Tagarchief: Friedrich Nietzsche

SAWUBONA, HANNAH ARENDT – DEEL IV

Waar zijn we wanneer we denken?

In haar boek Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) stelt Hannah Arendt na het beantwoorden van de vraag “Wat zet ons aan het denken?” volgende bijkomende vraag: “Waar zijn we wanneer we denken?”

We leerden al dat het denken een activiteit is die zichzelf tot doel heeft en dat de enig passende metafoor ervoor het gevoel is ‘in leven te zijn’. “Ik denk, dus ben ik in leven” wat het vertrekpunt was van de filosofie van Descartes.

Maar, waar vertoeven we als we aan het denken zijn, vraagt Hannah Arendt zich af.

Zoals in vorige columns aangetoond, wordt het denken gevisualiseerd door de linker lus van m’n Cruciale Dialoogmodel:

Dus zou ik Hannah’s vraag kunnen beantwoorden met: “We bevinden ons in de linker lus van het Cruciale Dialoogmodel.” Dit antwoord leidt dan automatisch naar volgende vraag: “Maar waar bevindt die linker lus zich?”

Tantôt je pense et tantôt je suis (Valéry): het nergens

De dichter Paul Valéry verdraaide de beroemde formule van Descartes en zette daarmee de Franse nationale trots een dot van een neus. Terzelfdertijd zet die uitspraak de filosofische kwestie van het Denken en het Zijn op scherp. Het is alsof denken en werkelijk zijn elkaars tegengestelde zouden zijn. Descartes leidt het bestaan van zichzelf (en dus van mensen) af uit hun vermogen om te redeneren. Valéry nuanceert de conclusie van Descartes met een vermakelijke elegantie: natuurlijk denk ik soms, en laten we wel wezen… ik denk alleen maar soms! Hannah Arendt gebruikt die oneliner van Paul Valéry meesterlijk om haar punt te maken. 

Hannah Arendt (2021, pp. 218-220) formuleert drie stellingen:

1. Het denken gebeurt altijd wanneer men in rust is. Het denken onderbreekt alle gewone activiteiten en wordt door die activiteiten onderbroken;

2. Het denken lijkt ‘werkelijk’, terwijl al wat enkel ‘is’, zo vluchtig lijkt dat het net is alsof het niet bestaat. Arendt citeert daarbij Hegel’s stelling: “Was gedacht ist, ist; und was ist, ist nur, insofern es Gedanke ist.” (Wat gedacht wordt, is; en wat isis alleen maar voor zover het gedacht wordt);

3. Deze vreemde kenmerken van het denken komen voort uit de terugtrekking die inherent is aan alle mentale activiteiten; het denken laat zich altijd in met dingen die afwezig zijn; het verwijdert zich uit wat aanwezig en dicht bij de hand is. 

Uiteindelijk komt ze tot het besluit dat het denkende ego ‘nergens’ is:

Het denkende ego, dat zich in het universele beweegt, tussen onzichtbare essenties, is strikt genomen nergens: het is in een nadrukkelijke zin ontheemd – wat het vroege ontstaan van een kosmopolitische geest onder filosofen zou kunnen verklaren. (Arendt, 2021, p. 220)

Volgens haar was Aristoteles zowat de enige grote denker die dat besef had. Deze prijst in Protreptikos de bios theôrêtikos, omdat “die noch middelen noch plaatsen nodig heeft om te worden beoefend; wie zich, waar op aarde ook, aan het denken wijdt, zal overal de waarheid bereiken alsof ze daar aanwezig is”. (Arendt, 2021, p. 221)

Om nadien te stellen dat haar vraag naar de plaats van het denkende ego een misplaatste vraag is en dat omdat:

Het denkende ego is “overal” – het verzamelt in zijn aanwezigheid al wat het belieft, vanuit gelijk welke afstand in tijd en ruimte, want die doorkruist het met een snelheid, groter dan die van het licht. Maar bekeken vanuit het perspectief van de alledaagse wereld van de verschijnselen, is dit “overal” een “nergens”. (Arendt, 2021, p. 221)

En gezien we bestaan, want we denken, is dit ‘nergens’ niet het tweevoudig nergens van voor en na ons bestaan. Wat Arendt (2021, p.222) dan weer aanzet om na te denken over onze eindigheid:

De eindigheid van de mens is onherroepelijk, krachtens zijn eigen korte tijdsspanne in de tijd, die zich zowel in het verleden als in de toekomst oneindig uitstrekt. Deze eindigheid is als het ware de infrastructuur van alle mentale activiteiten: ze manifesteert zich als de enige werkelijkheid waarvan het denken als denken besef heeft, wanneer het denkende ego zich uit de wereld van de verschijnselen heeft teruggetrokken en het gevoel van werkelijk-zijn, inherent aan de sensus communis waarmee we ons in de wereld oriënteren, verloren heeft. 

Daaruit besluit Arendt dat Valéry’s opmerking – die ze interpreteert als wanneer we denken, zijn we niet – juist zou zijn indien ons gevoel van werkelijk te bestaan enkel zou bepaald worden door ons ruimtelijk bestaan. Wij zijn echter niet enkel in de ruimte, we zijn ook in de tijd, merkt Arendt (2021, p. 222) fijntjes op. Tijdens het denken herinneren we ons zaken, plukken die uit het geheugen en met de wil anticiperen we tijdens het denken op (en plannen we) wat nog niet is. De conventionele tijdlijn is dwingend in haar opvolging, vandaar dat in m’n Cruciale Dialoogmodel de linker lus het verleden, het midden het heden en de rechter lus de toekomst is.

De bres tussen verleden en toekomst: het nunc stans

Arendt stelt dat tijdens het denken over ‘wat niet meer is’ gaat over wat achter ons ligt en denken over ‘wat nog niet is’ ons van voren nadert (en duidt dat laatste met het Duitse ‘zukunft’ en het Franse ‘avenir’, als “wat toekomt”). Daarmee wordt het tijdscontinuüm verdeeld in drie tijdsdimensies: verleden, heden en toekomst. Arendt (2021, p. 224) ziet verleden en heden als elkaar tegenstanders en begrijpt ze als antagonistische krachten. Die krachten grijpen aan in het heden, dat ze ziet als de bres tussen verleden en toekomst. Die visie is ook gesymboliseerd in de tegenstrijdige krachten tussen de gewenste realiteit (de toekomst) en de huidig realiteit, die gecreëerd werd door het verleden. Deze spanning tussen verleden en toekomst werd door Fritz (1989) ‘structurele spanning’ genoemd:

Origineel concept is van Robert Fritz. Figuur uit Senge, P.M. (1992) De vijfde discipline, p. 153

De bres tussen verleden en toekomst wordt gezien als de arena van de vechter. Die vechter, de mens, is continu gevangen tussen zijn verleden (links) en de toekomst (rechts) en de spanning grijpt in op diegene die zijn heden beleeft. Dit heden is zowat het vluchtigste wat er is, terwijl je het aanwijst is het reeds verleden. De mens leeft in dit ‘tussen’ tijdsgewrocht en vecht een levenslange strijd tegen het dode gewicht van het verleden dat hem tegen wil houden en de hoop op de toekomst die hem voortstuwt, of anders gesteld, de hoop die hem vooruit stuwt naar een betere toekomst en een vrees voor die toekomst (met als enige zekerheid de dood) die hem terugdrijft naar de zekerheid van het verleden. Met nostalgie naar en herinnering aan de enige werkelijkheid waar de mens zeker van kan zijn, schrijft Arendt (2021, p. 226). 

