. Aan het zelf ben ik vastgeklonken en dit voor altijd. Ik verschijn dus niet alleen voor anderen, ik verschijn ook aan mezelf. En dat verschijnen dien ik continu te monitoren. Vandaar het advies van Socrates: “Wees zoals je zou willen verschijnen aan anderen.”

Zelf interpreteer ik Socrates ‘een zijnde’ of ‘samen zijn met mezelf’ als de interne dialoog tussen mijn gecreëerde zelf en m’n Originele Zelf. Ik besta dus niet in enkelvoud maar in meervoud. Bovendien is die ‘een zijnde met mezelf’ veranderlijk, wat ik dan weer zie als de gecreëerde zelf toegroeiend in de richting van het Originele Zelf. Anders gesteld ik ben een evoluerende dubbelzinnige zelf.

De doxa vernietigd (Arendt, 2021, pp. 519-522)

Het open einde van vele dialogen kan gezien worden als dat alle opinies worden vernietigd, zonder dat een waarheid voor in de plaats gegeven wordt. Het grote verschil tussen Socrates en mezelf die diens uitspraak “Ik weet dat ik niets weet” is dat ik zelf wel een opinie heb en me er sterk van bewust ben dat die doxa niet de waarheid is. Volgens mij wordt door de dialoog met de Ander, de doxa niet vernietigd, integendeel er wordt een Gedeelde Mening gecreëerd, indien de dialoog succesvol is. 

In de grot (Arendt, 2021, pp. 522-524)

De allegorie van de grot van Plato is een soort drietrapsraket die een metafoor is voor de transformaties van de filosoof, en gezien ik een zelfverklaarde filosoof ben, ook een metafoor van m’n leven.

De toekomstige filosoof is geketend en kijkt naar een wand van de grot waar hij enkel schaduwen en beelden ziet. 

De beelden op de wand waar de grotbewoners naar staren, zijn hun doxai, wat en hoe de dingen voor hen verschijnen. Indien zij de dingen zoals zij werkelijk zijn willen bekijken, moeten zij zich omkeren, dat wil zeggen hun positie veranderen, omdat, zoals we gezien hebben, iedere doxa afhangt van en beantwoordt aan iemands positie in de wereld. (Arendt, 2021, pp. 523)

De eerste transformatie is dus ‘zich omkeren’ om de dingen te zien zoals die werkelijk zijn. De filosoof in spé raakt uit de grot en komt terecht in een landschap zonder dingen of mensen. Hij komt terecht in de wereld van de ideeën:

Hier verschijnen de ideeën, de eeuwige essenties van de vergankelijke dingen en van de sterfelijke mensen, verlicht door de zon, de idee der ideeën, die de toeschouwer in staat stelt te kijken en de ideeën in staat stelt te schitteren. (Arendt, 2021, pp. 523)

Maar met ideeën alleen geraak je niet ver. Enkel door sommige ervan te realiseren bekom je de transformatie. Daarom dient de filosoof terug te keren naar de werkelijkheid; in dit geval de grot, waar zij of hij zich niet meer thuis voelt. En wanneer hij z’n wedervaren aan de andere grotbewoners wil meedelen loopt dat uit op een fiasco. Die hebben ‘het licht niet gezien’ en dus is de gemeenschapszin verloren. Het is alsof hij het ‘gezond verstand’ (gemeenschapszin) verloren heeft.

Het verschil tussen de filosoof en de grotbewoners is dat die laatsten zich in duisternis en onwetendheid bevinden en de filosoof zich in stralend licht met kennis van zaken.

Verwondering

Volgens Plato is verwondering het begin van de filosofie. 

Thaumazein, de verwondering over wat is zoals het is, is volgens Plato een pathos, iets wat doorstaan wordt en als zodanig sterk verschilt van doxazein of het vormen van een opinie over iets. De verwondering die de mens doorstaat of die hem overvalt, kan niet in woorden worden weergegeven worden, omdat zij te algemeen is voor woorden. (Arendt, 2021, p. 526)

Zelf begrijp deze paragraaf als volgt. Thaumazein volgt op het zien wat is zoals het is of het zien met het helder bewustzijn. Het zien is in dit geval ‘observeren’ en eerder dan in te kleuren is men verwonderd.  Die verwondering wordt anders gesteld doorleefd en dat is iets anders dan de observatie direct in te kleuren met het gekleurd bewustzijn en daardoor de verwondering om te zetten in een opinie of (gekleurde) mening. 

Arendt gaat verder (2021, pp. 526-527):

En zodra de sprakeloze toestand van de verwondering zichzelf vertaalt in woorden, zal ze niet beginnen met beweringen, maar zal ze oneindige variaties formuleren op wat wij ultieme vragen noemen – Wat is het Zijn? Wie is de mens? Wat is de zin van het leven? Wat is de dood? enz. –, die alle gemeen hebben dat zij niet op een wetenschappelijke manier beantwoord kunnen worden. Socrates’ bewering “Ik weet dat ik niet weet” drukt in termen van kennis dit gebrek aan wetenschappelijke antwoorden uit. Maar in de toestand van verwondering verliest deze uitspraak haar droge negativiteit, want het resultaat dat achterblijft in de geest van de persoon die het pathos van de verwondering doorstaan heeft, kan alleen uitgedrukt worden als: nu weet ik wat het betekent niet te weten; nu weet ik dat ik niet weet. Het is vanuit de feitelijke ervaring van niet-weten, waarin zich een van de basisaspecten van de menselijke conditie op aarde onthult, dat de ultieme vragen oprijzen, en niet vanuit het gerationaliseerde, bewijsbare feit dat er dingen zijn die de mens niet kan kennen – een feit dat de adepten van vooruitgang ooit volledig hopen recht te zetten, of de positivisten wellicht als irrelevant terzijde schuiven. Door onbeantwoordbare vragen te stellen, bevestigt de mensen zich als een vragend wezen. Dit is de reden waarom de wetenschap, die beantwoordbare vragen stelt, haar oorsprong heeft in de filosofie – een oorsprong die, over de generaties heen, haar altijd aanwezige bron blijft. Verloor de mens op een dag dit vermogen om beantwoordbare vragen te stellen. Hij zou ophouden een vragend wezen te zijn – wat het einde zou betekenen, niet alleen van de filosofie, maar evengoed van de wetenschap.

Het is dus niet te verwonderen dat in het midden van het Cruciale Dialoogmodel – wat ook model staat voor het creatief wisselwerkingsproces – de vraag staat. Meteen is ook duidelijk dat het eigenlijk normaal is dat ik zelf in de loop der jaren transformeerde van een wetenschapper (het vak van ingenieur behoort bij de toegepaste wetenschappen) tot een zelfverklaarde filosoof. Het vraagteken is een basisingrediënt van elk mensenleven. Dit veelal in de vorm van de waarom vraag en dit al vanaf de leeftijd van twee jaar (het zogenaamde ‘waarom-monstertje’). Als ingenieur in de veiligheidstechnieken (de start van m’n tweede professionele leven) de waarom vraag gesteld aan het begin van elke analyse van arbeidsongevallen of andere miskleunen. En elk antwoord op die beginvraag werd opnieuw bestookt met een variant van de basis vraag. Elke onderzoeker is inderdaad een ‘waarom-monster’. Veel later kwam ik uiteindelijk tot filosofische vragen als daar zijn ‘Moeder waarom leven wij?” M’n nooit definitieve antwoorden verwerkte ik in m’n columns en podcasts ten behoeve van m’n kleinkinderen, Eloïse, Edward en Elvire, die ooit met dezelfde levensvragen zullen geconfronteerd worden.

Arendt beschrijft eigenlijk ook de moeilijkheden die ik ondervond met mensen die hun gekleurde mening voor waarheid aanzagen:

Aangezien het pathos van de verwondering de mensen niet vreemd is, maar integendeel een van de meest algemene kenmerken van de menselijke conditie is, en aangezien de gebruikelijke weg uit dit pathos er voor de meesten in bestaat opinies te vormen waar ze niet passen, zal de filosoof onvermijdelijk met deze opinies in conflict geraken: hij zal ze onverdraaglijk vinden. En aangezien zijn eigen ervaring van sprakeloosheid zich enkel uitdrukt in het stellen van onbeantwoordbare vragen, is hij inderdaad op een doorslaggevende manier benadeeld op het ogenblik dat hij terugkeert naar het politieke domein. Hij is de enige die niet weet, de enige die geen duidelijke en welomlijnde doxa heeft om te wedijveren met de andere opinies – over de waarheid of onwaarheid waarvan het gezond verstand wil beslissen: het gezond verstand is immers dat zesde zintuig dat wij niet enkel allen gemeen hebben, maar dat ons een plaats geeft in een gemeenschappelijke wereld en zo deze wereld mogelijk maakt. Als de filosoof het woord neemt in deze wereld van het gezond verstand, waartoe ook onze algemeen aanvaarde vooroordelen en oordelen behoren, zal hij altijd in de verleiding komen om te spreken in onzinnige termen, of – om de uitdrukking van Hegel nog eens te gebruiken – het gezond verstand op zijn kop te zetten. (Arendt, 2021, p.528)

En Arendt (2021, p. 529) gaat verder:

Want wat geldt voor deze verwondering, waarmee elk filosoferen begint, geldt niet voor de eenzame dialoog die erop volgt. Eenzaamheid, of de denkende dialoog van de twee-in-één, maakt integraal deel uit van het zijn en samenleven met anderen, en in deze eenzaamheid kan ook de filosoof niets anders doen dan opinies vormen – ook hij komt tot zijn eigen doxa. Het verschil met zijn medeburgers is niet dat hij een of andere bijzondere waarheid bezit, waarvan de menigte uitgesloten is, maar dat hij altijd bereid blijft het pathos van de verwondering te doorstaan en daarbij het dogmatisme van mensen met alleen maar opinies vermijdt. Om te kunnen wedijveren met dit dogmatisme van het doxazein, stelde Plato voor om de sprakeloze verwondering, die het begin en einde van de filosofie is, eindeloos te verlengen. Wat slechts een vluchtig moment kan zijn, of, om Plato’s eigen metafoor te gebruiken, de vluchtige vonk tussen twee vuurstenen, trachtte hij tot een levenswijze (bios theôrêtikos) te ontwikkelen. In deze poging brengt de filosoof zichzelf tot stand, baseert hij zijn hele bestaan op die singulariteit die hij ervoer wanneer hij het pathos van het thaumazein doorstond. En daardoor vernietigt hij de pluraliteit van de menselijke conditie in zichzelf. 

Dit begrijp ik als volgt. Uiteraard vorm ik uit de verwondering een doxa (mening) en dit door een interne dialoog tussen m’n helder bewustzijn en m’n gekleurd bewustzijn (de staande acht in de linkerlus van de liggende acht). Het verschil met medeburgers die enkel hun gekleurd bewustzijn inzetten, is dat ik weet dat ik niet weet. Anders gesteld, ik weet dat ik de waarheid niet in pacht heb. Ik weet ook dat mijn zogezegde ‘waarheid’ enkel een opinie, een mening is. Die mening is vatbaar voor transformatie en ik laat die transformatie ook toe via dialoog. Die houding is niet vluchtig, het is een levenswijze om mijn doxa af te toetsen aan andere doxa om daardoor tot een Gedeelde Mening te komen (in het midden van onderstaand model). En eens we tot dit inzicht, die Gedeelde Mening gekomen zijn, kunnen we er iets aan doen. Ten minste als we dat na het vormen van gevoelens door het nog niet vervuld zijn van de behoeften, dat Willen!

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Bos, A.H. (1974). Oordeelsvorming in Groepen, Scriptie (74-6). Wageningen: Med. Landbouwhogeschool. 

Palmgren, C. (2008). Ascent of the Eagle. Being and Becoming Your Best. Dayton: Innovative Interchange Press.

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Schein, E.H., (2013). Humble Inquiry. The Gentle Art of Asking instead of Telling. San Francisco: Berrett- Koehler Publishers.

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

BLIJF WAKKER ! – DEEL XXXIX

HOE STERK WEER OPSTAAN NA ZWARE TEGENSLAG?

Come on up for the rising

Come on up, lay your hands in mine

Come on up for the rising

Come on up for the rising tonight.

Bruce Springsteen – The Rising[i].

Eloïse, Edward en Elvire, deze column gaat over omgaan met tegenslagen. Tegenslagen horen bij het leven, daar hadden we het al uitgebreid over in vorige column. Bij een miskleun, een falen of een tegenslag hebben jullie de keuze: 

  1. Jullie vertonen het mainstream gedrag en geven ‘de ander’ de schuld; met andere woorden, jullie zoeken totdat jullie ‘de zwarte piet’ gevonden hebben; 
  2. Wanneer jullie die niet vinden, wordt de schuld doorgeschoven naar ‘Murphy’;
  3. Jullie zijn tegendraads: jullie weigeren te oordelen, de schuld in iemands schoenen te schuiven of ‘de ander’ te veroordelen; in de plaats daarvan kies je voor het ‘sterk-weer-opstaan’ proces. 

De waarde van tegendraads zijn

Eloïse, Edward en Elvire, tegendraads zijn start met een cruciale dialoog met zichzelf en de omgeving rond de miskleun of het falen. Daarbij maakt men best gebruik van het creatief wissselwerkingsproces. Zo lost men het probleem op terwijl men terzelfdertijd voorkomt dat het in de toekomst nog de kop op steekt. 

Om tegendraads te zijn en in de spiegel te kijken, is er moed nodig teneinde te laten zien hoe het werkelijk is een miskleun te doorstaan; de eigen kwetsbaarheid te voelen in plaats van de fout in het gedrag van anderen te zoeken of de eigen frustratie op anderen af te reageren. Bereid zijn om de werkelijkheid onder ogen te zien en blijven leven in overeenstemming met eigen waarden en normen en dit bovendien daadwerkelijk tonen; daar heb ook ik uiteindelijk voor gekozen. 

