Tagarchief: Peter M. Senge

SAWUBONA, HANNAH ARENDT – DEEL VI

Over Willen

Willen is het tweede deel van Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) en ik plaats het na Denken (het eerste deel) en Oordelen het derde deel) omdat ik m’n Cruciale Dialoogmodel in deze serie columns volg:

De linkerlus van m’n vereenvoudigd Cruciale Dialoogmodel omvat het Denken dat uitmond in Oordelen (hier in het midden van het model gevisualiseerd als ‘inzicht’). Dit ‘inzich’t leidt door het afwegen ervan ten overstaan van de ‘behoeften’ tot ‘gevoelens ‘die uiteindelijk gestalte geven aan het Willen.

De vertalers Dirk De Schutter en Remi Peeters schrijven in de inleiding tot het deel Willen het volgende dat m’n stelling bekrachtigt (Arendt, 2021, p. 250):

Waar het denken de geest op het verleden richt [de linker lus van het Cruciale Dialoogmodel] en de gebeurtenissen in een noodzakelijk verloop plaatst, daar treedt de wil in het leven van de geest [het midden van het Cruciale Dialoogmodel] op als het orgaan van de toekomst [de rechter lus van het Cruciale Dialoogmodel] dat de openheid op het nieuw en het onvoorspelbare belichaamt en de mogelijkheid van een begin hoedt [terug in het midden van het Cruciale Dialoogmodel].

De wil is in oorsprong een christelijke problematiek. Apostel Paulus heeft die problematiek geïntroduceerd. Arendt beklemtoont het ontbreken van de wil in de Griekse filosofie. Aristoteles heeft het wel over keuzevrijheid, dit is de vrijheid om tussen twee of meer mogelijkheden te kiezen teneinde één van de mogelijkheden te realiseren. In het Cruciale Dialoogmodel vindt de keuzevrijheid z’n plaats tussen de derde en vierde fase, dus tussen ‘imagineren’ en ‘handelen’. Het is kiezen tussen alle mogelijke acties die het ‘imagineren’ heeft voortgebracht. De wil die zich doelen stelt bevindt zich in het midden van het model en die kwam het eerst aan bod in de Brief aan de Romeinen van apostel Paulus. Paulus zag het goddelijk gebod niet als “Gij zult doen” maar “Gij zult willen”. Een oogopener van het boek Het leven van de Geest is de verschillende interpretaties van de gespletenheid van de wil. Want mensen doen niet steeds het goede (dat ze willen) en wel het kwade (wat ze niet willen).  Paulus zag dit conflict als een strijd tussen de geest en het vlees, terwijl Augustinus het zag als een conflict in de geest zelf.  Het is dus Arendt die de theologische herkomst van de wil heeft ontdekt. Ook staat ze stil bij het samengaan van wil en vrijheid.

Hierbij put ze uit de filosofie van Nietzsche, die de wil tot macht (Wille zur Macht) centraal. Nietzsche’s weerlegging van de ‘vrijheid van de wil’ vindt men in zijn ‘gedachte van de eeuwige terugkeer’, de basisgedachte van Aldus sprak Zarathoustra. 

Een voor mij ogen-opende passage over de zogenaamde ‘vrije wil’ verhaalt de visie van Bergson:

Theoretisch gesproken is het probleem altijd geweest dat de vrije wil – of die nu begrepen wordt als de vrijheid om te kiezen dan wel als de vrijheid om iets onvoorspelbaar nieuws te beginnen – volkomen onverenigbaar lijkt, niet alleen met de goddelijke voorzienigheid, maar ook met het oorzakelijkheidsprincipe; men kan aannemen dat de wil vrij is, en zich hierbij beroepen op de innerlijke ervaring, hoe sterk of zwak die als grond ook moge zijn, maar men kan die vrijheid nooit bewijzen. De ongeloofwaardigheid van de aanname of van het postulaat van de vrijheid is te wijten aan onze uitwendige ervaringen in de wereld van de verschijnselen, waarin wij in feite – wat Kant ook moge beweren – zelden een nieuwe serie in gang zetten. Zelfs Bergson, wiens hele filosofie steunt op de overtuiging dat “ieder van ons onmiddellijke kennis heeft … van zijn vrije spontaneïteit”,geeft toe: “We zijn vrij telkens wanneer we in onszelf willen keren, maar het gebeurt zelden dat we dit willen.” Ook zegt hij: “Vrije daden zijn uitzonderlijk.” (Het merendeel van onze daden stellen we uit gewoonte, juist zoals we vaak oordelen op basis van vooroordelen.) (Arendt, 2021, p. 280-281)

De botsing tussen denken en willen

De wil wil altijd iets doen, dus dien je ‘willen’ te begrijpen als ‘willen doen’. Daardoor is willen iets heel anders dan Denken en volgt Willen in het beste geval Denken. Want zonder denken staat Willen gelijk aan een reflex en die reflex gaat vlug over in het doen. Uitgezonderd heel specifieke situaties, zoals in het geval van een imminent gevaar, geeft die reflex zelden positieve resultaten.

Idealiter wordt over de huidige situatie nagedacht (denken is dus meestal nadenken) en komt men tot een inzicht. Bij afweging van dat inzicht ten overstaan van de behoeften worden – bij grote delta tussen die twee – gevoelens gegenereerd. Die gevoelens leiden tot het willen iets aan de situatie te doen. Dit komt neer op de actuele realiteit dichter brengen bij de gewenste realiteit. Arendt (2021, p. 285-286) verwoordt het zo:

In dit opzicht – laat me het de “tonaliteit” van mentale activiteiten noemen – is het vermogen van de wil om wat er nog niet is aanwezig te stellen exact het tegenovergestelde van de herinnering. De herinnering heeft een natuurlijke affiniteit met het denken; zoals ik al heb gezegd: elk denken is een na-denken. Gedachtegangen ontspringen op een natuurlijke wijze, haast automatisch en zonder enige onderbreking, aan de herinnering. Dat is de reden waarom de anamnêsis bij Plato een aannemelijke hypothese voor het menselijk leervermogen kon worden en waarom de gelijkstelling van geest en memoria bij Augustinus zo aannemelijk klinkt. De herinnering kan in de ziel een verlangen naar het verleden doen ontstaan. Deze nostalgie, ook al gaat ze soms gepaard met verdriet en smart, verstoort echter de gemoedsrust van de geest niet, omdat ze dingen betreft die we niet meer kunnen veranderen. Het willende ego daarentegen kijkt niet achteruit, maar vooruit. Het richt zich op dingen die in onze macht liggen, ook al is het helemaal niet zeker dat we die dingen ooit zullen bereiken. De spanning die hieruit resulteert, verschilt van de eerder stimulerende opwinding waarmee probleem-oplossende activiteiten gepaard kunnen gaan. Ze veroorzaakt een soort onrust in de ziel, die vaak aan ontsteltenis grenst – een mengeling van vrees en hoop die ondraaglijk wordt wanneer men ontdekt dat, met de woorden van Augustinus, willen en in staat zijn om uit te voeren, velle en posse, niet hetzelfde zijn. Men kan deze spanning alleen te boven komen door te handelen, dit wil zeggen door de mentale activiteit helemaal op te geven; de ommezwaai van willen naar denken heeft alleen een tijdelijke verlamming van de wil tot gevolg, juist zoals de ommezwaai van denken naar willen door het denkende ego wordt aangevoeld als een tijdelijke verlamming van de denkactiviteit. 

Het valt op dat deze passage heel precies verwoordt wat Peter M. Senge, gebruik makend van het gedachtegoed van Fritz, in z’n boek De Vijfde Dicipline als volgt neerschreef:

Het tegenover elkaar plaatsen van een visie (wat we willen) en een helder beeld van de werkelijkheid (waar we onbevinden met betrekking tot wat we willen) geneneert wat we noemen ‘creatieve spanning’: een kracht om ze bij elkaar te brengen, die veroorzaakt wordt door de natuurlijke neiging van spanning om zich te ontladen. (Senge, 1992, p. 139)

In het Cruciale Dialoogmodel is de tonaliteit van het denken iets anders weergegeven dan in het boek van Arendt. Het nadenken gebeurt in de tweede fase en daarin wordt nagedacht over het verleden en heden. De uitkomst is een helder beeld van de werkelijkheid (cf. Peter Senge). Dit helder beeld genereert door toedoen van de vergelijking ervan met de behoefte aan een toekomstige werkelijkheid voor een ‘creatieve spanning’. De grootte van de zogenaamde ‘delta’ tussen de twee (huidige en gewenste werkelijkheid) hangt uiteraard af van het verschil tussen de twee. Indien het verschil een zekere grens overschrijdt komt met tot het willen veranderen van die huidige realiteit. Dit alles – het cristaliseren van het inzicht, vormen van de delta en het uitmonden in het willen – gebeurt in het midden van het Cruciale Dialoogmodel. Het willen is het omslagpunt tussen de linker lus en de rechter lus. De rechterlus start met de derde fase van het model: het imagineren van mogelijke acties. Dit is ook nadenken, in dit geval wel niet over het verleden en het heden maar over de toekomst.

Peter Senge (1992, p. 148) ziet in die fase twee soorten fundamenteel van elkaar verschillende spanningen: de creatieve en emotionele spanning:

Maar de creatieve spanning voel je niet speciaal.  Het is de kracht die ontstaaat op het moment dat wij een visie als de onze beschouwen die niet overeenkomt met de actuele werkelijkheid.

Toch leidt creatieve spanning vaak tot gevoelens of emoties die geassocieerd worden met nervositeit, zoals verdrietigheid, moedeloosheid, teneergeslagenheid of ongerustheid. Dit gebeurt zo vaak dat men deze emoties verwart met creatieve spanning. Men begint te denken dat creatief zijn een kwestie is van permanent onder grote druk staan. Het is belangrijk te beseffen dat die ‘negatieve’ emoties die kunnen ontstaan niet de creatieve spanning zelf zijn. Die emoties noemen we dan de emotionele spanning.

Als we emotionele spanning niet van creatieve spanning weten te onderscheiden, zuullen we er gemakkelijk toe komen onze visie wat te laten zakken. […]

[…] Het verlichten van de emotionele spannig is verradelijk, omdat het ongemerkt een proces in werking kan stellen. Emotionele spanning kan altijd verminderd worden door de ene pool van de creatieve spanning die we helemaal in de hand hebben, de visie, bij te stellen. De gevoelens die we niet willen, verdwijnen, omdat de creatieve spanning die de bron van die gevoelens was, verminderd is. […]

Door ‘water in de wijn’ van de gewenste realiteit te doen vermindert de creatieve spanning en wordt die naar beneden gehaalde gewenste realiteit haalbaarder. Inderdaad de huidige realiteit kunnen we niet veranderen. Het willende ego richt zich op een gewenste toekomst. “Op dingen die in onze macht liggen ook al is het helemaal niet zeker dat we die dingen ooit zullen bereiken” stelt Arendt. De spanning die daaruit voorkomt noemt Senge emotionele spanning en ook Arendt ziet een verschil met  “de eerder stimulerende opwinding waarmee probleem-oplossende activiteiten gepaard kunnen gaan”, die Senge de creatieve spanning noemt.

In alle geval leidt de tweede nadenkfase tot een set mogelijke acties. Het willen is een willen tot  handelen. Na die derde fase dient echter wel gekozen worden welke van de geimagineerde acties werkelijk uitgevoerd zullen worden.

De uitdaging die het Cruciule Dialoogmodel voor ons in petto heeft is het er voor kan zorgen dat de denkactiviteit nooit verlamd wordt. Ook tijdens het kiezen van de mogelijke acties dient nagedacht te worden. Dit nadenken wordt gevisualiseerd door de staande acht in de rechter lus van de liggende acht. Er wordt daarbij nagegaan of er wel voldoende middelen (geld, tijd, mankracht, …) voor handen zijn om de mogelijke acties überhaupt uit te voeren. En zelfs tijdens het handelen mag de denkactiviteit niet tijdelijk verlamt te worden. Zelfs met ‘de neus in de guidon’ dient continu nagedacht te worden: zijn we wel op de juiste weg? Maken we wel de voorziene vooruitgang? Dienen we niet bij te schakelen? Enzovoort

Het keuzevermogen: proairêsis, de voorloper van de wil 

Proairêsis is een term die gesmeed werd door Aristoteles om de keuze tussen alternatieven te benoemen waarbij de voorkeur voor het ene gekozen wordt voor het andere. Arendt (2021, p. 308) schrijft daarover 

Proairêsis is de uitweg uit deze tegenspraak. Indien de rede en de begeerte het in hun ruw antagonisme zonder bemiddeling zouden moeten stellen, dan zouden we moeten concluderen dat een mens die belegerd wordt door de strijdige impulsen van beide vermogens “zichzelf dwingt afstand te nemen van zijn begeerte” in het geval hij zich beheerst, en “zichzelf dwingt afstand te nemen van zijn rede” wanneer de begeerte hem overweldigt. Maar in geen van beide gevallen speelt een dergelijke dwang; beide handelingen worden doelbewust gesteld, en “wanneer het principe van binnen uit werkt, is er geen dwang”.Wat er in feite gebeurt, is dat er in de strijd tussen rede en begeerte een beslissing valt: die is een zaak van “voorkeur”, van weloverwogen keuze. Het is de rede die tussenkomt, niet de nous, die zich richt op dingen die er voor altijd zijn en die niet anders kunnen zijn dan ze zijn, maar wel de dianoia of phronêsis, die zich inlaat met dingen die binnen onze macht liggen, in tegenstelling tot begeerten en verbeelding, die zich soms aangetrokken voelen tot dingen die we nooit kunnen bereiken, zoals wanneer we goddelijk of onsterfelijk wensen te zijn. 

Proairêsis wordt door Arendt de voorloper van de wil genoemd. Ik begrijp haar standpunt als de ruimte tussen de actuele werkelijkheid, waar men niet omheen kan, en de gewenste werkelijkheid die gestalte gegeven wordt door onze behoeften. Een gekozen voor transformatie (van de actuele werkelijkheid in de richting van de gewenste) dienen er eerst acties daartoe gekozen worden. Nadien is er een tweede Proairêsis moment. De keuze van die acties die we werkelijk gaan uitvoeren. Het doel is gekend, de acties die ons naar dat doel kunnen leiden ook, want nog rest zijn de middelen. Volgens Arendt (2021, p. 308) had Aristoteles dit al door: “soms moeten we uitzoeken waarin ze [de middelen] gelegen zijn, en soms hoe ze gebruikt moeten worden of door wie ze verworven kunnen worden.” Dit is dus een ‘rationele’ selectie tussen de middelen, ook daarin proairêsis de scheidsrechter.

Arendt steekt de draak met Aristoteles’ keuzevermogen, dat in het Latijn vertaald werd als liberum atribium met de verwijzing naar ‘de ezel van Buridan’:

[…] tussen twee op gelijke afstand staande en even lekker ruikende hooibundels zou het arme beest van honger zijn omgekomen, aangezien beraadslaging geen enkele reden zou opleveren om de ene boven de andere bundel te verkiezen; het beest overleefde, omdat het slim genoeg was om aan de vrije keuze te verzaken, te vertrouwen op zijn begeerte en te grijpen wat binnen zijn bereik lag. (Arendt, 2021, p. 309)

De vrijheid is mogelijk wanneer ‘gij zult’ samenvalt met ‘ik kan’. Op het moment dat je daaraan twijfelt wordt de vrijheid een probleem en rijst de vraag: “Liggen de dingen die alleen mezelf aangaan, ook werkelijk binnen mijn macht?” (Arendt, 2021, p. 309). Indien men over de middelen beschikt heeft men de vrijheid te kiezen van binnenuit. Indien men niet over die middelen beschikt, en iemand zegt “gij zult’, dan is er geen ‘ik kan’ en is er geen vrijheid van binnenuit. Dan is er een beval van buiten naar binnen en dat heeft niets met liberum atribium te maken.

Apostel Paulus en de onmacht van de wil

Ik ben het eens met Arendt die stelt dat zich inlaten met ervaringen die relevant zijn voor de wil, zich inlaten is met ervaringen die mensen niet alleen met zichzelf maar ook in zichzelf opdoen (2021,  p. 310).

In zijn Brief aan de Romeinen beschrijft apostel Paulus een twee-in-één die niet zoals bij Socrates partners zijn een voortdurend gevecht met elkaar voeren:

Juist wanneer “ik het goede (to kalon) wil doen, dringt het kwade zich aan mij op (7,21)”, want “indien de wet niet gezegd had: ‘gij zult niet begeren’”, dan “zou ik van de begeerte geen weet hebben”. Het is dus het gebod van de wet dat “alle soorten van begeerte” opwekt. “Zonder de wet is de zonde dood” (7,7- 8). 

De wet speelt een dubbelzinnige rol: de wet is “goed, omdat hij de zonde als zonde toont” (7,13), maar aangezien de wet spreekt met de stem van het gebod, “wekt hij de passies op” en “brengt hij de zonde weer tot leven”. “Zo bleek het gebod, dat bedoeld was ten leven, mij juist de dood te bezorgen” (7,10). Het resultaat is dat “ik mijn eigen daden niet begrijp. [‘Ik ben een vraag geworden voor mezelf.’] Ik doe immers niet wat ik wil, maar wat ik verafschuw” (7,15). En de kern van de zaak is dat dit innerlijk conflict nooit beëindigd kan worden door ofwel aan de wet te gehoorzamen ofwel zich aan de zonde te onderwerpen; alleen genade, die om niets gegeven wordt, kan volgens Paulus deze innerlijke “ellende” helen. Het is dit inzicht dat als een “bliksemflits” insloeg op de man uit Tarsus, Saül genaamd, die, naar eigen zeggen, een “overdreven ijverige” farizeeër was (Galaten 1,14), behorend tot de “strengste richting van onze godsdienst” (De handelingen van de apostelen 26,5). Wat hij wilde was “rechtschapenheid” (dikaiosynê), maar rechtschapenheid, d.i. “zich metterdaad houden aan alle voorschriften in het boek der wet” (Galaten 3,10), is onmogelijk; dit is de “vloek van de wet”, en “als we door de wet rechtschapen zouden kunnen worden, zou Christus voor niets gestorven zijn” (Galaten 2,21). (Arendt, 2021, p. 311)

De oorsprong ligt in “Ik doe niet het goede dat ik wil, maar het kwade dat ik niet wil” (Romeinen 7,19). Het is het gevecht tussen ik-wil en ik-nil waarbij alleen de daad uitkomst kan brengen. Als de werken niet meetellen is de wil hulpeloos, stelt Arendt (2021, p. 316). Ze verheldert dit als volgt (Arendt, 2021, pp. 316-317):

De wil is gespleten en brengt automatisch zijn eigen tegenwil voort. Daarom heeft hij nood aan heling, zodat hij opnieuw één wordt. Zoals het denken splijt ook het willen de ene mens in een twee-in-één, maar voor het denkende ego zou een “heling” van die splijting het ergste zijn wat zou kunnen gebeuren; ze zou zonder meer een einde maken aan het denken. Welnu, het is erg verleidelijk om te concluderen dat de goddelijke genade – Paulus’ oplossing voor de ellende van de wil – de wil op een miraculeuze wijze berooft van zijn tegenwil en zo in feite de wil vernietigt. Maar dit is geen zaak meer van wilsbesluiten, aangezien genade niet kan worden nagestreefd; de verlossing “hangt niet af van de wil of de inspanning van de mens, maar van Gods ontferming”, en “Hij ontfermt zich over wie Hij wil en maakt halsstarrig wie Hij wil” (Romeinen 9,16; 18). Bovendien, juist zoals de wet niet louter “intrad” om de zonde herkenbaar te maken maar om “de wetsovertreding te doen toenemen”, zo werd de genade “overvloedig” wanneer de “zonde toenam” – felix culpa inderdaad, want hoe zouden de mensen de glorie kennen als ze niet vertrouwd waren met de vervloeking; hoe zouden ze weten wat dag is, als er geen nacht was? 

Samengevat: de wil is machteloos, niet omwille van een uitwendige reden die de wil verhindert te slagen, maar omdat de wil zichzelf hindert. En waar hij zichzelf niet hindert, zoals bij Jezus, bestaat hij nog niet. Voor Paulus is de uitleg relatief eenvoudig: het vlees en de geest zijn met elkaar in conflict, en het probleem is dat mensen beide zijn, zowel vlees als geest. Het vlees zal sterven, en daarom leidt een leven volgens het vlees tot een gewisse dood. De voornaamste taak van de geest is niet alleen maar heersen over de begeerten en het vlees doen gehoorzamen, maar het versterven – het vlees “met zijn hartstochten en begeerten” kruisigen (Galaten 5,24). En dit gaat in feite de menselijke macht te boven. We hebben gezien dat het in de aard van het denkende ego ligt een zekere argwaan tegenover het lichaam te koesteren. De lichamelijkheid van de mens is dan wel niet noodzakelijk de bron van zonde, maar ze onderbreekt de denkende activiteit van de geest en biedt weerstand aan de geluidloze, snelle dialoog die de geest met zichzelf voert – een gedachtewisseling waarvan het “behaaglijke” juist ligt in een spiritualiteit waar geen materiële factor bij komt kijken. Dit ligt veraf van de agressieve vijandigheid jegens het lichaam die we bij Paulus vinden. Naast de vooroordelen tegen het vlees wordt deze vijandigheid bovendien veroorzaakt door de essentie van de wil. Afgezien van zijn mentale oorsprong krijgt de wil slechts besef van zichzelf door weerstand te overwinnen, en het “vlees” in Paulus’ redenering (maar ook in de latere vermomming van de “neiging”) wordt de metafoor voor een innerlijke weerstand. Zodoende heeft de ontdekking van de wil, zelfs in dit simplistische schema, van meet af aan een ware doos van Pandora met onbeantwoordbare vragen geopend – vragen waar Paulus zich terdege bewust van was en die vanaf dat moment elke strikt christelijke filosofie met absurditeiten hebben geteisterd. 

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Bos, A.H. (1974). Oordeelsvorming in Groepen, Scriptie (74-6). Wageningen: Med. Landbouwhogeschool. 

Palmgren, C. (2008). Ascent of the Eagle. Being and Becoming Your Best. Dayton: Innovative Interchange Press.

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Schein, E.H. (2013). Humble Inquiry. The Gentle Art of Asking instead of Telling. San Francisco: Berrett- Koehler Publishers.

Penge, P.M. (1992). De vijfde discipline. De Kunst & Praktijk van de Lerende Organisatie. Tielt: Lannoo

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

sawubona, hannah arendt – deel iii

Wat zet ons aan het denken?

We beschouwen de menselijke behoefte om te denken als iets vanzelfsprekend en gaan uit van de veronderstelling dat het doel van de denkactiviteit simpelweg nadenken is en niet per sé een tastbaar eindproduct wenst te realiseren.

Zoals in vorige columns aangetoond wordt het denken gevisualiseerd door de linker lus van m’n Cruciale Dialoogmodel:

Vooronderstellingen van de Griekse filosofie

In haar boek Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) gaat Hannah Arendt om een antwoord te vinden op de vraag “Wat zet ons aan het denken?” eerst te rade bij de Griekse denkers.

Hannah Arendt (2021, p.152) stelt:  

Een deel van het Griekse antwoord ligt in de overtuiging van alle Griekse denkers dat de filosofie sterfelijke mensen in staat stelt om in de nabijheid van onsterfelijke dingen te vertoeven en op die manier in zichzelf “zoveel onsterfelijkheid” te verwerven of te onderhouden “als de menselijke natuur toelaat”.

Centraal in die visie staat het begrip ‘onsterfelijken’. Daarin speelden de nieuwe soort goddelijke wezens, de dichters en de barden een belangrijke rol. Deze hielpen de mensen op weg naar onsterfelijkheid, want “het verhaal van de daad, overleeft de daad” en ‘iets wat gezegd is, treedt, wanneer het goed gezegd is, de onsterfelijkheid binnen” (Arendt, 2021, p. 155). Deze quote deed mij denken aan een lied van Bram Vermeulen (Vermeulen, 1991):

En als ik doodga, huil maar niet
ik ben niet echt dood moet je weten
het is het verlangen dat ik achterliet
dood ben ik pas als jij dat bent vergeten
dood ben ik pas als jij me bent vergeten.

Dood ben je pas wanneer jouw verhaal niet meer wordt verteld. Iemand verontsterfelijken is voor mij het blijvend vertellen van verhalen over haar of hem.

Arendt (2021, pp. 159-160) gaat dieper in op het begrip ‘onsterfelijkheid’:

De mens kon zijn onsterfelijkheid bij leven verwerkelijken, zonder hulp van zijn medemensen of van de dichters, die hem in vroegere tijden roem konden verschaffen en zo zijn naam konden vereeuwigen. Hij moest daarvoor in de nabijheid verblijven van de onvergankelijke dingen, en het nieuwe vermogen dat dit mogelijk maakte, werd nous of geest genoemd. De term is ontleend aan Homerus, waar noos niet alleen verwijst naar de specifieke mentaliteit van één persoon, maar daarnaast ook alle mentale activiteiten omvat. De nous beantwoordt aan het Zijn, en als Parmenides zegt “to gar auto noein estin te kai einai” (“zijn en denken [noein, de activiteit van de nous] zijn hetzelfde”), zegt hij al impliciet wat Plato en Aristoteles later expliciet zullen zeggen: er is iets in de mens wat exact beantwoordt aan het goddelijke, want het stelt hem in staat als het ware te leven in zijn nabijheid. Het is deze godheid die maakt dat Denken en Zijn hetzelfde zijn. Als hij zijn nous gebruikt en zich mentaal onttrekt aan alle vergankelijke dingen, maakt de mens zichzelf gelijk aan het goddelijke. En dat moet vrij letterlijk genomen worden. Want juist zoals het Zijn de god is, zo is de nous volgens Aristoteles (die hier ofwel Hermotimus ofwel Anaxagoras citeert) “de god in ons”, en “elk sterfelijk levensproces draagt een deel van een god in zich”. […] Kortom, zich inlaten met wat Aristoteles de theôrêtikê energeia noemde, die identiek is aan de activiteit van de god (hê tou theou energeia), betekent “verontsterfelijken” (athanatizein). Verontsterfelijken betekent zich inlaten met een activiteit die ons uit zichzelf, “zoveel als mogelijk”, onsterfelijk maakt; het betekent “ons uiterste best doen om in overeenstemming te leven met het meest verhevene in ons.”

“God in ons” gekoppeld aan “elk sterfelijk levensproces draagt een deel van een god in zich” lees ik als dat wij geboren zijn met het creatief wisselwerkingsproces. God is namelijk voor mij Creatieve wisselwerking! Daarin ben ik een volgeling van de Amerikaanse (religieus) filosoof Henry Nelson Wieman (Wieman, 1990). De laatste zin van bovenstaande paragraaf lees ik als “ons uiterste best doen om in overeenstemming te leven met onze Originele Zelf” en daarvoor dient men het gecreëerde zelf dichter bij het Originele Zelf te brengen. Deze interpretatie wordt ondersteund door Arendt, die stelt: “… het object van onze gedachten schenkt het denken onsterfelijkheid. Het object is altijd het onvergankelijke: wat was, is en zal zijn, wat dus niet anders kan zijn dan het is, en wat ook niet kan niet-zijn. “(2021, p. 160) Dit ‘onvergankelijke’ is het Originele Zelf.