Zelf zie ik dat als een continu gevecht tussen het gecreëerde zelf, die door z’n Vicieuze Cirkel vastzit in z’n ‘gouden kooi’ en het Originele Zelf die het actuele zelf aantrekt in de richting van z’n hoogste niveau en hopelijk het (continu) evoluerend zelf wordt. Dus terug de twee raderen die in elkaar inwerken, niet af en toe, eerder quasi continu (Roels, 2012, p. 305). Dit gevecht wordt enig mooi beschreven door Henry Nelson Wieman (1990, p. 72):

Man is made for creative transformation as a bird is made for flight. To be sure he is in a cage much of the time. The bars of the cage are the resistances to creative transformation which are present in himself and in the world round about. Also, like most birds when long confined, he settles down in time and loses both the desire and the ability to undergo creative transformation. But in childhood creativity dominates. The mind expands its range of knowledge and power of control, its appreciative understanding of other minds and its participation in the cultural heritage. At no other time is there so much expansion and enrichment of the mind and of the world which the mind can appreciate. But resistances are encountered, which bring on anxiety, frustration, failure and misunderstanding. To avoid suffering, the mind becomes evasive and creativity dies down.  The bird ceases to beat against the bars of the cage.

Arendt (2021, p. 225) citeert een allegorie van Friedrich Nietzsche uit diens Aldus sprach Zarathoestra. De allegorie start wanneer Zarathoestra aankomt bij een doorritpoort, die kan gezien worden als het gemeenschappelijk punt van twee wegen. Een weg naar en een weg van de poort.  

Twee wegen komen hier te zamen; die wegen liep niemand nog ten einde. Deze lange weg terug: die duurt een eeuwigheid. En die lange weg rechtuit – dat is een andere eeuwigheid. Ze spreken elkander tegen, deze wegen; ze stoten elkaar recht voor het hoofd: – en hier bij deze wegpoort is het, dat zij elkander raken. De naam van de poort staat er boven geschreven: “ogenblik” (“Augenblick”). … Zie dit ogenblik! Vanuit deze doorrit-poort “Ogenblik” loopt een lange eeuwige weg terug: achter ons ligt een eeuwigheid. [En voorwaarts leidt een andere weg in een eeuwige toekomst.] 

De persoon die in die in de doorritpoort staat ziet dit als twee wegen, van op een afstand bekeken is er uiteraard enkel een doorlopende weg. De ‘botsing’ ervaart enkel diegene die op dat ogenblik op die bewuste plaats staat. Zij of hij staat dan in het ‘nu’. Enkel voor haar of hem is het alsof Verleden en Toekomst tegenelkaar knallen. De eeuwigheid (en dus Nietzsche’s eeuwige terugkeer) is het ‘nu’.

In het dagelijkse leven bestaat die bres omzeggens niet, de continuïteit van onze activiteiten zorgt voor een tijdscontinuüm: we doen vandaag verder met wat we gisteren begonnen en morgen hopen af te maken. De bres tussen verleden en toekomst opent zich alleen in reflectie. Tijdens die reflectie wordt wat afwezig is, want we zijn niet aanwezig in het heden, binnen de aanwezigheid van de geest getrokken. Arendt (2021, p. 227) ziet die denkactiviteit als een gevecht met de tijd zelf:

Alleen omdat “hij” denkt, en dus niet langer meegesleept wordt door de continuïteit van het dagelijkse leven in een wereld van verschijnselen, kunnen het verleden en de toekomst zich als pure entiteiten manifesteren, zodat “hij” een besef kan krijgen van een niet- meer dat hem vooruitduwt en van een nog-niet dat hem terugduwt. 

Die bres kan gezien worden vanuit het standpunt van het denkende ego als een onbeweeglijkheden, een nunc stans. Dit is de betekenis van de stop in ‘stop and think’ van reflectie. De tijd wordt bevroren tot het staande nu, het nunc stans. En gedurende dit staande nu wordt het Cruciale Dialoogmodel doorlopen en dat in alle richtingen en aan lichtsnelheid.

Arendt (2021, p. 232) zegt nog over het nunc stans het volgende:

De temporele dimensie van het nunc stans die in de denkactiviteit ervaren wordt, brengt de afwezige dimensies, het nog-niet en het niet-meer, samen in zijn eigen heden. Dit is Kants “land van het zuivere verstand” (Land des reinen Verstandes), “een eiland, dat door de natuur zelf met onveranderlijke grenzen is ingesloten” en “dat wordt omgeven door een wijde en stormachtige oceaan”, de zee van het alledaagse leven. Ik denk niet dat dit “het land van de waarheid” is, maar het is zeker het enige domein waar het betekenisvolle geheel van iemands leven zichzelf kan tonen. Voor sterfelijke mensen, wier bestaan, in tegenstelling tot alle andere dingen die pas echt beginnen te zijn wanneer ze voltooid zijn, eindigt wanneer het niet meer is, blijft dit betekenisvolle geheel ongrijpbaar (nemo ante mortem beatus esse dici potest). Alleen in de bres van het nunc stans kan dit ongrijpbare geheel van het menselijk bestaan zich tonen als de zuivere continuïteit van het ik-ben, een durende aanwezigheid te midden van de altijd veranderende vergankelijkheid van de wereld. 

Bij het begrip nunc stans denk ik steevast aan de tekst van Leonard Cohen’s lied ‘Anthem’ uit z’n album ‘The Future’ (1992), met de boodschap van hoop in donkere tijden. De eerste strofe maakt mij duidelijk dat je elke dag opnieuw het creatief wisselwerkingsproces dient te beleven; dus in het nu. Dat je bovendien niet langer achteruit mag kijken dan strikt nodig, en dan enkel om lessen uit dat verleden te trekken teneinde er effectief iets mee te doen in het nu. Je mag zich ook niet verliezen in dromen over de toekomst. Op zich is het hebben van een droom goed, het zich verliezen in dromerij is dat helemaal niet. Een droom is een richtsnoer, dat men nodig heeft om het in het nu te volgen. Je creëert de toekomst die je wil in het nu; niet in het verleden en ook niet in de toekomst! 