Creatieve Wisselwerking

Eloïse, Edward en Elvire, jullie konden al bevroeden, het ‘sterk-weer-opstaan’ proces is in feite het van binnen uit beleven van Creatieve wisselwerking na een miskleun. En bij dit beleven klopt de spreuk “Hoe meer ik leer, hoe minder ik weet” als een bus. Dit is het loon van het leren uit eigen fouten: men komt z’n eigen beperktheid tegen. Daardoor heb ik onder meer geleerd de idee dat ik de waarheid in pacht zou hebben volledig op te geven. 

Ik beleef wel een basis- en universele waarheid: Creatieve wisselwerking. Het is de moed hebben de uitdaging aan te gaan en daardoor het proces van binnen uit beleven en dit bovendien laten zien. Dit alles terwijl men heel goed weet dat men geen controle hebt over het uiteindelijke resultaat. Men kan Creatieve wisselwerking beleven, edoch men kan het proces niet sturen naar een welbepaald resultaat. 

Zich zo kwetsbaar opstellen, zonder zeker te zijn van het resultaat, is geen teken van zwakte; moediger kan men niet zijn. Als men zo leeft dan bevindt men zich op de ‘werkelijkheid van het terrein’, men bevindt zich in de arena en is dus speler. Men is geen ‘tribune speler’ en nog minder toeschouwer. Men beschouwt het eigen beleven van het proces wel, dit met de vaardigheid Proces Bewustzijn. Meer nog, men heeft eigenlijk lak aan toeschouwers die van op veilige afstand strooien met bekrompen kritiek en kleinerende opmerkingen. 

Dit wil ook zeggen dat men, mede door het beleven van Creatieve wisselwerking, selectief wordt met betrekking tot feedback die men in toelaat. Eloïse, Edward en Elvire, zelf hanteer ik volgende vuistregel: wanneer de ander zich niet niet met mij in de arena bevindt en dus niet de kans loopt zelf onderuit gehaald te worden, dan ben ik niet geïnteresseerd in haar of zijn feedback. Bevindt zij of hij zich wel op het strijdtoneel, dan waardeer ik de feedback ten zeerste en zal er zelfs om vragen. Indien men zich niet kwetsbaar opstelt; met andere woorden, niet met mij in dialoog gaat, met de kans dat deze uitdraait op een ‘cruciale’, dan hoeft het niet voor mij. 

De moed hebben zich authentiek op te stellen, heeft als wetmatigheid dat men ook op z’n bek kan, zelfs ooit zal, gaan. Daardoor is de “The Boxer’ van Paul Simon mijn lijflied. Ik weet namelijk dat, wanneer ik de moed heb mij kwetsbaar op te stellen, ik ooit met het canvas in aanraking zal komen. Ik weet echter ook dat ik dan terug recht zal krabbelen, want ik heb van binnenuit gekozen voor Creative Interchange

In the clearing stands a boxer

And a fighter by his trade 

And he carries the reminders 

Of every glove that laid him down 

Or cut him till he cried out 

In his anger and his shame 

“I am leaving, I am leaving” 

But the fighter still remains. 

Paul Simon – The Boxer 

Door gekozen te hebben voor Creatieve wisselwerking “beyond the point of no return” kan ik niet meer terug … “the fighter still remains”. Ik kan ook niet terug keren naar de werkelijkheid van voor de val. Ik geloof namelijk dat ik uit die ervaring zal leren en daardoor zal uitkomen op een ‘hoger’ niveau dan waarop ik me voor de val bevond. Ik weet ook dat ik echt door het stof zal dienen te gaan en dit met het bloed, het zweet en de tranen eigen aan het gevecht. Plezierig is anders, maar ik heb niet voor plezier gekozen, wel voor groei. En die gaat steeds gepaard met groeipijnen. Het is enerzijds pijnlijk en anderzijds weet ik dat ik, aan het einde van de strijd, als ‘herboren’ én ‘beter’ zal herrijzen. Door deze Awareness en dit Vertrouwen krijg ik de kracht om door te gaan en word ik door de creatie spanning naar een hoger niveau gestuwd. Die kracht (cf. The Force van Yoda) is niets anders dan Creative Interchange. Maar, eerlijk is eerlijk, makkelijk en vredig is deze strijd allerminst. 

Het opstaan na de val is een persoonlijke opgave en toch sta ik er niet alleen voor. Ik bezit de innerlijke zekerheid dat – indien ik a) met anderen verbonden blijf en b) Creatieve wisselwerking met hen vanbinnen uit beleef – ik er kom! Met andere woorden: in de eenzaamheid van de tegenslag dien je wel de uitdaging, creatieve verbinding met anderen te zoeken én te vinden, aangaan. Daartoe is het ‘upfront’ geven van vertrouwen een voordeel. Het is beter dat je vertrouwen soms geschaad wordt dan dat je nooit je vertrouwen ‘upfront’ geeft; met andere woorden dat je wacht totdat dit vertrouwen ‘verdiend’ is, want dan zou het wel eens te laat kunnen zijn. 

Echte Creatieve wisselwerking legt wat we leren uit een mislukking of falen vast in een beslissing tot actie. Door het continu uitvoeren van die actie met commitment en doorzettingsvermogen, zorgt Creatieve wisselwerkingervoor dat uiteindelijk het nieuwe gedrag een goede gewoonte wordt. Echt leren gaat via het hoofd, het hart en onze handen naar onze geest waardoor uiteindelijk onze mindset transformeert. 

Zo is leren opstaan na een dreun, door het vanbinnen uit beleven van Creatieve wisselwerking, een deel van m’n mindset geworden. Ik weet dat ik af en toe zal vallen en ik weet ook dat ik, juist door het vanbinnen uit beleven van CI, er sterker en beter boven op kom. Dat ik terug rechtop, wendbaar en weerbaar, ten volle in het leven zal staan totdat ik terug zal vallen. Dat is, heb ik geleerd, een natuurwet zoals de zwaartekracht. Het ‘sterk-weer-opstaan’ proces na een tegenslag is steeds hetzelfde proces; of het nu over persoonlijke problemen gaat of over problemen op het werk, het creatief wisselwerkingsproces helpt ons er bovenop. 

Wendbaar en Weerbaar

Kortom, om wendbaar (pro-actief) en weerbaar (reactief) te zijn, dient men Creatieve wisselwerking vanbinnen uit te beleven. Dit werd uiteindelijk een levenswijsheid die ik nu, zo goed en zo kwaad ik dit al kan, doorgeef aan jullie Eloïse, Edward en Elvire, mijn drie kleinkinderen. Want die zullen dit – zoals Fons Leroy het zo treffend schetste in een interview op het één journaal van 7 oktober 2016, de dag na de aankondiging van het massaontslag bij ING – in de toekomst meer dan nodig hebben. Zoals reeds gesteld geef ik die kennis nu door omdat ik besef dat de dag ooit komt dat ik niet meer op zal kunnen staan. Ook dat is een natuurwet, elk leven is eindig, ook het mijne. Wat wel zal voortleven is het Creatief wisselwerkingsproces en hopelijk, mijn vurigste wens, ook in jullie, mijn kleinkinderen. Creatieve Wisselwerking doorgeven doe ik onder meer door hen aan te tonen hoe gedachten, emoties en gedrag een samenhangend geheel vormen, zoals de liggende acht zo mooi duidelijk maakt. Dit doe ik onder meer met deze serie columns. Omdat deze column gaat over het beleven van Creatieve wisselwerking bij het ‘sterk-weer-opstaan’ na een zware tegenslag, zullen er nogal wat herhalingen van vorige columns voorkomen. Besef wel dat het beter is tweemaal iets zinnigs te poneren dan het helemaal niet naar voor te brengen.

Creatieve wisselwerking is geen formule!

Eloïse, Edward en Elvire, het grootste probleem met Creatieve Wisselwerking is dat het als een makkelijke formule oogt die iedereen kan uitwerken. Begrijp mij niet verkeerd; Creatieve wisselwerking kan iedereen van binnenuit beleven; meer nog, we zijn er mee geboren! Het probleem zit in het feit dat Creatieve wisselwerking bij de eerste bewuste kennismaking als een makkelijke ‘formule’ overkomt. Dit komt mede omdat ik er (nog) niet in geslaagd ben om Creatieve Wisselwerking complex én bevattelijk voor te stellen. Mijn meest complexe voorstelling van Creatieve Wisselwerking is het ‘vlindermodel’ met z’n 4 fasen, 8 basiscondities en 16 vaardigheden: 

Die voorstelling oogt inderdaad al ingewikkelder dan het lemniscaat model waarmee ik ooit startte. Ik leg echter het vlindermodel nog te veel uit als een soort ‘stap voor stap’ aanpak, wat het allerminst is. Het vlindermodel geeft een mogelijke route aan (communicatie à appreciatie à imaginatie à transformatie) maar dit pad kan echter op verschillende manieren gelopen worden. Het oorzaak en gevolg denken, dat het model zou kunnen impliceren, kan volledig omgedraaid worden en bovendien bevat elk van de vier fasen ALLE vier fasen. Bijvoorbeeld: de vierde fase, transformatie, omvat de vaardigheid van het geven en ontvangen van feedback. Feedback dient gegeven te worden (communicatie), correct waarderend begrepen te worden (appreciatie), aanzetten tot verandering en dus het vinden van ideeën daartoe (imaginatie) die uiteindelijk dienen in werkelijk omgezet te worden (transformatie). 

Eloïse, Edward en Elvire, Creatieve wisselwerking heeft echt geen lineaire volgorde. Toegegeven, ik stel het bijna steeds gemakshalve en als eerste kennismaking zo voor. Dit onder meer met de hulp van het Cruciale dialoogmodel en z’n vier fasen. Ik vertel of schrijf er steeds bij dat die voorstelling eigenlijk te simpel en te lineair is voor het levend, complex, organisch levensproces dat Creatieve wisselwerking is. Creatieve wisselwerking lijkt op het eerste gezicht inderdaad volgens bepaalde patronen te verlopen, maar is heus niet in een formule te vatten, en ook niet in een stap-voor-stap lineaire volgorde. Het heeft in veel gevallen de vorm van de oude Echternach processie (drie stappen voorwaarts gevolgd door twee achterwaarts). Die regel leidde, zoals ik reeds eerder schreef, tot een dusdanige chaos dat de processie uiteindelijk drastisch werd gewijzigd: het werd een dansprocessie. Ook Creatieve wisselwerking heeft veel weg van een dans waarbij de deelnemers met elkaar verbonden zijn. Niet met behulp van een witte zakdoek, zoals het huidig protocol van de Echternach processie voorschrijft, maar door het creatief wisselwerkingsproces zelf. “You have to go with the flow”, zeg ik soms, daarbij goed beseffend dat het fenomeen Flow een van de verschijningsvormen is van Creatieve wisselwerking . 

Creatieve wisselwerking is een zich herhalend, iteratief en zelfs intuïtief proces dat voor verschillende mensen verschillende vormen aanneemt. Ook zorgen verschillende contexten voor een verschillend beleven van Creatieve wisselwerking. Er is bovendien niet steeds een eenduidige relatie tussen inspanning en resultaat. Men kan het proces enkel zo standvastig en zo zuiver mogelijk beleven. Wanneer het resultaat niet in verhouding is met de inspanning, dan dient men daarover te reflecteren, wat op zich weer een van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking is. 

Door het beleven van Creatieve wisselwerking van binnen uit, ook en vooral bij het opstaan na een doodsmak, leer je dat je deel uitmaakt van een groter geheel. De Franciscaan Richard Rohr vertolkt dit treffend wanneer hij stelt: “Na elke initiatie weet je dat je deel uitmaakt van een groter geheel. Het leven draait voortaan niet meer om jou, je gaat je inzetten voor het Leven!”[ii] Een andere pater, Paul de Sauvigny de Blot SJ, leerde mij, eigenlijk meer nog dan Charlie Palmgren, dat ‘sterk-weer-opstaan’ in wezen een spirituele oefening is. In zijn dissertatie[iii]met als hoofdfiguur de stichter van de Jezuïeten orde, Ignatius van Loyola, komt ‘spiritualiteit’ telkens weer uit diens levensverhaal naar voor als cruciaal onderdeel van veerkracht en het gevecht om na een zware tegenslag weer op te staan. Vader de Blot definieert spiritualiteit als ‘innerlijke ervaring die mijzelf overstijgt, richting geeft aan mijn leven en mijn bestaan zinvol maakt’. 

De innerlijke ervaring van Creatieve wisselwerking leidt naar volgende innerlijke zekerheid: Creatieve wisselwerking is het levensproces. Het proces dat aan de grondslag ligt van alle leren en veranderen, dus van alle transformatie. Creative Interchange steunt op onze onderlinge verbondenheid en door het vanbinnen uit beleven worden onze ervaringen als ‘spirituele’ oefeningen. Voor mij is een van de belangrijkste toepassingen van Creative Interchange, als spirituele oefening, het weer opstaan nadat men zwaar ten gronde is gegaan. Want dit opstaan vereist een diepgeworteld geloof in de kracht van Creatieve wisselwerking door verbondenheid, een worsteling met jezelf en, in de meeste gevallen, het terugwinnen van betekenis en zingeving. 