De filosofie betekende voor de Grieken “het verwerven van onsterfelijkheid”. En dat verwerven gebeurde door twee opeenvolgende acties. De activiteit van de nous (het denken) en het vertalen van het aanschouwde, de logos. Dit laatste, ‘zeggen wat is’, is een kenmerkend vermogen van de mens.

De vraag “Wat zet ons aan het denken” kent bij de Grieken nog een tweede antwoord, met name de verwondering, die volgens Plato de oorsprong van de filosofie is. Het is de verwondering gevoedt door het niet weten. Arendt (2021, p.166) stelt het zo:

… wat mensen tot verwondering brengt, is iets vertrouwds, wat echter meestal onzichtbaar is en mensen dwingt om het te bewonderen. De verwondering, die het vertrekpunt van het denken is, is noch verwarring, noch verrassing, noch verbijstering; het is een bewonderend zich verwonderen. Datgene waarover we ons verwonderen wordt bevestigd en beaamd in de bewondering, die uitbarst in woorden – de gave van Iris, de regenboog, de bode van de goden.

Die verwondering leidt via nieuwsgierigheid tot denken in woorden en dit duo, denken en spreken, is sterk genoeg om vergissingen en illusies te verdrijven. Vergissingen die hun oorsprong vinden het gekleurd bewustzijn. Hoe die Platoonse verwondering in onze tijd opnieuw tot leven kwam, geeft Arendt (2021, pp. 168-169) aan door naar Leibniz te verwijzen:

Leibniz’ Principes de la nature et de la grâce: “Pourquoi il y a plutôt quelque chose que rien?” Want aangezien “le rien est plus simple et plus facile que quelque chose”, moet er voor het bestaan van dit ‘iets’ een voldoende oorzaak zijn, en deze oorzaak moet op haar beurt weer door iets anders veroorzaakt zijn. Als men deze gedachtegang volgt, komt men uiteindelijk uit bij de causa sui, iets wat zijn eigen oorzaak is. Het antwoord van Leibniz leidt dus tot de ultieme oorzaak, “God” genoemd, en dit antwoord treffen we ook al aan in Aristoteles’ “onbewogen beweger” – de god van de filosofen. 

Dit doet me denken aan een nogal vermakelijke anekdote uit m’n leven. In september 1997 trok ik voor de zoveelste keer naar Atlanta en bracht, zoals gewoonlijk, op een zondag een bezoek aan m’n geestelijke vader Frank E. Bird Jr. Naar diens gewoonte was Frank in z’n imposant bureel aan het werk. Deze keer lagen rondom hem heel wat magazines en dagbladen, deels in het Engels en deels in het Frans. Schreeuwerige titels en dito foto’s maakten mij duidelijk dat deze gingen over het drama dat prinses Diana van Wales een paar weken voordien overkomen was. Ik kon niet nalaten Frank te zeggen dat het bestuderen van de schielijke dood van Diana meer iets was voor m’n schoonmoeder dan voor hem. Direct kreeg ik de wind van voor. Hij vroeg mij of ik m’n oorzaken en gevolgen methodieken al op dit drama had losgelaten? Toen ik negatief antwoordde, werd Frank’s wind een storm. Die namiddag hebben we samen feiten verzamelend uit de publicaties die hij voorhanden had en een Oorzakenboom, gebruik makend van Dean Gano’s Apollo Root Cause Analysis (Gano, 1999), opgesteld. Frank’s humeur verbeterde toen ik hem passages uit ‘Le Monde’, ‘Le Figaro’ en ‘Paris-Match’ vertaalde en samen met hem de Feitenboom van Diana’s ongeval opstelde. Als basisoorzaken vonden we de paparazzi, het feit dat er steunzuilen in de tunnel aanwezig waren, het feit dat de prinses geen veiligheidsgordel droeg, … Die middag vertelde ik hem wel niet dat de hoofdreden van m’n reis naar Atlanta die keer een Root Cause Analysis (RCA) driedaagse was, gedurende dewelke ik met Stacie Hagan een dag opleiding Creative Interchange zou verzorgen. Een paar weken later, oh Synchronicity, vroeg schoonmoeder Magdalena mij of ik de grondredenen van het ongeval van Diana al gevonden had. Ik deed alsof mijn neus bloedde. Toen stelde Magdalena dat ze het niet fijn vond dat haar schoonzoon, die wel RCA-cursussen in Terneuzen voor Dow gaf, blijkbaar geen zin had een degelijk antwoord op haar vraag te geven. Zij had er zelf over nagedacht, zoals ik al vermoedde, en hoewel volgens haar de paparazzi een oorzaak waren van de dood van Diana, was naar haar mening Queen Elisabeth II de grondoorzaak van dat drama. Ik repliceerde verbaasd dat ze blijkbaar in de ‘Conspiracy theory’ geloofde. Niets daarvan zei ze. Dan vroeg ik haar via welke gedachtegang ze bij de Queen of England terecht gekomen was. Nogal simpel, zei Magdalena, als Elisabeth haar zoon Charles met diens lief Camilla (Parker Bowles) had laten huwen en niet haar moeder (Queen Elisabeth, The Queen Mother) had gevraagd een eega voor Charles op te snorren, dan was Diana (Spencer) nooit gehuwd met Charles en zou ze nooit opgejaagd geworden zijn door paparazzi en dus nooit aan haar einde gekomen zijn in een tunnel aan de Seine. Daar had ik niet van terug. Ik vertelde haar niet dat ze dicht bij de ‘Griekse waarheid’ gekomen was… want is Queen Elisabeth II niet de verpersoonlijking van God volgens de Anglicaanse Kerk en is God niet de ultieme ‘Griekse’ basisoorzaak van alles? Deze anekdote heb ik daarna tientallen keren verteld gedurende RCA-cursussen die ik animeerde.

Het Romeinse antwoord

De gangbare opinie over filosofie werd gevormd door de erfgenamen van de Grieken: de Romeinen. De aanzet werd wel gegeven door een Griekse slaaf Epictetus (ca. 50 – ca. 135). Volgens hem diende het denken niet zozeer aangeleerd worden om het leven draaglijk te maken, maar wel “het juiste gebruik van de verbeelding”, omdat dat laatste het enige is dat we volledig in onze macht hebben.” (Arendt, 2021, p. 177) Waar het om gaat is niet de abstracte theorie (die opgebouwd wordt door het doorlopen van de linker lus van m’n Cruciale Dialogenmodel) maar het gebruik ervan (de rechter lus); het denken en begrijpen waren volgens Epictetus enkel maar een voorbereiding op het handelen. Hannah Arendt (2021, pp. 177-178) verwoordt het zo:

Met andere woorden, het denken is een technê geworden, een bijzonder soort van ambachtelijkheid, misschien wel de hoogste soort – ongetwijfeld die waar we het meest behoefte aan hebben, want haar eindproduct is de manier waarop je je eigen leven leidt. Hiermee werd niet een wijze van leven bedoeld in de zin van een bios theôrêtikos of politikos, een leven dat aan een of andere bijzondere activiteit is gewijd, maar wat Epictetus “actie” noemde – een actie waarin je met niemand eendrachtig samenwerkt, een die geacht wordt alleen het eigen zelf te veranderen, en die alleen kan verschijnen in de apatheia en ataraxia van de “wijze man”, d.w.z. in zijn weigering om te reageren op wat hem ook mag overkomen, zowel ten goede als ten kwade. “Ik moet sterven, maar moet ik ook zuchtend sterven? Ik kan niet verhinderen dat ik geketend word, maar moet ik daarom wenen? … Je dreigt me in de boeien te slaan. Man, wat zeg je toch? Je kan me niet in de boeien slaan; je boeit alleen mijn handen. Je dreigt ermee me te onthoofden; heb ik misschien ooit beweerd dat mijn hoofd niet kan worden afgehakt?” Het is overduidelijk: dit zijn ternauwernood oefeningen in denken, het zijn oefeningen die de macht van de wil moeten vergroten. “Vraag niet dat dingen zouden gebeuren zoals jij het wil, maar laat het uw wil zijn dat de dingen zo gebeuren zoals ze gebeuren, en je zult er vrede mee hebben” – dat is de kwintessens van deze “wijsheid”; want “wat gebeurt kan onmogelijk anders gebeuren dan het gebeurt”. 

Dit doet mij dan denken aan JF Kennedy’s beroemde uitspraak van zijn inaugurale rede: “Ask not what your country can do for you – ask what you can do for your country.” Hier is het handig om het midden van m’n model erbij te halen:

Dit midden geeft aan dat het los staat van het denken (linker lus) en handelen (rechter lus) en dus een andere mentale activiteit is dan het denken. Ook volgens Epictetus vereist het willen een radicale terugtrekking uit de werkelijkheid en valt het accent niet langer meer op de reflectie, maar op de verbeelding in de zin van een utopisch verbeelden van een andere en betere wereld, wat in de figuur wordt weergegeven als de ‘gewenste situatie’. Let wel, Epictetus heeft het over de “wijze” man, een die geacht wordt alleen het eigen zelf te veranderen. Dit laatste zie ik dan weer als het quasi continu veranderen van het gecreëerde zelf in de richting van het Originele Zelf. Het zelf is voor mij eigenlijk een ‘evoluerend zelf’. Hannah Arendt (2021, p. 178) beschrijft het zo: 

… het doel is veeleer de oorspronkelijke verstrooide afwezigheid van het denken dermate te versterken dat de werkelijkheid helemaal verdwijnt. Is het denken normaal het vermogen om het afwezige aanwezig te stellen, dan wordt het bij Epictetus het vermogen “om correct met indrukken om te gaan”, d.w.z. het vermogen om het feitelijk aanwezige weg te toveren en afwezig te maken. Het enige wat jou, levend in de wereld van verschijnselen, existentieel aanbelangt, zijn de “indrukken” waardoor je aangedaan wordt. Of datgene waardoor je aangedaan wordt echt bestaat dan wel een pure illusie is, hangt af van jouw beslissing om het al dan niet als werkelijk te erkennen. 

Hiermee geeft ze aan dat het willen wel degelijk door gevoelens wordt aangewakkerd, zoals m’n figuur weergeeft. Dit ‘tussen haakjes zetten’ van de werkelijkheid is volgens Arendt niet dankzij de aard van de wil, maar dankzij de eigen aard van het denken. Epictetus ontdekte dat de mentale activiteiten dankzij het bewustzijn op zichzelf kunnen terugslaan. Daarom mag men hem een filosoof noemen (Arendt, 2021, p. 178). Hannah Arendt (2021, pp. 178-179) werkt dit verder uit: 

Wanneer ik, tijdens het waarnemen van een object buiten mij, beslis om mij te concentreren op mijn waarneming, op de act van het zien in plaats van op het geziene object, dan is het alsof ik het oorspronkelijke object kwijtraak, omdat het zijn impact op mij verliest. Ik heb, bij wijze van spreken, het onderwerp veranderd – in plaats van met de boom, laat ik mij nu alleen in met de waargenomen boom, d.w.z. met wat Epictetus een “indruk” noemt. Dat heeft het grote voordeel dat ik niet meer opgeslorpt word door het waargenomen object, iets buiten mij; de geziene boom is in mij, onzichtbaar voor de buitenwereld, alsof hij nooit een object van de zintuigen is geweest. Het punt hier is dat de “geziene boom” geen gedachteding is, maar een “indruk”. Het is niet iets afwezigs, dat in het geheugen opgeslagen wordt met het oog op het ontzinnelijkingsproces – dat de objecten van de geest klaarmaakt voor het denken, en dat altijd voorafgegaan wordt door de ervaring in de wereld van de verschijnselen. De geziene boom is “in” mij in zijn volle zintuiglijke aanwezigheid. Het is de boom zelf, alleen beroofd van zijn werkelijk-zijn; het is een beeld, en geen gedachte naderhand. De truc die de Stoïcijnse filosofie ontdekt heeft, bestaat erin de geest op zo’n manier te gebruiken dat de werkelijkheid het denkende subject niet kan raken, zelfs wanneer dit subject zich niet uit de werkelijkheid heeft teruggetrokken; in plaats van zich mentaal terug te trekken uit wat aanwezig en binnen handbereik is, heeft het subject alle verschijnselen naar binnen getrokken, in zichzelf getrokken; zijn bewustzijn wordt een volwaardig substituut voor de buitenwereld, die nu als indruk of als beeld aanwezig gesteld wordt. 

In deze paragrafen heeft Arendt het over observeren en niet over interpreteren. Observeren doe je met het helder bewustzijn. Zich op die manier afkeren van de wereld en zich terugtrekken in zichzelf heeft het voordeel dat ze de ‘angst’ en de ‘vrees’ verzacht. Inderdaad niet observatie en wel interpretatie leidt naar ‘angst’ en ‘vrees’. Dit is het oude Stoïcijnse advies: wat je in het denken negeert, kan je niet raken. Negeren in deze context zie ik als niet interpreteren. Dit advies wordt door de Boeddhisten het advies van de Verlichte (Boeddha) genoemd. Boeddhisten willen zich niet tot slaaf van hun angsten maken en bannen daarom angstgedachten uit hun denken. Ze leiden die gedachten naar de uitgang en laten ze los.

De twee werelden vergeleken

De twee werelden, de ene Grieks, de ander Romeins, verschillen zo sterk van elkaar dat ze als het ware twee verschillende facetten van hetzelfde muntstuk zijn. Aan de Griekse kant de bewonderende verwondering over het werelds schouwspel en aan de Romeinse kant een vijandige wereld waarin de vrees een hoofdrol speelt en waaruit men uit alle macht wil ontsnappen. Toch hebben volgens Arendt de twee filosofieën een aantal dingen gemeen. Ze verklaart zich als volgt nader:

In beide gevallen verlaat het denken de wereld van de verschijnselen. Alleen omdat het denken met een terugtrekking gepaard gaat, kan het gebruikt worden als een middel om te ontsnappen. Bovendien – ik heb het al beklemtoond – gaat het denken gepaard met een verlies aan besef van het lichaam en van het zelf. In de plaats daarvan komt een ervaring van zuivere activiteit, die volgens Aristoteles meer genoegen verschaft dan de bevrediging van al de andere verlangens, omdat we bij elk ander verlangen van iets of iemand anders afhankelijk zijn. Denken is de enige activiteit die voor haar uitoefening alleen zichzelf nodig heeft. “Een vrijgevig mens heeft geld nodig om vrijgevige daden te stellen … en een mens met zelfbeheersing heeft de gelegenheid van de verleiding nodig.” Elke andere activiteit, hoog of laag in rang, moet iets buiten zichzelf overwinnen. Dit geldt zelfs voor de uitvoerende kunsten, zoals fluitspelen, waarvan het doel in de uitvoering zelf ligt – en dan zwijgen we nog over het productieve werken, dat niet om zichzelf, maar omwille van het resultaat uitgeoefend wordt, en waarbij het geluk, de voldoening over een goed uitgevoerde taak, pas achteraf gevoeld wordt, nadat de activiteit aan haar einde gekomen is. De soberheid van filosofen is altijd spreekwoordelijk geweest, en Aristoteles zegt het volgende: “Een mens die zich inlaat met een theoretische activiteit heeft geen behoeften … en vele dingen hinderen die activiteit alleen maar. Alleen in zoverre hij een menselijk wezen is … zal hij dergelijke dingen nodig hebben, terwille van het mens-zijn [anthrôpeuesthai]” – dat men een lichaam heeft, met andere mensen samenleeft, enzovoort. In dezelfde geest beveelt Democritus voor het denken onthouding aan: zo leert men dat de logos zijn bevrediging uit zichzelf haalt (auton ex heautou). (Arendt, 2021, p. 185-186)

Het antwoord van Socrates

In Het Leven van de Geest stelt Hannah Arendt dat ze de bovenstaande antwoorden van beroepsfilosofen verre van bevredigend vindt. En ze gaat op zoek naar een aanvaardbaar antwoord:

De beste, in feite de enige manier die ik zie om greep te krijgen op deze vragen, is dat we zoeken naar een model, een voorbeeld van een denker die geen vakfilosoof was, die in zijn persoon twee ogenschijnlijk tegenstrijdige passies verenigde, de passie voor het denken en de passie voor het handelen – niet in de zin dat hij erop gebrand was om zijn gedachten toe te passen of theoretische maatstaven voor het handelen vast te leggen, maar in de veel meer relevante zin dat hij in beide sferen evenveel thuis was, en in staat om met het grootste gemak van de ene naar de andere sfeer te bewegen, bijna zoals wij zelf voortdurend heen en weer bewegen tussen onze ervaringen in de wereld van de verschijnselen en de behoefte om over die verschijnselen na te denken. Het meest geschikt voor deze rol zou iemand zijn die zich noch tot de velen noch tot de weinigen rekende (een onderscheid dat minstens zo oud is als Pythagoras), die niet de ambitie had om over mensen te heersen, die er zelfs geen aanspraak op maakte dat hij, op grond van zijn superieure wijsheid, bijzonder goed geschikt was om als adviseur van de machthebbers op te treden, maar tegelijk iemand die er ook niet gedwee mee zou instemmen om overheerst te worden; kortom, een denker die altijd een mens onder de mensen bleef, die de marktplaats niet schuwde, die burger onder de burgers was, die niets anders deed dan wat, naar zijn mening, elke burger zou moeten doen, en die niets anders eiste dan wat, naar zijn mening, elke burger rechtens toekwam. Zo iemand moet wel moeilijk te vinden zijn: als hij in onze ogen de feitelijke denkactiviteit belichaamt, zal hij geen leer hebben nagelaten; hij zal er niet om gegeven hebben zijn gedachten neer te schrijven, zelfs niet wanneer er, aan het einde van zijn denkactiviteit, nog iets zou zijn overgebleven, tastbaar genoeg om het zwart op wit neer te schrijven. De lezer zal al geraden hebben dat ik aan Socrates denk. We zouden niet veel weten over hem, althans niet genoeg om veel indruk op ons te maken, als hij niet zo’n enorme indruk op Plato had gemaakt. En waarschijnlijk zouden we niets over hem weten, wellicht zelfs niet via Plato, als hij niet beslist had zijn leven te geven, niet voor een of ander specifiek geloof of specifieke leer – die had hij immers niet – maar gewoonweg voor het recht om de opinies van andere mensen te onderzoeken, erover na te denken en aan zijn gesprekspartners te vragen hetzelfde te doen. (Arendt, 2021, pp. 190-191)

Het eerste wat opvalt in Plato’s Socratische dialogen is dat ze niet bedoeld zijn om een antwoord te vinden of een probleem op te lossen. Het in vraag stellen van het denkkader lijkt wel de bedoeling. Socrates stelt vragen waarop hij de antwoorden niet weet. Eens Socrates antwoorden gekregen heeft, stelt hij zonder schroom voor opnieuw te beginnen en verder te onderzoeken wat rechtvaardigheid, of vroomheid, of kennis of geluk is (Arendt, 2021, p. 192). Hoe Socrates zichzelf zag, leren we in volgende passage:

Hij noemde zichzelf een horzel en een vroedvrouw; volgens Plato noemde iemand anders hem een “sidderrog”, een vis die zijn prooi verlamt en verdooft, en Socrates erkende de toepasselijkheid van de gelijkenis, op voorwaarde dat de toehoorders zouden begrijpen dat “de sidderrog anderen alleen verlamt omdat hij zelf verlamd is … Het is niet zo dat ik andere mensen in de war breng, terwijl ik zelf de antwoorden ken. De waarheid is veeleer dat ik hen besmet met de radeloosheid die ik zelf voel.” (Arendt, 2021, p. 195)

Ten eerste is Socrates een horzel: hij weet hoe hij anderen moet steken. Met z’n steken maakt hij de ander wakker, want zonder hem zouden ze hun ganse leven ongestoord slapen. Hij wekt hen om na te denken en daarbij hun eigen denkkader te onderzoeken. Dit denkkader is verantwoordelijk voor de interpretatie van de observatie en dient continu in vraag gesteld te worden. “Is mijn inkleuring de enige mogelijke of ben ik te prooi aan  de bias van m’n eigen specifiek denkkader?” is een vraag die men zich vaak dient te stellen. Ten tweede is Socrates een vroedvrouw: hij kan anderen verlossen van hun gedachten omdat hij zelf onvruchtbaar is. Volgens Plato zuiverde hij de mensen van hun ‘opinies’, van hun ongegronde vooroordelen. Kortom Socrates hielp mensen hun denkkader uit te zuiveren, zonder hen ‘zijn’ waarheid te geven. Ten derde: Socrates is een siderrog; hij verlamde iedereen waarmee hij in aanraking kwam en bleef vastberaden in z’n ‘radeloosheid’. Hij wist dat hij niet wist en was bereid dat te aanvaarden. Hij bleef denken en gebruikte voor dat denken een metafoor:

Socrates, die er zich terdege van bewust was dat hij zich in zijn onderneming bezighield met ‘onzichtbaarheden’, maakte gebruik van een metafoor om de denkactiviteit toe te lichten – de metafoor van de wind: “De winden zelf zijn onzichtbaar, maar wat ze doen kunnen we wel zien, en we voelen ze in zekere zin ook opsteken.” (Arendt, 2021, p. 197)

Het probleem is dat die wind, telkens wanneer hij opsteekt, de vorige denkbeelden wegjaagt, dit verklaart waarom Socrates kon gezien worden en zichzelf zag als een horzel en een sidderrog. Het gevolg is ook dat het denken destructief is voor het eigen vastgeroest denkkader en verklaart waarom mensen met een fixed denkkader liefst niet te veel nadenken, tenminste indien ze hun denkkader wensen te behouden. Zo’n denkkader is toch zo handig, want je kunt het ‘al slapend’ gebruiken, maar als de stormwind van het denken je klaarwakker schudt dan blijf je meestal over met verwarring. Je blijft over met onzekerheid en daarom is een van de vaardigheden voor diepe reflectie over de werkelijkheid het oscilleren tussen het helder en gekleurd bewustzijn. Het kunnen omgaan met onzekerheid (ambiguiteit) is terecht een van de basiscondities van de karakteristiek Waarderend Begrijpenvan Creatieve wisselwerking. Gelukkig kan je die verwarring, wanneer je met anderen in Creatieve wisselwerkingbent, met elkaar delen. Over die verlamming schrijft Arendt het volgende: 

De verlamming die door het denken tot stand wordt gebracht, is dus tweevoudig: ze is inherent aan het stop-en-denk, de onderbreking van alle andere activiteiten – psychologisch zou je een probleem inderdaad kunnen definiëren als een “situatie die om een of andere reden het organisme merkbaar ophoudt in zijn inspanning om een doel te bereiken”; maar het denken kan ook een bedwelmende nawerking hebben wanneer je ermee ophoudt, omdat je je onzeker voelt over wat je boven elke twijfel verheven leek toen je nog onnadenkend opgeslorpt werd in wat je aan het doen was. Indien je bezigheid erin bestond algemene gedragsregels toe te passen op bijzondere gevallen, zoals ze zich in het gewone leven voordoen, dan zul je verlamd zijn omdat geen enkele van deze regels bestand is tegen de stormwind van het denken. (Arendt, 2021, p. 198)

Nogmaals, het vastgeroest ‘handig’ denkkader wordt bij nadenken op losse schroeven gezet. De zo handige passe-partout regels blijken op drijfzand te steunen.  De schrijfster wijst op een gevaar bij het denken:

De zoektocht naar betekenis lost meedogenloos alle aanvaarde doctrines op en onderzoekt ze opnieuw. Ze kan zich op elk moment tegen zichzelf keren, de oude waarden omkeren en de tegenovergestelde waarden tot “nieuwe waarden” uitroepen. [] Dergelijke negatieve resultaten van het denken worden dan met dezelfde onnadenkende routine gebruikt als voorheen; zodra ze op het domein van de menselijke aangelegenheden toegepast worden, is het alsof ze nooit door het denkproces heen gegaan zijn. [] Elke kritische analyse doorloopt noodzakelijkerwijze een fase van minstens hypothetische negatie van aanvaarde opinies en “waarden”, omdat het hun implicaties en stilzwijgende veronderstellingen onderzoekt. In deze zin kan het nihilisme beschouwd worden als een altijd aanwezig gevaar van het denken. 

Maar dit gevaar ontspringt niet aan de Socratische overtuiging dat een niet-onderzocht leven niet waard is geleefd te worden, maar integendeel aan het verlangen resultaten te vinden die verder denken overbodig zouden maken. [] Denken betekent, praktisch gesproken, dat je, wanneer je in je leven met een of andere moeilijkheid geconfronteerd wordt, telkens opnieuw moet denken. (Arendt, 2021, pp. 199-200)

En misschien heb ik samen met Paul Simon (1982) dan toch geen gelijk… Het niet-denken heeft volgens de schrijfster ook zo z’n risico’s: 

Door mensen af te schermen voor de gevaren van onderzoek leert men hen zich vast te klampen aan om het even welke voorgeschreven gedragsregels zoals die op een bepaald ogenblik in een gegeven samenleving gelden. Mensen raken dan niet zozeer gewend aan de inhoud van de regels – een grondig onderzoek hiervan zou hen altijd radeloos maken – als wel aan het bezit van regels, die ze op alle bijzondere gevallen kunnen toepassen. Als iemand verschijnt die, om welke reden ook, de oude “waarden” of deugden wenst af te schaffen, dan zal hem dat niet zwaar vallen op voorwaarde dat hij een nieuwe gedragscode aanbiedt, en hij zal relatief weinig geweld en geen overreding nodig hebben – d.w.z. bewijsvoering dat de nieuwe waarden beter zijn dan de oude – om die code op te leggen. Hoe sterker mensen zich aan de oude code vastklampen, hoe gretiger ze zich aan de nieuwe zullen aanpassen. In de praktijk betekent dit: de meest respectabele steunpilaren van de samenleving, zij die het minst geneigd waren zich te vermeien in al dan niet gevaarlijke gedachten, zullen ook het gewilligst zijn om te gehoorzamen, terwijl zij die, naar het zich liet aanzien, de meest onbetrouwbare elementen van de oude orde waren, ook het minst meegaand zullen zijn. (Arendt, 2021, p. 200):

Ik interpreer dit als dat een risico voor ‘Groepsdenken’ gebaseerd op het risico van het niet diepgaand nadenken en meelopen met de sterke leider of de meute.  Het is niet verwonderelijk dat Socrates dan door z’n medewerkers gezien werd als een gevaarlijk iemand:

De Atheners zeiden hem dat zijn denken subversief was, dat de wind van het denken een wervelstorm was, die alle gevestigde bakens waarop mensen zich oriënteren wegveegde, die wanorde in de stad stichtte en de mensen in verwarring bracht. En alhoewel Socrates ontkent dat denken mensen bederft, beweert hij evenmin dat het mensen beter maakt. Het wekt je uit de slaap, en dit lijkt hem een groot goed voor de Stad. Maar hij zegt ook niet dat hij zijn onderzoek begon om een groot weldoener te worden. Voor zover het hemzelf betreft, valt er niets méér te zeggen dan dat een leven dat van het denken beroofd is, zinloos zou zijn, ook al zal het denken mensen nooit tot wijzen maken of hen antwoorden geven op de eigen vragen van het denken. De betekenis van wat Socrates deed, ligt in de activiteit zelf. Of anders gezegd: denken en ten volle leven zijn hetzelfde. Hieruit volgt dat het denken steeds opnieuw moet beginnen; het is een activiteit die het leven vergezelt en zich bekommert om begrippen als rechtvaardigheid, geluk, deugd – die ons door de taal worden aangeboden en die de betekenis uitdrukken van alles wat in het leven gebeurt en van alles wat ons in ons leven overkomt. 