Het helder bewust leven in het nu is verre van gemakkelijk. Dit is een van de weinige zekerheden die in het nieuwe paradigma overheid is gebleven. Het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking (waarvoor in het lied de duif als metafoor wordt gebruikt) is en blijft vechten tegen de persoonlijke Vicieuze Cirkel

The birds they sang At the break of day   Start again
I heard them say
Don’t dwell on what  Has passed away
Or what is yet to be  Yeah the wars they will Be fought again
The holy dove
She will be caught again Bought and sold
And bought again
The dove is never free 

Het refrein herinnert mij er aan dat ik het beste van mezelf dien te geven en niet mag wachten tot wat ik doe perfect is. Imperfectie is geen probleem, want door elke imperfectie (‘the crack’) komt The Ligth (het licht) binnen. The Light is wat Yoda The Force noemt (Keshner, 1980) en ik Creatieve wisselwerking (Roels, 4 februari 2018). Leonard Cohen zei ooit, vertaald in het Nederlands, naar verluid over dat refrein het volgende (Werber; 11 november 2016): 

De toekomst is geen excuus om afstand te doen van je eigen persoonlijke verantwoordelijkheden ten opzichte van jezelf, je werk en jouw liefde. “Laat de klokken, die dat nog steeds, kunnen klinken.” Ze zijn met weinig, maar je kunt ze vinden. 

Het refrein gaat als volgt: 

Ring the bells (ring the bells) that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack in everything (there is a crack in everything)  That’s how the light gets in

Er bestaan verschillende verhalen over waarop Leonard Cohen zijn beroemd geworden quote – “There is a crack in everything. That’s how the light gets in” – baseerde . De meest geciteerde verklaring over de bron van die quote is een verhaal uit het boek van de Boeddhist Meditatie leraar, Jack Kornfield (2002), ‘A Path With Heart’. Reden voor die verklaring is waarschijnlijk dat Cohen zelf Boeddhist werd met de bedoeling ‘heel’ uit een zware depressie te komen. Dit lukte hem uiteindelijk na jaren verblijf in een Californisch Zen Boeddhistisch klooster (Abramović, 14 november 2016). 

Het bewuste verhaal gaat over een jonge man waarvan een been diende geamputeerd te worden teneinde hem te redden van een gewisse dood. Die jongen leed aan een agressieve beenkanker. De kanker werd effectief overwonnen. Om het trauma veroorzaakt door het verlies van een been te kunnen verwerken, werd hij intensief begeleid door een vrouwelijke dokter, Naomi Remen. Deze arts gebruikte onder meer kunst en meditatie om mensen, niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk, te genezen. In het begin van zijn therapie tekende de jongen op de rand van razernij zichzelf als een vaas met een lelijke barst. Wanneer hij, na jaren therapie en meditatie, de innerlijke vrede teruggevonden heeft, door de arts wordt hij confronteerd met een van z’n eerste tekeningen. Zijn directe reactie was: “Oh, deze tekening is niet afgewerkt.” De arts suggereerde om alsnog de tekening af te werken, wat hij deed. Hij bewoog een vinger over de dikke barst en zei tot de dokter: “Kijk eens naar die barst, daar komt het licht doorheen.” Hij nam een geel potlood en tekende het stromend licht doorheen de barst van het lichaam van de vaas en zei: “Onze harten kunnen sterk groeien op de gebroken plaatsen.” 

Hoe mooi deze verklaring ook is, ze is onmogelijk. Jack Kornfield’s boek werd voor het eerst gepubliceerd in 1993 en de song ‘Anthem’ werd uitgebracht in 1992. In een interview met singersongwriter Paul Zollo (Zollo, 1992) verklaarde Leonard Cohen dat “it took a decade to write Anthem” en met betrekking tot de quote: 

That’s old, that’s very old. That has been the background of much of my work. I had those lines in the works for a long time. I’ve been recycling them in many songs. I must not be able to nail it. (Zollo, 2003).  

Ook de tweede strofe is een ode aan die imperfectie. Direct perfect, de oude slogan van de kwaliteitsgedachte van de jaren tachtig, is een leugen. Imperfectie verbonden aan continue verbetering door transformatie is het nieuwe normaal. 

Het eigen commentaar van Leonard Cohen luidt als volgt (Werber; 11 november 2016): 

Deze situatie kent geen perfecte oplossing. Dit is ook niet de plaats weer men dingen pefect maakt; noch in je huwelijk, noch in je werk, noch in je liefde voor jouw familie of land. Het leven is onvolmaakt. 

De strofe zelf luidt: 

We asked for signs  The signs were sent  The birth betrayed  The marriage spent Yeah the widowhood  Of every government  Signs for all to see 

En terzelfdertijd dienen we er ons bewust te zijn van de hypocrisie van wat Leonard Cohen de “lawless crowed” en de “killers in high places” noemt. The Crack kan dus ook gezien worden als de scheur in de muren van corruptie, in regeringen en in de machtigen van deze aarde. Het gaat om structuren die ons omwikkelen, gevangen houden, van buiten naar binnen controleren en die mensen tot slaaf maken en de middelen van de wereld knechten. In mijn optiek gaat het om de Vicieuze Cirkel. Zoals Leonard Cohen heb ik besloten mij niet te laten knechten en dus niet tevreden te zijn met de status quo. Het gaat niet alleen om persoonlijke groei, het gaat ook om anderen te inspireren. 

I can’t run no more
With that lawless crowd
While the killers in high places
Say their prayers out loud
But they’ve summoned, they’ve summoned up  A thundercloud
And they’re going to hear from me 

Die laatste zin doet mij dan weer denken aan een uitspraak van Martin Luther King (1967): “We must speak with all the humility that is appropriate to our limited vision, but we must speak.” 

De strofe wordt gevolgd door het refrein, dat oproept om zowel wakker als authentiek te blijven. Leonard Cohen zegt daarover (Werber; 11 november 2016): 

Er is een scheur in alles wat je kunt samenstellen: fysieke objecten, mindsets, kortom constructies van welke aard dan ook, fysiek of mentaal. Er is echter hoop, want een scheur is waar het licht binnenkomt, waar de opstanding is, waar de terugkeer en de berouw is. Het is de confrontatie van de gebrokenheid der dingen. 