Wat ik ook geleerd heb, Eloïse, Edward en Elvire, is dat zonder het beleven van Creatieve wisselwerking het uiterst moeilijk is om terug op te staan. Die levensles leerde ik in m’n meest donkere periode tot nog toe (mijn massieve depressie: 2008- 2010). Toen kwam de weerbaarheid rijkelijk laat, wat ik mij later maar met heel veel moeite heb vergeven. Ik had m’n kennis toen al in praktijk moeten brengen, want ik had jaren ervoor het boek ‘Creatieve wisselwerking’ geschreven. M’n kennis was toen nog geen wijsheid geworden. Uiteindelijk verbond ik mij terug met het levensproces. Ook dacht ik in die donkere periode veel aan de song “Don’t cry for me, Argentina”, uit ‘Evita’ waarbij ik ‘Argentina’ verving door ‘Creative Interchange’

I had to let it happen, I had to change Couldn’t stay all my life down at heel  Looking out of the window, staying out of the sun
So I chose freedom
Running around trying everything new  But nothing impressed me at all
I never expected it to
Don’t cry for me Argentina
The truth is I never left you
All through my wild days
My mad existence
I kept my promise
Don’t keep your distance
But nothing impressed me at all
I never expected it to
Don’t cry for me Argentina
The truth is I never left you
All through my wild days
My mad existence
I kept my promise
Don’t keep your distance 

And as for fortune, and as for fame
I never invited them in
Though it seemed to the world they were all I desired
They are illusions
They’re not the solutions they promised to be 
The answer was here all the time
I love you and hope you love me
….
Have I said too much?
There’s nothing more I can think of to say to you  But all you have to do is look at me to know that Every word is true! 

Bij m’n volgende dreun – darmkanker 2013 – deed ik het stukken beter en was ik de dreun eigenlijk voor. Door proactief, dus wendbaar, Creatieve wisselwerking vanbinnen uit te beleven, met mezelf én mijn omgeving, zag ik die dreun ‘aankomen’. Spijtig genoeg geloofde m’n huisdokter mijn ‘innerlijke zekerheid’ toen helemaal niet; hij wist het beter. Darmkanker kon helemaal niet, gezien m’n voorgeschiedenis – hij was m’n derde huisarts in een serie grootvader-vader-zoon. Ik had nogal wat moeite om van onder mijn loyaliteit uit te komen, wat dan weer een levensles was. Bij darmkanker is ontwijken echt geen optie, direct rechtveren en doorgaan wel! En dat laatste heb ik dan ook gedaan! Als puntje bij paaltje komt, waren jullie Eloïse, Edward en Elvire, mijn grootste reden om ‘door te gaan zoals ik door ga’. Aldus het ‘oorzaak en gevolg’ model op z’n kop zettend. 

In volgende delen bespreek ik het ‘sterk-weer-opstaan’ proces meer in detail. Onderstaande figuur is een mogelijke voorstelling van dit proces: 

Je eigen verhaal onder ogen zien

Brené Brown: “Je eigen verhaal onder ogen zien en, terwijl je dit doet, van jezelf houden is het moedigste wat je ooit kan doen.[iv]” Het gaat dus over in verbinding komen met je miskleun en je falen en toch van jezelf blijven houden. Het is niet alleen het moedigste, het is ook het wijste dat je kunt doen, wil je de befaamde quote van voetballer-filosoof Johan Cruijff “Elk nadeel heb z’n voordeel” bewaarheid zien door bewust naar het potentieel voordeel op zoek te gaan en dit voordeel ook effectief te realiseren. 

Eloïse, Edward en Elvire, het ‘sterk-weer-opstaan’ proces begint met de feiten van het verhaal op een rijtje te zetten. Daartoe is het beleven van de eerste karakteristiek van Creatieve wisselwerkingAuthentieke Interactie,nodig. Niet alleen authentieke interactie met zichzelf; ook authentieke interactie met mensen uit de eigen omgeving die getuige waren van het falen. Vervolgens dient men nieuwsgierig genoeg te zijn om de juiste vragen te stellen en op die vragen correcte antwoorden te vinden. Daardoor begrijpt men uiteindelijk waarderend de miskleun, wat dan uitmondt in min of meer heftige gevoelens. Daarbij trekt men niet de eerste de beste conclusie en gaat men niet over tot actie (het zo verfoeilijke ‘jump to conclusion’ gedrag). Integendeel, men blijft lang genoeg het eigen verhaal onder ogen zien totdat men ten volle de complexe ‘oorzaken en gevolgen’ keten waarderend begrijpt. 

Als we in de arena op ons gezicht gegaan zijn, is de eerste reactie vaak ‘rond kijken of niemand het gezien heeft’. Wij voelen direct schaamte opwellen en indien we leven volgens de ‘mainstream’ filosofie gaan we aansluitend op zoek naar de ‘schuldige’. Uiteraard zoeken we die, conform de ‘heersende’ mindset, buiten onszelf. De combinatie schaamte/verwijt is zo gebruikelijk omdat we, uit wanhoop van onder de pijn uit te komen, verwijten als een snelle oplossing zien. Voor de meesten van ons, die hun toevlucht nemen tot het maken van verwijten, is de behoefte aan controle zo sterk dat ze schuld willen toewijzen. Ze denken dat ze zich beter gaan voelen nadat ze met de vinger naar iets of iemand gewezen hebben, maar er verandert niets. Verwijten maken is juist dodelijk in relaties. Het is giftig. Maar het blijft de voorkeursreactie van de meesten onder ons. Dit mede omdat het een onderdeel is van onze Vicieuze Cirkel.

Indien we ‘tegendraads’ zijn, bekijken we ons verhaal eerst afstandelijk, alsof het een verhaal van iemand anders is. Anders gesteld, we observeren de feiten van ons verhaal met ons ‘helder’ bewustzijn. Dit wordt zoals we reeds zagen, aangeduid met het begrip Awareness. Met andere woorden, we leggen eerst ons verhaal vast met ons helder bewustzijn en observeren de ‘naakte’ waarheid. 

Pas daarna kleuren wij het verhaal met ons gekleurd bewustzijn (Consciousness). Bij dit interpreteren dragen wij er zorg voor ook, en vooral, onze eigen inbreng in het verhaal te begrijpen. We beleven ten volle de tweede karakteristiek van Creatieve wisselwerkingWaarderend Begrijpen. Dit betekent ook dat, indien we toch een andere actor identificeren dan onszelf, we ons eerst afvragen welke rol we daarbij zelf gespeeld hebben. “Hebben wij het gedrag van de ander gedoogd of getriggerd?” is een van de pertinente vragen die wij ons gedurende deze analyse dienen te stellen. Wij kijken oprecht in de spiegel en slaan hem niet stuk! We hoeden ons er voor onszelf verwijten te maken die ondermijnend zijn en weinig opleveren. 

Ook zijn we er van overtuigd dat indien we onze miskleun verhalen ontkennen of ons losmaken van die moeilijke verhalen, deze niet weggaan. Integendeel, we begrijpen ten volle dat ze ons dan bezitten en ons daardoor bepalen. We kiezen er bewust voor dit niet te laten gebeuren. We laten ons niet ‘vanbuiten naar binnen’ beheersen! 

Eloïse, Edward en Elvire, een van de redenen dat we soms geen rekenschap durven afleggen van onze miskleun verhalen is angst. Daarbij spelen volgende vragen: “Wat als ik iets vind met betrekking tot mijn gedrag dat niet zo prettig is?” of “Wat gaan anderen daarvan denken?” Angst zorgt ervoor dat we onze verhalen in de doofpot willen steken, goed wetende dat die doofpot niet bestaat. Angst leidt naar struisvogel gedrag. Het is niet omdat wij onze kop in het zand steken dat onze medemensen ziende blind zijn. 

Wat nodig is om zich rekenschap te kunnen geven van het volledige eigen verhaal is nieuwsgierigheid, niet toevallig een van de basiscondities van de tweede karakteristiek Waarderend Begrijpen van Creatieve wisselwerking. Nieuwe informatie ‘as such’ verandert onze manier van denken, en daardoor ook ons leven, niet. Pater Paul de Blot SJ leerde mij dat wanneer iets je toevalt, je het niet alleen dient op te rapen. Je dient er vooral iets uit te leren door er iets mee te doen. Het echte leren is actie leren, niet het verzamelen van informatie. Paul de Blot heeft het hier eigenlijk over het creatief wisselwerkingsproces. Informatie alleen zorgt niet voor transformatie! 

De ‘kinderlijke’ nieuwsgierigheid bewaren betekent voor mij te aanvaarden dat ‘niets voor niks is’ en dat ik die kennis dien te beleven totdat het wijsheid wordt. Nieuwsgierigheid bewaren is een daad van kwetsbaarheid en moed. Je moet dapper zijn om meer te willen weten, omdat je nooit op voorhand weet of je iets gaat vinden waardoor er jou echt iets te verwijten valt of blijkt dat je geen gelijk had. Nieuwsgierigheid is onaangenaam omdat het naast kwetsbaarheid ook onzekerheid betekent. Nieuwsgierigheid is daardoor een tegendraadse eigenschap die afwijkt van de ‘mainstream’ norm. 

Naast nieuwsgierigheid is kunnen omgaan met onzekerheid een basisconditie van deze fase van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces. De reden waardoor beiden cruciaal zijn voor dit proces is dat de gevarieerde en soms excentrieke koers van sterk weer opstaan ook tegendraads is. Het omarmen van kwetsbaarheid, nieuwsgierigheid en onzekerheid, dat nodig is om op te staan na een val, is ook een beetje gevaarlijk, vooral voor onze omgeving. Mensen die niet blijven liggen na een dreun, maar – zoals de bokser uit Paul Simon’s gelijknamige song – opstaan, zijn vaak onruststokers. Lastig in bedwang te houden want “the fighter still remains!” Ze stellen de juiste moeilijke vragen en dat is tegendraads, dat kan gevaarlijk zijn. 

We dienen een bepaalde mate van kennis of bewustzijn te hebben om nieuwsgierig te kunnen zijn. Het verhaal dat we onder ogen zagen met ons helder bewustzijn (awareness) heeft onze nieuwsgierigheid gewekt. “Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat mij dit overkomen is?” Onze nieuwsgierigheid, die leidt naar het inkleuren van ons verhaal (consciousness), is echt vastgehaakt aan onze awareness met betrekking tot ons miskleun-verhaal. Dit doen we door nederig pertinente vragen te stellen van (cf. ‘Humble Inquiry’ van Edgar Schein[v]), die toch gevaarlijk in de oren kunnen klinken. 

Het vastleggen van ons miskleun-verhaal is een cruciaal onderdeel om het waarderend te kunnen begrijpen. Wel dienen we bewust te zijn dat onze eerste versie in de meeste gevallen een verzonnen verhaal is, dat nadien dient verfijnd te worden. Het voordeel van dit ongecensureerde verhaal is dat er antwoorden verscholen liggen op drie uiterst belangrijke vragen; vragen die leiden tot meer zelfkennis en innerlijke integratie en die zorgen dan weer voor meer moed, empathie, mededogen en verbinding in ons leven: 

Wat moet ik nog meer leren en begrijpen over de actuele situatie?
• Welke van m’n beweringen zijn objectief?
• Welke van m’n beweringen zijn gebaseerd op aannames?

2. Wat moet ik nog meer leren en begrijpen over de andere spelers in m’n verhaal? 

  • Heb ik nog andere informatie nodig? 
  • Welke nederige vragen dien ik dienaangaande te stellen? 

3. Wat moet ik nog meer leren en begrijpen over mezelf?
• Welke rol speelde ik echt?
• Wat staat er in m’n linker kolom (cf. Oefening Argyris[vi])?

Dienen we (iets) te veranderen ?!?

Eloïse, Edward en Elvire, de cruciale vraag hierbij is: “Wil ik terug en meer vanuit m’n volle mens-zijn leven?” Het antwoord op deze vraag zal ons leiden naar wat er dient te veranderen om een nieuw en nu hopelijk succesvol verhaal te schrijven. 

In deze column rond het ‘sterk-weer-opstaan’ proces ben ik gekomen aan het middendeel. Gezien dit proces op de keper beschouwd het vanbinnen uit beleven van Creatieve wisselwerking is, kan dit deel gevisualiseerd worden door het midden van het vlindermodel. 

In dat midden komen we eerst de ‘delta’ tegen: 

Delta (del-ta) zelfstandig naamwoord: de vierde letter van het Griekse alfabet – het wiskundig symbool voor verschil. De hoofdletter delta is een driehoek. 

Het is het verschil – de delta – tussen (a) wat we hebben nu we ons verhaal correct onder ogen hebben gezien, ontdaan van alle verzinsels en franjes en b) wat je jezelf toewenst om terug vanuit je volle mens-zijn te kunnen leven. Anders gesteld, de delta is het verschil tussen ons inzicht (in de realiteit) en onze behoeften. 

Ik hou eigenlijk meer van het begrip delta dan van het begrip ‘verschil’ hoewel de twee begrippen synoniemen zijn. Het driehoek symbool neemt me terug mee naar het drieluik waar het om gaat en dat door de liggende acht wordt gevisualiseerd: Denken  – Verbinden/Voelen – Doen.

Verbinden/Voelen

Denken                                                Doen

Wanneer we ons val-verhaal ten volle waarderend begrepen hebben, voelen we, uitgerekend door ‘de delta’, emoties en gevoelens. Die kunnen voor ‘knee-jerk’ reacties zorgen. We kunnen er echter vanbinnen uit voor zorgen dat dit soort reacties geen kans krijgen. 