Wat ik de “zoektocht” naar betekenis heb genoemd, heet in de taal van Socrates liefde, d.w.z. liefde in de Griekse betekenis van Erôs, niet de christelijke agapê. Liefde als Eros is in de eerste plaats een behoefte; ze verlangt naar wat ze niet heeft. Mensen houden van wijsheid en beginnen te filosoferen omdat ze niet wijs zijn, en ze houden van schoonheid, en doen aan schoonheid als het ware – philokaloumen, zoals Pericles het noemde in zijn Grafrede – omdat ze niet schoon zijn. Liefde is de enige zaak waarin Socrates zich een expert durft te noemen, en deze vakkundigheid leidt hem ook bij het kiezen van zijn metgezellen en vrienden: “Ik mag dan waardeloos zijn in alle andere dingen, dit talent is mij gegeven: ik herken zonder moeite minnaars en geliefden.” De liefde verlangt naar wat ze niet heeft, en brengt daarom een verhouding tot stand met wat afwezig is. Om deze verhouding openbaar te maken, te doen verschijnen, willen mensen erover spreken – juist zoals de minnaar wil spreken over de geliefde. Omdat de zoektocht van het denken een soort van verlangende liefde is, kan het denken enkel beminnelijke dingen tot voorwerp hebben – schoonheid, wijsheid, rechtvaardigheid enzovoort. (Arendt, 2021, pp. 201-202)

In Het Leven van de Geest wordt dan dieper ingaan op twee uitspraken van Socrates. Het is op zich verwonderlijk dat er übershaupt stellingen van Socrates bewaard zijn gebleven. Verwonderlijk omdat we weten dat Socrates karig was met stellige uitspraken. Zo kennen we door Plato één van de lievelingsuitspraken van Socrates (dat overigens ook mijn levensmoto is): “Ik weet dat ik niet weet!” Socrates beschouwde zichzelf niet als een leraar; hij vond van zichzelf niet dat hij de mensen iets te onderrichten had. Die onwetendheid van Socrates was niet, zoals al eens geopperd wordt, een pose van hem. Zijn Socratische vraagstelling had niet de bedoeling om de ‘waarheid’ van de ander boven water te brengen. Socrates staat als een ‘onwetende’ in de wereld, vandaar z’n kinderlijk oeverloos vragen. De twee positieve uitspraken van Socrates die Arendt (201, p. 204) naar voor brengt komen uit Gorgias (474b, 483a-b), een werk van Plato dat handelt over retoriek, de kunst om mensen aan te spreken en te overtuigen, en luiden als volgt: 

De eerste: “Het is beter onrecht te ondergaan dan onrecht te doen.” Daarop antwoordt Callicles, de gesprekspartner in de dialoog, wat alle Grieken zouden hebben geantwoord: “Onrecht ondergaan is niet het lot van een man, maar van een slaaf, voor wie het beter is dood te zijn dan te leven, wat trouwens geldt voor iedereen die niet bij machte is om in geval van onrecht zichzelf of anderen die hem na aan het hart liggen, te hulp te komen.” De tweede: “Ik zou liever een niet-gestemde lier bespelen en een valszingend koor leiden, liever in onenigheid met de meeste mensen verkeren, dan, één-zijnde, met mezelf in disharmonie te leven en mezelf tegen te spreken.” Waarop Callicles aan Socrates zegt dat hij “als een onbezonnen demagoog” spreekt en dat het voor hem en voor iedereen beter zou zijn wanneer hij de filosofie zou laten varen. 

De vertaler Remi Peeters (2021) stelt dat je moet durven stilstaan bij het hoogst paradoxale, zelfs controversiële karakter van deze uitspraken. Je moet, met andere woorden, in de schoenen van Callicles gaan staan om te vermijden dat je deze uitspraken leest als goedkoop gemoraliseer van meer dan twee duizend jaar geleden. 

Heeft Callicles geen punt? Wat is er erger dan onrecht te moeten ondergaan? Wat is er erger dan een valszingend koor te moeten leiden? Of met de hele wereld overhoop te liggen? Kortom, wat is er erger dan dit allemaal? Het antwoord van Socrates is: “Onrecht doen is erger en in onenigheid leven met jezelf, dat is erger!

Socrates spreekt als iemand die zich de gewoonte te denken eigen heeft gemaakt. Nadenken over wat hij aan het doen is en wat hij aan het verkondigen is. Daarom ook gaat hij steeds de Agora op en vraagt eenieder die hij daar ontmoet naar diens mening over uiteenlopende zaken. Meteen wordt ook duidelijk wat Socrates bedoelt met de band tussen gedachteloosheid en het kwaad.  Wie denkt is in dialoog met zichzelf, wie denkt is zijn eigen gesprekspartner. Hij wordt ‘twee in een’, de titel overigens van deze  paragrafen van het boek. De schrijfster schrijft daarover:

Socrates heeft het erover dat hij “één is” en daarom niet het risico kan lopen om met zichzelf in disharmonie te zijn. Maar iets wat identiek is met zichzelf, waarlijk en absoluut Eén, zoals A is A, kan met zichzelf noch in harmonie noch in disharmonie zijn; er zijn altijd minstens twee tonen nodig om een harmonieuze klank te produceren. Zeker, wanneer ik verschijn, en anderen mij kunnen zien, dan ben ik één; ik zou anders onherkenbaar zijn. En zolang ik met anderen samen ben, nauwelijks van mezelf bewust, ben ik zoals ik aan anderen verschijn. Wat wij bewustzijn noemen – letterlijk “met mezelf weten”, zoals we gezien hebben – is het eigenaardige feit dat ik in zekere zin ook voor mezelf ben, ook al verschijn ik nauwelijks voor mezelf. Dit wijst erop dat het Socratische “één- zijn” niet zo onproblematisch is als het lijkt; ik ben niet alleen voor anderen, maar ook voor mezelf, en in het laatste geval ben ik duidelijk niet zomaar één. In mijn eenheid is een verschil ingelast. (Arendt, 2021, p. 206)

Arendt gaat ook dieper in op de gedachte “in mijn eenheid is een verschil ingelast” vanuit verschillende contexten en vooral vanuit hoe haar leermeester Heidegger een passage uit de Sofist van Plato interpreteert:

Wellicht wijst niets er zo sterk op dat de mens wezenlijk in het meervoud bestaat, dan het volgende gegeven: in de eenzaamheid van de denkactiviteit actualiseert de mens zijn louter bewust-zijn van zichzelf – iets wat we waarschijnlijk met de hogere diersoorten delen – tot een dualiteit. Deze dualiteit van mezelf met mezelf maakt van het denken een echte activiteit, waarin ik zowel diegene ben die vraagt als diegene die antwoordt. Het denken kan dialectisch en kritisch worden omdat het dit proces van vraag en antwoord doorloopt. In deze dialoog van dialegesthai, dat in feite een “door woorden reizen” is, een poreuesthai dia tôn logôn, werpen we onophoudelijk de fundamentele Socratische vraag op: Wat bedoel je als je zegt…?, met dien verstande dat dit legein, zeggen, geluidloos is en daarom zo snel dat het soms moeilijk is om de dialogische structuur ervan te ontdekken. Het criterium van de mentale dialoog is niet langer waarheid, die antwoorden zou afdwingen op de vragen waar ik in het gesprek met mijzelf op stoot; noch waarheid in de vorm van aanschouwing, die dwingt met de kracht van de zintuiglijke evidentie, noch waarheid als noodzakelijke conclusie van het rekenen met gevolgen in het wiskundige en logische redeneren, dat steunt op de structuur van ons brein en dwingt met zijn natuurlijke kracht. Het enige criterium van het Socratische denken is de overeenstemming met zichzelf, het consistent zijn met zichzelf, homologein autos heautô; het tegenovergestelde hiervan, in tegenspraak zijn met zichzelf, enantia legein autos heautô, betekent in feite dat men zijn eigen tegenstander wordt. (Arendt, 2021, p. 208-209)

Hierin zie ik uiteraard de interne dialoog tijdens het denken. Deze heb ik gevisualiseerd door de staande acht binnen de linker lus van het Cruciale Dialoogmodel. Het is de dialoog tussen de twee vormen van bewustzijn, die ik helder en gekleurd bewustzijn heb genoemd. De twee facetten van de eenheid, die Socrates ‘het twee-in-één’ noemde, noem ik het gecreëerde zelf en het Originele Zelf. In deze passage geeft Arendt ook haar definitie, die in feite een parafrasering is van de definitie geformuleerd door Peter Senge in het voorwoord van een boek van Bill Isaac (1999, p. xvii) van het begrip dialoog. Dia-logos, “meaning flowing through”, wordt bij haar “het reizen door woorden”. In Het leven van de Geest vervolledigt de schrijfster haar gedachtengang als volgt:

Bondig gezegd, de denkende dialoog tussen mij en mezelf, die het bewustzijn een specifiek menselijke werkelijkheid verleent, suggereert dat verschil en alteriteit niet alleen opvallende kenmerken zijn van de wereld der verschijnselen, die de mens als habitat gegeven is te midden van een veelheid van dingen, maar dat ze even goed de basisvoorwaarden zijn voor het bestaan van het geestelijke ego van de mens, want dit ego bestaat uitsluitend in een dualiteit. En dit ego – het ik-ben- ik – ervaart het verschil in identiteit precies op het moment dat het zich niet verhoudt tot de verschijnende dingen, maar enkel tot zichzelf. (Terzijde, deze oorspronkelijke dualiteit verklaart de vergeefsheid van het modieuze zoeken naar identiteit. Onze moderne identiteitscrisis zou alleen opgelost kunnen worden door nooit meer alleen te zijn en nooit meer een poging te ondernemen om te denken.) Zonder die oorspronkelijke splijting zou Socrates’ uitspraak over harmonie in een wezen dat, naar het zich laat aanzien, één is, geen betekenis hebben. 

Bewustzijn is niet hetzelfde als denken: de acten van het bewustzijn hebben met de zintuiglijke ervaring gemeen dat ze “intentioneel”, en dus cognitieve acten zijn. Het denkende ego daarentegen denkt niet iets, maar denkt over iets na, en deze act is dialectisch: hij voltrekt zich in de vorm van een stille dialoog. Zonder bewustzijn in de zin van zelf-besef zou het denken niet mogelijk zijn. In zijn nooit-eindigend proces verleent het denken werkelijkheid aan het verschil dat als een bruut feit (factum brutum) in het bewustzijn gegeven is; alleen in deze gehumaniseerde vorm wordt het bewustzijn het unieke kenmerk van een wezen, dat god noch dier is, maar mens. Zoals de metafoor de kloof overbrugt tussen de wereld van de verschijnselen en de mentale activiteiten die erin aan de gang zijn, zo heelt het Socratische tweein-één de eenzaamheid van het denken; zijn inherente dualiteit wijst op de oneindige pluraliteit, die de wet van de aarde is. (Arendt, 2021, p. 210)

Wat ontdekt een mens die nadenkt, en met mens bedoel ik niet de beroepsfilosoof, maar iemand zoals u en ik? Wie nadenkt, ontdekt dat zij of hij niet om het even wat kan zeggen, niet om het even wat kan doen, wil je het denkend gesprek met jezelf niet onmogelijk maken, want daarin riskeer je jouw eigen vijand te worden en niet meer bij jezelf thuis te kunnen komen. Dit is, in een notedop, het Socratisch geweten. Op de keper beschouwt is Socrates de eerste in de geschiedenis die het geweten introduceert. Hij had er wel geen term voor. Hij gebruikte een metafoor die Arendt ook aanhaalt (2021, p. 211): de onhebbelijke kerel. Die kerel gaat niet met Socrates mee als die er op uit trekt. De onhebbelijke kerel wacht Socrates thuis op en onderwerpt hem bij thuiskomst aan een kruisverhoor. Socrates moet in vrede leven met deze kerel die hem opwacht, want ze leven onder hetzelfde dak en daar kom je best mee overeen. In latere tijden is men de onhebbelijke kerel het geweten gaan noemen. Een denkend mens ontdekt de vrees die zij of hij heeft om de harmonie met zichzelf te verstoren. Daarom doet de denkende mens geen onrecht en spreekt zij of hij zichzelf niet tegen. Dit noch in woorden, noch in daden. Daardoor kan een denkend mens nooit met iemand samenleven die met een dubbele tong spreekt. Daardoor doet zij of hij het dat dan ook niet! Dit kan niet gezegd worden van de niet-denkende mens; gedachteloosheid is verbonden aan het kwaad. Kortom, het geweten is een neveneffect van het denken. Het gevolg daarvan is dan alleen wie denkt, last kan hebben van haar of zijn geweten. Dit komt in het boek tot uiting in hetgeen volgt (Arendt, 2021, pp. 212-213):

Wat voor dialoog kan je voeren met jezelf, als je ziel niet in harmonie, maar in oorlog is met zichzelf? Uitgerekend dat soort van dialoog krijgen we te horen wanneer Shakespeares Richard III alleen is: 

What do I fear? Myself? There’s none else by Richard loves Richard: that is, I am I.
Is there a murderer here? No. Yes, I am:
Then fly: what! from myself? Great reason why  Lest I revenge. What! myself upon myself?  Alack! I love myself. Wherefore? For any good  That I myself have done unto myself?  O! no: alas! I rather hate myself
For hateful deeds committed by myself.
I am a villain. Yet I lie, I am not.
Fool, of thyself speak well: fool, do not flatter. 

Wat vrees ik? Mezelf? Hier is toch niemand anders. 
Richard houdt van Richard; ja, ik ben ik.
Is hier een moordenaar? Nee! Toch wel, ikzelf. 
Vlucht dan! Hoe? Voor mezelf ? En waarom zou ik? 
Zal ik mezelf soms wreken op mezelf? 
Ach, ik hou van mezelf. Waarom dan? Om 
Iets goeds dat ik mezelf heb aangedaan?
O neen. Helaas! Ik haat veeleer mezelf 
Om gruweldaden die ik zelf bedreef. 
Ik ben een schurk. Ik lieg, ik ben er geen.
Dwaas, maak jezelf niet zwart! – Dwaas, vlei jezelf niet. 

Maar dit alles ziet er heel anders uit na middernacht, als Richard aan zijn eigen gezelschap ontsnapt is en dat van zijn gezellen heeft opgezocht. Dan luidt het: 

Conscience is but a word that cowards use, 
Devis’d at first to keep the strong in awe.
 Geweten is alleen een woord voor lafaards, 
Bedacht om de sterken ontzag in te boezemen. 

Zelfs Socrates, die zo van de marktplaats hield, moet huiswaarts keren, waar hij alleen zal zijn, in eenzaamheid, om de andere kerel te ontmoeten. 

De kracht van Socrates mag volgens Arendt (2021, pp. 211-212) niet onderschat worden:

Socrates heeft ontdekt dat we met onszelf kunnen omgaan, even goed als met anderen, en dat de twee soorten van omgang in zekere zin met elkaar in verband staan. Sprekend over de vriendschap merkt Aristoteles het volgende op: “De vriend is een ander zelf ”– waarmee hij bedoelt: je kan de dialoog van het denken net zo goed met hem als met jezelf voeren. Dit staat nog in de Socratische traditie. Alleen, Socrates zou gezegd hebben: ook het zelf is een soort van vriend. De leidende ervaring in deze aangelegenheden is uiteraard de vriendschap, niet het zelf; ik spreek eerst met anderen, vooraleer ik met mezelf spreek, onderzoekend waar het gezamenlijk spreken over ging, om dan te ontdekken dat ik niet alleen met anderen kan dialogeren, maar ook met mezelf. Het gemeenschappelijke punt echter is dat de denkende dialoog enkel onder vrienden kan worden gevoerd, en zijn basiscriterium, zijn hoogste wet als het ware, luidt: spreek jezelf niet tegen.

Ook Arendt is van mening dat het leven zonder denken heel goed mogelijk is. Je gaat daar namelijk niet aan dood. Je kan niet zo lang leven zonder eten en drinken en nog veel minder lang zonder zuurstof. Je kan echt heel lang voort zonder nadenken. Toegegeven, je ontwikkelt jezelf dan niet. Niet nadenkende mensen zijn als slaapwandelaars. Typisch Arendt is dat ze stelt dat voor het denkende ego en diens ervaring het geweten een neveneffect is dat de mens “boordevol hindernissen stopt” en ze gaat verder :

Ongeacht welke gedachtegangen het denkende ego doordenkt, het zelf dat we allen zijn moet er zorg voor dragen geen dingen te doen die het onmogelijk maken dat de twee-in-één vrienden zijn en in harmonie leven. Dat is wat Spinoza bedoelt met de term “tevredenheid (met zichzelf)” (acquiescentia in seipso): “Ze kan ontspringen aan de rede [het redeneren] en deze tevredenheid is de grootst mogelijke vreugde.” Haar criterium voor het handelen zal niet samenvallen met de gangbare regels, erkend door de meerderheid en overeengekomen door de samenleving, maar ligt in de vraag of ik in staat zal zijn in vrede met mezelf te leven, als het moment gekomen is om na te denken over mijn daden en woorden. Het geweten is het vooruitlopen op de kerel die je opwacht als en wanneer je thuiskomt. (Arendt, 2021, pp.214-215)

Nogmaals, het geweten van de denkende mens weerhoudt deze kwaad te berokkenen. In Het leven van de Geestvond ik tenslotte volgende passage:

Wanneer iedereen onnadenkend meegesleept wordt door wat alle anderen doen en geloven, worden zij die denken uit hun schuilplaats verdreven, want hun weigering om mee te doen springt in het oog, en wordt daarom een soort van handelen. In dergelijke noodsituaties blijkt dat de zuiverende component van het denken (de Socratische verloskunde, die de implicaties van ononderzochte opinies aan het licht brengt en daarmee vernietigt – waarden, doctrines, theorieën en zelfs overtuigingen) bij implicatie indirect politiek is, want deze vernietiging heeft een bevrijdend effect op een ander vermogen, het oordeelsvermogen, dat met enige reden het meest politieke van ’s mensen mentale vermogens kan worden genoemd. Het is het vermogen om te oordelen over bijzonderheden, zonder ze onder algemene regels onder te brengen – d.w.z. regels die onderwezen en geleerd kunnen worden, tot ze uitgroeien tot gewoonten, die door andere gewoonten en regels kunnen worden vervangen. (Arendt, 2021, pp. 215-216)

Een prachtig pleidooi voor m’n stelling dat oordelen steunt op Creatieve wisselwerking, een proces dat niet onderwezen en wel aangeleerd kan worden. Je leert dit proces door het van binnenuit te beleven en dat quasi continu.

Denken is geen vrijblijvende bezigheid. Denken leidt niet noodzakelijk tot waarheidsgetrouwe uitspraken. Grote levensvragen, zoals “Wat is rechtvaardigheid?”, Wat is een goede gemeenschap?”, krijgen nooit een definitief antwoord. Denken is wel een heel nuttige bezigheid. Je komt namelijk jezelf tegen en de dialoog met de andere ik, die onhebbelijke kerel, zet jouw denkkader in vraag en doet je groeien. Je transformeert jouw gecreëerde zelf in de richting van jouw Originele Zelf.

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Gano, D.L. (1999). Apollo Root Cause Analysis – A New Way of Thinking. Yakima: Apollonian Publications.

Isaacs, W. (1999). Dialogue and the Art of Thinking Together. New York: Doubleday

Peeters, R. (2021). Boekvoorstelling ‘Het Leven van de Geest’. [Videobestand:15:15-22:15] Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://vimeo.com/552761100

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Simon, P. (1982), Think too much (b) uit Hearts & Bones [Studio Album]. Los Angeles: Warner Bros. Records (1983).

Vermeulen, B. (1991). Testament uit Vriend en Vijand [CD]. Amsterdam: Emergo – EM 9305-2. 

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

Sawubona, hannah arendt – deel I

In een onlangs verschenen boek van Hannah Arendt Het leven van de Geest (Arendt, 2021), een studie van drie mentale activiteiten – denken, willen en oordelen – die Hannah Arendt inzet als vertrekpunt voor de vraag naar de zin van het geestelijk leven, valt het mij op dat de drie delen, denken, willen en oordelen overeenkomen met cruciale elementen van m’n Cruciale Dialoogmodel, dat ook model staat voor het creatief wisselwerkingsproces. Wel zie ik een andere volgorde: Denken leidt tot Oordelen en Oordelen tot Willen. Het betreft de linker lus (Denken) en het midden (Oordelen en Willen) van het Cruciale Dialoogmodel. 

In het kader van levenslang leren plan ik meerdere columns te schrijven over de verbanden die ik zie tussen het Cruciale Dialoogmodel en de filosofie van Hannah Arendt over ‘Denken’, zoals zij die uiteenzet in haar boek. In volgend figuur komt Denken overeen met de linker lus, Voelen met het midden en Doen met de rechter lus. Deze eerste column van de reeks gaat dus voornamelijk over die linker lus.

De zin van het denken ligt volgens Hannah Arendt niet in het bekomen van kennis, noch in het ontdekken van waarheid, maar in het zoeken naar betekenis. Een zoektocht dat volgens haar nooit stopt. Amen! Ook voor mij is het doel van de linker lus het vinden van betekenis in de data en info van de werkelijkheid die zich aan ons ontvouwt. Dit door het samen met anderen van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Als dit goed gaat, bekomt men zo een Gedeelde Mening over de betekenis van de werkelijkheid. Die betekenis kan vervolgens de grond zijn voor actie (het midden en rechter lus van het model).

Sawubona

De titel van deze column geeft aan dat ik Hannah Arendt herken en erken. Onder de stammen van Noordelijk Natal in Zuid-Afrika is de meeste voorkomende groet, gelijkwaardig aan ons “Hallo!”, de uitdrukking “Sawubona!”. Die betekent letterlijk, “Ik zie je”.  En daarmee wordt niet zo zeer het effectief ‘zien’ bedoeld.  Het betekent vooral – zoals de bekender uitdrukking “Namaste”(Edwards, z.d.) – “De God in mij ziet de God in jou” of “Ik zie mezelf door jouw ogen” of nog “Ik kom tot leven door jou heen.” Volgens Peter de Jager wordt deze Zoeloe groet meestal beantwoord met “Ngikona!”, wat betekent: “Ik ben hier” (de Jager, 2015). De volgorde van deze uitwisseling is belangrijk: totdat jij mij ziet, besta ik eigenlijk niet. Het is alsof, wanneer jij mij ziet, jij mij tot leven wekt. 

Deze betekenis, die inherent is aan de taal, maakt deel uit van het Ubuntu gedachtengoed, dat een overwegende levenswijze is van vele inheemse volkeren in zuidelijk Afrika. Het Ubunto concept vloeit voort uit het Zulu gezegde “unmunto numuntu nagabuntu” dat vertaald klinkt als “Een persoon is een persoon omwille van andere mensen.” (Senge, Kleiner, Roberts, Ross, & Smith, 1995).Het tweespan “Sawubona” en “Ngikhona” vormen de basis voor een diepgaande dialoog: Sawubona is een uitnodiging om deel te nemen aan elkaars leven, Ngikhona is het positieve antwoord op die uitnodiging. Deze column kan je zien als een virtuele creatieve dialoog met Hannah. Ik komt zo tot leven door haar heen.

Volgens Hannah Arendt voltrekt denken zich meer in een gesprek dan in het contemplatieve schouwen, denken is meer dialoog dan monoloog. (Arendt, 2021, p 11). Niet verwonderlijk dus dat denken een plaats vindt in m’n Cruciale Dialoogmodel. Arendt zocht en vond inspiratie bij Immanuel Kant. Ze herneemt Kants onderscheid tussen denken en kennen. Kant heeft het, zoals ook Arendt, over het denken over en het kennen van de ‘fenomenale wereld’. Dit is de zintuigelijke wereld waarin de mens een fragment is van een enorm causaal gedefinieerd geheel. Bij Arendt verschuift het accent van het filosofisch ‘zelf denken’ naar het dialogisch ‘samenspreken.” Dit is uiteraard koren op m’n Creatieve wisselwerking-molen. Samen denken leidt naar een Gedeelde Mening. Die wordt dan, in het midden van m’n model, gevolgd door het ‘samen oordelen’, idealiter gevolgd door het ‘samen willen en kunnen’ en uiteindelijk het ‘samendoen’. Daarmee is het model alweer eens neergelegd.

Het boek bevat ook volgende quote van Plato uit ‘De Staatsman’: 

Ieder van ons is zoals een man die de dingen ziet als in een droom

denkt dat hij de dingen perfect kent,

En dan ontwaakt en ontdekt dat hij niets weet.

Die quote hertaal ik als: “Wanneer je ontwaakt uit z’n gekleurd denkkader ontdek je dat je niets weet.” Te vergelijken met een quote van Socrates dat m’n levens moto is: “Een wijs man is een man die weet dat hij het niet weet.” Daardoor stel ik m’n gekleurd bewustzijn continu in vraag. Het begrip ‘wijsheid’ toont aan dat niet de zoektocht naar kennis maar de vraag naar zin de denkactiviteit stuurt. Een eigenschap van dialogisch samen denken mondt nooit uit in definitieve kennis. Het dient daardoor steeds herhaald te worden. Ook daarin volg ik Hannah Arendt. Vandaar ook dat ik voor het beeld van Creatieve wisselwerking koos voor het lemniscaat of infinity teken. Arendt suggereert dit met een prachtig beeld, dat ze aan Homerus ontleent: “Zoals Penelope elke nacht ontrafelt wat ze overdag geweven heeft, zo ontrafelt het denken voortdurend de eigen resultaten.” (Arendt, 2011, p. 18) Arendt maakt dus een onderscheid tussen het kennisverwervend denken en het bezinnend werken. Dit laatste laat diens waarde niet afhangen van het uiteindelijk resultaat maar aan de waarde van het continu herhalend proces (Arendt, 2011, p. 20). Is het verwonderelijk dat ik, adept van het creatief wisselwerkingsproces, van haar inzichten hou?!?