Door die gebrokenheid groeien we omdat we beseffen dat alles wat gebroken is op een of andere manier kan hersteld worden, terug ‘heel’ gemaakt worden. 

(Ring, ring, ring, ring)
Ring the bells that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in 

De laatste strofe is een oproep tot synergie. Hetgeen ik uiteraard interpreteer als een oproep tot het van binnenuit beleven van Creatieve wissselwerking, dat ook voor Leonard Cohen synoniem is van Liefde: 

You can add up the parts  You won’t have the sum  You can strike up the march There is no drum  Every heart, every heart to love will come  But like a refugee 

Om die laatste zin ‘But like a refugee’ waarderend te kunnen begrijpen dien je te overwegen dat Leonard Cohen sterk beïnvloed was door het Boedhisme. Dus kan die zin een specifieke Boedhistische betekenis hebben. Er bestaat een Boedhistische ceremonie, “Taking Refuge (Toevlucht zoeken)” genaamd. De uitgesproken geloften tijdens deze ceremonie zijn: “Ik zoek toevlucht bij de Boeddha (de leraar), ik zoek toevlucht bij de darhma (de leerstellingen), ik zoek toevlucht bij de sangha (de gemeenschap van Boeddhisten).” Je doet deze geloften om jou< toewijding aan het boeddhistisch pad te versterken. Het is niet verwonderlijk dat ik daarin Man’s Ultimate Commitment (Wieman, 1990) voor Creatieve wisselwerking zie. Ook Henry Nelson Wieman was beïnvloed door het Boeddhisme (Rice, 1017). 

De betekenis van ‘toevlucht zoeken’ is een ietwat complex en potentieel verwarrend. Maar is Creatieve wisselwerking ook niet ‘Kunnen omgaan met ambiguïteit’?!? Volgens mijn interpretatie betekent ‘toevlucht zoeken’ het tegenovergestelde van wat men zou kunnen denken. Men zoekt geen toevlucht om veilig te zijn, toevlucht zoeken is een verplichting die men zich oplegt om de realiteit van ongegrondheid te ervaren (i.e. het tegenovergestelde van veiligheid in de betekenis van ‘securitiy’). Die veiligheid is overigens een illusie gebleken. Toevlucht zoeken tot Creatieve wisselwerking is bereid zijn om het eigen denkkader (Mindset) in vraag te stellen en zich volledig open op te stellen en compleet wakker (i.e. helder bewust) te zijn. Het eigen referentiekader mordicus vasthouden komt neer op vasthouden wat een veilig en stabiel gevoel geeft. Dit is de identiteit van de gecreëeerde zelf. Meestal laat je jouw gecreëerde zelf maar los in tijden van wanhoop en wanneer je zekerheden uit elkaar ziet vallen. 

Er is ook een link met de vluchteling (refugee) in de gebruikelijke zin van het woord. Die vlucht voor vervolging of nare situatie in haar of zijn thuisland, in de hoop vrijheid en een betere situatie te vinden in een ander land. Het boeddhisme zegt, vertaalt in Creatieve wisselwerking taal, dat we in onze gecreëerde zelf vast zitten. Dat we gevangenen zijn van onze eigen Vicieuze Cirkel met z’n gehechtheden aan eigen concepten en denkkaders. We zitten gevangen in onze Mindset en dienen toevlucht zoeken in het creatief wisselwerkingsproces teneinde onszelf te bevrijden van die boeien. Daartoe dienen we op elk ogenblik open en wakker te zijn. 

(Ring, ring, ring, ring)
Ring the bells that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in
Ring the bells that still can ring (ring the bells that still can ring) Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in (3x)

En tot slot nog een ‘wijze gedachte’ in de vorm van volgende quote: 

The real act of discovery consists not in finding new lands, But in seeing with new eyes. – Marcel Proust

Bibliografie

Abramović, M. (24 november 2016). My Dinner Date With Leonard Cohen. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://time.com/4570605/marina-abramovic-leonard-cohen/  

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Cohen, L. (1992). Anthem lied uit studio album The Future, Columbia Records.

Fritz, R. (1989). The Path of Least Resistance. New York: Fawcett-Columbine.

Keshner, I. (Regisseur). (1980). Star Wars Episode V – The Empire Strikes Back [Film], Lucasfilm, Ltd./20th Century Fox Home Entertainment.

King, M.L. (4 April, 1967). Excerpts of Dr. Martin Luther King Jr’s speech on war on April 4, 1967. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://www.soundvision.com/article/excerpts-of-dr-martin-luther-king-jrs-speech-on-war-on-april-4-1967

Kornfield, J. (2002). A Path With Heart. The Classic Guide Trhrough the Perils and promisses of Spiritual Life. London: Rider, an imprint of Ebury Press, Random House. p. 48

Rice, D. F. (2017). Henry Nelson Wieman on Religion and Reinhold Niebuhr. https://doi.org/10.1111/zygo.12333

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Roels, J. (4 februari 2018). The Force (i.e. Creative Interchange). Geraadpleegd op 22 juni 2021 via http://www.creativeinterchange.be/?p=822 

Penge, P.M. (1992). De vijfde discipline. De Kunst & Praktijk van de Lerende Organisatie. Tielt: Lannoo.

Werber, M. C. (11 november 2016). “There is a crack in everything, that’s how the light gets in”: The story of Leonard Cohen’s “Anthem”. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://qz.com/835076/leonard-cohens-anthem-the-story-of-the-line-there-is-a-crack-in-everything-thats-how-the-light-gets-in/

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

Zollo, P. (1992). Leonard Cohen. Los Angeles 1992. Geraadpleegd op 22 juni ’21 via https://www.leonardcohenfiles.com/zollo.html

Zollo, P. (2003). Songwriters on Songwriting. New York: Hachette Books (vierde druk).

SAWUBONA, hannah arendt – deel ii

Het verschil tussen iets ‘begrijpen’ en iets ‘vatten’.

In haar boek ‘Het Leven van de Geest’ (Arendt, 2021) citeert Hannah Arendt vaak Immanuel Kant. Dat is niet verwonderlijk wanneer men weet dat Kant, samen met Heidegger, haar de weg wees naar haar manier van denken. Denken dat niet per sé moet uitmonden in ‘waarheid’, wat meestal bij andere filosofen het geval is. Kant noemde het denkvermogen Vernunft (rede) om het te onderscheiden van Verstand (intellect, verstand). Belangrijk vind ik z’n stelling (Kant, 1781): “Vernunftbegriffe dienen zum Begreifen, wie Verstandesbegriffe zum Verstehen (der Wahrnehmungen).” De vertalers Dirk De Schutter en Remi Peeters (Arendt, 2021, p. 109): “Begrippen van de rede stellen ons in staat om te begrijpen, zoals begrippen van het verstand ons in staat stellen waarnemingen te vatten.” 