We reageren onze emoties en gevoelens niet direct af door te vechten (naar de ander slaan), te vluchten (de ander ‘de schuld’ geven) of te verstijven (dichtklappen – ‘shit happens’). Zelfs indien we de fout aan onszelf toewijzen, voelen we ons vooral geen mislukkeling, we erkennen de emoties en gaan die vanbinnen uit beheersen. Wij verwijten ons niets, wij voelen ons, indien nodig, wel aansprakelijk. Aansprakelijkheid is jezelf verantwoordelijk stellen voor jouw daden en de gevolgen ervan. Aansprakelijkheid is een voorwaarde voor sterke relaties en een dito bedrijfscultuur. Voor aansprakelijkheid is authenticiteit, moed en actie nodig teneinde je excuses aan te bieden en het goed te maken. Het vraagt om kwetsbaarheid. We moeten onze eigen gevoelens onder ogen zien en ons gedrag en onze keuzes zien te verzoenen met onze waarden en normen. Wij weigeren dat onze emoties ons ‘vanbuiten naar binnen’ beheersen. Met andere woorden: onze emoties controleren ons niet. Of nog: wij weigeren de slachtofferrol! Zelfs als de val of miskleun ons overkomt zonder dat we in enige mate aansprakelijk zijn, weigeren we de slachtofferrol op te nemen en krabbelen recht… “the fighter still remains!” We werken van uit het ‘inside-out’ betrokkenheid paradigma, niet vanuit het ‘outside-in’ controle paradigma. 

Eloïse, Edward en Elvire, uiteraard hangt de kwaliteit van deze emoties en gevoelens af van het miskleun-verhaal en de context. Ik ga er verder van uit dat je die emoties niet laat afketsen of uithaalt naar iemand uit jullie omgeving. “You may not control all the events that happen to you, but you can decide not to be reduced by them.” schreef Maya Angelou in “Letter to my Daughter’[vii]. Wat jullie niet mogen laten gebeuren, is dat jullie zelfvertrouwen sneuvelt door het falen. Zelfvertrouwen en fouten maken kunnen perfect naast elkaar bestaan, als we het maar goed blijven maken, blijven handelen naar eigen waarden en normen, en schaamte en verwijten meteen ten goede ombuigen. 

Persoonlijk Macht

Wat de context of de omvang ervan ook was, falen gaat gepaard met het gevoel dat we een deel van onze persoonlijke macht zijn kwijtgespeeld. Ik hou in dit verband enorm van Martin Luther King’s quote: 

Power, properly understood, is the ability to achieve purpose.

Eloïse, Edward en Elvire, wij hebben het vermogen om ons persoonlijk doel te bereiken. Het gaat over het uitoefenen van persoonlijke macht vanbinnen uit teneinde ons doel te bereiken. Vandaar dat in ons ‘Cruciale dialoogmodel’ in het midden de persoonlijke eigenschappen – Intrinsieke Waarde, Kernwaarden, Kernkwaliteiten, Persoonlijk Doel, Positieve Intentie en Persoonlijk Engagement – verenigd zijn. 

Door ons terug te verbinden met onze Intrinsieke Waarde en onze persoonlijke Vicieuze Cirkel niet alleen te stoppen maar ‘terug te draaien’, door het beleven van Creatieve wisselwerking, komen we ook terug in verbinding met ons persoonlijk doel en geven we onszelf terug de macht om dit doel te bereiken. We smoren de opwellende machteloosheid in de kiem, want we weten dat machteloosheid leidt tot angst en wanhoop. 

Wanhoop is niet meer vertrouwen in het creatief wisselwerkingsproces. Men bevindt zich in een spirituele woestijn waarin men gelooft dat het morgen net zo zal zijn als vandaag. Het tegenovergestelde van wanhoop is hoop. Hoop die verankerd is in het creatief wisselwerkingsproces. Met name, dat men het morgen beter kan hebben door doelen te stellen, wegen te creëren naar die doelen toe en de vasthoudendheid en het doorzettingsvermogen op te brengen om die wegen te bewandelen teneinde die doelen effectief te bereiken. Men gelooft in het persoonlijk vermogen (macht) om Creative Interchange van binnen uit te beleven:”You Believe In the Power of The Force!” 

Mindfulness says, “Feel the pain” and self- compassion says, “Cherish yourself in the midst of the pain”; two ways of embracing our lives more wholeheartedly[viii]

Men geeft zich ook rekenschap van emoties. Dat betekent zichzelf toestemming geven deze te voelen en er dus aandacht aan te besteden in ‘het hier en nu’. Wat men ook dient te doen, is tussen de actie en reactie letterlijk een pauze inlassen en ‘mindful’ de emoties evalueren. Tegenwoordig wordt hoe langer hoe meer een lans gebroken voor ‘self-compassion’. Dit is het vermogen om zichzelf met mildheid te aanvaarden wanneer men aan het lijden is. Huidige research toont aan dat zelf-medelijden sterk verbonden is aan emotionele weerbaarheid, inclusief het vermogen kalm te worden, miskleunen te (h)erkennen, er uit te leren en zich te motiveren teneinde te slagen[ix]. Wetenschappelijk is aangetoond dat zelf-medelijden potentieel een belangrijke factor is voor emotionele problemen zoals depressie. 

Marie R. Miyashiro[x] spreekt in dit verband van twee vaak verkeerd begrepen menselijke eigenschappen: 

  1. Onze vaardigheid om ons op een natuurlijke wijze bewust te zijn van onze gevoelens zonder die te veroordelen; 
  2. Ons vermogen om deze gevoelens te verbinden aan de daarbij behorende al dan niet vervulde behoeften. 

Indien deze behoeften niet vervuld spreken wij van een ‘delta’. 

Eloïse, Edward en Elvire, in deze fase voelen we het verschil tussen wat we hebben en wat we willen haarfijn aan. In het ‘sterk-weer opstaan’ proces is er geen sprake van tevreden zijn met de nu ten volle waarderend begrepen werkelijkheid van op het canvas neergeteld te liggen. Er is een groot verschil tussen die huidige werkelijkheid en de gewenste toekomst: die van ten volle als mens terug in het leven te staan en door te gaan.
De delta toont ons duidelijk het verschil tussen de geapprecieerde werkelijkheid en de werkelijkheid die men zichzelf op basis van eigen waarden toewenst. De delta zorgt voor emoties die ons kunnen leiden naar twee soorten spanningen: de creatiespanning en de emotionele spanning, waar we het al eerder over hadden.

Beide spanningen zijn steeds in zekere mate aanwezig. Als de ene spanning groter wordt, wordt de ander kleiner en omgekeerd. Het goede nieuws is dat we zelf de chauffeur zijn van het voertuig van ons leven; we kiezen zelf waar we aandacht aan besteden. We kunnen die emoties toelaten, onder ogen zien en er bewust voor kiezen de creatiespanning haar werk te laten doen. 

Ik hou ook van het begrip ‘delta’ omdat delta’s plekken zijn waar rivieren in contact komen met de zee. Het zijn moerassige plaatsen die vol sediment zitten. Het zijn ook rijke en vruchtbare gebieden van groei, zoals de Zeeuws Vlaamse polders die uitlopen tot het noorden van Eeklo, welbepaald tot Watervliet, waar ik ooit meer dan vijftig jaar geleden ‘ons’ Rita ontmoette. De delta is de plek waar we ons werk kunnen doen. Onze belangrijkste inzichten betreffende onze toekomst komen ‘boven water’ in de delta. Het is de plek waar we onze behoeften erkennen, ons doelen stellen en waar we de verwachting uitspreken om te groeien en te veranderen, om terug recht te staan en door te gaan. We houden van onszelf om wie we zijn, zelfs als we geveld zijn, en spreken ook onze verwachting uit over wie we zouden willen zijn! 

Op dat ogenblik is ‘integriteit’ van het grootste belang. Ik hou enorm van Brené Brown’s definitie van dit begrip in ‘Sterker dan ooit (Rising Strong)’[xi]:

Integriteit is kiezen voor moed boven gemak; kiezen voor wat juist is boven wat leuk is, snel of gemakkelijk is; en er voor kiezen om onze normen en waarden in praktijk te brengen in plaats van die alleen maar te belijden. 

Eloïse, Edward en Elvire, wij zijn bereid om de verantwoordelijkheid voor ons eigen leven te accepteren. Wij zijn bereid om niet te kiezen voor het gemak en aanvaarden niet de eerste beste oplossing. Integendeel wij kiezen moedig de zoektocht aan te vatten naar die oplossingen die er echt toe doen. Dit leidt ons naar het moeilijkste deel van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces. Het aartsmoeilijke derde luik waarin we terug onzekerheid dienen te omarmen totdat we genoeg goede potentiële oplossingen hebben gevonden teneinde een gefundeerde keuze te kunnen maken. 

We zijn er nu van overtuigd dat er iets moet veranderen. We hebben het waarom van die noodzaak tot verandering uitgeklaard. Het strookt bovendien niet met onze persoonlijke missie (De Why? van Simon Sinek) om geveld te blijven liggen. Ook is ondertussen de Who? duidelijk: ik dien samen met anderen uit m’n omgeving de queeste naar de oplossingen aan te vatten. De How? is en blijft het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. De antwoorden op de What? vraag zal het moeilijkste deel van onze tocht duidelijk maken. Wij omarmen onze onzekerheid met één zekerheid: het creatief wisselwerkingsproces zorgt voor de noodzakelijke oplossingen. Welke, dat weten we (nog) niet. Nogmaals, we kunnen Creatieve wisselwerking niet sturen. We weten wel dat we uiteindelijk een keuze zullen moeten maken onder de potentiële oplossingen en deze daarna van binnen uit zullen dienen te beleven om tenslotte terug in volle sterkte recht te staan en door te gaan. 

Het creëren en kiezen van de noodzakelijke acties

Eloïse, Edward en Elvire, ik ben tot mezelf gekomen in stilte en me verbonden met de gewenste toekomst. Het is nu tijd om als volledige mens met anderen in verbinding te komen en samen met hen de acties – noodzakelijk om de gewenste toekomst te verwezenlijken – te creëren en te kiezen. Anders gesteld: de weg naar de gewenste toekomst, en sterker doorgaan dan voor de val, dient nu geplaveid worden; niet met goede voornemens, maar door het creëren én kiezen van de noodzakelijke acties. In het ‘sterk-weer- opstaan’ proces is de derde karakteristiek van Creatieve wisselwerking: Creatieve Integratie – aan zet. Het gaat hier niet om ons ‘zijn’ maar om ons ‘worden’. Ik dien mij letterlijk te overstijgen door nieuwe elementen in mezelf te integreren. Dit betekent vooral dat ik mijn mentaal model, dat ik had toen ik tegen de vlakte sloeg, dien uit te breiden. Mijn persoonlijke mindset is aan vernieuwing toe, want zoals het gezegde zegt: “als je blijft doen wat je altijd al deed, blijf je krijgen wat je kreeg.” Dit laatste strookt helemaal niet met de door mij gewenste toekomst. 

Deze vernieuwing veroorzaakt onzekerheid, ambiguïteit en, door het “nog niet weten wat exact te doen”, voor potentiële confusie. Het is een intermezzo tussen de oude manier van mens-zijn en het worden van de nieuwe wijze van mens-zijn. Alleen daarom is dit voor mij een moeilijk onderdeel van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces. Ik hou helemaal niet van die fase van onzekerheid die steevast resulteert in een zeker onbehagen. Ik heb dus moeten leren om mij over te geven aan deze kritische karakteristiek van het creatief wisselwerkingsproces. Men moet bereid zijn om de oude ‘zekerheden’ los te laten en onzekerheid niet alleen te tolereren, meer nog, te omarmen. Ik heb moeten leren om in deze fase alle basiscondities van de vorige karakteristieken van Creatieve wisselwerking blijvend vanbinnen uit te beleven. 

Ik dien dus blijvend te vertrouwen, open en nieuwsgierig te zijn en bovendien onzekerheid te omarmen zoals een heel jong kind dat doet. Ik moet het vertrouwen, dat ik als kind onbewust in Creatieve wisselwerking had, als volwassene bewust herwinnen. Volgens Jan Bommerez stelde Stephen Covey ooit: “Vertrouwen is zekerheid over de universele principes”[xii]. Een van die universele principes is Creatieve wisselwerking. Daardoor is Stephen Covey’s definitie van vertrouwen eigenlijk mijn levensopdracht: innerlijke zekerheid blijvend hebben in Creatieve wisselwerking. “Vertrouwen komt te voet en gaat te paard” is een universele wijsheid die ook ik aan de lijve heb ondervonden. Wat ik daardoor geleerd heb, is het vertrouwen ‘up front’ te geven en dat vertrouwen meestal groeit in de loop van een relatie. Indien in een relatie het vertrouwen niet groeit, is de relatie de moeite niet waard. 

In die zoektocht naar acties, die mij niet alleen toe laten weer op te staan maar – ook en vooral – helpen door te gaan, dien ik samen met m’n reisgenoten elementen, die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben, op een creatieve manier met elkaar te verbinden. Daardoor ontstaat een ‘aha!’ moment waardoor een mogelijke oplossing plots ‘in zicht’ komt. In dit onderdeel van m’n queeste worden nieuwe zaken, die mij aangereikt worden, geïntegreerd in m’n oud denkpatroon, waardoor een nieuwe, vollere mindset wordt gecreëerd. 

Synergetisch Bewustzijn

Charlie Palmgren noemt het soort bewustzijn dat aan zet is in dit onderdeel van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces het ‘synergetisch bewustzijn’[xiii]

Synergie betekent dat de oplossing die gecreëerd wordt door elementen met elkaar op unieke manier te verbinden ‘verschillend en meer is’ dan werd verwacht. Het resultaat is meer dan de ‘mathematische optelling’van de eigenschappen van de elementen die worden geïntegreerd. Het gaat met andere woorden niet over een menging. Er wordt eerder een nieuwe legering gerealiseerd. Deze nieuwe legering heeft unieke, verrassende eigenschappen. Een unieke, nieuwe oplossing om na de val weer te kunnen recht krabbelen en door te gaan. 