Voor Arendt is begin en eindpunt de wereld. De wereld waarin we uit het niets tevoorschijn komen en in het niets terug verdwijnen. In die wereld vallen Zijn en Verschijnen samen. Dat Zijn veronderstelt een toeschouwer, daaruit volgt dat wat verschijnt niet in het enkelvoud bestaat. Wat bestaat, bestaat in het meervoud. Niet de Mens, wel mensen bevolken de planeet. Sawubona! De wet van de aarde is niet enkelvoud, het is meervoud.

Sawubona verklaard door Hannah Arendt: Het van de wereld zijn van levende dingen betekent dat elk subject ook object is en als dusdanig verschijnt aan iemand anders. Die iemand waarborgt de ‘objectieve’ werkelijkheid. Wat wij zelfbewustzijn noemen, het feit dat ik mij bewust ben van mezelf volstaat niet om de werkelijkheid te waarborgen. Hierbij weerlegt Arendt Descartes ‘Ik denk, dus ik ben” als een ongelegen bewering, omdat het ‘denkende ding’ nooit zichtbaar wordt, tenzij zijn of haar denken meegedeeld wordt door de gedachten uit te spreken of neer te schrijven. Dit laatste veronderstelt toehoorders of lezers, voor wie de boodschap ook bedoeld is.

Levende wezen zijn zowel in als van de wereld, juist omdat ze tezelfdertijd subject en object zijn, tegelijk waarnemen en waargenomen worden.  Om deze werkelijkheid af en toe te omzeilen kan je, binnen Creatieve wisselwerking, de vaardigheid Procesbewustzijn inzettenDaarin heeft Procesbewustzijn te maken met het ontvankelijk zijn voor informatie verbonden aan het van binnenuit inzetten van Creatieve wisselwerking, terwijl we met anderen ideeën creatief aan het integreren zijn (dat wil zeggen, in de wereld zijn) en compleet open staan voor het reflecteren op onze bijdrage en dit zonder de gevangene te worden van de data die deze reflectie genereert. (dat wil zeggen, niet van deze wereld zijn). Hieruit blijkt dat Procesbewustzijn te maken heeft met zelfreflectie. Zelfreflectie is op zich ook een proces dat verschillende definities heeft. Het heeft uiteraard te maken met het ‘naar jezelf kijken’, waardoor de nood van een zekere afstand duidelijk wordt. Men dient zich los te maken van de situatie, wat ik heb trachten te definiëren met als ‘in de wereld te zijn en niet van de wereld te zijn’. Inderdaad, wanneer men van de wereld is, zit men er middenin en is er geen afstand. Het kijken dient bovendien op het puur observatie niveau te gebeuren. Deze heldere beschouwing wordt gekoppeld aan een overweging en overdenking, wat neerkomt op waarnemen en inkleuren. Daarbij wordt ruimte gegeven voor gevoelens, gedachten en ervaringen, teneinde deze te kunnen analyseren. Zo leert men wie men echt is, waarom men handelt zoals men handelt en wat ons drijft. Hier richt die reflectie zich op hoe we het creatief wisselwerkingsproces beleven (Roels, 2012). 

Verschijnen, stelt Hannah Arendt, komt altijd neer op anderen toeschijnen. En dit toeschijnen varieert met het standpunt en perspectief van elke toeschouwer. Anders gesteld, alles wat kan verschijnen heeft een soort van sluier die het kan vervormen (Arendt, 2021). In mijn woorden, wat er is, wordt gezien doorheen de eigen gekleurde bril van elke toeschouwer – die het dus ziet – en kan daardoor ‘anders’ gezien worden. 

Maar niet alleen het toeschijnen kan verschillen naargelang de mindset van de toeschouwer, ook het verschijnen zelf is niet eenduidig. Levende wezens vertonen zich, niet zoals materie die zich vertoont zoals het is, maar zoals acteurs en dit op een podium die voor hen in gereedheid is gebracht, zegt Arendt. Naast de inherente drang tot zelfvertoon presenteren mensen zich in woord en daad, en drukken op die manier uit hoe ze wensen gezien te worden. 

Hannah Arendt zegt het zo:

Zelfpresentatie onderscheidt zich van zelfvertoon door de actieve en bewuste keuze van het getoonde beeld; zelfvertoon heeft geen andere keuze dan het tonen van de eigenschappen, welke ook, die een levend wezen bezit. Zelfpresentatie zou niet mogelijk zijn zonder een graad van zelfbesef – een vermogen dat inherent is aan het reflexieve karakter van mentale activiteiten en duidelijk méér is dan louter bewustzijn, dat wij waarschijnlijk met de hogere diersoorten delen. Alleen zelfpresentatie staat bloot aan hypocrisie en veinzerij in de strikte zin, en de enige manier waarop veinzerij en voorwending zich onderscheiden van werkelijkheid en waarheid is hun gebrek aan duurzaamheid en consistentie.” (Arendt, 2021, p. 62)

De toetsteen waaraan je de hypocriet kan herkennen is het oude Socratische gezegde “’Wees zoals je wenst te verschijnen.” Dit betekent dat je je altijd dient te vertonen zoals je aan anderen wenst te verschijnen, ook als je alleen bent en aan niemand anders dan jezelf verschijnt. 

Uitgaande van de filosofie van Henry Nelson Wieman en met de hulp van Charlie Palmgren om die filosofie waarderend te begrijpen, ben ik ervan overtuigd dat we twee ‘zelven hebben’: het Originele Zelf en het gecreëerde zelf. We worden geboren als onze Originele Zelf. Het Originele Zelf is een concept dat door veel spirituele en contemplatieve schrijvers wordt gebruikt. Een voorbeeld: de Franciscaan Richard Rohr, die het Originele Zelf de True Self’ noemt: 

“I believe that God gives us our soul, our deepest identity, our True Self, our unique blueprint, at our own ‘Immaculate Conception.” (Rohr, 2011, page IX).

Ik zit dus als oud misdienaar bij de Arme Klaren (Clarissen, de tweede orde van Sint Francicus) op dezelfde golflengte als Richard Rohr (een Minderbroeder, de eerste orde van Sint Franciscus) en Charlie Palmgren (onder meer een Episcopaalse priester en lid van de derde orde van Sint Franciscus). Met als kanttekening dat voor mij God, in navolging van Henry Nelson Wieman, de mentor van Charlie Palmgren (mijn mentor), het creatief wisselwerkingsproces is (Goldsmith, 1996). 

Praktisch eenieder wordt, in de loop der tijd, min of meer geconditioneerd tot haar of zijn gecreëerde zelf. Conditioneren is gedrag of gewoonten aanleren door straf of beloning (de gekende stok en wortel – dit gebeurt al vanaf de prille jeugd: denk maar aan het zinnetje van een aloud Sinterklaasliedje: “wie stout is krijgt de roe”). Ik noem de actuele zelf de gecreëerde zelf en zou hem ook de geconditioneerde of aangeleerde zelf kunnen noemen. Om het verschil tussen het Creatieve Zelf (een synoniem voor het Originele Zelf) en de gecreëerde zelf in de verf te zetten, heb ik voor gecreëerde zelf gekozen als naam voor onze actuele zelf. 

Laat me starten met de basisbegrippen Originele Zelf en gecreëerde zelf zo goed mogelijk te duiden en te verbinden. Hierbij stel ik van meet af aan het volgende. Er bestaan enerzijds geen twee separate zelven; er bestaan daarentegen wel twee aspecten van één zelf. Zoals een muntstuk twee facetten heeft en toch één muntstuk is, zijn wij één zelf met twee facetten: het Originele Zelf en de gecreëerde zelf. Er bestaan anderzijds ook twee soorten bewustzijn, twee staten van zijn, bekwaam om verschillen te onderkennen. Elke ‘zelf’ – hetOriginele en het gecreëerde – beschikt over een specifiek bewustzijn: het helder en het gekleurd bewustzijn. De Engelse taal beschikt over twee verschillende woorden om die twee soorten bewustzijn te duiden; dit zijn de begrippen ‘awareness’ en ‘consciousness’. Deze worden in het Nederlands steevast vertaald als ‘bewustzijn’. Dat is één van de oorzaken dat het voor mij, Nederlandstalige, lang duurde voordat ik doorhad dat ‘awareness’ en ‘consciousness’ twee verschillende vormen van bewustzijn zijn. Met name de bewustzijnsvormen van onze onderscheiden ‘zelven’. Om het voor mij, en hopelijk ook voor u lezer, duidelijk te maken, heb ik een nieuwe Nederlandse vertaling van deze Engelse begrippen ‘ontdekt’. Awareness vertaal ik als helder bewustzijn. Onze Originele Zelf komt helder bewust (‘aware’) ter wereld. Dit helder bewustzijn wordt echter langzamerhand geconditioneerd tot het gekleurd bewustzijn van de gecreëerde zelf; dus vertaal ik ‘consciousness’ als gekleurd bewustzijn. 

Je zou met een metafoor kunnen stellen dat het helder bewustzijn van het Originele Zelf als helder ‘wit’ licht is dat door het gecreëerde zelf, fungerend als een prisma, gebroken wordt in de kleuren van de regenboog. Een bijkomede reden om voor het bewustzijn horend bij de gecreëerde zelf, voor de naam gekleurd bewustzijn te kiezen. Opvallend is dat gedurende het conditioneringsproces (met o.a. de opvoeding, school, vrienden, gemeenschap …), de meesten onder ons hoe langer hoe meer gekleurd bewust worden en, dat is dan het ergste, zich gaan vereenzelvigen met het gekleurd bewust aspect van hun gecreëerde zelf. Kortom, mensen worden hoe langer hoe meer gekleurd bewust (‘conscious’) en hoe langer hoe minder helder bewust (‘aware’). Dit alles zou je dus, zoals reeds gesteld, kunnen voorstellen als een muntstuk met aan de ene zijde het Originele Zelf met diens helder bewustzijn en aan de andere zijde het gecreëerde zelf met diens gekleurd bewustzijn. 

Fasten seat belts! Het helder bewustzijn is non-duaal, onbevooroordeeld, niet-lineair en neutraal. Het heeft als kenmerken transcendentie, vrijheid, openheid en vertrouwen. Transcendentie is een filosofisch begrip dat kan gedefinieerd worden als het zich als mens overstijgen; het zich verheffen boven de dualiteit van het zich vereenzelvigen met de werkelijkheid, het hier en nu bewustzijn; het gekleurd bewustzijn.

Het is kalm en vredig. Heel jonge kinderen zijn nog hoofdzakelijk helder bewust. Dit is niet verwonderlijk, gezien zij nog hoofdzakelijk hun Originele Zelf zijn. Daar het pure helder bewustzijn een ervaring is van het heel jonge kind – een ervaring die volwassenen grotendeels kwijt gespeeld zijn – is het begrip helder bewustzijn moeilijk te verwoorden. Dit is de reden waarom het voor mij, de zeventig ver voorbij, echt moeilijk is om het helder bewustzijn ook helder te beschrijven. Het helder bewustzijn leent zich bovendien niet tot volzinnen, concepten, uitleg en/of definities. Toch zal ik, tegen beter weten in, het concept helder bewustzijn in wat volgt beschrijven. Mede omdat men nu eenmaal zo veel mogelijk haar of zijn Originele Zelf wordt in de mate dat men Helder Bewust wordt. 

Het helder bewustzijn

Tegenwoordig maakt het begrip Mindfulness opgang als synoniem voor helder bewustzijnMindfulness wordt wel eens leven met aandacht genoemd. Het is een vorm van meditatie die zijn oorsprong vindt in het Boeddhisme. Het Boeddhisme is, eerder dan een religie, een spirituele en psychologische strekking die tot meer bewustzijn of verlichting (‘’enlightment’) leidt. Een andere naam voor de Boeddha is overigens de Verlichte. Verschillende auteurs geven aan het concept ‘Mindfulness’ heel verschillende definities; dus helpt dit begrip ons niet echt om het helder bewustzijn te definiëren. 

Om het helder bewustzijn toch enigszins in woorden te vatten, kan je denken aan een pasgeborene. Een pasgeborene is autentiek, helder bewust, open en vol vertrouwen. Een van de sleutel elementen van z’n openheid en vertrouwen is z’n capaciteit om te observeren. Van zodra de oogfunctie het toelaat, observeert de pasgeborene de omgeving met het helder bewustzijn. Zij of hij kleurt die werkelijkheid nog niet in. Met andere woorden, het brein van een pasgeborene fungeert nog niet als een prisma.

Observeren kan worden onderscheiden van percipiëren, maar is er niet van gescheiden. Observeren is het aandachtig en nauwkeurig bekijken (waarnemen) van dingen zonder te oordelen en percipiëren is het waarderend begrijpen door te beoordelen wat geobserveerd werd. Percipiëren steunt op observeren en voegt er, gekleurd bewust, onderwerp/object onderscheiden, positieve/negatieve oordelen, het lineair en ‘het één of het ander’ denken aan toe. Dit in een streven naar verschillende betekenissen, met als onderliggend doel zich aan te passen aan de sterk veranderende wereld en daarin goed overeind te blijven. Observeren is vrij van onderwerp/object onderscheiden, onbevooroordeeld (oordeelt dus niet in positief/negatief), niet-lineair en streeft alles behalve naar het kleven van labels op de werkelijkheid. Observatie streeft wel naar een klaar zicht krijgen op de dingen en het bekomen van ‘het één en het ander & verschillend van’ denken.

Observeren blijkt voor volwassenen een aartsmoeilijke taak. Hoewel het observeren echt zien en echt luisteren mogelijk maakt, zaken die volwassenen broodnodig hebben. Toch staan volwassenen weigerachtig tegen goed observeren. Volwassen willen niet echt observeren omdat ze intuïtief aanvoelen dat ze daardoor zullen aangezet worden te veranderen. Men wordt inderdaad door observeren uitgenodigd het persoonlijk denkkader te veranderen. Daarbij komt nog dat door echt observeren we helder bewust worden en we daardoor de controle dreigen te verliezen over onze manier van leven. Een manier waar we ons toch zo krampachtig aan vastklampen. En toch, wat een volwassene blijvend nodig heeft, is haar of zijn bereidheid iets nieuws te leren. En dus te veranderen; want leren is veranderen en veranderen is leren. De mate dat een volwassene (terug) wakker wordt, is recht evenredig met de mate waarin zij of hij een portie ‘waarheid’ tot zich kan nemen zonder er van weg te vluchten. De vraag, die elke volwassene zich dient te stellen, komt neer op: “Hoeveel van waar ik mij aan vastklamp, kan door observatie worden losgeweekt zonder ik mij verschans in m’n gesloten denkkader?” De eerste reactie van een volwassene, wanneer die tegenvoets genomen wordt door echte observatie, is blijkbaar angst. Het is niet dat zij of hij angst heeft voor het onbekende. Men kan nu eenmaal geen angst hebben van iets dat men niet kent. Daarom ook is een heel jong kind zo onbevreesd. Wat de volwassene bij echte observatie vreest, is het mogelijk verlies van wat hij wel weet, waar hij zich aan vastklampt, en wat door echte observatie op losse schroeven dreigt te worden gezet.

Het gekleurd bewustzijn

Het gekleurd bewustzijn omvat dus perceptie en geeft zaken een ‘label’: voordelig-nadelig, akkoord-niet akkoord, inclusief-exclusief, goed-slecht, en juist-fout. Perceptie is essentieel om zich te kunnen aanpassen en daardoor te kunnen overleven in deze steeds maar sneller veranderende wereld. Percepties zorgen er voor dat er voorkeuren, betekenissen en waarden ontwikkeld worden en kleuren daardoor ons bestaan.

Door interpretatie, evaluatie en beslissing wordt, wat bekomen werd door observatie met het helder bewustzijn, getransformeerd. Dit door de perceptie van het gekleurd bewustzijn. Daardoor wordt de “één en het ander &verschillend van” observatie van het helder bewustzijn vaak de “het een of het ander” perceptie van het gekleurd bewustzijn. We komen terecht in wat veelal het “in-the-box” denken wordt genoemd. Die ‘box’ (doos) wordt gevormd door de grenzen van onze ‘fixed’ (gesloten) mindset. Door ons gekleurd bewustzijn appreciëren we de werkelijkheid op een bepaalde manier en de aldus gewaardeerde werkelijkheid wordt als het ware in de doos van onze ‘mindset’ (denkkader, mentaal model) gestopt. In feite bepaalt die gekleurde appreciatie wat er in de doos terecht komt en, wat nog belangrijker is, wat er uit wordt geweerd. Anders gesteld, we voegen toe wat we waarderen en weren wat we niet waarderen. “We zien de werkelijkheid niet zoals ze is, we zien deze zoals wij zijn”, stelde Anaïs Nin ooit (Sullivan/O’Toole, 2014).

Onze voorkeuren maken dat verschillen gepolariseerd worden. Het gekleurd bewustzijn werkt inderdaad polarisatie in de hand. Er is geen sprake meer van “het één en het ander”; inderdaad, de ‘en’ is een ‘of’ geworden. We leggen onszelf op te kiezen. Een van de twee tegenstrijdige polen wordt daarbij gekozen ten nadele van de andere pool en dit werkt polarisatie in de hand.

Deze splitsing, de verschuiving van ‘en’ naar ‘of’, heeft meerdere gevolgen; zowel positieve als negatieve. Een van de gevolgen is dat elk idee wordt gecatalogeerd als een goed of slecht idee. Dit niettegenstaande in werkelijkheid elk idee beide eigenschappen in zich heeft. Inderdaad, elk idee en elke situatie kan gepercipieerd worden als positief én als negatief. Het begrip ‘appreciatie’ wordt in veel gevallen geassocieerd met onze voorkeuren, dus wat we percipiëren als positief. We worden als het ware blind voor de andere zijde van de medaille en dus voor de niet voorziene, niet geanticipeerde en collaterale schade. We zien die laatste niet omdat we enkel percipiëren doorheen de gekleurde bril van onze voorkeuren. We zien enkel wat goed is in een idee, dus wat we als ‘goed’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke negatieve effecten van dat idee. Het tegenovergestelde is ook waar: we zien enkel wat slecht is een idee, dat we als ‘slecht’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke positieve effecten van dat idee. Dit alles zorgt er voor dat we afglijden naar een gekleurd denkkader en dit ten koste van een helder én gekleurd denkkader. 

Van helder naar gekleurd bewustzijn

Wanneer de pasgeborene ouder wordt en zich ontwikkelt, wordt perceptie, als onderdeel van z’n aanpassing aan de wereld, hoe langer hoe dominanter. Het kind richt zich hoe langer hoe meer op het gekleurd bewustzijn ten koste van het helder bewustzijn. Het adaptieve conditioneringsproces heeft bovendien de neiging onze intenties vorm te geven en bijgevolg te dicteren waar we onze aandacht dienen op te richten. Ouders, leraars, vrienden en de samenleving verwachten en eisen dat we onze aandacht richten op hoe, welke en van wie we waardering, applaus en lof kunnen oogsten. Dit is een zowel positief als negatief proces. In de poging van het kind om zich aan te passen aan de wereld, is de neiging sterk om dit te doen ten koste van het helder bewust blijven. Ten slotte verliest het kind het onderscheid tussen het helder bewustzijn en het gekleurd bewustzijn. 

Het helder en het gekleurd bewustzijn zou ik ook kunnen duiden als het ‘Ik-bewustzijn’ en het ‘mij-bewustzijn’. “Ik”, de Originele Zelf observeert en “mij”, de gecreëerde zelf, percipieert. Wij zijn bekaam om beiden te doen: observeren en percipiëren. Nochtans, werden we geconditioneerd om ons voornamelijk te identificeren met het ‘mij-bewustzijn’, eerder dan met het ‘Ik-bewustzijn’.

Men zou kunnen stellen at het Originele Zelf zowel het helder bewustzijn als het gekleurd bewustzijn omvat. Daardoor kan deze zowel de percepties van de gecreëerde zelf als de observaties van het Originele Zelf bevatten. Deze extra kwaliteit van de Creatieve (Originele) Zelf vormt de basis voor authenticiteit. Authenticiteit is beide, “Ik” én “mij”. Een en ander kan als volgt voorgesteld worden:

Er kan worden gesteld dat het Originele Zelf zich tezelfdertijd helder bewust is van “Ik” helder bewust zijnde envan “mij” gekleurd bewust zijnde. Anderzijds is de gecreëerde zelf er zich zelden gekleurd bewust dat “Ik” helder bewust ben van “mij” gekleurd bewust zijnde. Met andere woorden, gekleurd bewust zijn is slechts een deel van het verhaal.

Verschijnsel en schijn

Terug naar Hannah Arendt! Ze schrijft:

“Er gaapt immers een kloof tussen het inwendige en het uitwendige, tussen de grond van het verschijnsel en het verschijnsel – of anders uitgedrukt: ongeacht hoe verschillend en geïndividualiseerd we verschijnen en hoe weloverwogen we deze individualiteit ook gekozen hebben, toch blijft het altijd zo dat wij “binnenin allemaal hetzelfde zijn”, onveranderlijk, behalve wanneer onze innerlijke psychische en lichamelijke organen niet meer functioneren of wanneer, omgekeerd, iets tegen het verkeerd functioneren ondernomen wordt. Daarom is er in elk verschijnsel een element van schijn aanwezig: de grond zelf verschijnt niet. “ (Arendt, 2021, pp. 63-64)

Opmerkelijk dat m’n visie “dat de Originele Zelf met z’n Intrinsieke Waarde bij iedereen gelijk is” hier ondersteund wordt door de visie van Hannah Arendt: “binnen zijn we allemaal hetzelfde”. Voor haar is m’n gecreëerde zelf m’n buitenkant, die gemaakt is om te verschijnen en m’n Originele Zelf, m’n binnenkant die nooit verschijnt. Als de binnenkant zou verschijnen, zouden wij er allemaal hetzelfde uitzien, stelt Hannah.

En ook m’n visie met betrekking tot het helder en gekleurd bewustzijn wordt door Hannah onderschreven:

De wereld verschijnt in de modus van “het-schijnt-me-toe”, afhankelijk van bijzondere perspectieven die zowel bepaald worden door de plaats in de wereld als door de aard van de waarnemingsorganen. Deze modus produceert niet alleen dwaling, die ik kan corrigeren door van plaats te veranderen, het verschijnende van dichterbij te bekijken, mijn waarnemingsvermogen te verbeteren met behulp van instrumenten of door mijn verbeelding te gebruiken om mij van andere perspectieven rekenschap te geven; ze produceert ook echte schijn, d.w.z. bedrieglijke verschijnselen, die ik niet kan corrigeren zoals ik een dwaling corrigeer, omdat ze veroorzaakt worden door mijn gebondenheid aan de aarde als permanente verblijfplaats en verband houden met mijn eigen bestaan als één van de aardse verschijnselen.” (Arendt, 2021, p. 92)

Het denkende ego 

Hier gaat Hannah Arendt ten rade bij Immanuel Kant en stelt ze dat de denkende ik, Kants ‘ding-op-zich’ is, dat niet aan anderen verschijnt en ook niet aan zichzelf. Het denkende ego is louter activiteit en niet het zelf.

Heel interessant vond ik hoe Hannah Arendt brandhout maakt van de stellige zekerheid van Descartes: “Je pense donc je suis.” Juist omdat je om zekerheid over ‘iets’ te hebben nood hebt aan anderen die hetzelfde zien. Nu is denken een solitaire activiteit en is het denken niet zichtbaar en ontbreekt dus de toetssteen van anderen. Daardoor slaat Descartes de bal volledig mis. In de woorden van Hannah Arendt (2021, p. 75):

Bovendien, juist de denkactiviteit – de ervaring van het denkende ego – zaait twijfel over de werkelijkheid van de wereld en van mijzelf. Het denken kan vat krijgen op en zich meester maken van elke werkelijkheid – gebeurtenissen, voorwerpen, de eigen gedachten; hun werkelijkheid is echter de enige eigenschap die zich hardnekkig aan de greep van het denken onttrekt. Het cogito ergo sum is een misvatting, niet alleen in de zin dat uit het cogito enkel tot het bestaan van cogitationes kan worden besloten, zoals Nietzsche heeft opgemerkt; het cogito is dus voor dezelfde twijfel vatbaar als het sum. Het ik- ben is voorondersteld in het ik-denk; het denken kan deze vooronderstelling aangrijpen, maar het kan die bewijzen noch weerleggen.

Alles wat verschijnt wordt waargenomen in de modus “het-schijnt-me-toe” en is daardoor vatbaar voor dwaling en illusie, toch draagt het verschijnsel als bij voorbaat het stempel van werkelijkheid. Die werkelijkheid wordt gewaarborgd door zijn wereldlijke context, gezien anderen waarnemen zoals ik, en ook door de samenwerking van vijf zintuigen. En Arendt  (2021, p. 75) voegt daarbij, voor mij verrassend, het gezond verstand toe; het sensus communis van Thomas van Aquino. De noot van de vertalers – Dirk De Schutter en Remi Peeters – was een oogopener om (eindelijk) het begrip gezond verstand, als zijnde een zesde zintuig, ten volle waarderend te begrijpen:

“Gezond verstand” is in zekere zin de slechtst mogelijke, maar tegelijk de enig mogelijke vertaling van het Engelse common sense. Zoals het Latijnse sensus communis bewaart het Engelse common sense een verwijzing naar de zintuiglijkheid en beklemtoont het de gemeenschappelijkheid (intersubjectiviteit) van elke zintuiglijke waarneming. In die zin is common sense een soort zesde zintuig. In “gezond verstand” zit wel de notie van gemeenschappelijkheid, maar is er geen enkele verwijzing naar het zintuiglijke. Het woord “gezond” verwijst eerder naar het niet-aangeleerde dan naar de zintuiglijke waarneming. Ondanks deze verschilpunten hebben we in onze vertaling de term “gezond verstand” behouden, in de lijn van de traditie. (Arendt, 2021, p. 92)

Dit zesde zintuig is nodig om m’n vijf zintuigen samen te houden en om te waarborgen dat wat ik met die zintuigen waarneem er werkelijk is. Het zesde zintuig waarborgt wat waargenomen wordt in een met anderen gemeenschappelijke wereld. Hannah Arendt (2021, p. 76) vat meesterlijk samen:

In een wereld van verschijnselen, die doortrokken is van dwaling en schijn, wordt de werkelijkheid door de volgende drievoudige gemeenschappelijkheid gewaarborgd: de vijf zintuigen, die sterk van elkaar verschillen, hebben hetzelfde voorwerp gemeen; leden van dezelfde soort hebben de context gemeen die elk afzonderlijk voorwerp zijn bijzondere betekenis verleent; en alle andere met zintuigen toegeruste wezens zijn het eens over de identiteit van dit voorwerp, ook al nemen ze het vanuit volkomen verschillende perspectieven waar. Uit deze drievoudige gemeenschappelijkheid ontstaat de gewaarwording van werkelijkheid. 

Het gezond verstand is eigenlijk geen fysisch zintuig zoals de vijf andere. Het kan ook niet, zoals het denken, fysisch gelokaliseerd worden in de hersenen. Het denken kan evenwel het gevoel van werkelijk-zijn dat veroorzaakt wordt door het zesde zintuig, door de Fransen kenmerkend le bon sens – het goede zintuig – genoemd , niet bewijzen noch weerleggen. 