Leuk dat ik via Arendt in contact kom met deze stelling van Immanuel Kant die ik, zonder ze te kennen, gebruikte in m’n onderscheid tussen ‘observeren’ en ‘interpreteren’ in m’n Cruciale Dialoogmodel:

Het denken wordt gevisualiseerd door de linker lus waarbij het vatten van de werkelijkheid gebeurt door het observeren van die werkelijkheid gebruik makend van het helder bewustzijn. Het begrijpen van de werkelijkheid gebeurt dan door het interpreteren van wat gevat werd, gebruikmakend van het gekleurd bewustzijn. Het verstand tracht te vatten wat aan onze zintuigen gegeven is (vandaar observeren) en de rede (Vernuft) tracht de betekenis ervan te begrijpen (interpreteren).

Kant gebruikt het begrip Wahrnehmung, Duits voor het Latijnse Perceptio, om aan te geven dat de waarheid ligt in wat ik observeer (waar-neming). Het denken neemt die observatie aan en vraagt zich af wat het bestaan ervan betekent. Denken, de linker lus van m’n model, heeft te maken met betekenis geven. Het onderscheid tussen waarheid en betekenis is van cruciaal belang voor het menselijk denken. Betekenis geven aan wat werd geobserveerd, gebeurt dus met het gekleurd bewustzijn. Elke mens heeft een uniek gekleurd bewustzijn en geeft dus een specifieke betekenis aan ‘de waarheid’, waardoor het ‘zijn waarheid’ wordt. Enkel door dialoog kunnen twee verschillende mensen, die dezelfde werkelijkheid (‘de waarheid’) aanschouwen en verschillende ‘eigen waarheden’ hebben, tot een Gedeelde Mening (‘een gedeelde waarheid’) komen. Dit laatste noemen we in bovenstaande figuur het inzicht. Ook Arendt stelt, niet zoals de meeste filosofen, dat denken niet als doel heeft de ultieme ‘waarheid’ te vinden. Steeds opnieuw dient er te worden nagedacht. Vandaar de het infinity teken dat de lemniscaat is een adequaat beeld is om dit uit te drukken.

Wij worden geconditioneerd

Het gekleurd bewustzijn steunt op onze mindset die geconditioneerd is. In haar boek ‘Het leven van de Geest’ schrijft Hannah Arendt het volgende (2021, pp. 96-97):

Existentieel worden mensen weliswaar volledig geconditioneerd – ze worden beperkt door de tijdsspanne tussen geboorte en dood, gedwongen te arbeiden om te leven, aangezet tot werken om zich thuis te voelen in de wereld, en aangespoord tot handelen om hun plaats te vinden in het samenleven met hun medemensen – maar toch kunnen ze al deze condities mentaal overstijgen, zij het alleen mentaal, nooit in werkelijkheid of in de kennis en het weten, waarmee ze de wereld en zichzelf exploreren. Ze kunnen positief of negatief oordelen over de werkelijkheid waarin ze geboren zijn en waardoor ze ook geconditioneerd worden; ze kunnen het onmogelijke willen, bijvoorbeeld het eeuwige leven; en ze kunnen denken, d.w.z. zinvol speculeren over het onbekende en onkenbare. Daardoor kunnen ze de werkelijkheid weliswaar nooit onmiddellijk veranderen – er is in onze wereld inderdaad geen zo duidelijke en radicale tegenstelling als die tussen denken en doen – maar toch hangen de principes van ons handelen en de criteria van ons oordelen en onze levenswijze uiteindelijk af van het leven van de geest.

In deze paragraaf vermeld Arendt terloops haar onderscheid tussen Arbeiden, Werken en Handelen (zie m’n column Hannah Arendt over Arbeiden, Werken en Handelen) en gaat dieper in op het oordelen over de werkelijkheid die conditioneert. Inderdaad, opvoeding, opleiding en samenleven conditioneert de mens. Door dit socialisatieproces wordt diens specifieke gekleurde bril gevormd, waarmee zij of hij ‘de waarheid’ inkleurt.

Denken is onzichtbaar

Daar waar de werkelijkheid zichtbaar is, is het denken erover onzichtbaar. De uitwendige manifestatie van het denken is verstrooidheid en een afwezigheid. Men is blijkbaar niet meer geïnteresseerd in de omringende wereld. Het denken laat echter op geen enkele wijze zien wat er in ons feitelijk aan het gebeuren is. Het denkende ego, waarvan ik me bewust ben zolang de denkactiviteit duurt, verdwijnt als sneeuw voor de zon op het ogenblik dat de werkelijke wereld zich opnieuw opdringt. Mentale activiteiten komen tot stand bij een bewuste terugtrekking uit de aanwezigheid van werkelijke wereld voor de zintuigen. Je koppelt als het ware de zintuigen af. Niet zelden sluit je effectief de ogen en hoor je niet wanneer je in nadenken verzonken bent. Wat echter afwezig is voor de echte zintuigen verschijnt helder in de geest en wordt verbeelding genoemd. In m’n bovenstaand Cruciale Dialoogmodel vindt die verbeelding plaats zowel in de tweede karakteristiek Waarderend Begrijpen als in de derde karakteristiek Creatief Integreren van het Creatief wisselwerkingsproces. In de toepassing Cruciale Dialogen worden die karakteristieken respectievelijk Appreciatie en Imaginatie genoemd en het model is in die fasen ‘naar binnen gekeerd’, een visualisatie van het denkend ego, of de reflecterende mens. Zo wordt bij het Waarderend Begrijpen wat ‘niet meer’ of ‘wat is,’ een verleden en een heden, voor onszelf tot stand gebracht en in het Creatief Integreren een ‘nog niet’ van de toekomst verbeeld. Dit is echter maar mogelijk voor de mind wanneer die zich uit het aanwezige en uit het alledaagse reilen en zeilen heeft teruggetrokken. Die mind dient zich ver van de ‘jump to conclusion’ modus die zich zonder reflectie in de toekomst wil storten, houden en zich niet om objecten maar om een project bekommeren. Het oordeel dient zich weloverwogen, in het midden van m’n model, te transformeren in een wil die de behoeften (de begeerte) omzet in gevoelens (een intentie). We oordelen dus eerst over de ‘delta’, i.e. het verschil tussen wat is en wat gewenst is en die behoefte wordt omgezet in een wil om iets aan dat verschil te doen. Anders gesteld, het denken geeft inzicht dat vergeleken wordt met de behoeften en die vergelijking zwengelt al dan niet de wil aan om er iets aan te doen. Die wil stuurt dan de ‘imaginatie’ van de mogelijke handelingen om effectief de actuele werkelijkheid om te zetten in de gewenste.