Eloïse, Edward en Elvire, dat ik deze fase de moeilijkste vind komt ook omdat ik ze zelf nog te weinig heel bewust heb beleefd. Onder meer omdat ik in mijn opleiding tot burgerlijk ingenieur drastisch geconditioneerd werd in het lineair denken en ver gehouden werd van intuïtief denken. ‘Facts and figures” waren heilig in onze opleidingen en het inzetten van intuïtie werd niet onderwezen. Na mijn opleiding ging die indoctrinatie door op ‘den Kuhlmann’. Mijn aanvaringen met directeur Nicolas Kopylov staan nog in m’n geheugen gegrift: 

Monsieur Roels vous nêtes pas payé pour perdre votre temps à chercher des solutions créatives, vous êtes payé comme ingénieur, et un ingénieur sait! 

Ik heb hem toen gevraagd of hij “la chanson, monologue parlé plus que chanté, ‘Maintenant Je sais’ de Jean Gabin” kende; maar het bleek niet het juiste moment om naar Nicolas Kopylov’s kennis van het Franse chanson te vragen. Het lineair denken geeft aanleiding tot een ‘cause-and-effect’ reflex en voor elke oorzaak dient een tastbaar bewijs te bestaan. 

Ook gedurende m’n tweede Professionele leven bleef het ‘in-the-cause-and-effect-box’ denken preferentieel. Het ISRS audit gebeuren gaf weinig ruimte voor creativiteit, hoewel ik zowat de meest creatieve Accredited Safety Auditor was dat ILCI ooit heeft gekend. Dit werd me overigens me niet steeds in dank afgenomen door de puristen. Puristen die ik op den duur ‘ayatollah’s’ noemde. Zelf was ik langzaam aan het transformeren. Ik ging een stuk verder dan het puur lineair 5 Why denken door dit te verbeteren met m’n eigen versie van de sterk vertakte Feitenboom. Toch bleef ik grotendeels vast zitten in “het één of het ander” denken. Zelfs later, toen Charlie Palmgren mij initieerde in het ‘niet lineaire’ en zelfs ‘holistisch’ denken, bleef het lineaire denken mij sterk beïnvloeden. ‘Indoctrinatie’ heeft zo z’n langdurige neveneffecten. 

Ook vertoonde ik gedurende mijn eerste drie Professionele Levens te veel ‘jump to conclusion’ gedrag. Daardoor kwam ik heel vlug tot mogelijke oplossingen die ik dan zonder veel gedraal toepaste. Dit kwam er op neer dat ik te weinig tijd nam om die derde fase – het creëren van unieke oplossingen – ten volle te beleven. Mijn kernkwaliteit ‘Gedrevenheid’ met z’n valkuil ‘Doordrammen’ is naar niet vreemd aan. 

In mijn boek ‘Cruciale dialogen’ beschreef ik later vier vaardigheden die, door ze echt te beleven, de basiscondities van ‘verbinden’ en ‘creativiteit’ kunnen verstevigen. Inderdaad, ik beschrijf in elke fase naast de twee basiscondities, die de karakteriek van de bewuste fase ondersteunen, ook vier vaardigheden. Een belangrijk gegeven van het Cruciale dialoogmodel is dat door het werkelijk beoefenen van de vier vaardigheden, de twee basiscondities worden versterkt en door dat versterken van de twee basiscondities krijgen dan weer de vier vaardigheden een ruggensteun. Die vaardigheden zijn (1) herkaderen van het probleem, gebruik maken van (2) analogieën en (3) metaforen en (4) het krachtig gereedschap: “4+ en 1 wens”. Voor de beschrijving van deze vaardigheden verwijs ik graag naar eerdere columns. 

Het was pas tijdens m’n vierde Professionele Leven dat ik van onder het juk van het preferentieel lineair denken uitkwam en dat ik de tijd nam om de vaardigheden van deze fase zelf te beoefenen. De massieve depressie die ik in de periode 2008-2010 doorworstelde, had er voor gezorgd dat ik voor mezelf tijd gecreëerd had. Ik begreep in die periode de diepere betekenis van het Franse gezegde, dat ik geleerd had van m’n vriend Guy Bérat, “Il faut donner le temps au temps”. Niet toevallig was het ook Guy die mij in die periode hielp om terug vertrouwen te krijgen in Creatieve wisselwerking

Gedurende dit vierde professionele leven kreeg ik een nieuwe tegenslag: darmkanker. Dit is een probleem waar verstijven, vluchten of zelfs vechten niet aan de orde is. “Wat niet weet, wat niet deert” is een oud Nederlands gezegde dat zeker in het geval van kanker één grote leugen is. Het is niet omdat je niet weet dat je kanker hebt, dat deze stopt met verder woekeren in je lichaam. Het probleem met darmkanker is niet hoe je deze bestrijdt eens (tijdig) geïdentificeerd. De geneeskunde is goed gevorderd en de protocollen liggen klaar. In mijn geval werden die direct uitgetekend: beginnen met een dubbele aanpak van chemo en bestraling, vervolgens een chirurgische ingreep om de tumor te verwijderen en nadien nazorg chemo. De oplossing was in mijn geval reeds gevonden. Althans voor de puur lichamelijke kant van het probleem. 

De geestelijke kant was een ander paar mouwen. “Hoe ga ik met mijn kanker om?” werd de cruciale vraag. En op die vraag diende ik zelf het antwoord te geven. In mijn geval heb ik de vraag herkadert in “Hoe wil ik door m’n kleinkinderen herinnerd worden?” en onder meer die herkadering, een toepassing van de gelijknamige  vaardigheid (1), leidde mij tot een deel van de oplossing. Je kunt kiezen om cynisch en verbitterd te worden, en die houdingen hebben bij m’n weten nog weinig succesvolle transformaties teweeg gebracht. Uiteraard weet je niet hoeveel dagen je nog tegoed hebt; men weet wel dat men met dat gebrek aan kennis niet alleen is. 

Dus ik leerde door het beleven van de derde karakteristiek dat het tegenovergestelde van cynisme en verbittering me wel tot de oplossing zou leiden. In de periode na het ‘slechte nieuws’ gesprek met m’n dokter-specialist, doorliep ik de vorige fasen in heel korte tijd. Ik koos ten volle voor het vanbinnen uit beleven van Creatieve wisselwerking. Ik zag m’n eigen kankerverhaal ten volle onder ogen en koos uiteindelijk voor de gewenste toekomst: dat ik met mijn kleinkinderen – zolang het nog kon, veelvuldig en met plezier (ook en vooral van hun kant) – zou samen-zijn. Daartoe diende ik opgewekt te zijn en niet chagrijnig, dat wist ik door de vaardigheid gebruik maken van analogieën. Analogieën vinden was niet moeilijk. Zo moest ik mij enkel herinneren hoe dochter Daphne reageerde, toen haar grootvader Lionel korzelig, verbitterd en nijdig geworden was nadat bij hem een kwaadaardige hersentumor was geconstateerd. Uiteindelijk konden we haar nog heel zelden overtuigen ons te vergezellen voor een bezoekje aan haar opa. Ik wist daardoor wat ik zeker niet moest doen indien m’n doel was m’n kleinkinderen en mezelf nog een leuke tijd te bezorgen. Een tweede analogie uit m’n eigen verleden bevestigde de oplossing. Een jeugdvriend, André De Decker kreeg, toen hij net aan de RU Gent was gestart, leukemie. Ik bezocht hem regelmatig in het Sint-Vincentius ziekenhuis in Gent. Op een keer kwam z’n oudere broer Edgard met diens vriend – de legendarische Eeklose grafische artiest, Romain Coemelck  de kamer binnen. De twee spitsbroeders waren op hun paasbest. Ik begreep dat ze op weg waren naar een huwelijksfeest toen bij het afscheid André hen toefluisterde Veel plezier hé op het feest! André was toen reeds heel verzwakt en ik realiseerde mij dat het een kwestie van weken was voordat het onvermijdelijke zou geschieden. André, die stukken intelligenter en begaafder was dan ik, heb ik in die periode nooit horen klagen, misnoegd of cynisch ervaren, in tegendeel. Hij was vol interesse hoe ik het er in m’n eerste jaar vanaf bracht in Gent. Ook die herinnering maakte mij wel heel duidelijk wat mij te doen stond, indien ik m’n doel wou bereiken. 

Tijdens de periode voor de operatie had ik wel de tijd om de mogelijke acties waren die mijn innerlijke rust en vreugde zouden kunnen doen uitstralen te kiezen. Toen heb ik ten volle de fase ‘het creëren en het kiezen van de noodzakelijke acties’ van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces beleefd. In het ‘sterk-weer-opstaan’ proces behoort die keuze jou toe. Dit omdat, als puntje bij paaltje komt, jij de enige bent die ‘accountable’ is met de betrekking tot de gevolgen van jouw keuze. 

Eloïse, Edward en Elvire, ik had met jullie moeder Daphne besloten dat jullie mij de eerste paar weken, toen ik in AZ St. Jan Brugge ‘met alle toeters en bellen’ lag, niet zouden bezoeken. ‘Met alle toeters en bellen’ was een kleurrijke uitspraak van m’n chirurg Tom Feryn. Diens beeldrijk taalgebruik duidde op het aantal buisjes en snoeren die m’n lichaam verbonden aan allerlei hulpmiddelen en toestellen die netjes rond m’n bed waren opgesteld. Toen jullie me na de ‘toeters en bellen’ periode, een bezoek brachten was de sfeer opgewekt en werd er veel gelachen. Vooral toen Elvire bij mij op bed zat en plots de lakens zodanig verschoof dat de 18cm lange naad met een serie ‘nietjes’ tevoorschijn kwam.

 “Wat is dat?, Opa” 

“Dat is een rits, Elvire”

 “Waarom? Opa”. 

“Wel Elvire, iedere morgen wordt de rits opgedaan om m’n buik eens goed te kunnen spoelen.” “Dat meen je niet, Opa!”

 “Jawel, Elvire” en we proesten het uit. 

Gedurende de tweede van mijn drie weken durend verblijf, in wat ik toen ‘m’n luxe kamer met mooi uitzicht in een vier sterren hotel’ noemde, stelde een van de verpleegsters mij plots de vraag: 

“Wat is jouw geheim Johan dat je elke dag zo vrolijk bent?”
“Dit komt omdat ik m’n eigen boek vanbinnen uit beleef, Christel” 

Ze keek mij aan met grote ogen en zei: “Jouw eigen boek !?!”
“Jawel, er ligt een exemplaar daar op de tafel aan het venster.” 

Er lag daar inderdaad een exemplaar van ‘Cruciale dialogen, want ik had, tot vijf minuten vòòr men mij naar het OK vervoerde, aan de vertaling van hoofdstuk 1 naar het Frans gewerkt. Ik had die Franse vertaling toen via e-mail naar Guy Bérat gestuurd: die zorgde namelijk voor de verbetering. Het boek was daar echter blijven liggen, want ik was m’n bed nog niet uit gekomen. De verpleegster ging naar m’n tafel en pikte het boek op. 

Hé, Johan, jouw naam staat op de cover!

Dat is de gewoonte hé, Christel. Men drukt steeds de naam van de schrijver op de cover.” 

Ondertussen gaf ik een summiere uitleg waarover het boek ging. Over moeilijke babbels die men in het leven meermaals had en gaf een paar voorbeelden in haar context: cruciale dialogen met eigenwijze artsen, een bazige hoofdverpleegster en eventueel lastige patiënten… Christel bladerde in het boek en zei: 

“Dit lijkt mij uiterst interessant, dat zou ik wel kunnen gebruiken!”
“Meen je dat, Christel?”
“Natuurlijk Johan”. 

“Dan krijg je een exemplaar van m’n boek” 

“Krijg ik dit?” En ze toonde het boek dat ze in haar handen had;
“Neen, dit exemplaar is te beduimeld. Ik vraag ‘ons Rita’ wel om deze middag een nieuw exemplaar mee te brengen.” 

De volgende anderhalve week heeft Rita minstens vijfentwintig exemplaren van m’n boek ‘Cruciale dialogen’ meegesleurd naar Sint Jan. 

Nadien heb ik meermaals verteld dat ik, door zelf ‘Cruciale dialogen’ vanbinnen uit te beleven, leerde dat het een uitzonderlijk goed boek is. Men moet het wel niet alleen lezen (wat al een hele klus is), men moet het vooral dagdagelijks van binnen uit beleven. En dat is een ander paar mouwen dan het begrijpen van het ‘vlindermodel’! 

Besluiten vs. Beslissen

Het is nu tijd om te beslissen wat effectief te doen om door te gaan. We zijn weer opgestaan en hebben verschillende opties voor het doorgaan gecreëerd en overwogen. Die verschillende opties kunnen gezien worden als besluiten. Besluiten betekent niet hetzelfde als beslissen, hoewel de twee begrippen soms (verkeerdelijk) als synoniemen door elkaar gebruikt worden. Besluiten is afwegingen maken, grondig over alternatieven nadenken en tot besluit een keuze maken. Beslissen legt de nadruk op het vastleggen van een afspraak, een antwoord gevend op de vragen serie betreffende het gekozen besluit: “Wie, doet wat, waar en wanneer?” 

Eloïse, Edward en Elvire, het onderscheid tussen besluiten en beslissen ziet men aan de gemoedsgesteldheid van diegenen die het ‘passieve’ gedeelte van de liggende acht afronden. Na een besluit is er geen creatiespanning. Er werd namelijk niet beslist iets daadwerkelijk te doen. Je kunt nu eenmaal niet aangesproken worden op wat er besloten is. Gezien er niets beslist is, heeft niemand zich tot iets verbonden. Wanneer er een beslissing is genomen en deze bovendien is vastgelegd, neemt men verantwoordelijkheid op. Er zal dus iets dienen te gebeuren, waardoor creatiespanning wel aanwezig is. Indien ik, in het kader van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces, bovendien anderen van m’n beslissing op de hoogte breng, weet ik dat ik op het al dan niet waarmaken van mijn beloftes kan aangesproken worden. Dit is dan ook de raad die ik meegeef. Zorg, tijdens jullie persoonlijk ‘sterk-weer-opstaan’ proces, ervoor dat de mensen, die jullie dierbaar zijn, op de hoogte zijn van de beslissing opdat deze door eerlijke feedback jullie zouden kunnen coachen. 