Het begrip dat de vooruitgang ‘oneindig’ is, waarmee ik sinds de ‘golden sixties’ opgroeide en het inspirerende principe van de wetenschap is, geeft aan dat die wetenschap floreert in het domein van het ‘gezond verstand’. Dwaling en misleiding is een inherent onderdeel van dit domein en wordt continu gecorrigeerd door wetenschappelijk onderzoek. Zo wordt het ‘steeds beter’, ‘steeds meer waar’ inherent vergezeld met het inzicht dat ‘het goede’ en ‘het ware’ onbereikbaar zijn. Zo ook zal m’n gecreëerde zelf nooit ten volle evolueren tot het Originele Zelf. Werd die ooit bereikt dan zou aan mijn zoektocht een einde komen en zou, in de wereld, aan de goesting om te weten en de zoektocht naar kennis een einde komen. Socrates had het bij het rechte eind: “Een wijs man is een man die weet dat hij niet weet.” en ik voeg er aan toe, en het volledig weten, de totale kennis zal zij of hij, gelukkig maar, nooit bezitten.

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

de Jager, P. (22 oktober 2015). Parsing the Personal Privacy Puzzle. Geraadpleegd op 13 mei 2021 van https://www.linkedin.com/pulse/parsing-personal

Edwards, B. (z.d.) Namaste and Sawubona, a Zulu greeting. Geraadpleegd op 13 mei 2021 van https://bridgetedwards.com/namaste-and-sawubona-a-zulu-greeting/

Goldsmith, E.S. (1996). “Henry Nelson Wieman: Introduction,” in W. Creighton Peden and Jerome A. Stone, eds., The Chicago School of Theology–Pioneers in Religious Inquiry, Volume II, The Later Chicago School, 1919-1988, 55, 57 

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Rohr, R. (2011); Falling Upward: A Spirituality for the Two Halves of Life. San Francisco: Jossey-Bass

Senge, P.M., Kleiner, A., Roberts, C., Ross, R.R., & Smith B. J. (1995). Het Vijfde Discipline Handboek: Strategieën en Instrumenten voor het Bouwen van een Lerende Organisatie. Schoonhoven: Accademic Services

Sullivan, G./O’Tool, G. (2014, 9 maart). We Don’t See Things As They are, We See Them As We Are. Geraadpleegd op 15 mei 2021 van https://quoteinvestigator.com/2014/03/09/as-we-are/

De cyclus van wantrouwen en hoe die te doorbreken

Deze column is gebaseerd op de tool “Maak een Selfie’ uit het boek van Martine Veeger ‘Superkrachten’ (Veeger, 2021) en op haar artikel “Hoe je onbewust in stand houdt, dat anderen niet doen wat je wilt.” (Veeger, 4 mei 2021).  Daarin wordt het patroon voorgesteld waardoor je volgens haar onbewust in standhoudt, dat anderen niet doen wat je wilt. Dat patroon noemt Martine de vicieuze cirkel. Deze is niet te verwarren met ‘mijn’ Vicieuze Cirkel uit m’n boek ‘Cruciale dialogen’ (Roels, 2012).

Het patroon dat Veeger beschrijft ziet er als volgt uit:

Merk op dat alle denkwerk gebeurt in jouw brein. 

Mevrouw Veeger stelt, teneinde bovenstaand patroon te doorbreken, het volgende voor:

In haar tool ‘Maak een Selfie’ beweert Martine Veeger dat met het gebruik van bovenstaand schema:

“De kans is groot dat je door je eigen gedrag aan te passen een nieuwe reactie bij de ander uitlokt. En de kans is heel groot dat dit gedrag beter past bij het gedrag dat je bij de ander wilt zien (Veeger, 2021).”

Ik durf dit, op grond van decennia ervaring, te betwijfelen. Het goede is dat haar schema een cirkel patroon is. Peter M.  Senge (Senge, 1990) schreef het al meer dan dertig jaar geleden in z’n bestseller ‘The Fifth Discipline’: “De werkelijkheid bestaat uit cirkels, maar wij zien rechte lijnen.” En gelijk had hij. Onze lineaire mindset is de hoofdoorzaak van onze beperktheid de werkelijkheid echt te zien. Gezien ik per definitie een andere mindset heb dan mevrouw Veeger, kom ik tot een andere ‘waarheid’. Het gebrek dat ik zie in het denkpatroon van Veeger is dat de mindset van de ander niet in haar tool is opgenomen. Anders gesteld, er is maar één denker. De werkelijkheid is wel complexer!

Martine Veeger’s vicieuze cirkel wordt in de systeemtheorie de versterkende lus genoemd. De psycholoog Robert Merton noemde dit verschijnsel de “self-fulfilling profecy” (Merton, 1948). Anderen noemen diezelfde cirkel dan weer het Pygmalion effect. Dit naar het beroemde toneelstuk van George Bernard Shaw (Shaw, 2005), wat later ‘My Fair Lady’ werd.  Het is een neerwaartse spiraal met een sneeuwbaleffect waarin iets slecht begint en steeds maar erger wordt. Een recent, weliswaar een verre van dramatisch, voorbeeld van dat laatste is het (Belgisch) fenomeen van het hamsteren van wc-papier bij het begin van de Corona pandemie. In m’n boek ‘Creatieve wisselwerking’ beschreef ik deze vicieuze cirkel als de cyclus van wantrouwen (Roels, 2001), dit in het kader van wat zich nogal eens afspeelt in een bedrijf. Ik stelde daarbij dat het voor managers en werknemers essentieel is te begrijpen hoe de cyclus van wantrouwen werkt. Een basisoorzaak, die aan de grond ligt van heel wat problemen binnen heel wat bedrijven, was – naar mijn ervaring als consultant in tientallen bedrijven –  dat  het topmanagement en de werknemers elkaar voor een stuk wantrouwden. Elke partij was ervan overtuigd dan de andere gestuurd werd door eigenbelang. Daarbij veronderstelde men dat de ene partij haar belangen verdedigde ten koste van de andere en omgekeerd.

De werknemers vreesden dat de directeur uiteindelijk zijn eigenbelang (lees eigen carrière) zou plaatsen boven de doelstellingen van de (lokale) Organisatie en de gerechtvaardigde noden van diens werknemers. Op dezelfde wijze vreesde de directeur van de vestiging in kwestie dat de werknemers hun eigenbelang plaatsten boven de belangen van de (lokale) Organisatie, de Klanten, de Productie, de Kwaliteit en de Veiligheid.

De cyclus van wantrouwen

De cyclus van wantrouwen is een combinatie van negatieve aannames en zelfbeschermend gedrag vervat in een zichzelf versterkende spiraal die herhaaldelijk zowel leidinggevenden als werknemers meesleept. De volgende figuur geeft een beeld van de cyclus van wantrouwen.

De cyclus kan om het even waar starten. Wij kiezen in wat volgt om arbitrair de beschrijving van de zeven stappen te starten met de negatieve aannames van de manager:

  1. Negatieve aannames: Een manager heeft negatieve veronderstellingen gebaseerd op aannames omtrent het eigenbelang van de werknemer(s) en hun hebbelijkheid om organisatieproblemen te creëren;
  2. Zelf beschermend gedrag: De manager gedraagt zich op een zelf beschermende manier die erop gericht is zijn eigen status te verdedigen tegen de potentieel negatieve acties van de werknemers;
  3. Waargenomen als agressief gedrag: De werknemers zien het zelf beschermend gedrag van de manager en interpreteren het als agressief en gesloten;
  4. Versterkte negatieve aannames: De werknemers zijn ervan overtuigd dat het agressief gedrag van de manager een teken van wantrouwen is en mogelijk van manipulatieve aard. Dit versterkt de negatieve aannames en stereotypen van de werknemers over de manager;
  5. Zelf beschermend gedrag: De werknemers gedragen zich op een zelf beschermende wijze teneinde zich te beschermen tegen de potentieel negatieve acties van de manager;
  6. Waargenomen als agressief gedrag: De manager ziet het zelf beschermend gedrag van de werknemers en interpreteert dit als agressief en gesloten;
  7. Versterkte negatieve aannames: De manager is ervan overtuigd dat het agressief gedrag van de werknemers een teken van wantrouwen is en mogelijk van manipulatieve aard is. Dit versterkt de negatieve aannames en stereotypen van de manager met betrekking tot zijn werknemers.

Martine Veeger schrijft dat je een vicieuze cirkel kan doorbreken door consistent een ander gedrag te vertonen. Wat ze niet belicht, is dat je daartoe naar jezelf moeten kijken en je eigen denkkader (mindset) duchtig in vraag dient te stellen. En niet alleen dat, je zal uiteindelijk het eigen gedrag duurzaam dienen te veranderen. De oplossing die Veeger aanreikt, is nogal manipulatief en bestaat erin dat men zelf een ‘gekunsteld’ nieuw gedrag dient te vertonen teneinde de ander aan te zetten te doen wat jij wenst te doen. En daarin zit het manipulatieve: men wenst dat de ander doet wat je wilt dat hij doet. Heeft weinig te maken met empathie en synergie!

Ik ben van mening dat om haar vicieuze cirkel te doorbreken je eerst de eigen mindset dient te veranderen. Dit kan men maar door het gedrag van de ander waarderend te begrijpen en samen met de ander naar een Gedeelde Mening te streven. Die Gedeelde Mening is steeds verschillend van de eigen initiële visie. Een mindset transformatie heeft dus plaatsgehad. Duurzame gedragsverandering volgt nu eenmaal uit duurzame mindset verandering. De beroemde Nederlandse filosoof Johan Cruyff zei ooit: “Je gaat het pas zien als je het doorhebt.” Edoch, de mindset kleurt de bril waardoorheen men de werkelijkheid ziet. Of, zoals Anaïs Nin in een van haar boeken schreef: “We do not see things as they are, we see them as we are.” (Nin, 2014); in het Nederlands luidt dat: “Men ziet de werkelijkheid niet zoals die is, men ziet ze zoals men zelf is.” Quote die Stephen R. Covey parafraseerde in ‘The Seven Habits of Highly Effective People’, zonder overigens te vermelden waar hij de mosterd haalde (Covey, 1990). Een vervelende gewoonte van deze goeroe, die wel het begrip paradigma, als synoniem van onder meer denkkader, wereldberoemd maakte.

Een bijkomend gebrek dat ik in haar aanpak om het nefaste patroon van haar vicieuze cirkel te doorbreken zie, is dat er maar één brein aan bod komt. Het is alsof diegene die de cirkel wenst te doorbreken een allesweter is en dat het voldoende is om in de schoenen van de ander te staan om diens werkelijkheid te zien. Martine Veeger’s oplossing zit volgens mij aan de verkeerde kant van de eye ball van diegene wiens gedrag stoort. Ook is er in haar visie blijkbaar geen plaats voor een dialoog tussen beide protagonisten, want dat komt niet ter sprake. In mijn ervaring is enkel een diepgaande dialoog bij machte de impasse te doorbreken. Niet om van de ander te bekomen wat je wenst te bekomen, maar om te bekomen wat het beste is voor beiden. Een bijkomende spin-off van die dialoog is dan een sterk verbeterde relatie tussen beiden.

De eerste stap in het patroon van Martine Veeger is “het gedrag van de ander dat jou stoort.” Daarbij denk ik direct aan de theorie van de Kernkwadranten van ir. Daniel Ofman. Wanneer het gedrag van de ander jou stoort, heeft dat volgens Ofman vaak te maken met een Uitdaging van jezelf (Ofman, 1999). Een mens blijkt namelijk allergisch te zijn voor een te veel van de eigen uitdaging. Hij noemt dat dan ook jouw Allergie. Anders gesteld, waar men zich aan stoort bij een ander, is waarschijnlijk te veel van iets goeds dat men zelf juist het meeste nodig heeft. Iemand kan het meest over zichzelf leren van diegenen waar hij het moeilijkst mee om kan gaan. Om te kunnen leren van die ander dient men met haar of hem in dialoog te gaan. Dit is een totaal andere aanpak dan deze van Martine Veeger. Ze grijpt het storend gedrag niet aan om iets over zichzelf te leren, ze geeft handvatten om het gedrag van de ander te wijzigen om van die ander te bekomen wat men wenst te bekomen. Volgens mij een gemiste kans om te leren en te groeien!

Hoe ziet mijn oplossing er dan uit? Diegenen die mij kennen kunnen het antwoord op die vraag al vermoeden. De laatste vijfentwintig jaar ben ik bezig met het antwoord op een andere levensvraag: “Wat kan de ‘mind’ veranderen, gezien de mind dat zelf niet kan?”. Het antwoord op die vraag werd meer dan een eeuw geleden reeds gevonden door Henry Nelson Wieman en het zuiverst beschreven in z’n boek ‘Man’s Ultimate Commitment’ (Wieman, 1958). Het proces dat mindset transformatie teweegbrengt, noemde hij uiteindelijk Creative Interchange (Creatieve wisselwerking). Dus ben ik al een kwart eeuw doende dit proces van binnenuit te beleven, met veel vallen en evenveel opstaan. 

Om Veeger’s vicieuze cirkel en mijn cirkel van wantrouwen echt te doen stoppen, dienen beide protagonisten een cruciale dialoog aan te gaan. Hoe je dit voor elkaar brengt is beschreven in m’n boek ‘Cruciale dialogen’ (Roels, 2012). Zo komt men enerzijds tot een Gedeelde Mening over de werkelijkheid en anderzijds, bij een groot verschil tussen die mening en de gewenste werkelijkheid, kan Creatieve wisselwerking zorgen voor de broodnodige transformatie. Dat dit alles iets lastiger is dan wat Martine Veeger voorstelt in haar tool is een eufemisme om u tegen te zeggen.

Bibliografie

Covey, S. R. (1990). The seven habits of highly effective people: Powerful Lessons in Personal Change. New York: Fireside. 

Merton, R. (1948). The Self-Fulfilling Prophecy. The Antioch Review, (2), pp. 193-210. doi:10.2307/4609267

Nin, A. (2014). Seduction of the Minotaur. Athens: Ohio University Press.

Ofman, D. (1999). Bezieling en kwaliteit in organisaties. Utrecht-Antwerpen: Kosmos-Z&K (Servire).

Roels, J. (2001). Creatieve wisselwerking. Leuven-Apeldoorn: Garant. pp. 204-206.

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Antwerpen-Apeldoorn: Garant. pp. 103-121.

Senge, P. M. (1990). The Fifth Discipline: The Art & Practice of the Learning Organization. New York: Doubleday. 

Shaw, G. B. (2005). Pygmalion. New York: Simon & Shuster 

Veeger, M. (2021). Superkrachten.  Culemborg: van Duuren Management.

Veeger, M. (4 mei 2021). Hoe je onbewust in stand houdt, dat anderen niet doen wat je wilt. Geraadpleegd op 6 mei 2021 van https://www.managementsite.nl/hoe-onbewust-stand-houdt-dat-anderen-doen  

Wieman, H. N. (1958). Man’s Ultimate Commitment, Carbondale: Southern Illinois University Press. 

IDENTITEIT, ZOALS GEDEFINIEERD BINNEN DE FILOSOFIE, EN CREATIEVE WISSELWERKING

Inleiding

De studie over etnische en raciale identiteit wekt recent veel interesse vanuit verschillende sociale disciplines, zoals de antropologie, de psychologie, de sociologie, de politieke wetenschappen en de filosofie. Een van de moeilijkheden bij het bestuderen van identiteit is dat die verschillend gedefinieerd en geconceptualiseerd wordt door zowel de diverse sociale wetenschappen als de individuele onderzoekers. In het algemeen kunnen we zeggen dat sociologen en antropologen vooral op de sociale dimensies van etnische identiteit focussen. De meeste schrijvers over identiteit zijn echter psychologen De psychologen hebben de neiging om vooral naar de persoonlijke en emotionele betekenis in de ontwikkeling van identiteit te kijken, uitzondering is te maken voor de psychologen in de richting Sociale psychologie. Binnen de filosofie gaat identiteit vooral over de Ander of meer bepaald over de relatie met de Ander. Filosofen, zoals Bleri Lleshi Gjopalaj, definiëren identiteit als hoe men zichzelf voorstelt en definieert in relatie tot de ander[i].

Bleri hanteert daarbij de definitie van Bikhu Parekh: 

Identity basically refers to how one identifies and defines oneself in relation to others. It is a way of announcing to the world and affirming to oneself who one is and how one positions oneself in the relevant area of life.
(Wetherell, Laflèche & Berkeley, 2007: 132) 

Identiteit refereert aan hoe men zichzelf identificeert en definieert in relatie tot de ander. Het is een manier om zich aan de wereld bekend te maken en zo te bevestigen wie men is en hoe men zich positioneert in bepaalde relevante gebieden van het leven.

Dit is een duidelijk zich identificeren naar buiten toe, dat kan de Ander zijn en evengoed ook een situatie of plek. Voor Bleri Lleshi is het essentiële deel van identiteit een strikt individuele component van ons zijn edoch dat is niet alles. Identiteit heeft voor hem steeds te maken met hoe wij ons identificeren en definiëren in relatie tot de Ander.

Identiteiten zijn dynamisch, dus geen vast gegeven en nergens aan vastgehaakt en daardoor altijd in beweging. Dat ‘in beweging’ zijn van de identiteit heeft niet zo zeer met fysische beweging te maken dan wel met transformatie. Men is in het kader van identiteit vooral tussen de twee oren in beweging. Reflecteren is niet zozeer actieve beweging en toch is het een dynamisch gebeuren dat de identiteit transformeert.

Dit heb ik zelf ervaren want ik ben van wat men een ‘zekere’ leeftijd noemt. Men kan mij dus ook zien als een ervaringsdeskundige op gebied van dynamische identiteit. Kortom, het leven zelf is dynamisch en zorgt ervoor dat de identiteit van de persoon dat ook is. Dat is het ‘voordeel’ van ouderen. Ze hebben alle vele levensfases doorlopen en weten uit ervaring dat hun identiteit dynamisch is.

Identiteit is een proces

Identiteit is altijd in beweging en is nooit een absoluut bereikt feit. Daardoor is voor mij identiteit een proces, meer nog identiteit wordt gevormd door het creatief wisselwerkingsproces. 

Aan mij om deze boude uitspraak in deze column te bewijzen.

Voor een beschrijving van het creatief wisselwerkingsproces verwijs ik graag naar eerdere columns[ii] en naar mijn boek ‘Cruciale dialogen’[iii].

Het kader waarin ik mijn uitspraak plaats is dat van de Sociaal Werker. Het gereedschap bij uitstek van de Sociaal Werker is de dialoog. En dat in de eerste plaats om de Ander te begrijpen. 

Met het voeren van een correct gesprek hebben de meesten in de huidige maatschappij het erg moeilijk. Een echt gesprek impliceert namelijk goed luisteren. De meesten onder ons zijn goed opgeleid om te debatteren of te discussiëren, niet om een goed gesprek te kunnen voeren. We willen gelijk halen en tijdens het gesprek luisteren we vooral naar de ander, niet om haar of hem te begrijpen, maar om haar of zijn argumenten onderuit te halen. En van zodra de ander is uitgesproken gaan we in de ‘tegenaanval’. Bovendien lijkt tijd maken om echt te luisteren tegenwoordig problematisch. Ik vind het daarom uitstekend dat een kwart van de te verdienen punten aan het eerste jaar van de PBA Sociaal Werk aan de UCLL te Leuven toegekend zijn aan het vak Praktijk en Communicatie[iv].

Identiteit transformeert zich gedurende de dialoog met de Ander

Iedereen is uniek. Een neveneffect daarvan is dat er, binnen het kader van Sociaal Werk, meestal fundamentele verschillen zijn tussen de gesprekspartners. Die verschillen (in inzichten, persoonlijkheid, …) zorgen ervoor dat het gesprek bijna per definitie moeilijk verloopt. Daardoor is het voor een Sociaal Werker van uitzonderlijk belang goede gesprekken te hebben. Een goed gesprek is, niet meer en niet minder, een dialoog. En bij moeilijke gesprekken zelfs een Cruciale dialoog en die verloopt het best volgens het Cruciale Dialoogmodel gebaseerd op Creatieve wisselwerking

De dialoog

Een gesprek kan wellicht het eenvoudigst aangeduid worden als “het beïnvloeden van en het beïnvloed worden door de ander”. De vorm van tweegesprek aangewezen voor elke Sociaal Werker is de dialoog.  Let wel, de dialoog is een van de vijf volgende mogelijkheden:

De monoloog: Twee types: 

  1. Ik geef en de ander ontvangt niet. Ik geef, maar hou geen rekening met het feit of de ander al dan niet wil ontvangen; 
  2. De ander geeft maar ik ontvang niet want ik ben op dat ogenblik niet in staat of bereid dat te doen.

Het debat: Twee types:

  1. Ik geef en de ander ontvangt. De ander is echter niet in staat of bereid iets terug te geven;
  2. Ik ontvang en de ander geeft. Ik ben op dat ogenblik niet in staat of bereid iets terug te geven.

De discussie: Ik geef en de ander geeft. We zijn echter geen van beiden bereid of in staat om te ontvangen. Ons “geven” komt in het midden samen en leidt vaak tot spanning of, anderzijds, tot leegte.

Het beleefd gesprek:  Ik geef en de ander geeft én we zijn beiden bereid om te ontvangen, doch wat we ontvangen laten we niet diep in ons doordringen; het krijgt geen kans ons werkelijk te veranderen.

De dialoog: Ik en de ander geven én ontvangen op een zeer open manier waarbij we ons bewust zijn van de beïnvloeding door de ander. Daarbij zijn we bereid om te veranderen, om onze visie aan te passen, om ons oordeel om te vormen. 

Het is bewezen dat niet-effectieve tweegesprekken de sfeer, de motivatie en de productiviteit negatief kunnen beïnvloeden. Willen wij de motivatie, productiviteit en creativiteit positief beïnvloeden dan is het van essentieel belang dat cruciale dialogen efficiënt gevoerd worden.

Hoewel bovenstaande is geschreven vanuit het oogpunt van een tweegesprek, stellen wij hier duidelijk dat wij ook kunnen dialogeren in groep en zelfs een dialoog kunnen voeren met onszelf. Om dit ten volle te begrijpen, grijpen wij terug naar de betekenis van het begrip dialoog. Het woord dialoog komt uit het Grieks: dia-logos, waarbij dia “doorheen” betekent en logos “woorden, beelden”. Dialoog wordt door P. Senge kernachtig “stroom van betekenis”[v] genoemd. Stroom van betekenis in de beelden en woorden doorheen de deelnemers dus. Bij een dialoog steekt niemand er bovenuit, niemand heeft de ‘macht’, de gesprekspartners staan, althans binnen de dialoog, ‘op gelijke hoogte’.

Rest ons nog het begrip Cruciale dialoog te duiden. Die heeft volgende kenmerken[vi]:

  • Er is een probleem (i.e. een belangrijk verschil tussen de ‘werkelijke’ situatie en de ‘gewenste’ situatie); 
  • De inzichten verschillen merkelijk; 
  • De uitkomst van het gesprek heeft wel degelijk belang;
  • De emoties ‘laaien op’.

Dialoog met de Ander

Samenleven met de Ander in een gediversifieerde maatschappij is een uitdaging voor alle leden van die samenleving. Het is een belangrijk vertrekpunt waarmee de leden van de samenleving akkoord moeten gaan, zodat ze hun verantwoordelijkheid niet op elkaar afschuiven, maar vooral opnemen. 

Een eerste stap naar het dragen van die verantwoordelijkheid is het open staan voor dialoog met de Ander. De Ander maakt immers deel uit van dezelfde samenleving en het is via dialoog dat men te weten kan komen wie de Ander werkelijk is. Wij maken die samenleving met z’n allen. 

Aangezien wij constant veranderen, verandert de samenleving met ons mee. Men dient zich van dit feit bewust te worden en niet langer pleiten voor het bewaren en het afschermen van de zogenaamde goede, oude samenleving waar geen plaats is voor de Ander die anders is. Leden die hun samenleving zogezegd afschermen door structuren uit te vinden en normen en waarden uit te stippelen, zijn zelf de Ander in hun eigen samenleving. Daarom dienen we te pleiten voor een samenleving waarin we de Ander ontmoeten en dus een samenleving die open staat voor de Ander, want open staan voor de Ander betekent tegelijk open staan voor zichzelf en de veranderingen die we samen als deel van een maatschappij ondergaan.

Daarbij dienen we het werkwoord ‘ontmoeten’ te splitsen in ‘ont – moeten’. Dat is onvoorwaardelijk werken: niets moet en alles mag. Relaties opbouwen steunt op ‘openheid’ en ‘vertrouwen’. Dit tweespan is cruciaal bij ‘authentieke interactie’. Men kan namelijk niet ‘authentiek’ zijn als men niet open is, en men kan niet authentiek en open zijn wanneer men elkaar niet vertrouwt. Niet toevallig zijn openheid en vertrouwen de basisvoorwaarden voor Authentieke Interactie zoals volgende figuur, het eerste kwadrant van het Cruciale Dialoogmodel, aangeeft:

Gedurende deze fase komen de feiten, waarnemingen en objectieve gegevens van ‘waar we staan’ aan bod. Deze dienen geobserveerd te worden met het helder bewustzijn. Dit impliceert dat de sociaal werker kennis heeft van de twee soorten bewustzijn die cruciaal zijn bij dialogen met hun cliënten; met name het helder en het gekleurd bewustzijn. Voor het onderscheid tussen het helder en gekleurd bewustzijn verwijzen we naar de reeds eerder vermelde column[vii].

De eerste fase van het Cruciale dialoogmodel heb ik de naam Communicatie meegegeven en omvat de eerste karakteristiek van het creatief wisselwerkingsprocesAuthentieke Interactie. Naast de twee basiscondities omvat deze fase ook vier vaardigheden die in wisselwerking zijn met de basisvaardigheden. Het doel van deze fase is het correct begrijpen van de Ander en daarbij zijn de vaardigheden de hulpmiddelen daartoe. De eerste vaardigheid ‘Kernvraag’, duidt op het helderstellen van de vraag of het onderwerp van de dialoog. De tweede vaardigheid noemt ‘Bepleiten en Bevragen’ en het is raadzaam om die twee elementen gedurende de dialoog ‘om te draaien’. Hier mee bedoel ik dat het aan te raden is eerst de Ander te bevragen, dus te vragen naar zijn observatie van de werkelijkheid, vooraleer te pleiten voor jouw visie. In deze communicatiefase is het van belang dat de twee volgende vaardigheden “Non-verbale communicatie’ en ‘Bevestigend Parafraseren’ ten volle aan bod komen. Men heeft inderdaad de Ander maar ten volle begrepen wanneer men diens standpunt kan parafraseren en dat de Ander die parafrase bevestigt.

De dialoog stopt niet bij het begrijpen van de Ander, men dient ook waarderen wat men van de Ander begrepen heeft. Dit gebeurt in de tweede fase van het Cruciale dialoogmodel, Appreciatie. 