Denken doet men altijd over een denkbeeld. Soms is dat ‘beeld’ een herinnering aan verleden, een beeld van het heden en soms een beeld van de toekomst. Meestal is denken letterlijk na-denken. Elk denken vereist een stop-en-denk. Ik kan stoppen in de toekomst en eraan denken alsof het er al is, of ik kan stoppen in het verleden en eraan denken alsof het nog niet verdwenen is.  Opdat ik aan iets zou kunnen denken moet het object, waaraan ik denk, tot een beeld omgevormd worden en die omvorming wordt ‘verbeelding’ genoemd. Zonder dit vermogen dat het afwezige aanwezig maakt in de vorm van een beeld zouden denkprocessen en gedachtegangen gewoon niet mogelijk zijn. Concreet, in aanwezigheid van de geliefde denkt men niet aan de geliefde; in afwezigheid van die geliefde denkt men aan een beeld van die geliefde. Terwijl ik denk, ben ik niet aanwezig waar ik op dat moment wekelijk ben, ik ben niet door wekelijke objecten omringd maar door beelden, die niemand anders kan zien.

Hannah Arendt zegt het zo (2021, p. 111):

Het vermogen om in gedachte vooruit te lopen op de toekomst komt voort uit het vermogen om zich het verleden te herinneren, dat op zijn beurt voortkomt uit het nog meer elementaire vermogen om het fysisch afwezige te ont-zinnelijken en als aanwezig voor (en niet slechts in) onze geest te brengen.

In de Griekse taal is het woord ‘weten’ afgeleid van het woord ‘zien’. Zien is namelijk edieen, weten is eidenai, wat overeenkomt met ‘gezien hebben’. Eerst zie je, daarna weet je. De Nederlandse filosoof Johan Cruyff draaide de sequentie om: “Je gaat het pas zien als je het doorhebt.”

Denken stopt nooit

Denken is een oneindig proces. Onze geest heeft een afkeer van ultieme zekerheid. Een denkend mens is een twijfelend mens. De activiteit van het denken is nooit ‘af’. Het is een steeds terugkerende activiteit omdat het denkend ego intuïtief aanvoelt dat ‘zekerheid’ niet bestaat. Het denken mondt nooit uit in een definitieve verworvenheid, maar moet telkens hernomen worden. Arendt suggereert dit men een prachtig, aan Homerus ontleend beeld: zoals Penelope elke morgen haar handwerk, dat ze de vorige avond weefde, ontrafelt, doet het denken telkens zijn eigen ‘resultaten’ teniet (Arendt, 2021, p. 113). Voor Arendt is dat de echte betekenis van Nietzsche ’s ‘eeuwig terugkeer’. 

Arendt vernoemt dan Hegel die voor de ‘eeuwige terugkeer’ van het denken zo een eigen analogie had (2021, p. 114):

Dat het denken zijn eigen resultaten tenietdoet, wordt volgens hem beheerst door dezelfde onverbiddelijke keten van ontwikkelingsfasen die, van kiem tot vrucht, heerst over de organische natuur, waarin elke fase altijd de voorafgaande fase “ontkent” en opheft. Het verschil tussen de organische natuur en het denkproces is dat het laatste “door bewustzijn en wil bemiddeld wordt”, door mentale activiteiten dus, en daarom kan worden beschouwd als “zichzelf producerend”: “De geest is enkel dat waartoe hij zichzelf maakt, en hij maakt zich daadwerkelijk tot dat, wat hij in zichzelf (potentieel) is.

Daarmee wordt duidelijk dat het denken een proces is dat gestuurd wordt door de geest die autonoom beslist om zichzelf te creëren. Ik beweer, met Henry Nelson Wieman, dat het niet de geest is die dat beslist maar de geest die het creatief wisselwerkingsproces van binnenuit beleeft. Want Creatieve wisselwerking was voor hem het ultieme antwoord op zijn levensvraag: “Wat transformeert de Mind, gezien de Mind dat zelf niet kan?” Die passage uit dit boek van Arendt is ook koren op m’n molen: Creatieve wisselwerking transformeert het gecreëerde zelf in de richting van het Originele Zelf.

Denken is het toeschouwen van doen

Denken komt neer op de linker lus van m’n Cruciale Dialoogmodel. Let wel het model is een lemniscaat en heeft daardoor geen begin, noch einde. Denken volgt steeds op het doen, de rechter lus van het model en kan daardoor gezien worden als het toeschouwen van het doen. Bij het denken is de denker ‘in rust’, zij of hij heeft zich teruggetrokken uit elk engagement en heeft alle onmiddellijke belangen, waardoor zij of hij deel uitmaken van de werkelijkheid, ‘on hold’ gezet.  Alleen als toeschouwer kan de denker kennen en begrijpen wat zich als schouwspel afspeelt, nooit als actor.

Deze historische zienswijze wordt omzeild door de zestiende vaardigheid van Creatieve wisselwerking: het Procesbewustzijn. Deze vaardigheid wordt ondermeer ingezet tijdens het reflecteren, wat een specifieke vorm van na-denken is. Reflecteren is een zich steeds herhalend proces van leren door: het opdoen van ervaringen en inzicht verwerven betreffende dit handelen en daardoor het handelen aan te passen waardoor nieuwe ervaringen worden opgedaan. Waarna nieuw inzicht verworven wordt, waardoor … Als acteur voer je de handelingen uit. Als toeschouwer reflecteer je over die handelingen, en meer bepaald over de oorzaken, zowel directe als onderliggende, en de gevolgen ervan. En als regisseur breng je wijzigingen aan het script, zodat de acteur vernieuwde handelingen kan uitvoeren … 