Omslagpunt 

Beslissen betreft het omslagpunt tussen het opstaan en het doorgaan. Beslissen heeft te maken met kiezen van oplossingen uit de set die tijdens de vorige fase werd gecreëerd. Die zullen in de laatste fase ‘Transformatie’ effectief worden uitgevoerd. 

Het omslagpunt kan gevisualiseerd worden met m’n Cruciale Dialoogmodel. 

Er bevindt zich als het ware een ‘staande’ lemniscaat in de ‘grote’ lemniscaat, die ik, in navolging van Lex Bos[xiv], gekozen heb als basisvorm voor het Cruciale Dialoog model. Het gaat als het ware om een dialoog rond de hamvraag “Welke van de mogelijke oplossingen kiezen we om daadwerkelijk uit te voeren?”. Deze ‘dialoog in de dialoog’, waarbij ook de voor de acties nodige middelen worden afgetoetst, dient de beslissing vooraf te gaan. 

De Transformatie

Dit onderdeel gaat over doorgaan door het effectief nakomen van de beloftes die je aan jezelf hebt gemaakt. Ik noem dit deel ook transformatie omdat ik gedurende die fase mezelf transformeer. Ik groei naar een nieuwe ‘gecreëerde zelf’ met een nieuwe mindset. De oude mindset wordt losgelaten, indien we niet terug afglijden in oud stereotype gedrag. Deze transformatiefase vergt ook de meeste energie. 

Wendbaar & Weerbaar

Zoals reeds gesteld hoort men tegenwoordig vaak dat de toekomst aan diegenen is die ‘wendbaar’ en ‘weerbaar’ zijn. Daarbij wordt het begrip wendbaar nogal eens ingewisseld met het synoniem ‘Agile’. Agile is voor mij dan weer een synoniem voor Creatieve wisselwerking en iemand die het Creatief wisselwerkingsproces vanbinnen uit beleeft, is per definitie ook ‘resilient’ (weerbaar). Een wendbare persoon heeft geen ‘updates’ nodig want hij verbetert continu. Vandaar een van mijn favoriete slagzinnen: (CI)2= Continuous Improvement through Creative Interchange! 

Mindset

De transformatie is op de keper beschouwd een transformatie van de mindset. Zien met nieuwe ogen is zien vanuit een nieuw denkkader, vanuit een nieuwe ‘mindset’ zou m’n derde vader Charlie Palmgren stellen. Diens mentor, Henry Nelson Wieman, zei ooit: “Creative Interchange is the process that changes the mind, since the mind cannot change itself.” 

Stephen Covey schreef al meer dan twintig jaar geleden in zijn nog steeds actueel boek: ‘The 7 Habits of Highly Effective People’: “Begin met het einde voor ogen![xv]” Die opdracht leidt naar de gegenereerde oplossingen, oplossingen die, met inzet van de daartoe nodige middelen, het gewenste doel, de gewenste toekomst creëren. 

Ook schuilt er waarheid in mijn parafrase van de befaamde Edison quote: “Transformatie is voor 1% inspiratie en voor 99% transpiratie”. De originele quote heeft het over genialiteit. Je moet inderdaad geniaal zijn om een transformatie ‘within time and whitin budget’ tot een goed einde te brengen. 

Een ander belangrijk element ligt besloten in de paradox van Henry Nelson Wiemans’ ‘two fold commitment’. Enerzijds dient men ten volle voor de beslissing te gaan, met gedrevenheid en hardnekkigheid, dus niet versagen is de boodschap. Anderzijds dient met voortdurend open te staan om te leren wat de veranderende werkelijkheid te bieden heeft en dus durven te wijzigen, indien die werkelijkheid daar om vraagt. 

Het ‘sterk-weer-opstaan’ proces 

Vasthoudendheid mag echter geen koppigheid worden. Vasthoudendheid helt over naar koppigheid wanneer doorgezet wordt zonder dat men met de realiteit rekening houdt. Dan is men ook niet deskundig. Ook dat is tenaciteit: het blijven observeren van de veranderende werkelijkheid. Wanneer het daardoor duidelijk wordt dat de gewenste realiteit op die manier onbereikbaar is of wanneer door nieuwe gegevens duidelijk wordt dat er betere oplossingen zijn, dient de aanpak grondig in vraag te worden gesteld. 

Koppig volharden, wordt bijna altijd volharden in koppigheid. Jean de Boisson (Pseudoniem van Cees Buddingh) 

Interafhankelijkheid

De andere basisconditie van dit onderdeel van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces is interafhankelijkheid. Voor de werkelijke uitvoering van onze beloftes om door te gaan zijn we afhankelijk van anderen. Er is sprake van een wederzijdse afhankelijkheid. 

Interdependence is and ought to be as much the ideal of man as self-sufficiency. Man is a social being. Mahatma Gandhi 

In Stephen Covey’s reeds geciteerde boek ‘Seven Habits of Highly Effective People’ wordt gesteld: 

Our objective is to move progressively on a maturity continuum from dependence to independence to interdependence. Although independence is the current paradigm of our society, we can accomplish much more by cooperation and specialization. However, we must achieve independence before we can choose interdependence. 

Stephen Covey geeft daarbij de volgende betekenissen: 

  1. Afhankelijkheid: Jij moet voor mij zorgen; 
  2. Onafhankelijkheid; Ik zorg (eerst) voor mezelf; 
  3. Interafhankelijkheid: Wij leren van elkaar en kunnen samen grootse dingen bereiken door synergetische samenwerking. 

Na de beslissing start dus een ‘lange tocht’ die meestal niet vrijblijvend is. “When the Rubber meets the Road’ is een typisch Amerikaanse uitdrukking, die ik van Charlie Palmgren leerde. Zolang het besluit in de lucht hangt, ondervindt het relatief weinig hinder, uiteraard in de veronderstelling dat het niet uit de lucht wordt geschoten (cf. de afknalzinnen). Op het moment dat het ‘landt’ en dus een beslissing wordt, ontstaat een enorme wrijving, vergelijkbaar met de wrijving die de wielen van het landingsgestel ondervinden wanneer een vliegtuig na een vlucht opnieuw het tarmac raakt. Het moment dat men overgaat tot actie ondervindt de belofte plots grote hinder in zoverre dat veel beloftes uiteindelijk niet volledig gerealiseerd worden. Juist daarom is interafhankelijkheid tijdens transformatie zo belangrijk!


[i] Bruce Springsteen, Quote from The Rising, first song from his twelfth studio album The Rising, Columbia Records, 2002

[ii] Richard R. Rohr, Adam’s Return: The five promises of Male Initiation. New York, NY: Crossroad Publishing, 2004.

[iii] Paul de Sauvigny de Blot SJ, Vernieuwing van organisaties in een chaotische omgeving door vernieuwing van de mens. Breukelen: Nyenrode University Press, 2004.

[iv] Brené Brown, Rising Strong, New-York, NY: Spiegel & Grau, 2015.

[v] Edgar H. Schein, Humble Inquiry. The Gentle Art of Asking Instead of Telling, San Francisco, CA: Berret-Koehler Publishers, Inc., 2013.

[vi] Peter M. Senge, P.M. [et.al.], The Fifth Discipline Fieldbook. Strategies and tools for Building a Learning Organization. New York: Doubleday, 1994. Pp 246-252.

[vii] Maya Angelou, Letter to My Daughter, New-York: Random House, 2008. 

[viii] Christopher K. Germer, The mindful path to self-compassion. New York: Guilford, 2009 p 89

[ix] https://hbr.org/2017/01/to-recover-from-failure-try-some-self-compassion?

[x] Marie R. Miyashiro, De empathie factor, het concurrentie voordeel voor effectieve organisaties. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact, 2012. 

[xi] Brené Brown, Sterker dan ooit, Amsterdam: A.W. Bruna Uitgevers B.V., 2015 pp 111-113. 

[xii] Jan Bommerez J. Quote van Stephen Covey, geciteerd door Jan Bommerez tijdens het gesprek ‘Jan Bommerez & Jan Rotmans’, in het InspiratieRijk: Arnhem, 8. 12.2016 https://youtu.be/5nouorkdKbo

[xiii] Charles Leroy ‘Charlie’ Palmgren,The Creative Interchange Proces – Part II http://www.creativeinterchange.org/?p=145

[xiv] Alexander H. Bos, Oordeelsvorming in Groepen. Proefschrift Landbouwhogeschool Wageningen, H. Veenman & Zonen: Wageningen, 1974. 

[xv] Stephen R. Covey, The seven habits of highly effective people, Fireside: New York, 1990. Habit 2, pp 95-144. 

BLIJF WAKKER ! – DEEL XVI

HOE NEDERIG VRAGEN?

You throw out the questions, and then you try to answer them,

Good artists are always trying to ask the right questions.[i]

– Bruce Springsteen

Eloïse, Edward en Elvire, de vaardigheid, waar ik het in dit deel over heb, betreft het, op een nederige manier, stellen van de juiste vragen teneinde de boodschap van de ander te kunnen appreciëren. Bij vorige karakteristiek Authentieke Interactie hoorde de vaardigheid Bevragen en Bepleiten. Het doel van die bevraging was om de boodschap van de ander te kunnen begrijpen. De tweede karakteristiek, Waarderend Begrijpen, vereist dat die boodschap ook naar waarde wordt geschat. Ook, en ik stel zelfs voornamelijk, wanneer die boodschap ‘tegendraads’ is. Met andere woorden, wanneer de boodschap tegen de haren strijkt en men ze liefst van al zou dumpen. We weten ondertussen al dat we dan ‘het kind met het badwater’ wegkieperen. 

De hoogste opgave van het menselijk kennen is:

Begrijpen wat je niet begrijpen kan.

Johan Cruyff

Eloïse, Edward en Elvire, in elke boodschap zit iets nuttig. Het is de bedoeling om een volledig correct inzicht te krijgen in de stelling van de ander. Anders gesteld, het is de bedoeling die stelling correct te waarderen. Begrijpen wat je niet begrijpen kan, vereist Nederig Vragen.

Inleiding

Het is een hele kunst om in deze context de juiste vraag, op het juiste moment en op de juiste manier te stellen. Dit dient bovendien op een eerlijke wijze te gebeuren, dus respect vol. Niet vanuit de hoogte, niet sarcastisch en zeker niet spottend. Open vragen zijn aan de orde; zo weinig mogelijk gesloten vragen en zeker geen manipulerende. Men gebruikt enkel maar gesloten vragen om wat men begrijpt en waardeert te toetsen aan wat de zender heeft bedoeld. Daarbij kan de vierde vaardigheid van de vorige karakteristiek Bevestigend Parafraseren in vraagvorm worden gebruikt. Het doorlopen van het Cruciale Dialoogmodel is nu eenmaal niet lineair, maar oscillerend, een staande acht beweging als het ware tussen karakteristieken één en twee van de liggende acht

Bij deze karakteristiek van Creatieve wisselwerkingWaarderend Begrijpen is het de bedoeling door het vragen het oordeel uit te stellen totdat een en ander waarderend begrepen is. Dus niet beoordelen en zeker niet veroordelen in de vraagstelling zelf. Daarom zijn waarom vragen meestal uit den boze. Ze kunnen veelal correct omgevormd worden in ‘Wat’ of ‘Hoe’ vragen. Dus niet zeggen: ‘Waarom heb je deze mening?” maar eerder: ‘Hoe kom je tot dat besluit?” of nog beter misschien: “Op wat baseer je je om dit zo te stellen?” Wees creatief in de vraagstelling teneinde niet bedreigend over te komen. Integendeel, men dient, wat Ed Schein in z’n boek ‘Humble Inquiry’[i] stelt, tot een nederige vraagstelling te komen. Nogmaals het stellen van vragen heeft niet als doel te oordelen of te corrigeren. De bedoeling is begrijpen en waarderen. Ik noem deze vaardigheid, in navolging van Edgar Schein, Nederig Vragen.

Who questions much, shall learn much and retain much. 

Francis Bacon 

Het stellen van bijkomende vragen is een manier om de afknalzinnen (zie deel XV) achterwege te laten. Men kan daarbij de afknalzin, die op de tong ligt, herformuleren in een prachtige vraag. Bijvoorbeeld niet zeggen: “Daar hebben wij het budget niet voor”, maar: “Hoe zie jij dit te verwezenlijken binnen onze budgettaire mogelijkheden?” Door dit te vragen geef je de ander de mogelijkheid zijn idee in detail uit de doeken te doen. 

De afknalzinnen vinden hun oorsprong in het niet eens zijn met wat de ander zegt. Men doorloopt als het ware het Cruciale Dialoogmodel aan lichtsnelheid. Wat de ander zegt, wordt negatief beoordeeld; dit brengt een emotie teweeg, waardoor gezocht wordt naar een afdoend antwoord en … dat wordt dan de gekozen afknalzin. Praktisch elke afknalzin kan echter positief geformuleerd worden. De kritiek: “Dit idee zal nooit werken”, wordt in een vraag omgebogen tot: “Hoe ga je dit idee concreet verwezenlijken?” “Dit is geen realistisch plan” kan geformuleerd worden als: “Hoe kan je de stappen van jouw plan concreet en uitvoerbaar maken?” De klacht: “Dat vergt te veel inspanning!” wordt positiever door te stellen: “Hoe kan je het gemakkelijker en eenvoudiger uitvoerbaar maken?” Deze vragen hebben iets gelijkaardigs voor ogen als de afknalzin, maar zijn heel wat positiever en daardoor productiever. 