Om een situatie waarderend te kunnen begrijpen kleurt men de ‘heldere’ waarheid in met het gekleurd bewustzijn. De perceptie is niet anders dan de interpretatie van de sensatie. De interpretatie gebeurt met wat ik het gekleurd bewustzijn noem. Men ziet inderdaad de werkelijkheid niet zoals deze is, men ziet die realiteit zoals men zelf is. Dus met het eigen denkkader, de eigen mindset of, metaforisch, de eigen gekleurde bril. 

De twee deelnemers aan de cruciale dialoog: de sociaal werker en de Ander hebben elk hun eigen gekleurde bril op hun neus staan en zien dus de werkelijkheid per definitie verschillend. Om uit de impasse te geraken, want niemand heeft heus de waarheid in pacht, dienen in deze fase de twee basiscondities Nieuwsgierigheid enKunnen omgaan met onzekerheid (ambiguïteit) ten volle aanwezig te zijn. 

In een dialoog staat de Ander centraal. Daarbij zijn niet de overeenkomsten, noch het hertalen van de standpunten van de ander in ons eigen denkkader, noch identiek trachten te zijn als de Ander, belangrijk. Van groot belang zijn de verschillen; die zijn essentieel binnen de cruciale dialoog. De cruciale dialoog verwerpt assimilatie- en immersiemethodes als benaderingen om met verschillen in diversiteit om te gaan. Om de verschillen te kennen moet men eerst en vooral in dialoog treden. In dialoog treden met de ander is echt luisteren en verwerken wat de ander aan ons communiceert; het is niet louter een uitwisseling van ideeën. Wat vooral van belang is in de dialoog is hoe we in het gesprek met de ander onze eigen initiële veronderstellingen en opvattingen kunnen transformeren en overstijgen. De dialoog is wederzijds: mijn visie wordt aan de standpunten van de Ander blootgesteld, terwijl het perspectief van de ander ook aan mijn visie blootgesteld is. De verschillende mindsets (denkkaders, persoonlijke paradigma’s) kunnen door de dialoog ten goede (verrijkend en verdiepend) getransformeerd worden. De succesvolle dialoog heeft als de ware transformerende macht. Gezien de Cruciale dialoog gebaseerd is op het creatief wisselwerkingsproces, is hiermee aangetoond dat Creatieve wisselwerking de mindset transformeert. Wanneer de mindset transformeert, transformeert de manier om zich aan de wereld te bevestigen wie men is en hoe men zich positioneert in bepaalde relevante gebieden van het leven en is dus de identiteit getransformeerd. Quad erat demonstrandum.

Nog meer over het in dialoog treden met de Ander

Gadamer ging er van uit dat de Ander gelijk heeft[viii] en dat is nu juist wat de conditie kunnen omgaan met onzekerheid betekent. De andere conditie, nieuwsgierigheid, helpt dan te onderzoeken hoe het komt dat de Ander een totaal andere mening over de werkelijkheid heeft dan dat men zelf heeft. Daarbij gaat men ervan uit dat het goed zou kunnen dat de ander het aan het rechte eind heeft. Anders gesteld, men zet het eigen denkkader, met diens gebeitelde mening, even ‘on hold’ en beleeft het adagium ‘Ik heb de waarheid niet in pacht’ ten volle van binnenuit. Ieder heeft zijn eigen ‘waarheid’ en dat is per definitie niet ‘de’ waarheid.

Door de Ander waarderend te begrijpen leren we het anders-zijn van de Ander te erkennen en onszelf in vraag te stellen. Dat wil niet zeggen dat we alles wat de ander zegt en wil, blindelings moeten volgen. De wil om te luisteren en te erkennen wat de ander zegt is het vertrekpunt. Daarna volgt de versmelting van de meningen tot een Gedeelde Mening. We hebben beide de waarheid niet in pacht en delen wel onze waarheid met elkaar, wat het mogelijk maakt een gezamenlijke waarheid te creëren die dichter komt bij ‘de waarheid’.

Hierbij zijn volgende gesloten vragen van Peter M. Senge veelbetekenend: 

Do we hear with our ears? Do we see with our eyes? Or do we see and hear with our distinctions?[ix]

Uit het antwoord volgt dat de kwaliteit van het Waarderend Begrijpen recht evenredig is met de kwaliteit van de distincties die men waarneemt. En gezien we verschillend zijn, hebben we verschillende ‘distincties’ en zien we de werkelijkheid verschillend. Wat krachtig is aan de dialoog is dat wel elkaar onze persoonlijke distincties kunnen aanleren, zo horen en zien we meer van de werkelijkheid. Zo leerde ik klassieke muziek appreciëren door Leonard Bernstein[x] die mij zijn distincties meegaf. Ik hield al van z’n West Side Story en met z’n Young People’s Concerts, leerde de charismatische dirigent van de New York Philharmonic mij op z’n bevattelijke en aanstekelijke manier klassieke muziek waarderen. 

In de loop der jaren ben ik er achter gekomen dat ik misschien wel geen enkele waarheid in pacht heb, mijn ‘waarheden’ veranderden namelijk dikwijls gedurende mijn leven. Het enige dat ik bezit is een stelsel van overtuigingen dat continu in ontwikkeling is en verandert, idealiter – naar ik hopen mag – ten goede. 

Wat ik u nu met deze column aanbied is niet de waarheid. Ik bied u mogelijkheden aan. Weliswaar zijn deze mogelijkheden, in mijn perceptie met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, de beste die er te vinden zijn. Het is echter aan u om die mogelijkheden tot de uwe te maken die het best bij u passen. 

Wij hebben elk onze eigen waarheid, wat we kunnen doen is elkanders waarheid appreciëren en van daaruit een nieuwe waarheid creëren, een reservoir van Vedeelde mening. Dit komt neer op de verschillende meningen met elkaar vermengen tot een inhoud die voor eenieder aanvaardbaar is. Ten einde een Gedeelde Mening te creëren dient elkeen wat zij of hij heeft waargenomen, in vraag durven stellen. Deze invraagstelling van de denkkaders gebeurt op een integere manier, men schetst eerlijk hoe men de gegevens, de boodschap waardeert en staat open voor de waardering ervan door de ander. 

Dit zeer belangrijk onderdeel van de dialoog kan als volgt weergegeven worden:

Bij het waarderen van elkaars meningen worden een viertal vaardigheden ingezet: 

  1. Nederig vragen;
  2. Het vinden van de ‘plus’ achter de ‘min’;
  3. Integreren van verschillende inzichten;
  4. Invraagstelling van Mentale modellen.

Voor de bespreking van die vier vaardigheden verwijs ik graag naar m’n boek (Roels, J. 2012

Dat mensen dezelfde werkelijkheid op een verschillende manier zien komt volgens Peter Senge, zoals we hierboven zagen, omdat mensen verschillende distincties hebben. Mensen zijn gelukkig verschillend en die diversiteit maakt creativiteit mogelijk. Het vormen van een Gedeelde Mening is een wezenlijk onderdeel van de dialoog. De Griekse oorsprong van het woord Dia-logos betekent “doorheen mening”. Dus betekent dialoog eigenlijk het creëren van mening door(heen) de deelnemers aan de dialoog. Dit impliceert het elkaar ten volle waarderend begrijpen. 

Nogmaals, een dialoog is verre van een discussie! De Griekse oorsprong van het woord discussie betekent fragmenteren. Je vindt dezelfde ‘roots’ in de woorden contusie (kneuzing) en percussie (slagwerk). Wat we doen bij een discussie is elkaar trachten overtuigen met ‘slaande’ argumenten. Daardoor worden dingen stuk geslagen. Beide gesprekpartners nemen een verschillend standpunt in dat ze met slagkracht verdedigen. Bij een dialoog streven we naar een Gedeelde Mening. Deze wordt op een ‘synergetische’ wijze gecreëerd uit beide standpunten. Daardoor bouwen we beiden aan een groter geheel en zien we meer van de werkelijkheid. We bouwen aan een gedeelde visie: het beeld in mijn hoofd is hetzelfde als in jouw hoofd. Kortom het doel van deze fase is te komen tot een gedeelde visie van de werkelijkheid. 

Een korte typering van het begrip dialoog zou kunnen zijn dat het een uitstekend hulpmiddel is om een Gedeelde Mening te creëren over wat er werkelijk in het nu aan het gebeuren is. Gedurende een dialoog is het niet een kwestie van informeren of overtuigen. De intentie is de werkelijkheid waarderend te begrijpen. Dit is iets heel anders dan informeren of overtuigen. 

In de dialoog zijn er geen hiërarchische niveaus. In de dialoog is de relatie er een onder gelijken. Dit in te zien maakt het gemakkelijk om het oordeel op te schorten. Het geeft ook aan dat niemand de waarheid in pacht heeft. Wij creëren de waarheid door een dubbele lus. Door het aanleren en gebruiken van de Cruciale Dialoogvaardigheden worden dialogen op een hoger niveau getild en creëren we niet alleen een nieuwe persoonlijke identiteit, ook een nieuwe gezamenlijke cultuur.

Om tot een Gedeelde Mening te komen mogen we er niet vanuit gaan dat het zenden van een boodschap automatisch een gedeelde mening creëert. Wanneer we iets aan een ander meedelen, gaan we er te veel van uit dat de ander de boodschap begrijpt zoals we deze hebben bedoeld. We vergeten daarbij dat meningen door mensen gedragen worden, niet door woorden. Hetzelfde woord kan heel verschillende betekenissen hebben voor de deelnemers aan de dialoog. Ook de intentie van diegene die boodschap brengt is initieel van ondergeschikt belang. Het belangrijkste is wat diegene die de boodschap krijgt er van begrijpt. Hij moet als het ware de boodschap correct decoderen. Daarom laat hij de Ander eerst uitspreken. Valt deze dus niet in de rede. Terwijl de Ander spreekt luistert men en is men niet een tegenargument aan het zoeken, dit is een discussie gedrag. Echt luisteren wil niet zeggen dat men met wat de Ander zegt akkoord gaat. Zelfs Waarderend Begrijpen betekent niet dat men per sé akkoord is met wat de Ander zegt. Dit kan uiteraard wel, maar het is geen conditio sine qua non om waarderend te begrijpen. Waarderend Begrijpen vergt een open geest, en betekent dus niet akkoord gaan met alles wat de ander zegt. Je kunt perfect het standpunt van de ander begrijpen en waarderen waar het op is gebaseerd en toch het er niet volledig mee eens zijn. Maar je hebt de ander ten volle begrepen. Je hebt begrepen dat wanneer je in de Ander haar of zijn schoenen zou staan je denkelijk hetzelfde standpunt zou huldigen. 

De kracht van de vaardigheid ‘Integreren van de verschillen’ is dat uit de verschillende inzichten uiteindelijk een Gedeelde Mening wordt gevormd met betrekking tot de cruciale vraag of het probleem. Later zullen we zien dat dezelfde vaardigheid er ook voor zorgt dat er een Gedeelde Mening wordt gecreëerd inzake de mogelijke oplossing(en). 

In fase 2 van het Cruciaal Dialoogmodel start men met tezamen te denken. Door onze opinies met elkaar te delen, zonder angst om aangevallen te worden, kunnen we gezamenlijk die opinies naar waarde schatten, we denken gezamenlijk[xi]. Dit kunnen we niet als we onze opinies mordicus verdedigen. 

Door de creatie van de Gedeelde Mening hebben we elkaar volledig begrepen. Nogmaals, Gedeelde Mening wil niet zeggen dat iedereen in de Cruciale dialoog de zaken op dezelfde manier ziet. Gedeelde Mening betekent dat elkeen die betrokken is in de dialoog uiteindelijk dezelfde mening heeft betreffende de cruciale vraag. Gedeelde Mening wordt werkelijkheid wanneer de deelnemers aan de dialoog elkaars perspectieven goed genoeg begrijpen om deze als legitiem te kunnen aanvaarden in de context van het begrijpen en (later het) oplossen van het gesteld probleem. 

In een oprechte dialoog vinden de gesprekpartners elkaar en ontwikkelen ze samen een gemeenschap waarbij ze nader komen tot de Ander, omdat ze die Ander vinden in zichzelf én in de Ander. Het is niet meer ‘het een of het ander’, zelfs niet meer ‘het één en het ander’, het is ‘het één en het ander & verschillend van’, gezien beider identiteit, van de één en de Ander, is getransformeerd.


[i] Lleshi Gjonpalaj, B. (2020). Deze column is zwaar geïnspireerd door de les over Identiteit van docent Bleri Lleshi, zoals gegeven gedurende het academiejaar 2020-2021 aan de eerstejaars PBA Sociaal Werk van de UCLL in Leuven.

[ii] Roels, J. (2021). Sterk Sociaal Werk en Creatieve wisselwerking. Column geraadpleegd op 21.01.2021 via http://www.creativeinterchange.be/?p=1761

[iii] Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Het dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

[iv] Taveirne, K. (2020). Praktijk & Communicatie (B-UCLL-MBW26A). Geraadpleegd op 10-01-2021 via http://onderwijsaanbod.leuven.ucll.be/2020/syllabi/n/MBW26AN.htm

[v] Senge, P. in het voorwoord (pagina xvii) van Isaacs, W. (1999). Dialogue and the art of thinking together. A pioneering approach to communication in business and in life. New York: Doubleday.

[vi] Patterson, K., Grenny, J., McMillan, R., en Switzler A. (2002). Crucial Conversations, Tools for talking when stakes are high. New York, McGraw-Hill.

[vii] Roels, J. (2021). Sterk Sociaal Werk en Creatieve wisselwerking. op.cit.

[viii] Van Tongeren, P. (2014). Toen aan de 90-jarige Gadamer – aan het eind van een lang interview – gevraagd werd of hij zijn filosofische hermeneutiek in één zin zou kunnen samenvatten, antwoorde hij zonder aarzeling positief: “Het zou kunnen zijn dat de ander gelijk heeft.” Geraadpleegd op 16.01.2021 via https://deuilvanminerva.be/content/waarheid-en-methode-hoofdlijnen-van-een-filosofische-hermeneutiek   

[ix] Senge, P.M (1992). Key Note speech “A Crisis in Perception”. Boston: System Thinking in Action Conference.

[x] Bernstein, L. (2004) Young People’s Concerts on CBS (1958-1972) Volume I on DVD via http://www.kulturvideo.com/Leonard-Bernstein-Young-Peoples-Concerts-p/d1503.htm

[xi] Isaacs, W. (1999). Dialogue and the art of thinking together. op cit.

Sterk Sociaal Werk en Creatieve Wisselwerking[i]

Inleiding

Sterk Sociaal Werk was de titel van de Vlaamse sociaalwerkconferentie die op 24 mei 2018 georganiseerd werd in Brussel[ii]. Die conferentie kwam er naar aanleiding van de vaststelling dat de finaliteit van sociaal werk, namelijk het realiseren van sociale rechtvaardigheid, onder druk staat. De sociale onrechtvaardigheid is inderdaad de laatste vijfentwintig jaar gegroeid, onder ander als gevolg van de vele migratiegolven, de groeiende kloven, enerzijds tussen arm en rijk en anderzijds tussen laag en hooggeschoolden, en de negatieve neveneffecten van de globalisatie. Ook werden hoe langer hoe meer barrières, om sociale rechtvaardigheid te realiseren, gecreëerd die voornamelijk de meest kwetsbaren troffen en wentelt de overheid hoe langer hoe meer de zorg voor sociale rechtvaardigheid af op informele zorg, op vrijwilligerswerk en op de behoeftigen zelf, dit door neoliberale ‘stuiptrekkingen’[iii]. Diezelfde neoliberale reflex zorgt ook voor een sterkere focus op resultaatsindicatoren en de opkomst van commerciële spelers, onder meer in de woonzorg en de kinderopvang. Deze ontwikkelingen stellen sociaal werk voor belangrijke vraagstukken, vandaar de roep om een sterk sociaal werk.

In deze column wil ik aantonen dat sterk sociaal werk een grote behoefte heeft aan Creatieve wisselwerking

Vooreerst, wat bedoel ik met Creatieve wisselwerkingCreatieve wisselwerking is het natuurlijk transformatieproces waarmee we allen geboren zijn en dat duurzame verandering mogelijk maakt doordat het mensen en organisaties begeleidt bij :

1. Het ontdekken van feiten, waarnemingen en objectieve gegevens door Authentieke Interactie;

2. Het Waarderend Begrijpen van die, door de deelnemers aan het proces verschillend geïnterpreteerde, realiteit. Bij de toepassing van Creatieve wisselwerking drukt men, wanneer men van mening verschilt, zijn waarheid niet door. In plaats daarvan is men verwonderd en stelt men de leiderschapsvraag bij uitstek: “Hoe komt het dat wij dezelfde werkelijkheid zo verschillend zien?” en wordt er gezamenlijk een ‘Gedeelde Mening’ gezocht en gevonden;

3. Het Creatief Integreren van die diversiteit ten einde uit te deinen wat men weet, apprecieert, zich kan voorstellen en van binnenuit kan beheersen. Op z’n best zorgt het creatief wisselwerkingsproces ervoor dat synergetische oplossingen voor problemen gevonden worden en dat dynamische beslissingen worden genomen.

4. Het Transformerend uitvoeren, waarbij men de acties uitvoert die werden beslist. Het proces lost daarbij niet alleen het probleem op, het transformeert ook eenieder die eraan deelneemt.

Hierbij erken ik dankbaar het baanbrekend werk van dr. Henry Nelson Wieman voor zijn formulering van het creatief transformatieproces (o.m. in diens boek ‘Man’s Ultimate Commitment’[iv]), heerlijk hertaald door mijn vriend dr. Charles Leroy (‘Charlie’) Palmgren, die bovendien de basiscondities, nodig voor Creatieve wisselwerking, identificeerde [o.m. in zijn boeken ‘The Chicken Conspiracy’ (met coauteur Stacie Hagan)[v] en ‘The Ascent of the Eagle’[vi]]. Dit alles en nog veel meer heb ik dan zelf toegepast om vorm te geven aan het Cruciale Dialogenmodel in m’n boek ‘Cruciale dialogen’[vii].

In wat volgt leg ik de link tussen Sterk Sociaal Werk en Creatieve wisselwerking; daarbij  aantonend dat Creatieve wisselwerking en het succesvol voeren van Cruciale dialogen, gebaseerd op het creatief wisselwerkingsproces, hoekstenen zijn van Sterk Sociaal Werk.

De vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk

De Sociaal Werk Conferentie van 2018 identificeerde vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk: Nabijheid, Politiserend werken, Procesmatig werken, Generaliserend werken en Verbindend werken. Die kan men ook zien als het DNA van Sterk Sociaal Werk. Let wel, deze krachtlijnen kunnen niet los van elkaar gezien kunnen worden. Sterk sociaal werk is altijd een combinatie van deze krachtlijnen. DNA is het materiaal waarin de erfelijke informatie van een organisme is vastgelegd. Zo heeft elke sociale professional deze krachtlijnen in zijn/haar werk zitten. Niet altijd even zichtbaar, het DNA van een mens is dat ook niet, maar ze zijn er wel. Ze scheppen een kader, helpen de eigen opdrachten beter te vatten en de rol van partners scherp te krijgen.

Laten we, niettegenstaande deze eigenlijk niet los van elkaar kunnen gezien worden,  deze vijf krachtlijnen (nabijheid, politiserend werken, procesmatig werken, generaliserend werken en verbindend werken) toch, voor de duidelijkheid van m’n betoog, een voor een overlopen en aantonen hoe Creatieve wisselwerking voor elk van deze krachtlijnen een hoeksteen is.

Nabijheid

Een sociaal werker is aanwezig in de leefwereld van mensen in een kwetsbare situatie. De ‘agenda’ wordt altijd samen bepaald. Daartoe zoekt de sociaal werker altijd verbinding.  

In verbinding zijn is eigenlijk in Authentieke Interactie zijn. Authentieke Interactie is ook de eerste karakteristiek van Creatieve wisselwerking. Om dit te visualiseren gebruik ik hieronder een uiterst summiere versie van het Cruciale Dialogenmodel (CDM). Dit omvat uiteraard de eerste karakteristiek Authentieke Interactie van Creatieve wisselwerking, want het CDM is ten slotte ook een voorstelling van het creatief wisselwerkingsproces.

Het realiseren van grondrechten vraagt dan ook nabijheid. Daardoor kunnen ze samen nagaan ‘waar ze staan’ wat het realiseren van grondrechten betreft. Het CDM geeft ook aan ‘waar we naar toe moeten’, met name het realiseren van sociale rechtvaardigheid. Het spreekt vanzelf dat sociaal werkers tijd en ruimte nodig hebben om relaties op te bouwen. Daartoe dienen ze zo laagdrempelig en onvoorwaardelijk mogelijk te kunnen werken aan ontmoeting.  

Daarbij dienen ze het werkwoord ‘ontmoeten’ te splitsen: ‘ont – moeten’. Dat is onvoorwaardelijk werken: niets moet en alles mag.

Relaties opbouwen steunt op ‘openheid’ en ‘vertrouwen’. Dit tweespan is cruciaal bij Authentieke Interactie. Men kan namelijk niet authentiek zijn als men niet open is, en men kan niet authentiek en open zijn wanneer men elkaar niet vertrouwt. Niet toevallig zijn ‘openheid’ en ‘vertrouwen’ dan ook de basisvoorwaarden voor Authentieke Interactie zoals volgende figuur, een gedeelte van een uitgebreider Cruciale Dialogenmodel, aangeeft:

Gedurende deze fase komen de feiten, waarnemingen en objectieve gegevens van ‘waar we staan’ aan bod. Deze dienen geobserveerd te worden met het helder bewustzijn. Dit impliceert dat de sociaal werker kennis heeft van de twee soorten bewustzijn die cruciaal zijn bij dialogen met hun cliënten. Ik doel hier op het helder en het  gekleurd bewustzijn.

Een van de grootste talenten van de mens is dat zij of hij helder bewust kan zijn van zichzelf en ook bewust kan zijn van het inkleuren (‘consciousness’) van dat helder bewustzijn (‘awareness’). Ik gebruik hierbij bewust de Engelse begrippen ‘awareness’ en ‘consciousness’. Die termen worden in het Nederlands steevast als ‘bewustzijn’ vertaald. Dat is een van de oorzaken dat het voor mij, Nederlandstalige, lang duurde voor ik doorhad dat ‘awareness’ en ‘consciousness’ twee verschillende vormen bewustzijn zijn. Met name de bewustzijnsvormen van onze onderscheiden ‘zelven’. Om het voor mij, en hopelijk ook voor jullie, duidelijk te maken, heb ik een nieuwe Nederlandse vertaling van deze Engelse begrippen ‘ont-dekt’. Awareness vertaal ik als helder bewustzijn. Onze Originele of Creatieve Zelf komt helder bewust (‘aware’) ter wereld. Dit helder bewustzijn wordt langzamerhand geconditioneerd tot het gekleurd bewustzijn van de gecreëerde zelf (dit is onze actuele ‘zelf’); dus vertaal ik logischerwijze ‘consciousness’ als gekleurd bewustzijn. 

Men zou met een metafoor kunnen stellen dat het helder bewustzijn van de Creatieve Zelf als helder ‘wit’ licht is dat door de gecreëerde zelf, fungerend als een prisma, gebroken wordt in alle kleuren van de regenboog. Vandaar dat ik, voor het bewustzijn horend bij de gecreëerde zelf, koos voor de naam gekleurd bewustzijn. Opvallend is dat gedurende het conditioneringsproces (met o.a. de opvoeding, school, vrienden, gemeenschap …), de meesten onder ons niet alleen hoe langer hoe meer gekleurd bewust worden en vooral, en dat is erg, zich gaan vereenzelvigen met hun gecreëerde zelf. Kortom, mensen worden hoe langer hoe meer gekleurd bewust (‘conscious’) en hoe langer hoe minder helder bewust (‘aware’). Dit alles zou men kunnen voorstellen als een muntstuk met aan de ene zijde de Creatieve Zelf met z’n helder bewustzijn en aan de andere zijde de gecreëerde zelf met z’n gekleurd bewustzijn. 

Het helder bewustzijn

Het helder bewustzijn is non-duaal, onbevooroordeeld, niet-lineair en neutraal. Het heeft als kenmerken transcendentie[viii], vrijheid, openheid en vertrouwen. Het is kalm en vredig. Heel jonge kinderen zijn nog hoofdzakelijk helder bewust. Dit is niet verwonderlijk, gezien zij nog hoofdzakelijk hun Originele Zelf zijn. Daar het pure helder bewustzijn een ervaring is van het heel jonge kind – een ervaring die volwassenen grotendeels kwijtgespeeld zijn – is het begrip helder bewustzijn moeilijk te verwoorden. Dit is de reden waarom het voor mij, de zeventig voorbij, echt moeilijk is om het helder bewustzijn ook helder te beschrijven. Het helder bewustzijn leent zich bovendien niet tot volzinnen, concepten, uitleg en/of definities. Toch zal ik, tegen beter weten in, het concept helder bewustzijn in wat volgt beschrijven. Mede omdat men, ook en vooral als sociaal werker, zo veel mogelijk (terug) haar of zijn Creatieve Zelf wordt in de mate dat men (terug) helder bewust wordt. 

Om het helder bewustzijn toch enigszins in woorden te vatten, dient men een pasgeborene voor ogen te houden. Een pasgeborene is authentiek, helder bewust, open en vol vertrouwen. Een van de sleutel elementen van z’n openheid en vertrouwen is z’n capaciteit om te observeren. Van zodra de oogfunctie het toelaat, observeert de pasgeborene de omgeving met het helder bewustzijn. Zij of hij kleurt die werkelijkheid nog niet in. Met andere woorden, het brein van een pasgeborene fungeert nog niet als een prisma. 

Observeren[ix] kan worden onderscheiden van percipiëren[x], maar is er niet van gescheiden. Perceptie steunt op observatie en voegt er, gekleurd bewust, onderwerp/object onderscheiden, positieve/negatieve oordelen, het lineair en ‘het één of het ander’ denken aan toe. Dit in een streven naar verschillende betekenissen, met als onderliggend doel zich aan te passen aan de sterk veranderende wereld en daarin goed overeind te blijven. Perceptie is interpretatie van de sensatie of observatie. Observatie van z’n kant is vrij van onderwerp/object onderscheiden, is onbevooroordeeld (oordeelt dus niet in positief/negatief), is niet- lineair en streeft alles behalve naar het kleven van labels op de werkelijkheid. Observatie streeft wel naar een klaar zicht krijgen op de dingen en het bekomen van ‘het één en het ander verschillend van’ denken. 