Het Procesbewustzijn heeft in zijn meest eenvoudige vorm te maken met een tweevoudig bewustzijn (Roels, 2012, pp. 262-264). Dit wil zeggen dat een gedeelte van het bewustzijn zich focust op de taak (wat gedaan wordt). Terwijl men dat doet, is een ander gedeelte van het bewustzijn gefocust op het proces (hoe het gedaan wordt). Met andere woorden, diegene bij wie het Procesbewustzijn operatief is, is niet volledig opgeslorpt door de taak; zij of hij heeft ook oog voor het werkproces zelf. Zij of hij voldoet daarbij aan het eerste van H.N. Wieman’s tweevoudige engagement (“two-fold-commitment”). Zij of hij geeft dus het beste van zichzelf, wat zij of hij kent en begrijpt en kan uitvoeren. Op hetzelfde moment reserveert zij of hij ook een gedeelte van het Procesbewustzijn voor het creatief wisselwerkingsproces. Dit gedeelte gaat na of iedere deelnemer aan het werkproces al dan niet de vaardigheden, nodig om Creatieve wisselwerking te kunnen beleven, effectief gebruikt, of eerder aan het worstelen is met haar of zijn Vicieuze Cirkel. Bij het Procesbewustzijn is het zo dat je zowel speler als observator bent, en dus zowel de uitvoering van de taak, het volgen van het werkproces, als het beleven van Creatieve wisselwerking meet en evalueert. Je bent er zich werkelijk van bewust dat het creatief wisselwerkingsproces al dan niet operatief is. En je monitort continu de condities voor dat proces en het effectief gebruik van de vaardigheden ervan. Procesbewustzijn heeft te maken met het bewustzijn van jezelf (self-awareness) en van je bekwaamheid je los te maken van jezelf en van de informatie die je in je hoofd aan het verwerken bent. Laat ik, om dit laatste enigszins te verduidelijken, Einstein parafraseren: 

The superiority of man lies not in his ability to perceive, but in his ability to perceive that he perceives, and to transfer his perception to others through words 

Zien waar je mee bezig bent, dus zowel de taak als het verwerken van informatie (en beide als gelijkwaardig beschouwen), is één. Zien dat je ziet waarmee je bezig bent, is dus een diepere laag van het Procesbewustzijn. Om te zien dat ik aan het zien ben, moet ik mij losmaken van diegene die ziet, in casu mezelf. 

Het heeft ook te maken met het begrip ‘transcendentie’. Je hebt ooit wel eens de uitdrukking “in de wereld zijn en toch niet van de wereld zijn” gehoord. In de wereld zijn, betekent dat je jezelf identificeert met je gedachten, je gevoelens en je gedragingen. Van de wereld zijn zou suggereren dat al wat je bent een conglomeraat is van je ervaringen en acties in deze wereld. Niet van de wereld zijn betekent die wereld afstandelijk kunnen beschouwen. Je bent ‘boven’ de wereld en je kan dus beschouwen zonder er effectief de slaaf van te zijn .

Hannah Arendt noemt dat oordelen, dat op het denken volgt (2021, pp. 119-120):

Het oordelen verlaat de wereld van de verschijnselen niet, maar trekt zich uit zijn actieve betrokkenheid in de wereld terug naar een geprivilegieerde positie, met de bedoeling het geheel te overschouwen. … De toeschouwers nemen dus wel afstand van de bijzonderheden die karakteristiek zijn voor de acteurs, maar ze zijn niet eenzaam. En ze hebben evenmin genoeg aan zichzelf, zoals de “hoogste god” die de filosoof in zijn denken tracht te evenaren en die, volgens Plato, “voor altijd … eenzaam is omwille van zijn volmaaktheid; hij kan met zichzelf samenzijn en heeft niemand anders nodig, geen bekende noch vriend, hij is zichzelf genoeg.

De toeschouwer heeft volgens haar het recht om te oordelen en dat vanaf het moment het individu niet langer handelt en alleen toeschouwer is. 

Denken en willen

De visie van Hannah Arendt rond de sequentie denken, willen en oordelen wordt door mij enigszins gewijzigd, zoals duidelijk wordt in onderstaande lineaire voorstelling van m’n Cruciale dialoogmodel. 

De lineaire voorstelling, die dus een soort ‘ideaal’ is, heeft een didactisch nut (het is een eenvoudige voorstelling van Creatieve wisselwerking) en een theoretische tool om wat er werkelijk gebeurt af te toetsen (in welke fase bevind ik mij hier en nu?). 

Deze lineaire toepassing loopt als volgt: de werkelijkheid wordt eerst geobserveerd en nadien geïnterpreteerd door ons denken. Dit laatste geeft aanleiding tot een oordeel (inzicht) dat afgetoetst wordt aan de behoeften (de gewenste situatie) wat gevoelens creëert. Meer bepaald wordt het willen door die gevoelens (gebaseerd op het verschil tussen de begrepen en de gewenste werkelijkheid) aangezwengeld iets aan die ‘delta’ te doen. Vooraleer te kunnen doen, en dus actie te ondernemen, dienen er mogelijke acties te worden geïmagineerd en uit de set die acties gekozen die uitvoerbaar zijn. Dit laatste de beschikbare middelen in acht genomen, wat overeenkomt met de staande 8 in de rechter lus van de liggende 8. De werkelijke uitvoering van die acties is het handelen, dus het doen. Niet zelden voltrekt deze cyclus zich in een fractie van een seconde, een oogwenk, en daarbij worden soms etappes overgeslagen (het zogenaamde ‘jump to conclusion’ gedrag). Van dit alles zijn we ons niet steeds bewust. Reflectie in vooruitblik modus legt deze cyclus bloot! 

Tussen haakjes, in het boek ‘het leven van de Geest’ vond ik een ondersteuning voor m’n visie rond het helder en het gekleurd bewustzijn (Arendt, 2021, p. 137):

Afstand is de belangrijkste voorwaarde voor het goed functioneren van de gezichtszin. “De aanwinst is het begrip objectiviteit, het ding zoals het op zichzelf is, te onderscheiden van het ding zoals het mij beroert, en uit dit onderscheid ontstaat de hele idee van theôria en van theoretische waarheid.” Bovendien levert het zien ons een “gelijktijdige veelvoudigheid”. … Het zien laat ruimte voor “keuzevrijheid … die berust … op het feit dat ik tijdens het zien niet meteen door het geziene object in beslag genomen wordt …. [Het geziene object] laat mij zijn, zoals ik het object laat zijn”, terwijl de andere zintuigen mij onmiddellijk beroeren. 

 Wat inzicht betreft speelt Hannah Arendt ‘leentje buur’ bij Plato, meer bepaald uit diens zevende brief (2021, p. 142):

Klaarblijkelijke waarheid, geconstrueerd naar het voorbeeld van de lichamelijk-zintuiglijke waarneming van dingen, kan bereikt worden door zich te laten onderrichten (diagôgê) door woorden in het dialegesthai, de discursieve gedachtegang, die in stilte kan verlopen of luidop tussen leraar en leerling uitgesproken kan worden, die “op en neer beweegt” en onderzoekt “wat waar is en wat niet- waar is”. Maar het resultaat, dat geacht wordt een aanschouwing en geen conclusie te zijn, zal plotseling volgen, na een lange periode van vraag en antwoord: “wanneer als een bliksemschicht het inzicht (phronêsis) omtrent alle dingen inslaat, en de geest overstroomd wordt met licht”. Deze waarheid ligt voorbij de woorden; de namen van waaruit het denken vertrekt, zijn onbetrouwbaar – “wat zou erop tegen zijn zo men, wat nu ‘rond’ heet, ‘recht’ genoemd had, of ‘rond’ wat nu ‘recht’ heet?” – en de woorden, de beredeneerde betogen die trachten te verhelderen, zijn “zwak”; zij bieden slechts “een beetje hulp” om “in de ziel een vuur, als door een overspringende vonk, te doen ontbranden, dat, eenmaal aangestoken, zichzelf voedt.