De vaardigheid Nederig Vragen heeft de bedoeling de kritiek die in ons opwelt, met behulp van de basisconditie Nieuwsgierigheid, om te buigen in een eerlijke vraag teneinde waarderend te begrijpen. Niet alleen Waarderend Begrijpen wat de ander zegt; ook waar zijn perceptie vandaan komt. Men nodigt de ander als het ware uit zijn referentiekader voor jou duidelijk te maken. Daardoor krijgt men meer inzicht in de mindset van de ander.

De vragen die men stelt, hebben ook de bedoeling om klaarheid te brengen in de ambiguïteit waarin men zich bevindt. Maak dan ook dat je klare vragen stelt. Een klare vraag krijgt meestal ook een klaar antwoord. Een klare vraag voldoet aan de volgende voorwaarden: 

  • is begrijpelijk en zo kort mogelijk geformuleerd;
  • heeft het antwoord niet letterlijk in zich;  
  • past bij het onderwerp;
  • bestaat niet uit twee vragen tegelijk;
  • volgt het KISS-principe (Keep It Short and Simple). 

Eloïse, Edward en Elvire, jullie hoeven echt niet bang te zijn stomme vragen te stellen. Wanneer jullie iets niet begrijpen, wees daar eerlijk over en stel een vraag. Overigens, stomme vragen bestaan eigenlijk niet; stomme antwoorden daarentegen wel. Door vragen te stellen, tonen jullie dat jullie goede luisteraars zijn en dat jullie willen begrijpen. Soms luisteren we niet goed naar wat de ander zegt. Wij zijn te druk bezig met het reeds formuleren van onze repliek. De vaardigheid Nederig Vragen helpt ons te focussen op wat de ander werkelijk zegt.

Nederig Vragen

Nederig Vragen (Humble Inquiry) is de kunst iemand vragen te stellen waarvan je het antwoord nog niet kent. En dit met een dubbel doel: a) het standpunt van de ander te kunnen waarderen en b) een positieve relatie op te bouwen, gebaseerd op nieuwsgierigheid en interesse in de andere persoon. Nogmaals, Eloïse, Edward en Elvire, de meeste mensen reageren, wanneer zij iets horen verkondigen – waarvan zij het nut niet inzien (uiteraard berust deze evaluatie op hun eigen, meestal vastgeroest, denkkader), niet echt kennen en niet kunnen waarderen (onbekend is onbemind) of dat als regelrecht absurd overkomt – sterk afwijzend. 

Eloïse, Edward en Elvire, Nederig Vragen zet de eerste impuls (het afwijzen) om in het nederig bevragen van het inzicht en dus de kennis van de ander. Met andere woorden, jullie bevragen die ander teneinde te weten te komen waarop zijn stelling (die voor jullie absurd of bij de haren getrokken lijkt) gebaseerd is. Jullie zich opstellen, vereist Nederig Vragen een psychologisch veilige omgeving. De juiste vragen stellen op een nederige manier zorgt ervoor dat relaties verdiept worden en problemen opgelost worden. Het is een onderdeel van de kunst echt sociaal te zijn. 

Hoe helpt het Nederig Vragen bij het bouwen van een relatie? 

We leven in een cultuur van stellen en poneren. In die cultuur vinden we het lastig vragen te stellen, laat staan dat we de vaardigheid Nederig Vragen zouden aanleren. “Wat is er dan mis met vertellen op de manier van stellen en poneren?”, hoor ik jullie, Eloïse, Edward en Elvire, vragen. Het korte antwoord is sociologisch van aard. Poneren zorgt dat de ander zich minder voelt. Het impliceert dat de ander niet weet wat ik vertel en dat die andere persoon dat hoort te weten. Wanneer men dingen te horen krijgt, die men eigenlijk diende te weten of waar men ten minste aan had moeten denken, zal men ongeduldig worden en zichmisschien wel beledigd voelen. Dit zijn dan weer ‘kniereflex’ reacties die we kunnen missen als kiespijn. Let wel, men begrijpt wel wat de ander stelt, men waardeert het echter niet ten volle. Men dient zich kwetsbaar op te stellen. En daar hebben wij het met z’n allen nogal moeilijk mee.

De vrager stelt zich bij Nederig Vragen tijdelijk kwetsbaar op. Dit impliceert dat de andere persoon iets weet dat de vrager nodig heeft of wil weten. Daarom dient niet alleen de communicatie zuiver te zijn, de relatie dient ook optimaal te zijn. Om die relatie te verstevigen, dient de vrager de ander niet te vertellen dat hij het verkeerd voor heeft, maar dient zij of hij nederig vragen te stellen teneinde waarderend te kunnen begrijpen waar de ander het echt over heeft. Edgar H. Schein noemt het “The gentle art of asking instead of telling.” Ik vertaal dit als “De zachtaardige kunst van het vragen in plaats van het poneren.” 

Nederig Vragen is eigenlijk investeren in de relatie door de ander de volle aandacht te geven. De nederige vraag vertelt de ander: “Ik ben bereid te luisteren en me kwetsbaar op te stellen”. Het resultaat van die investering bekom ik wanneer de ander mij iets duidelijk maakt. Iets wat ik nog niet wist en wat belangrijk is teneinde een correct inzicht in de werkelijkheid te krijgen. Door die nieuwe informatie te waarderen wordt bovendien onze relatie op een hoger peil getild.

Vertrouwen bouwt zich aan mijn kant op omdat ik mijzelf kwetsbaar opgesteld heb, en omdat de ander er geen misbruik van gemaakt heeft of mij genegeerd heeft. Vertrouwen bouwt zich bij de ander op omdat ik interesse heb getoond in wat de ander te vertellen had en echt moeite doe om dit te waarderen. Een gesprek dat een vertrouwensrelatie tot stand brengt, is daarom een interactief proces waarin beide partijen investeren en iets van waarde terugkrijgen. Dit geeft ook aan dat er een wisselwerking is tussen twee karakteristieken van het Creatief wisselwerkingsprocesAuthentieke Interactie en Waarderend Begrijpen.

Hoe komt het dat Nederig Vragen eigenlijk nog geen gewoonte is? 

Natuurlijk denken we te weten hoe we vragen moeten stellen, maar we realiseren ons echter niet hoe vaak onze vragen eigenlijk een vorm van poneren zijn – retorisch of om onze waarheid te testen. We zijn geprogrammeerd om te poneren in plaats van te bevragen. Dit mede omdat we leven in een pragmatische, probleemoplossende cultuur, waarin het weten van dingen en het poneren van zaken aan anderen als iets van waarde wordt gezien. Nederig Vragen wordt in die cultuur gezien als een teken van zwakte en onwetendheid, dus wordt Nederig Vragen zo veel mogelijk vermeden.

Nederig Vragenresulteert in het tonen van interesse en de bereidheid te luisteren en het waarderend begrijpen van de ander. Het impliceert ook een staat van afhankelijkheid van de ander, waardoor het wijst op een soort van hier en nu nederigheid, welke onderscheiden dient te worden ten overstaan van twee andere vormen van nederigheid.

Om Nederig Vragen goed te kunnen begrijpen moeten drie soorten nederigheid te worden onderscheiden en dit op basis van drie soorten status:

1. Standaard nederigheid.  In traditionele samenlevingen waar status wordt verkregen bij geboorte of gekoppeld is aan een sociale positie, is nederigheid geen keuze maar een voorwaarde. Iemand kan dit accepteren of er zich ver van weg houden; het kan echter niet gewijzigd worden. In de meeste culturen is de hoogste klasse een intrinsiek respect gegund op basis van de status waarmee die geboren is. 

2. Situationele nederigheid. In samenlevingen waar status wordt toegekend door de dingen die iemand bereikt heeft, neigen we ons nederig op te stellen in het bijzijn van mensen die duidelijk meer bereikt hebben dan wij dit hebben gedaan. Daarbij bewonderen we de ander en stellen we ons nederig op. 

3. Hier-en-nu nederigheid. Deze derde soort nederigheid is cruciaal voor het het nederig stellen van vragen. Hier-en-nu nederigheid betreft hoe je je afhankelijk voelt van de ander. Mijn status is op dat moment inferieur aan die van de ander omdat die ander iets weet of iets kan doen, dat ik nodig heb bij het bereiken van het doel dat ik gekozen heb. Ik dien nederig te zijn omdat ik ‘hier en nu’ van de ander afhankelijk ben. Ook hier heb ik een keuze. Ik kan uiteraard de afhankelijkheid ontkennen en vermijden dat ik mijzelf bescheiden moet voelen. Daardoor zal ik weliswaar niet verkrijgen wat ik nodig heb, namelijk een correct inzicht in de werkelijkheid. Daardoor kom ik niet waar ik komen wil. We falen eigenlijk collectief! Helaas zijn mensen vaak bereid te falen, in plaats van hun afhankelijkheid van iemand toe te geven. 

Deze derde vorm van nederigheid is in prestatiegerichte culturen moeilijk aan te leren omdat in die cultuur kennis, en het ten toon spreiden ervan, aanzien heeft. Het nederig zijn in het hier-en-nu insinueert blijkbaar een verlies van status. Wij dienen heel dringend te begrijpen dat we interafhankelijk zijn van elkaar! Hier-en-nu nederigheid is steeds meer nodig voor alle soorten leiders, managers en professionals, gezien in de huidige management realiteit wederzijdse afhankelijkheid een basisvoorwaarde is. Nederige Vragen, gehanteerd door een leider, zorgt ervoor dat zij of hij het team vraagt of haar of zijn manier van leiding geven aanslaat en daarbij openstaat voor opbouwende kritiek. Dit is nog moeilijker te leren wanneer sommige leden van het team uit een traditionele cultuur komen waarin het falen de voorkeur heeft ten opzichte van ‘gezichtsverlies’. Hopelijk bestaat dit soort bedrijfscultuur niet meer wanneer jullie aan de slag zullen gaan. Alleszins heb ik er gans m’n leven tegen gestreden. Dit reeds van bij de eerste maanden dat ik in ‘den Kuhlmann’ als ingenieur was gestart. Eloïse, Edward en Elvire, hier m’n verhaal uit 1971 (jullie moeder was toen nog niet geboren!):

Ik liep mee in de ploegendienst, als een soort ‘vijfde wiel aan de wagen’. Ik had daarvoor de toelating gevraagd aan m’n toenmalig directeur Nicolas Kopylov, die mij voorspelde dat ik binnen de week zou afhaken. Mede door de zeer stroeve en moeilijke opstart van de eenheid ‘Contact 3’ liep ik uiteindelijk een kleine zes maand ploegendienst. Na een volledige cyclus – morgendienst, avonddienst en nachtdienst – haakte ik mij voor de volgende cyclus vast aan een andere ploeg. Wanneer ik Bruce Springsteen hoor zingen: “I learned more from a three minute record, than we ever learned at school”[ii], parafraseer ik die quote steevast als “Ik heb, in de zes maand dat ik ploegendienst liep, meer geleerd dan gedurende de vijf jaar aan de Rijksuniversiteit Gent (RUG).” 

Uiteraard had ik praktisch geen ‘hands on’ kennis van het runnen van een zwavelzuureenheid. Wat mij echt opviel was dat m’n ploeggenoten steeds vragend naar mij keken telkens er zich een technisch probleem voordeed. Ik was tenslotte burgerlijk ingenieur, toch?!? Toen ik hen eerlijk stelde dat ik de oplossing van het probleem niet kende, keken ze verbaasd. Ik vroeg hen toen: “Wat zouden jullie doen indien ik iets zou voorstellen, waarvan jullie zeker zijn dat het niet, of zelfs averechts zou werken?” antwoorden ze: “Dan voeren wij uw idee zonder verpinken uit!” Ik stelde dat dit toch zinloos was, waarop ze antwoorden: “De ingenieur heeft altijd gelijk, ook al heeft hij ongelijk. Wij zijn maar arbeiders.” Ik heb hen toen duidelijk gemaakt dat ik niet zo’n ingenieur was en dat ik met hen ploegendienst deed teneinde van hen te leren. In elk van de vier ploegen heeft dit scenario zich herhaald. De arbeiders volgden de bevelen van de ingenieur op, ook wanneer ze pertinent wisten dat die waardeloos waren. Ze gaven wel toe dat ze vaak in hun vuistje lachten, edoch wel uit het zicht veld van de ingenieur in kwestie … Heel vlug maakte ik hen duidelijk dat zij mij mochten terechtwijzen en dat ik dit niet zag als ‘gezichtsverlies’, eerder als een natuurlijk onderdeel van m’n leerproces.

Je zou kunen zeggen dat nederigheid een van m’n kernwaarden is. Hoewel dat niet altijd zichtbaar is. Dit omdat ik de eerste karakteristiek van Creatieve wisselwerking, Authentieke Interactie, van binnenuit beleef, en dat is overduidelijk zichtbaar.  Dat ik in wezen nederig ben, heeft uiteraard te maken met m’n opvoeding. Zoals jullie Eloïse, Edward en Elvire, waarden meekrijgen van jullie moeder, Daphne, kreeg ik ze mee van mijn ouders. Niettegenstaande ik de eerste (en wat later bleek de enige) van ons huisgezin van zeven kinderen was die universitaire studies aanvatte, zorgde vader Roels er voor dat ik niet ‘naast m’n schoenen begon te lopen’. Wat men er aan de RUG gedurende de week trachtte in te pompen – dat we als burgerlijk ingenieur een uitzonderlijke status zouden bekomen – werd er door vader Richard, op z’n eigen humoristische manier, gedurende het weekend netjes ‘uitgeklopt’. Ik ben hem er, eerlijk gezegd, nog steeds dankbaar voor. Slechts veel later begreep ik ten volle – uit het waarderend begrijpen van Charlie Palmgren’s wijsheid – dat  iedereen dezelfde Interinsieke Waardeheeft en dat de extrinsieke waarde die men verwerft vooral te maken heeft met de kansen die men krijgt. Men dient die uiteraard te grijpen, maar daarom dient men zich niet beter te achten dan een ander!