Observeren blijkt voor volwassenen een aartsmoeilijke taak. Hoewel het observeren echt zien en echt luisteren mogelijk maakt en dit zaken zijn die volwassenen broodnodig hebben. Toch staan volwassenen weigerachtig tegen goed observeren. Volwassenen willen niet echt observeren omdat ze intuïtief aanvoelen dat ze daardoor zullen aangezet worden te veranderen. Volwassenen percipiëren liever, ze interpreteren de observatie met hun eigen gekleurd denkkader, om niet te hoeven veranderen. Let wel, iedereen houdt van veranderen, zolang het ‘de ander’ is die dient te veranderen… Men wordt echter door observeren uitgenodigd het persoonlijk denkkader te veranderen en dat is een ander paar mouwen. Daarbij komt nog dat door echt observeren we helder bewust worden en we daardoor de controle dreigen te verliezen over onze manier van leven. Een manier waar we ons toch zo krampachtig aan vastklampen. En toch, wat een volwassene blijvend nodig heeft, is haar of zijn bereidheid iets nieuws te leren, zijn denkkader aan te scherpen. En dus te veranderen; want leren is veranderen en veranderen is leren. De mate dat een volwassene (terug) wakker wordt, is recht evenredig met de mate waarin zij of hij een portie ‘waarheid’ tot zich kan nemen zonder er van weg te vluchten. De vraag, die elke volwassene zich dient te stellen, komt neer op: “Hoeveel van waar ik mij aan vastklamp, kan door observatie worden losgeweekt zonder ik mij verschans in m’n gesloten denkkader?” De eerste reactie van een volwassene, wanneer die tegenvoets genomen wordt door echte observatie, is blijkbaar angst. Het is niet dat zij of hij angst heeft voor het onbekende. Men kan nu eenmaal geen angst hebben van iets dat men niet kent. Daarom ook is een heel jong kind zo onbevreesd. Wat de volwassene bij echte observatie vreest, is het mogelijk verlies van wat hij wel weet, waar hij zich aan vastklampt, en wat door echte observatie op losse schroeven dreigt te worden gezet. 

Openheid en Vertrouwen

De raad die ik elke Sociaal Werker meegeef in het kader van deze krachtlijn ‘Nabijheid’ luidt: “Wees open teneinde duurzame relaties te bouwen en daardoor meer vertrouwen te krijgen, waardoor de ander opener zal zijn.” 

Er is echter een belangrijk verschil tussen de twee concepten: 

  • Vertrouwen is een relatie-toestand tussen mensen, en het resultaat van alles wat er tussen de deelnemers aan het creatief wisselwerkingsproces gebeurt; 
  • Openheid is een gedrag. 

Dit is een cruciaal verschil. De sociaal werker kan zelf besluiten om zich naar z’n cliënt te openen om zo de positieve spiraal te starten die leidt tot meer vertrouwen, wat dan zorgt voor meer openheid. 

Door te begrijpen hoe vertrouwen en openheid zich tot elkaar verhouden, kan de sociaal weker ervoor kiezen om net wat opener te zijn dan wat het vertrouwen toestaat. Zo draag de sociaal werker bij aan de ontwikkeling van psychologische veiligheid en effectiviteit. 

Openheid leidt tot meer vertrouwen, wat de basis legt voor meer openheid[xi].

Openheid en vertrouwen zijn vast aan elkaar verbonden. Een persoon ten volle kennen en waarderen, weten wie zij of hij is en wat zij of hij werkelijk doet, creëert vertrouwen. Hoe opener iemand is, hoe meer zij of hij door de ander(en) kan gekend worden, hoe meer zij of hij echt kan begrepen worden en hoe groter het onderling vertrouwen kan worden. Vertrouwen en openheid zijn de basis hoekstenen van Authentieke Interactie, de eerste karakteristiek van het creatief wisselwerkingsproces. Om van het vertrouwen en de openheid een duurzame realiteit te maken, dienen deze hoekstenen uiteraard permanent onderhouden te worden. Dit kan door het voortdurend inzetten van de vier basisvaardigheden van deze karakteristiek: 

  1. het duidelijk stellen van de Kernvraag
  2. het in balans gebruiken van Bepleiten en Bevragen;
  3. het gebruiken en herkennen van Non-Verbale Communicatie;
  4. het bevestigen van wat herhaald wordt of Bevestigend Parafraseren.

Een omgeving waarin duurzaam vertrouwen en openheid heerst, is gekenmerkt door een vrije stroom van informatie. Openheid heeft twee dimensies: vertellen en luisteren en is dus een interpersoonlijke conditie die bestaat tussen Sociaal Werker en cliënt, wanneer zij: 

  • als ‘zender’ elkaar vertellen wat zij denken over feiten, ideeën, waarden, aannames, gevoelens en de manier waarop zij zaken zien en 
  • als ‘ontvanger’ naar die boodschap willen luisteren en dit ook echt ten volle doen. 

Sociale Werkers die niet beschikken over bovenvermelde vier basisvaardigheden van de interpersoonlijke communicatie zullen niet zeer open zijn en bovendien minder geneigd zijn om anderen te vertrouwen. “Vertrouwen is goed, Controle is beter”, is hun devies. Dat ze daardoor zelf ook heel wat minder vertrouwd worden, is logisch. 

Het open zijn en het op voorhand vertrouwen geven houden risico’s in. Het is anderzijds ook zo dat zonder het nemen van risico’s het creëren van een goede, respectvolle relatie onmogelijk is.

Wij zijn er, gebaseerd op onze ervaringen, van overtuigd dat het zich bekwamen in de vier basisvaardigheden, en deze ten volle inzetten bij elke diepe conversatie, de individuele niveaus van openheid en vertrouwen zal verhogen. Het gaat over – om het in systeemdenken taal[xii] te zeggen – een zelfversterkende lus: het effectief gebruik van de vier basisvaardigheden versterkt de openheid en het vertrouwen en … het verstevigd  vertrouwen en de grotere openheid bevorderen dan weer het gebruik van de vier basisvaardigheden. Dit totdat het (goede) gewoonten geworden zijn.

Creatieve wisselwerking ligt aan de basis van, en gaat over, een ingrijpend veranderingsproces. Deal en Kennedy[xiii] stellen dat openheid en vertrouwen een sleutelonderdeel zijn van verandering: 

Openness and Trust in the Change Process influence wether and how change occurs.

en de Freibergs[xiv] zeggen het zo: 

Full disclosure leads to more honest conversations and it creates culture that values authenticity.

Vertrouwen is organisch, het wordt echt niet geproduceerd op een assembleerlijn. Vertrouwen groeit door onze acties. Peter Senge et al.[xv] hebben vastgesteld dat “Culturen enkel bestaan wanneer die op elk moment beleefd worden”. Vertrouwen groeit wanneer: 

  • er naar elkaar geluisterd wordt, echt geluisterd; 
  • we elkaar aanmoedigen om onze ideeën uit te drukken en daarbij actief luisteren (cf. de vaardigheid Bevestigend Parafraseren); 
  • elkaar toestaan dat ook opinies aan bod komen, zelfs opinies die we liever niet horen; 
  • we fouten aanvaarden (want een fout kan gebeuren) en een fout is niet erg, vooral wanneer we ervan leren. 

Om Peter Senge et al. nog maar eens te citeren: 

We learn how to do something truly new only through doing it, then adjusting.

Door fouten te aanvaarden wordt blaam getransformeerd in creatief denken, we leren dan echt van onze fouten. Het Originele Zelf creëert dus vertrouwen, waarbij integriteit eerlijkheid omvat én verder gaat. Eerlijkheid is de waarheid vertellen – m.a.w. onze woorden in overeenstemming brengen met onze interpretatie van de realiteit. Integriteit is onze woorden in overeenstemming houden met de realiteit gezien vanuit onze Originele Zelf, dus met het helder bewustzijn. 

Eén van de belangrijkste manieren om de Originele Zelf te tonen en uw integriteit te bewijzen, is loyaal te zijn t.o.v. diegenen die niet aanwezig zijn. Door zo te handelen versterken wij het vertrouwen in ons van diegenen die wel aanwezig zijn. Inderdaad, wanneer men diegenen die niet aanwezig zijn, verdedigt, zal men het vertrouwen winnen van diegenen die wel aanwezig zijn. Integriteit in een interafhankelijke werkelijkheid komt neer op het behandelen van iedereen overeenkomstig dezelfde principes. Wanneer je dit werkelijk doet, zullen mensen je vertrouwen. 

Integriteit vermijdt misleidende communicatie. Een leugen is elke communicatie met de bedoeling om te misleiden. Wanneer we integer communiceren in woorden én gedrag, kan het onmogelijk onze intentie zijn te misleiden of te bedriegen. Dit voelt iedereen aan en daardoor versterkt integer gedrag in communicatie het vertrouwen en de openheid. 

Politiserend werken

Sociaal werkers zorgen er mee voor dat mensen gebruik kunnen maken van hun sociale rechten en voordelen. Maar ze wijzen ook op structurele mechanismen die tot sociale onrechtvaardigheid leiden. Ze zoeken naar collectieve oplossingen om die mechanismen te bestrijden. Sociaal werkers zijn publieke en democratische professionals die hun stem laten horen, maatschappelijke belemmeringen benoemen, dominante denkpatronen in vraag durven stellen en een eigen positie innemen vanuit de normatieve waarden van het beroep.

We schreven het al, de finaliteit van sociaal werk is het realiseren van sociale rechtvaardigheid. Dit wil zeggen dat Sociaal werkers er onder meer moeten voor zorgen dat mensen gebruik kunnen maken van hun sociale rechten en voordelen. Nog te veel is dit niet het geval en dat is zonder meer een sociale onrechtvaardigheid. Om die sociale onrechtvaardigheid bloot te leggen dient de sociaal werker outreachend en proactief te werken; en dit door tegenstroom te gaan en allesbehalve de schuld op de cliënt te schuiven. Eerder gaat de sociaal werker proactief op zoek naar structurele miskleunen.

Inderdaad, door te dialogeren en te werken met hun cliënten leren sociaal werkers welke structurele mechanismen tot sociale onrechtvaardigheid leiden. Een van die mechanismen is (nog steeds) het zogenaamde Mattheuseffect. In het sociaal beleid betekent het Mattheuseffect dat het profijt van het overheidsbeleid vooral ten goede komt aan de midden- en hogere inkomensgroepen en minder aan de laagste inkomens (voor wie ze eigenlijk bedoeld zijn). Met andere woorden de mensen die het profijt het meest nodig hebben, krijgen er het minst van. Herman Deleeck[xvi] was een van de eersten om dit fenomeen systematisch te analyseren in relatie tot het sociaal beleid. Tegenwoordig is het overheidsbeleid, zoals reeds geschetst, doordrongen van een soort neoliberalisme dat het hoe langer hoe moeilijker maakt, voor diegenen die de hulp echt nodig hebben, die hulp ook te verkrijgen. De middenklasse heeft daar minder moeite mee omdat die de middelen (zowel immateriële: kennis als materiële: internet, pc, …) hebben om de obstakels, die de overheid hoe langer hoe meer opwerpt, te omzeilen.

De opdracht van sociaal werkers is te zoeken naar collectieve oplossingen om die mechanismen te bestrijden. Voor die deeltaak van Sociaal Werk is het complete Cruciale Dialogenmodel een uitgelezen tool. Dit is namelijk een universeel model om problemen op te lossen en vragen te beantwoorden. Dus wanneer een Sociaal Werker op zo’n probleem stoot, kan hij het probleem verwoorden als een vraag: “Hoe kan ik ervoor zorgen dat dit specifiek structureel mechanisme ten gronde wordt bestreden?”. Die hamvraag wordt in het midden van het Cruciale Dialogenmodel geplaatst. In z’n summierste vorm is het Cruciale Dialogenmodel (CDM) eigenlijk een lemniscaat met in het midden het vraagteken: 

Die lemniscaat wordt dan verder van links naar rechts (in tegenwijzer zin) en indien nodig nogmaals van links naar rechts afgewerkt, en dit tot de oplossing effectief en efficiënt is.

Uiteraard komen de vier kwadranten van het CDM overeen met de vier karakteristieken van het creatief wisselwerkingsproces:

  1. Authentieke Interactie m.b.t. de werkelijke situatie: Communicatie;
  2. Waarderend Begrijpen van deze werkelijke situatie: Appreciatie;
  3. Creatief Integreren om te groeien naar de gewenste situatie: Imaginatie;
  4. Continue Transformatie om de gewenste situatie (i.e. de nieuwe werkelijke situatie) te realiseren: Transformatie.

Het zou mij te ver leiden om hier het volledige model, dat nog een stuk complexer is dan bovenstaande figuur, en ook het ‘vlindermodel’ wordt genoemd, uit de doeken te doen. Daar is m’n reeds geciteerde boek ‘Cruciale dialogen’ voor (Roels, 2012, pp. 58-64). 

Het politiserend werken bestaat er voornamelijk in de maatschappelijke belemmeringen te benoemen en de dominante denkpatronen in vraag te stellen. Dat moed nodig is om een cruciale dialoog aan te gaan met de overheid, waar men meestal, direct of indirect, voor het eigen loon afhankelijk van is, hoeft geen betoog. Een Sociaal werker dient inderdaad een eigen positie in te nemen vanuit zowel de eigen normatieve waarden als die van het beroep. Die eigen normen en waarden vindt men overigens in het lichaam van het ‘vlinder’ terug.

Een en ander gebeurt in het tweede kwadrant van het creatief wisselwerkingsproces en hoe dit in z’n werk gaat kan als volgt beschreven worden.

Om een situatie waarderend te kunnen begrijpen kleurt men de ‘heldere’ waarheid in met het gekleurd bewustzijn. De perceptie en interpretatie gebeuren inderdaad met het gekleurd bewustzijn (cf. Perceptie is de interpretatie van de sensatie). Men ziet namelijk de werkelijkheid niet zoals deze is, men ziet die realiteit zoals men zelf is. Dus met het eigen denkkader, de eigen mindset of, metaforisch, de eigen gekleurde bril. 

De twee deelnemers aan de cruciale dialoog, in dit geval de sociaal werker en de beleidsmaker, hebben elk hun eigen gekleurde bril op de neus en zien daardoor de werkelijkheid per definitie verschillend. Om uit de impasse te geraken, want niemand heeft de waarheid in pacht, dienen in deze fase de twee basiscondities Nieuwsgierigheid en Kunnen omgaan met Onzekerheid (Ambiguïteit) vervuld te zijn. Dat is meestal geen probleem bij de Sociaal werker, want die is sowieso nieuwsgierig en gaat dagelijks om met onzekerheid, anders had hij nooit inzicht gekregen in het structureel mechanisme dat tot sociale onrechtvaardigheid leidt en wat hij hier aankaart. De vraag is of ook de beleidsmedewerker die basiscondities ter harte neemt en de moed heeft om in de schoenen van de sociaal werker te gaan staan. Anders gesteld, hebben beiden de moed om elkaars gekleurde bril op te zetten en elkaars werkelijkheid te zien en van daaruit te streven naar een Gedeelde Mening?

Het gekleurd bewustzijn

Het gekleurd bewustzijn omvat dus perceptie en geeft zaken een ‘label’: voordelig-nadelig, akkoord-niet akkoord, inclusief-exclusief, goed-slecht, en juist-fout. Let wel, perceptie is essentieel om zich te kunnen aanpassen en daardoor te kunnen overleven in deze steeds maar sneller veranderende wereld. Percepties zorgen er voor dat er voorkeuren, betekenissen en waarden ontwikkeld worden en kleuren daardoor ons bestaan. 

Door interpretatie, evaluatie en beslissing wordt wat bekomen werd door observatie met het helder bewustzijn getransformeerd doordat perceptie gebruik maakt van het gekleurd bewustzijn. Daardoor wordt de “één en het ander verschillend van” observatie van het helder bewustzijn vaak de “het een of het ander” perceptie van het gekleurd bewustzijn. We komen terecht in wat het “in-the-box” denken wordt genoemd. Die ‘box’ (doos) wordt gevormd door de grenzen van onze ‘fixed’ (gesloten) mindset. Door ons gekleurd bewustzijn appreciëren we de werkelijkheid op een bepaalde manier en de aldus gewaardeerde werkelijkheid wordt als het ware in de doos van onze ‘mindset’ (denkkader, mentaal model) gestopt. In feite bepaalt die gekleurde appreciatie wat er in de doos terecht komt en, wat nog belangrijker is, wat er uit wordt geweerd. Anders gesteld, we voegen toe wat we waarderen en weren wat we niet waarderen. Uiteindelijk zien we de werkelijkheid niet zoals deze is, we zien ze zoals wij zijn! (cf. Anaïs Nin[xvii], Stephen R. Covey, …). 

Onze voorkeuren maken dat verschillen gepolariseerd worden. Het gekleurd bewustzijn werkt inderdaad polarisatie in de hand. Er is geen sprake meer van “het één en het ander”; inderdaad, de ‘en’ is een ‘of’ geworden. We leggen onszelf op te kiezen. Daarbij wordt een van de twee polen gekozen ten nadele van de andere pool en dit werkt uiteraard polarisatie in de hand. 

Deze splitsing, de verschuiving van ‘en’ naar ‘of’, heeft meerdere gevolgen; zowel positieve als negatieve. Een van de gevolgen is dat elk idee wordt gecatalogeerd als een goed of slecht idee. Terwijl in werkelijkheid elk idee beide eigenschappen in zich heeft. Inderdaad, elk idee en elke situatie kan gepercipieerd worden als positief én als negatief. Het begrip ‘appreciatie’ wordt vaak geassocieerd met onze voorkeuren. We worden als het ware blind voor de andere zijde van de medaille en dus voor de niet voorziene, niet geanticipeerde en collaterale ‘schade’. We zien die laatste niet omdat we enkel percipiëren doorheen de gekleurde bril van onze voorkeuren. We zien enkel wat ‘goed’ is in een idee, dus wat we als goed catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke ‘negatieve’ effecten van dat idee. Het tegenovergestelde is ook waar. Wanneer we een idee niet appreciëren, zien we enkel wat ‘slecht’ is aan dit idee, dat we door het niet te appreciëren als ‘slecht’ catalogeren, en zijn blind voor de mogelijke ‘positieve’ effecten van dat idee. Dit alles zorgt er voor dat we afglijden naar een gekleurd denkkader ten koste van een helder én correct gekleurd denkkader. 

In plaats van in de polarisatie te blijven steken, dienen we naar een gedeelde mening te streven en dit door de verschillende meningen met elkaar te vermengen tot een mening die voor eenieder aanvaardbaar is. Ten einde een Gedeelde Mening te creëren, dient elkeen wat zij of hij heeft waargenomen, in vraag durven te stellen. Het in vraag stellen van de denkkaders gebeurt op een integere manier, men schetst eerlijk hoe men de gegevens, de boodschap waardeert en staat open voor de waardering ervan door de ander. 

Dit zeer belangrijk onderdeel van de dialoog kan als volgt weergegeven worden:

Bij het waarderen van elkaars meningen worden een viertal vaardigheden ingezet: 

  1. Nederig vragen;
  2. De ‘plus’ achter de ‘min’;
  3. Integreren van verschillende inzichten;
  4. Invraagstelling van Mentale modellen.

Voor de bespreking van die vier vaardigheden verwijs ik graag naar m’n boek (Roels, 2012, pp. 175-189).

Procesmatig werken

Elke sociaal werker stemt haar of zijn handelen voortdurend af op verwachte en onverwachte gebeurtenissen in het proces dat zij of hij met mensen aan het lopen is. Daarnaast benut de sociaal werker ook de ervaringskennis van betrokkenen. Inspraak en participatie staan altijd centraal. De uitkomst ligt dus niet vooraf vast.

Het proces, het kan niet anders, is het creatief wisselwerkingsproces!

Een paar kenmerken van dit procesmatig werken:

  • Een proces is nodig, want het gaat om een complexe realiteit. Vandaar van dat het complete Cruciale Dialogenmodel complex oogt en is;
  • Elk antwoord is onvolledig en roept nieuwe vragen op. Daardoor is het Cruciale Dialogenmodel een lemniscaat en dient de ‘liggende acht’ meestal meerdere keren doorlopen te worden, teneinde een afdoende antwoord op de vraag te formuleren;
  • Creatieve wisselwerking is interactief, de eerste karakteristiek noemt zelfs Authentieke Interactie. Interactie tussen individuen, in groepen en in buurten. 
  • Creatieve wisselwerking is per definitie participatief. Iedereen bouwt mee aan het succes van het proces. De ervaringskennis van de betrokkenen wordt ten volle benut.
  • En waartoe het proces leidt, ligt helemaal niet vast. Creatieve wisselwerking kan niet gestuurd worden. Daardoor is de uitkomst nooit op voorhand gekend. Het is een proces, een methode om te creëren. De richting kan gekozen worden (door de vraag in het midden), maar van dan af ligt niets vast. Dit is een van de eigenheden van Creatieve wisselwerking: men weet op voorhand niet waar men uitkomt. Hetgeen ik soms onderstreep met de boutade: “The Process is the Leader!” De liggende acht is eerder een methode dan een stappenplan, of beter gezegd: de methode zorgt voor een stappenplan voor de uitvoering van de gekozen oplossingen die op voorhand verre van vast liggen. 

Ik ben er heilig van overtuigd dat deze krachtlijn en kerntaak van elke sociaal werker neerkomt op het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Het spreekt van zelf dat het Cruciale dialogenmodel, dat de acht basiscondities en zestien vaardigheden beschrijft die nodig zijn en ingezet dienen te worden voor het succesvol van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking, op het nachtkastje van elke sociaal werker thuishoort. Let wel, ‘Cruciale dialogen’ (Roels, 2012) is geen leesboek… het is een doe-boek. Want al doende, leert men. Ook en misschien vooral in het kader van Creatieve wisselwerking. Het boek is vooral ook een naslagwerk bij het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. Kortom, men dient als sociaal werker Creatieve wisselwerking van binnenuit te beleven om wendbaar (i.e. proactief) en weerbaar (i.e. re-actief) te zijn en te blijven en daardoor dient Creatieve wisselwerking o. i. een element van de Body of Knowledge van Sterk Sociaal Werk te zijn.

Generalistisch werken

Als sociaal werker plaats je een persoon in zijn bredere context en heb je oog voor alle levensdomeinen. Dat maakt dat je perfect als brugfiguur of kruispuntwerker ingezet kan worden. Door de generalistische aanpak heb je een goed zicht op de sociale kaart, en heb je een uitgebreid netwerk.

Daartoe is nodig dat de sociaal werker een ‘brede bril’ hanteert. Anders gesteld, zij of dient bekwaam te zijn om ‘out of the box’ te denken. Dit kan door bij elke ontmoeting de eigen ‘gekleurde bril’ af te zetten en die te vervangen door de andere mogelijke brillen. 

Het heeft ook te maken met bij de eerste ontmoeting het helder bewustzijn in te zetten en het gekleurd bewustzijn even uit te schakelen. Nadien dient men zich, wanneer men tracht waarderend te begrijpen, te hoeden voor een ‘jump to conclusion’ reflex. Hoe meer ervaring de sociaal werker heeft, hoe gevaarlijker het wordt om heel vlug een inzicht (conclusie) te koppelen aan een ‘favoriete’ oplossing. Het gevaar voor dit gedrag vergroot wanneer men het probleem ‘eng’ bekijkt. Iedere sociaal werker zou de cliënt in z’n brede context dienen te zien. Dit betekent dat zij of hij op zoek dient te gaan naar verbanden tussen meerdere levensdomeinen. De sociaal werker dient zich ter degen bewust te zijn dat alles met alles verbonden is.  Zo is heeft het probleem ‘armoede’ vele facetten en gaat niet alleen om het ‘niet hebben van werk’.

Een checklist benadering is uit de boze, want die leidt naar standaardoplossingen en die bestaan niet. Problemen zijn altijd uniek en dulden geen passe-partout antwoorden. Vandaar mijn stelling dat ook hier Creatieve wisselwerking van binnenuit dient beleefd te worden.

De sociaal werker krijgt door haar of zijn generalistische aanpak een goed zicht op de zogenaamde sociale kaart en behoedt er zich voor die als checklist te gebruiken. Eerder kan die dienen om haar of zijn uitgebreid netwerk van professionelen te stofferen. Met dit uitgebreid netwerk gaat de sociaal werker regelmatig in dialoog. Het spreekt vanzelf dat daarbij Creatieve wisselwerking van binnenuit beleefd wordt. 

Door de kennis van de sociale kaart en het hebben van een uitgebreid netwerk kan de sociaal werker fungeren als een uitstekende gids. In die hoedanigheid verwijst hij z’n cliënt door naar de verschillende instanties die haar of hem kunnen helpen.

Verbindend werken

De sociaal werker is op drie manieren verbindend. 

  1. Individueel: versterken van mensen om opnieuw greep te krijgen op hun eigen leven en betekenisvol te kunnen deelnemen aan de samenleving. 
  2. Collectief: werken aan verbinding in buurten en op het lokale niveau om het samenleven te versterken. 
  3. En ten slotte: verbinden van mensen met maatschappelijke basisinstituties (onderwijs, gezondheidszorg, de arbeidsmarkt) door ervoor te zorgen dat ook groepen in kwetsbare situaties er toegang toe krijgen.

Empowermentparadigma 

Het gebruik van het begrip paradigma in de cursus (De Greef & Goris, 2020) gaat er vanuit dat elke sociaal werker dit begrip ten volle begrijpt. Maar is dat wel zo? Voor alle zekerheid en, zoals de Fransen zo mooi zeggen ‘A toutes fins utiles’, volgende uitwijding:

Het begrip Paradigma

Het begrip Paradigma werd populair door het boek ‘De zeven eigenschappen van effectief leiderschap’ van Stephen Covey[xviii]. Om diens eigenschappen waarderend te kunnen begrijpen, dient men te weten wat ‘paradigma’s’ zijn en hoe we een paradigmaverschuiving kunnen creëren. Het begrip paradigmaverschuiving werd geïntroduceerd door Thomas Kuhn in zijn klassiek werk ‘De structuur van wetenschappelijke revoluties’[xix]. Die merkte op dat bijna elke belangrijke doorbraak in wetenschappelijk onderzoek een breuk met het tot dan gangbare paradigma betekent. 

Zo was voor Copernicus de aarde het centrum van het heelal. Copernicus realiseerde een paradigmaverschuiving door de zon centraal te stellen. Dit was een schok en Copernicus werd er zelfs voor vervolgd. Dit geeft aan dat iemand, die de ogen van zijn medemens opent, niet altijd gewaardeerd wordt. Dit ondervond ook Galileo Gallilei toen deze met z’n uitvindingen het heliocentrische model van Copernicus bewees en er over publiceerde. Hij werd tot tweemaal toe terecht gewezen door de Inquisitie. De overlevering wil dat Galilei, toen al 69 jaar oud, bij het vernemen van het vonnis – levenslang huisarrest – “Eppur si muove”: “en toch beweegt ze” (de aarde rond de zon) zou uitgeroepen hebben. Dat de Katholieke kerk moeite had om officieel hun miskleun te erkennen, blijkt uit het feit dat het tot in 1992 duurde vooraleer Paus Johannes Paulus II officieel een excuus uitsprak. Iemand die het heliocentrisch wereldbeeld nog aannemelijker maakte, was Isaac Newton. Diens natuurkundig model is nog steeds de basis voor de moderne bouwkunde. Het is echter niet volledig. Het duurde tot Einstein z’n relativiteitstheorie de wetenschappelijke wereld op z’n kop zette, voor men dit inzag. Die theorie verklaarde heel wat meer en maakte daardoor een diepgaander begrijpen mogelijk. Later kwam dan de kwantummechanica, waar Einstein het dan op z’n beurt moeilijk mee had. 