Ik zie bovenstaande als de ‘staande acht’ binnen de linker lus van de liggende acht, de ‘op en neer beweging’ tussen het gekleurd en helder bewustzijn (zie figuur).

Denken en spreken

Het denken, dat onzichtbaar is, openbaart zich enkel in het spreken. De drang om te spreken, en zo manifest te maken wat anders geen onderdeel van de zichtbare wereld is, dient soms aangewakkerd te worden. Denk daarbij aan het Engels idioom ‘A penny for your thoughts’. Hannah Arendt stelt (Arendt, 2021, p. 123): “Niet onze ziel, maar onze geest vereist spreken.” In een adem vermeld ze daarbij een passage uit De Interpretatione van Aristoteles, waaruit blijkt dat het criterium van de logos, het coherente spreken, niet waarheid of onwaarheid, maar betekenis is. Het oordelen van het denken, kan gemakkelijk in de fout gaan indien de denker z’n gedachten niet formuleert. Het uitspreken van gedachten maakt het mogelijk om deze te toetsen aan de gedachten van anderen rond dezelfde werkelijkheid. Dit is nodig omdat we allen denken met ons gekleurd bewustzijn waardoor onze gedachten per definitie niet overeenkomen met de ‘naakte’ werkelijkheid, zoals gezien door het helder bewustzijn. We leggen door het spreken als het ware rekenschap af van ons denken en van de betekenis die we aan de werkelijkheid geven. Door het spreken eigenen wij ons de wereld toe en toetsen we onze visie aan dat van anderen. De mens bestaat niet in enkelvoud, maar in meervoud, stelt Hannah Arendt (2021, p. 124).

Omdat de taal lang niet zo goed berekend is voor het denken als het gezichtsvormogen berekend is voor het zien, heeft de taal metaforen en analogieënπ nodig. Hannah Arendt zegt daarover ondermeer (2021, p. 128):

En dit spreken in analogieën, in metaforische taal, is volgens Kant de enige manier waardoor de speculatieve rede, die wij hier het denken noemen, zichzelf kan manifesteren. De metafoor levert het “abstracte”, beeldloze denken een aanschouwing uit de wereld van de verschijnselen. De functie van deze aanschouwing bestaat erin “de werkelijkheid van onze begrippen aan te tonen” en op die manier de terugtrekking uit de wereld van de verschijnselen – de basisvoorwaarde van mentale activiteiten – als het ware ongedaan te maken. 

Het spreken blijft aan het zien gebonden, indien het spreken zich afscheidt van wat gezien kan worden, dan verschrompelt het tot leeg gepraat, zonder basis (Arendt, 2021, p. 143). En Arendt geeft aan dat de waarheid is wat wordt gezien en zowel het denken als het spreken is slechts authentiek wanneer het de zichtbare werkelijkheid volgt en die omgezet wordt in volzinnen. Van zodra die zichtbare werkelijkheid wordt verlaten, door bijvoorbeeld de mening van anderen te parafraseren, wordt spreken inauthentiek – precies zoals een afbeelding volgens Plato inauthentiek is in vergelijking met het originele voorwerp. Dit werd door Magritte meesterlijk geïllustreerd in z’n meesterwerk ‘La Trahison des images”:

H

Hannah Arendt zegt nog het volgende over de taal (2021, pp. 143-144):

Een van de opvallende eigenschappen van onze zintuigen is dat ze niet in elkaar kunnen worden vertaald – een geluid kan niet gezien worden, een beeld niet gehoord enzovoort – ook al zijn ze met elkaar verbonden dankzij het gezond verstand, dat alleen al hierom het belangrijkste van alle zintuigen is. …De taal, die aan het gezond verstand beantwoordt of het navolgt, geeft aan een object zijn gemeenschappelijke naam; deze gemeenschappelijkheid is niet alleen beslissend voor de intersubjectieve communicatie – hetzelfde voorwerp wordt door verschillende personen waargenomen en is voor hen gemeenschappelijk – maar stelt ons ook in staat een gegeven te identificeren dat voor elk van de vijf zintuigen op een totaal verschillende manier verschijnt: hard of zacht als ik het aanraak, zoet of bitter wanneer ik het proef, helder of donker als ik het zie, klinkend in verschillende tonen als ik het hoor. Geen van deze waarnemingen kan op een toereikende manier met woorden worden beschreven. 

Het denken wordt door Hannah Arendt ook de geluidloze dialoog tussen mij en mezelf genoemd (2021, p. 147) Die dialoog is een zuivere activiteit van de geest die gepaard gaat met een volstrekte onbeweeglijkheid van het lichaam. Arendt citeert in dit verband Cato: “Nooit ben ik actiever wanneer ik niets doe, nooit ben ik minder alleen dan wanneer ik in gezelschap van mezelf verkeer.” Ze grijpt daarbij terug naar een metafoor die Aristoteles aanwendt (Arendt, 2021, pp. 148-49):

De activiteit van het denken [energeia die haar doel in zichzelf heeft] is leven.” Haar inherente wet, die alleen een god voor altijd kan verdragen, maar de mens slechts nu en dan – en op die momenten is hij goddelijk – is een “onophoudelijke beweging, de cirkelbeweging”, dat wil zeggen, de enige beweging die nooit een einde kent of resulteert in een eindproduct. 

Ze vindt daarin een bevestiging van haar stelling dat het doel van denken betekenis vinden is en niet kennis (Arendt, 2021, p. 149):

Ware het denken een onderneming van kennis, dan zou het een rechtlijnige beweging moeten volgen, vertrekkend van de vraag naar zijn object en eindigend in de kennis ervan. Aristoteles’ circulaire beweging suggereert, samen met de metafoor van het leven, een zoektocht naar betekenis die het leven van de mens als denkend wezen vergezelt, en die slechts met de dood ten einde loopt. De circulaire beweging is een metafoor die aan het leven ontleend is: hoewel het leven van geboorte naar dood gaat, draait het, zolang de mens in leven is, ook in cirkels. 

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Kant, I (1781). Kritik der reinen Vernunft. Riga: J.F. Hartknoch 

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.