Wat betekent nederigheid eigenlijk? De essentie kan ik in vijf punten geven. Ik heb die in de loop der jaren met vallen en opstaan geleerd. Ik geef ze jullie, Eloïse, Edward en Elvire, hierbij mee:

  1. Nederig zijn betekent dat men zichzelf accepteert zoals men werkelijk is. Iemand die zowel het Creatief wisselwerkingsproces als de Vicieuze Cirkelin zich heeft. Iemand die weet hoe die laatste te ontzenuwen. Iemand die niet overgevoelig is voor de bedreigigingen van z’n ego. Want hij die weet dat z’n ego niets anders is dan z’n gecreëerde zelf die voor verbetering vatbaar is
  2. Nederige mensen zijn niet zo begaan met hun ego in enge zin. Zij timmeren daarentegen wel aan de weg naar hun Originele Zelf;
  3. Nederige mensen staan daarbij open voor nieuwe inzichten, zowel over de wereld om zich heen als over zichzelf. Ze weten dat ze de waarheid niet in pacht hebben. Ze maken zich geen zorgen dat ze misschien zullen afgaan, wanneer ze iets met stelligheid beweren (een gevolg van het beleven van Authentieke Interactie). Want ze weten dat dit een onderdeel is van een gezond leerproces. Ze staan ook na iedere miskleun sterk weer op!; 
  4. Nederige mensen kennen zichzelf goed. Ze nemen ook verantwoordelijkheid op zich telkens ze iets fouts hebben gedaan;
  5. Nederige mensen zijn er ook van overtuigd dat iedereen dezelfde Intrinsieke Waarde heeft. (zie Deel IV).

Anders gesteld: “Humility is not thinking less of yourself, but thinking of yourself less.” Deze quote wordt op het internet steevast toegeschreven aan C.S Lewis; hij is echter Rick Warren[iii]. Op zich een prachtige quote, wat niet niet wegneemt dat wat Lewis echt schreef volgens mij nog diepgaander was. Oordeel zelf maar Eloïse, Edward en Elvire:

Do not imagine that if you meet a really humble man he will be what most people call ‘humble’ nowadays: he will not be a sort of greasy, smarmy person, who is always telling you that, of course, he is nobody. Probably all you will think about him is that he seemed a cheerful, intelligent chap who took a real interest in what you said to him. If you do dislike him it will be because you feel a little envious of anyone who seems to enjoy life so easily. He will not be thinking about humility: he will not be thinking about himself at all.

If anyone would like to acquire humility, I can, I think, tell him the first step. The first step is to realise that one is proud. And a biggish step, too. At least, nothing whatever can be done before it. If you think you are not conceited, it means you are very conceited indeed.[iv]

Dit is de ongebreidelde C.S. Lewis. Voor hem zal, de echt nederige man “niet denken over nederigheid, hij zal helemaal niet denken over zichzelf.” Dit echt inzien begint met het toegeven dat men zich zichzelf meestal hoger inschat dan nodig; want schrijft Lewis: “als je denkt dat je niet verwaand bent, dan ben je juist zeer verwaand”.

In een nieuwe en dubbelzinnige situatie zullen mensen veelal terugvallen op hun eigen culturele regels en kunnen ze, voor wie die regels niet kent, onverwacht handelen. Een leider van een multicultureel team die erg graag open communiceert, zal de vaardigheid Nederig Vragen inzetten om een goede relatie op te bouwen met de teamleden, hen psychologisch veilig te latenvoelen en hen in staat te stellen om de problemen die zich voordoen samen op te lossen.

Vragen stellen is zowel een wetenschap als een kunst. Professionele vragenstellers, zoals enquêteurs, hebben decennia onderzoek gedaan over hoe vragen te stellen om antwoorden te krijgen die ze willen bekomen. Effectieve therapeuten, counselors en consultants hebben deze kunst opgetild een hoger niveau. De meeste van ons, echter, hebben zich nog niet afgevraagd hoe vragen gesteld dienen te worden in de context van alle daagse gesprekken, laat staan wanneer het er echt toe doet. 

Wat we vragen, hoe we het vragen, waar we vragen en wanneer we iets vragen, zijn belangrijke aspecten van Nederig Vragen.De kern van Nederig Vragen gaat verder dan onverbloemd vragen stellen. Het type vragen waar ik het hier over heb, steunt op een houding van interesse en nieuwsgierigheid. Dit veronderstelt een drang een relatie op te bouwen die zal leiden naar een sterkere mate van open communicatie. Het suggereert ook dat iemand zich kwetsbaar opstelt, en daarmee de energie opwekt voor een positieve, op hulp gerichte, houding bij de ander. Zo’n houding laat zich, naast de specifieke vraag die we stellen, zien in de diverse gedragingen. Het is een empathische manier van vragen stellen, en helemaal niet sarcastisch of uit de hoogte, integendeel! Soms tonen we een bepaalde mate van interesse door onze lichaamstaal en/of het laten vallen van stiltes, waardoor de andere persoon aangezet wordt om te praten, zonder dat we zelf iets gezegd hebben. Door de nieuwsgierigheid aan te zwengelen, vermindert de eigen ‘bias’ en zet ik mijn aannames en vooroordelen even aan de kant. Men geeft wel de onwetendheid toe. Want men kan de stelling van de ander maar moeilijk waarderend begrijpen; daartoe is de hulp van de ander nodig.

Wanneer ik in de nederig vragen modus ben, wil ik echt waarderend begrijpen hoe de ander de werkelijkheid ziet. Daarbij maak ik mezelf ‘leeg’ en zet eigen vooroordelen en percepties on hold. Nederig vragen stellen heeft te maken met het eigen ego en z’n Monkey Mind het zwijgen op te leggen. Want die wil toch enkel maar ‘gelijk krijgen’. Nogmaals, ik heb de waarheid niet in pacht! Bovendien vertel ik m’n waarheid niet bij Nederig Vragen. Anders gesteld, ik vertel dus geenszins hoe ik het zie (daar had ik al de gelegenheid toe in vorige karakteristiek). Ik bevind mij echt in de bevragingsmode en laat de ander in de vertelmode. Ik vraag dus nederig omdat blijkbaar de ander iets doorziet, wat ik helemaal niet begrijp. Die ander heeft dezelfde Intrinsieke Waardeals ik en bovendien ziet zij of hij iets, wat ik helemaal niet doorheb. 

Je gaat het pas zien als je het doorhebt.

Johan Cruyff

Ik koppel dus m’n nederigheid aan m’n nieuwsgierigheid (“Hoe komt het toch die ander iets ziet wat ik niet zie?!?) en beoefen de Nederig Vragenvaardigheid. Ik ga er ook van uit dat de ander authentiek zal antwoorden op mijn nederige vragen en geen ‘politiek correcte’ antwoorden zal geven. Nogmaals, het doel van Nederig Vragenis de ander ten volle begrijpen op een waarderende manier. Ik aanvaard daarbij dat, hoe de ander de werkelijkheid ziet, wel degelijk legitiem is!

Gevoelens bij de hier-en-nu nederigheid zijn de basis van nieuwsgierigheid en interesse. Als ik aanvoel dat ik iets van de ander kan leren of iets van de ander wil horen, zal dit mij tijdelijk afhankelijk en kwetsbaar maken. Het is precies deze tijdelijke ondergeschiktheid die ervoor zorgt dat ik mij psychologisch veilig voel, waardoor de kansen vergroot worden dat de ander mij zal vertellen wat ik nodig heb en wat mij helpt om de boodschap diepgaand te kunnen waarderenAls de ander deze situatie uitbuit, liegt, er misbruik van maakt of iets vertelt waar ik niets mee kan aanvangen, zal ik dit haar of hem duidelijk maken. Indien integendeel, de ander mij vertelt wat ik weten moet en mij daardoor helpt waarderend te begrijpen, is de start van een positieve relatie gemaakt. 

Nederig Vragen in deze context suggereert uiteraard dat je vragen stelt. Echter niet zomaar een vraag. Het dilemma in de cultuur binnen de Westerse wereld is dat men blijkbaar het onderscheid niet ziet tussen Nederig Vragen en andere manieren van vragen zoals leidend vragen, retorisch vragen, vernederend vragen of statements in de vorm van een vraag, welke bewust provocatief zijn en bedoeld zijn om de ander zich minder goed te laten voelen. Als leiders, managers en alle soorten professionals in staat zijn de vaardigheid Nederig Vragen van binnenuit te beleven, zullen ze aandachtig de verschillen leren kennen tussen de mogelijke vragen die gesteld kunnen worden en kiezen voor Nederig Vragen, hetgeen bijdraagt aan het bouwen van een gezonde relatie. 

Socrates

Socrates, de Griekse filosoof uit de vijfde eeuw voor Christus, had zo zijn eigen methode om vragen te stellen. Hij was de meest wijze man uit zijn tijd, want hij wist dat hij weinig wist. Eloïse, Edward en Elvire, van hem komt overigens mijn lijfspreuk: “Ik ben een wijs man, want ik weet dat ik het niet weet”. Tussen haakjes, ik hoop wel dat een beter lot dan het zijne mijn deel mag zijn. Die instelling is ook nuttig, omdat de Socratische vraagstelling de kennis van de ander verheldert en jouw waarderen van die kennis aanscherpt. De Socratische vraagstelling heeft tot doel nieuwe ideeën naar waarde te schatten. Dat is nu juist de bedoeling van deze karakteristiek: Waarderend Begrijpen wat de ander weet. 

Een goede Socratische vraag is:

  1. Filosofisch: het moet om een vraag gaan waarmee gezocht wordt naar voorwaarden, naar beginselen die je kunt beantwoorden met nadenken, met de rede;
  2. Fundamenteel: er wordt gevraagd naar beginselen, algemene principes die ten grondslag liggen aan beweringen, aan oordelen en vooronderstellingen, schuilend in het standpunt van de ander, diens keuzes en gedrag. Om te kunnen antwoorden is even nadenken wel aan de orde!;
  3. Eenvoudig: alle deelnemersaan het gesprek moet de vraag kunnen begrijpen en de vraag als vraag ervaren en dus zijn Socratische vragen kort!;
  4. Betekenisvol: de vraag dient verbonden te zijn aan ervaring. Het is allerminst een theoretische of hypothetische vraag die los staat van de ervaring. 

Ervaring. Dat heb je of dat heb je niet.

Johan Cruyff

De vragen die hier kunnen gebruikt worden zijn: 

  • Wat bedoel je wanneer je zegt: “_______________”?
  • Wat is voor jou het belangrijkste element in jouw betoog?
  • Hoe verhoudt “__________” zich tot “____________”?
  • Kan je dit eens op een andere manier zeggen?
  • Begrijp ik je nu goed, wil je dit “__________” of dat “_________” zeggen?
  • Hoe is wat je zegt verbonden met de cruciale vraag?
  • Kan jij een voorbeeld geven?
  • Zou “__________” daar een goed beeld van zijn?

Om bovendien de aannames, die de ander gebruikt, te kunnen begrijpen, kunnen de volgende vragen gesteld worden: 


  • Waarop is je stelling gebaseerd?
  • Is je redenering gebaseerd op deze aanname: “___________”?
  • Ik heb de indruk dat je aanneemt dat “___________”; 
  • Heb ik het correct voor?
  • Indien ik je goed begrijp, bedoel je dat “_____.” Klopt dat?”

Een ander kenmerk van sommige vragen is dat zij explorerend of onderzoekend zijn. Daarmee exploreert men het referentiekader van de ander. Het zijn vragen die ingaan op, en aansluiten bij wat de ander zegt. Men vraagt als het ware door. Daarbij concentreert men zich volledig op wat de ander zegt zonder de eigen mening daarin te betrekken. 

Doorvragen is zowat de ultieme manier om te kunnen appreciëren wat de ander zegt. 

Echt doorvragen gebruik je wanneer je het gevoel hebt dat de ander: 

  • niet alles vertelt (Wat is er nog meer dat ik moet weten om je goed te kunnen begrijpen?);
  • onduidelijke argumenten gebruikt (Wat is nu juist jouw argument?) ;
  • ongebruikelijke woorden gebruikt (Wat bedoel je juist met dat woord: “_____?”) 
  • tegenstrijdige informatie geeft (Je zei, naar ik begrepen heb, net dit “_____ “en nu hoor ik je dat “_____” zeggen. Kan je mij een en ander verduidelijken?”)

[i]https://www.nj.com/news/index.ssf/2010/05/poet_robert_pinsky_rocker_bruc.html

[ii] Edgar H. Schein. Humble Inquiry. The Gentle Art of Asking Instead of Telling.  San Francisco, CA: Berret-Koehler Publishers, Inc. 2013.

[iii]Bruce Springsteen. Quote uit de song ‘No Surrender’ van het album ‘Born in the USA’, Colombia records, 1984.

[iv]Rick Warren. The Purpose-Driven Life,  http://takfiknamati.tv/en/wp-content/uploads/2016/04/Rick-Warren-The-Purpose-Driven-Life-What-on-Earth-Am-I-Here-For.pdf, Day 19, “Cultivating Community.” 2002, Page 148.

[v]C.S. Lewis Mere Christianityhttp://www.samizdat.qc.ca/vc/pdfs/MereChristianity_CSL.pdf, Book 3, Chapter 8, “The Great Sin,” 2014 (first published in 1952, based on as series of BBC radio talks made by Lewis between 1942 and 1944), page 71.