Probleme kann man niemals mit derselben Denkweise lösen, dürch die sie entstanden sind. – Albert Einstein 

Paradigma’s hebben een enorme invloed; ze zijn de lens waardoor we naar de wereld kijken. Fundamentele veranderingen hebben niet zelden te maken met paradigma verschuivingen. Paradigma’s zijn bepalend voor wie je bent. Zijn is zien. We kunnen onze visie niet fundamenteel veranderen zonder zelf te veranderen en omgekeerd. Zelf veranderen komt neer op het transformeren van het eigen denkkader of mindset (paradigma) waardoor ook het eigen gedrag verandert.

De levenscyclus van elk paradigma heeft volgens Joel Barker[xx] in de groeifase, zoals elk levend organisme, de vorm van de linkerzijde van een Gauss curve. 

De horizontale as is de tijd as, de verticale de ‘succes’ as. Het succes van een bestaand paradigma kan gemeten worden aan de hand van het aantal problemen dat het oplost. Anders gesteld, wordt op de y-as de vooruitgang weergegeven.

In de opbouw van de curve kunnen drie fases worden onderscheiden. De A fase is de ontwikkelingsfase. Het nieuwe paradigma heeft dan nog weinig succes en daardoor ook weinig aanhang. Er worden binnen het nieuwe paradigma nog niet veel problemen opgelost. In het begin zijn de regels, de grenzen, de mogelijkheden van het nieuwe paradigma vrijwel onbekend. Het paradigma wordt in die A fase enkel maar gebruikt door de zogenaamde pioniers. Indien men er echter in slaagt om het nieuwe paradigma goed te onderbouwen en te propageren, gaan meer en meer mensen ervan gebruik maken. Gaat het werkelijk om een nieuw paradigma dan worden er hoe langer hoe meer problemen opgelost. Problemen die daarvoor onopgelost bleven. Wij komen in de B fase terecht.

Dit kunnen we toepassen op het paradigma van sociaal werk dat voorafging aan het empowermentparadigma. Toen nam de Sociaal werker alle last op z’n schouders. Dit ging lange tijd goed. Toch constateerde men vanaf een bepaald ogenblik dat bepaalde problemen van de cliënten niet op die manier konden opgelost worden. Hetzelfde niveau van dienstverlening kon niet behouden blijven en men had de indruk dat er afgegleden werd. Dit zijn tekenen die erop wijzen dat de C fase is bereikt. Dit kwam vooral omdat de ‘oude’ dienstverlening van “buitenaf” te weinig gebruik maakte van de kracht van de betrokkenen. Om één of andere reden waren we er nog niet in geslaagd om Sociaal werk van “binnenuit” te beleven. Het sociaal werk werd van ‘buitenaf’ beheerst en stagneerde. Het oude paradigma leek over zijn hoog­tepunt heen. Er was dus nood aan een nieuw paradigma. Inderdaad, vroeg of laat beginnen zich in elk paradigma specifieke problemen op te stapelen, die er niet door opgelost worden. De enige manier om ze alsnog op te lossen is een wezenlijke paradigmawissel of ‘paradigm shift’ en het empowermentparadigma ontstond.

Meestal wordt een oud paradigma door een nieuw vervangen “voor het te laat is”, dus vooraleer de curve daalt. Inderdaad is het bij paradigma’s zo dat de eerste verschijnselen van een nieuw paradigma zichtbaar worden wanneer het oude paradigma op zijn hoogtepunt is. Er zijn immers hoe langer hoe meer problemen die door het oude paradigma niet kunnen opgelost worden. En het zijn uiteindelijk de niet oplosbare problemen die de katalysator vormen voor het zoeken naar een nieuw paradigma.

Wij hadden op een zeker ogenblik een nieuwe manier van denken nodig, een nieuwe ‘mindset’, een nieuw paradigma, om nog vooruitgang te boeken op gebied van sociaal werk.

Het nieuw paradigma kan eigenlijk op elk punt van de curve verschijnen. In de A fase gaat het om meerdere nieuwe paradigma’s die in competitie zijn met elkaar om door te dringen. In de C fase gaat het om de strijd tussen het bestaande en het nieuwe paradigma. 

De moeilijkheid in het tweede geval is dat het nieuwe paradigma doorgaans niet in dank wordt afgenomen door diegenen die het bestaande paradigma prediken. De pioniers staan hier meestal letterlijk alleen en moeten optornen tegen heel wat scepticisme, niet in het minst vanuit de hoek van diegenen die de ‘tools’ van het oude paradigma propageren. Dit is helemaal niet verwonderlijk, het tegendeel zou dat eerder zijn. Het huidig paradigma lost immers nog heel wat problemen op.

Toegepast op het empowermentparadigma ging dit als volgt. Intuïtief voelden de pioniers van het nieuwe paradigma aan dat dit de manier is om verder te evolueren.  Vraag hen op dat moment niet om data, want die hebben ze niet en kunnen ze ook niet hebben. Zij wisselen van paradigma omdat ze in het nieuwe paradigma geloven. Hun oordeel is grotendeels intuïtief, zij geloven de bekwaamheid te hebben de beslissingen te nemen die zich opdringen steunende op onvolledige gegevens. Zij voelen intuïtief aan dat hun paradigma, hét paradigma is.

Een kenmerk van de paradigmaverschuivingen in Sociaal Werk is dat de nieuwe paradigma’s het goede van de oude paradigma’s overnemen. Het nieuwe paradigma lost niet alleen de problemen even goed op als het oude, het lost daarenboven de hardnekkige problemen, waar het oude paradigma zich op stuk beet, succesvol op. Dit is ook wat gebeurt in het empowermentparadigma dat nu in volle bloei is.

Nu mensen empoweren, wendbaar en weerbaar maken heeft veel, zo niet alles met Creatieve wisselwerking te maken. Niets voor niets zeg ik soms, Yoda parafraserend, “May the Force be with you” en zijn voor mij ‘The Force’ en ‘Creative Interchange’ synoniemen (zie ook: http://www.creativeinterchange.be/?p=822 ). Empowerment duidt inderdaad op de “power from within’. Nu wordt binnen Sociaal Werk Creatieve wisselwerking nog te weinig van binnenuit beleefd, dus voorzie ik een nieuw paradigma: het creatievewisselwerkingparadigma. Nogmaals, IMHO dient Creatieve wisselwerking tot de Body of Knowledge van Sociaal Werk te horen. Benieuwd of er pioniers zullen gevonden worden!

Collectief verbinden

Verbinding in buurten en samenleven op het lokale niveau en dialogisch samenwerken, ook tussen diensten en organisaties.

Verbinden is niet anders dan samen Creatieve wisselwerking van binnenuit beleven, het is ‘power with’. Dialogisch samenwerken is noch min, noch meer in die buurten op lokaal niveau dialogeren en samenwerken volgens het Cruciale Dialogenmodel, dat gebaseerd is op Creatieve wisselwerking. En ook op dit vlak van het collectiviseren van problemen bij toegang tot rechten helpt het met succes kunnen voeren van Cruciale dialogen en het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking.

Verbinden van mensen met basisorganisaties.

Opdat mensen aan hun rechten zouden kunnen komen, dienen ze uiteraard verbonden te worden met die basisinstituties als daar zijn onderwijs, de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt. Nochtans is er veel angst en wantrouwen ten opzichte van de VDAB omdat die naast begeleiding naar werk ook instaat voor de controle en sanctie van het zoekgedrag van werkzoekenden. Bovendien heeft de VDAB vele drempels opgeworpen die hinderend werken. Door de afbouw van rechtstreeks toegankelijke werkwinkels verdwijnt de dienst uit de onmiddellijke nabijheid van mensen. Nabije medewerkers en consulenten werden vervangen door de online tool ‘Mijn loopbaan’[xxi]. Dat alles is ronduit nefast voor de hulpzoekende die in armoede leeft.


[i] De Greef, F. & Goris, B. (2020) Deze column is gebaseerd op de cursus Basis Sociaal Werk van het eerste jaar Sociaal Werk (B-UCCL-MBW85B)  gedoceerd door De Greef Frieda en Goris Brit, PBA Sociaal Werk (Leuven).

[ii] Hermans, K. (2018). Sociaalwerkconferentie 2018. Sterk Sociaal Werk. Eindrapport. Brussel: Steunpunt. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

[iii] De term neoliberalisme is in de 21ste eeuw niet meer eenduidig. Dus voor alle duidelijkheid hetgeen volgt. Ik gebruik die term om het ‘doorschieten’ van de vrije markt, het toenemend (her)gebruik van het individueel schuldmodel en de tendens in onze samenleving naar nog meer individualisme en dus minder solidariteit en wereldbewustzijn te duiden.

[iv] Wieman, H. N. (1958). Man’s Ultimate Commitment. Carbondale: Southern Illinois University Press.

[v] Hagan, S. & Palmgren, C. (1998). The Chicken Conspiracy. Breaking the Cycle of Personal Stress and Organizational Mediocrity.Baltimore: Recovery Communications, Inc.

[vi] Palmgren, C. (2008). Ascent of the Eagle. Being and Becoming Your Best. Dayton: Innovative InterChange Press.

[vii] Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Het dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

[viii] Transcendentie is een filosofisch begrip dat kan gedefinieerd worden als het overstijgen van de mens; het zich verheffen boven de dualiteit van het zich vereenzelvigen met de werkelijkheid, het hier en nu bewustzijn; het gekleurd bewustzijn.

[ix] Observeren: Het aandachtig en nauwkeurig bekijken (helder waarnemen) van dingen zonder te oordelen.

[x] Percipiëren: Waarnemend begrijpen door te interpreteren (inkleuren) wat geobserveerd werd.

[xi] Vollebregt, M. Waarom psychologische veiligheid essentieel is voor effectieve teams. Geraadpleegd op 16 september 2020 van https://www.frankwatching.com/archive/2018/06/27/waarom-psychologische-veiligheid-essentieel-is- effectieve-teams/ 

[xii] Senge, P. M. (1990). The fifth discipline. The art and practice of the learning organization. New York: Doubleday. 

[xiii] Deal, T. E. & Kennedy, A.A. (1982). Corporate cultures: the rules and rituals of corporate life. Reading: Addison-Wesley Publishing Company, Inc. 

[xiv] Freiberg, K. & Freiberg, J. (2004). Guts: Companies that blow the doors off. Business as usual. New York: Doubleday. 

[xv] Senge, P.M., Scharmer, O., Jaworski, J. and Flowers, B.S. (2004). Presence. Human purpose and the field of the future. Cambridge: The Society of Organizational Learning. 

[xvi] Deleeck, H., Huybrechts, J. & Cantillon B. (1983). Het Matteüseffect. De ongelijke verdeling van de sociale overheidsuitgaven in België. Antwerpen: Kluwer. 

[xvii] “We don’t see things as they are, we see them as we are.” Quote van Anaïs Nin. Dezelfde quote wordt ook toegeschreven aan vele anderen, waaronder Stephen Covey. Ere wie ere toekomt, hoewel er veel quotes bestaan die in de richting gaan, is het Anaïs Nin die het adagium in haar boek ‘The seduction of the Minotour’ als dusdanig verwoorde. Opmerkelijk is wel dat haar personage – Lillian – in het boek refereert naar een Talmud tekst: Lillian was reminded of the talmudic words. Bij nadere analyse gaat de religieuze tekst eigenlijk essentiëel over de interpretatie van dromen, dus besluit Gregory Sullivan alias Garson O’Tool (Geraadpleegd op 6 januari 2021 via https://quoteinvestigator.com/2014/03/09/as-we-are/) dat Anaïs Nin met de eer gaat lopen. 

[xviii] Covey, S.R. (1993). De zeven eigenschappen van effectief leiderschap. Amsterdam: Business Contact.

[xix] Kuhn, T.S. (1970). The Structure of Scientific Revolutions. Chicago: University of Chicago Press.

[xx] Barker, J. A. (1992). The Business of Discovering the Future. New York: Harper Collins Publisher.

[xxi] Sociaal.Net. Eerdekens, W. & Declercq, L. Outreachers zijn de sterke buitenbeentjes van sociaal werk. Geraadpleegd op 9 januari 2021 via https://sociaal.net/achtergrond/outreachers-zijn-de-sterke-buitenbeentjes-van-sociaal-werk/

BLIJF WAKKER ! – DEEL XXXIX

HOE STERK WEER OPSTAAN NA ZWARE TEGENSLAG?

Come on up for the rising

Come on up, lay your hands in mine

Come on up for the rising

Come on up for the rising tonight.

Bruce Springsteen – The Rising[i].

Eloïse, Edward en Elvire, deze column gaat over omgaan met tegenslagen. Tegenslagen horen bij het leven, daar hadden we het al uitgebreid over in vorige column. Bij een miskleun, een falen of een tegenslag hebben jullie de keuze: 

  1. Jullie vertonen het mainstream gedrag en geven ‘de ander’ de schuld; met andere woorden, jullie zoeken totdat jullie ‘de zwarte piet’ gevonden hebben; 
  2. Wanneer jullie die niet vinden, wordt de schuld doorgeschoven naar ‘Murphy’;
  3. Jullie zijn tegendraads: jullie weigeren te oordelen, de schuld in iemands schoenen te schuiven of ‘de ander’ te veroordelen; in de plaats daarvan kies je voor het ‘sterk-weer-opstaan’ proces. 

De waarde van tegendraads zijn

Eloïse, Edward en Elvire, tegendraads zijn start met een cruciale dialoog met zichzelf en de omgeving rond de miskleun of het falen. Daarbij maakt men best gebruik van het creatief wissselwerkingsproces. Zo lost men het probleem op terwijl men terzelfdertijd voorkomt dat het in de toekomst nog de kop op steekt. 

Om tegendraads te zijn en in de spiegel te kijken, is er moed nodig teneinde te laten zien hoe het werkelijk is een miskleun te doorstaan; de eigen kwetsbaarheid te voelen in plaats van de fout in het gedrag van anderen te zoeken of de eigen frustratie op anderen af te reageren. Bereid zijn om de werkelijkheid onder ogen te zien en blijven leven in overeenstemming met eigen waarden en normen en dit bovendien daadwerkelijk tonen; daar heb ook ik uiteindelijk voor gekozen. 

Creatieve Wisselwerking

Eloïse, Edward en Elvire, jullie konden al bevroeden, het ‘sterk-weer-opstaan’ proces is in feite het van binnen uit beleven van Creatieve wisselwerking na een miskleun. En bij dit beleven klopt de spreuk “Hoe meer ik leer, hoe minder ik weet” als een bus. Dit is het loon van het leren uit eigen fouten: men komt z’n eigen beperktheid tegen. Daardoor heb ik onder meer geleerd de idee dat ik de waarheid in pacht zou hebben volledig op te geven. 

Ik beleef wel een basis- en universele waarheid: Creatieve wisselwerking. Het is de moed hebben de uitdaging aan te gaan en daardoor het proces van binnen uit beleven en dit bovendien laten zien. Dit alles terwijl men heel goed weet dat men geen controle hebt over het uiteindelijke resultaat. Men kan Creatieve wisselwerking beleven, edoch men kan het proces niet sturen naar een welbepaald resultaat. 

Zich zo kwetsbaar opstellen, zonder zeker te zijn van het resultaat, is geen teken van zwakte; moediger kan men niet zijn. Als men zo leeft dan bevindt men zich op de ‘werkelijkheid van het terrein’, men bevindt zich in de arena en is dus speler. Men is geen ‘tribune speler’ en nog minder toeschouwer. Men beschouwt het eigen beleven van het proces wel, dit met de vaardigheid Proces Bewustzijn. Meer nog, men heeft eigenlijk lak aan toeschouwers die van op veilige afstand strooien met bekrompen kritiek en kleinerende opmerkingen. 

Dit wil ook zeggen dat men, mede door het beleven van Creatieve wisselwerking, selectief wordt met betrekking tot feedback die men in toelaat. Eloïse, Edward en Elvire, zelf hanteer ik volgende vuistregel: wanneer de ander zich niet niet met mij in de arena bevindt en dus niet de kans loopt zelf onderuit gehaald te worden, dan ben ik niet geïnteresseerd in haar of zijn feedback. Bevindt zij of hij zich wel op het strijdtoneel, dan waardeer ik de feedback ten zeerste en zal er zelfs om vragen. Indien men zich niet kwetsbaar opstelt; met andere woorden, niet met mij in dialoog gaat, met de kans dat deze uitdraait op een ‘cruciale’, dan hoeft het niet voor mij. 

De moed hebben zich authentiek op te stellen, heeft als wetmatigheid dat men ook op z’n bek kan, zelfs ooit zal, gaan. Daardoor is de “The Boxer’ van Paul Simon mijn lijflied. Ik weet namelijk dat, wanneer ik de moed heb mij kwetsbaar op te stellen, ik ooit met het canvas in aanraking zal komen. Ik weet echter ook dat ik dan terug recht zal krabbelen, want ik heb van binnenuit gekozen voor Creative Interchange

In the clearing stands a boxer

And a fighter by his trade 

And he carries the reminders 

Of every glove that laid him down 

Or cut him till he cried out 

In his anger and his shame 

“I am leaving, I am leaving” 

But the fighter still remains. 

Paul Simon – The Boxer 

Door gekozen te hebben voor Creatieve wisselwerking “beyond the point of no return” kan ik niet meer terug … “the fighter still remains”. Ik kan ook niet terug keren naar de werkelijkheid van voor de val. Ik geloof namelijk dat ik uit die ervaring zal leren en daardoor zal uitkomen op een ‘hoger’ niveau dan waarop ik me voor de val bevond. Ik weet ook dat ik echt door het stof zal dienen te gaan en dit met het bloed, het zweet en de tranen eigen aan het gevecht. Plezierig is anders, maar ik heb niet voor plezier gekozen, wel voor groei. En die gaat steeds gepaard met groeipijnen. Het is enerzijds pijnlijk en anderzijds weet ik dat ik, aan het einde van de strijd, als ‘herboren’ én ‘beter’ zal herrijzen. Door deze Awareness en dit Vertrouwen krijg ik de kracht om door te gaan en word ik door de creatie spanning naar een hoger niveau gestuwd. Die kracht (cf. The Force van Yoda) is niets anders dan Creative Interchange. Maar, eerlijk is eerlijk, makkelijk en vredig is deze strijd allerminst. 

Het opstaan na de val is een persoonlijke opgave en toch sta ik er niet alleen voor. Ik bezit de innerlijke zekerheid dat – indien ik a) met anderen verbonden blijf en b) Creatieve wisselwerking met hen vanbinnen uit beleef – ik er kom! Met andere woorden: in de eenzaamheid van de tegenslag dien je wel de uitdaging, creatieve verbinding met anderen te zoeken én te vinden, aangaan. Daartoe is het ‘upfront’ geven van vertrouwen een voordeel. Het is beter dat je vertrouwen soms geschaad wordt dan dat je nooit je vertrouwen ‘upfront’ geeft; met andere woorden dat je wacht totdat dit vertrouwen ‘verdiend’ is, want dan zou het wel eens te laat kunnen zijn. 

Echte Creatieve wisselwerking legt wat we leren uit een mislukking of falen vast in een beslissing tot actie. Door het continu uitvoeren van die actie met commitment en doorzettingsvermogen, zorgt Creatieve wisselwerkingervoor dat uiteindelijk het nieuwe gedrag een goede gewoonte wordt. Echt leren gaat via het hoofd, het hart en onze handen naar onze geest waardoor uiteindelijk onze mindset transformeert. 

Zo is leren opstaan na een dreun, door het vanbinnen uit beleven van Creatieve wisselwerking, een deel van m’n mindset geworden. Ik weet dat ik af en toe zal vallen en ik weet ook dat ik, juist door het vanbinnen uit beleven van CI, er sterker en beter boven op kom. Dat ik terug rechtop, wendbaar en weerbaar, ten volle in het leven zal staan totdat ik terug zal vallen. Dat is, heb ik geleerd, een natuurwet zoals de zwaartekracht. Het ‘sterk-weer-opstaan’ proces na een tegenslag is steeds hetzelfde proces; of het nu over persoonlijke problemen gaat of over problemen op het werk, het creatief wisselwerkingsproces helpt ons er bovenop. 

Wendbaar en Weerbaar

Kortom, om wendbaar (pro-actief) en weerbaar (reactief) te zijn, dient men Creatieve wisselwerking vanbinnen uit te beleven. Dit werd uiteindelijk een levenswijsheid die ik nu, zo goed en zo kwaad ik dit al kan, doorgeef aan jullie Eloïse, Edward en Elvire, mijn drie kleinkinderen. Want die zullen dit – zoals Fons Leroy het zo treffend schetste in een interview op het één journaal van 7 oktober 2016, de dag na de aankondiging van het massaontslag bij ING – in de toekomst meer dan nodig hebben. Zoals reeds gesteld geef ik die kennis nu door omdat ik besef dat de dag ooit komt dat ik niet meer op zal kunnen staan. Ook dat is een natuurwet, elk leven is eindig, ook het mijne. Wat wel zal voortleven is het Creatief wisselwerkingsproces en hopelijk, mijn vurigste wens, ook in jullie, mijn kleinkinderen. Creatieve Wisselwerking doorgeven doe ik onder meer door hen aan te tonen hoe gedachten, emoties en gedrag een samenhangend geheel vormen, zoals de liggende acht zo mooi duidelijk maakt. Dit doe ik onder meer met deze serie columns. Omdat deze column gaat over het beleven van Creatieve wisselwerking bij het ‘sterk-weer-opstaan’ na een zware tegenslag, zullen er nogal wat herhalingen van vorige columns voorkomen. Besef wel dat het beter is tweemaal iets zinnigs te poneren dan het helemaal niet naar voor te brengen.

Creatieve wisselwerking is geen formule!

Eloïse, Edward en Elvire, het grootste probleem met Creatieve Wisselwerking is dat het als een makkelijke formule oogt die iedereen kan uitwerken. Begrijp mij niet verkeerd; Creatieve wisselwerking kan iedereen van binnenuit beleven; meer nog, we zijn er mee geboren! Het probleem zit in het feit dat Creatieve wisselwerking bij de eerste bewuste kennismaking als een makkelijke ‘formule’ overkomt. Dit komt mede omdat ik er (nog) niet in geslaagd ben om Creatieve Wisselwerking complex én bevattelijk voor te stellen. Mijn meest complexe voorstelling van Creatieve Wisselwerking is het ‘vlindermodel’ met z’n 4 fasen, 8 basiscondities en 16 vaardigheden: 

Die voorstelling oogt inderdaad al ingewikkelder dan het lemniscaat model waarmee ik ooit startte. Ik leg echter het vlindermodel nog te veel uit als een soort ‘stap voor stap’ aanpak, wat het allerminst is. Het vlindermodel geeft een mogelijke route aan (communicatie à appreciatie à imaginatie à transformatie) maar dit pad kan echter op verschillende manieren gelopen worden. Het oorzaak en gevolg denken, dat het model zou kunnen impliceren, kan volledig omgedraaid worden en bovendien bevat elk van de vier fasen ALLE vier fasen. Bijvoorbeeld: de vierde fase, transformatie, omvat de vaardigheid van het geven en ontvangen van feedback. Feedback dient gegeven te worden (communicatie), correct waarderend begrepen te worden (appreciatie), aanzetten tot verandering en dus het vinden van ideeën daartoe (imaginatie) die uiteindelijk dienen in werkelijk omgezet te worden (transformatie). 

Eloïse, Edward en Elvire, Creatieve wisselwerking heeft echt geen lineaire volgorde. Toegegeven, ik stel het bijna steeds gemakshalve en als eerste kennismaking zo voor. Dit onder meer met de hulp van het Cruciale dialoogmodel en z’n vier fasen. Ik vertel of schrijf er steeds bij dat die voorstelling eigenlijk te simpel en te lineair is voor het levend, complex, organisch levensproces dat Creatieve wisselwerking is. Creatieve wisselwerking lijkt op het eerste gezicht inderdaad volgens bepaalde patronen te verlopen, maar is heus niet in een formule te vatten, en ook niet in een stap-voor-stap lineaire volgorde. Het heeft in veel gevallen de vorm van de oude Echternach processie (drie stappen voorwaarts gevolgd door twee achterwaarts). Die regel leidde, zoals ik reeds eerder schreef, tot een dusdanige chaos dat de processie uiteindelijk drastisch werd gewijzigd: het werd een dansprocessie. Ook Creatieve wisselwerking heeft veel weg van een dans waarbij de deelnemers met elkaar verbonden zijn. Niet met behulp van een witte zakdoek, zoals het huidig protocol van de Echternach processie voorschrijft, maar door het creatief wisselwerkingsproces zelf. “You have to go with the flow”, zeg ik soms, daarbij goed beseffend dat het fenomeen Flow een van de verschijningsvormen is van Creatieve wisselwerking . 

Creatieve wisselwerking is een zich herhalend, iteratief en zelfs intuïtief proces dat voor verschillende mensen verschillende vormen aanneemt. Ook zorgen verschillende contexten voor een verschillend beleven van Creatieve wisselwerking. Er is bovendien niet steeds een eenduidige relatie tussen inspanning en resultaat. Men kan het proces enkel zo standvastig en zo zuiver mogelijk beleven. Wanneer het resultaat niet in verhouding is met de inspanning, dan dient men daarover te reflecteren, wat op zich weer een van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking is. 

Door het beleven van Creatieve wisselwerking van binnen uit, ook en vooral bij het opstaan na een doodsmak, leer je dat je deel uitmaakt van een groter geheel. De Franciscaan Richard Rohr vertolkt dit treffend wanneer hij stelt: “Na elke initiatie weet je dat je deel uitmaakt van een groter geheel. Het leven draait voortaan niet meer om jou, je gaat je inzetten voor het Leven!”[ii] Een andere pater, Paul de Sauvigny de Blot SJ, leerde mij, eigenlijk meer nog dan Charlie Palmgren, dat ‘sterk-weer-opstaan’ in wezen een spirituele oefening is. In zijn dissertatie[iii]met als hoofdfiguur de stichter van de Jezuïeten orde, Ignatius van Loyola, komt ‘spiritualiteit’ telkens weer uit diens levensverhaal naar voor als cruciaal onderdeel van veerkracht en het gevecht om na een zware tegenslag weer op te staan. Vader de Blot definieert spiritualiteit als ‘innerlijke ervaring die mijzelf overstijgt, richting geeft aan mijn leven en mijn bestaan zinvol maakt’. 

De innerlijke ervaring van Creatieve wisselwerking leidt naar volgende innerlijke zekerheid: Creatieve wisselwerking is het levensproces. Het proces dat aan de grondslag ligt van alle leren en veranderen, dus van alle transformatie. Creative Interchange steunt op onze onderlinge verbondenheid en door het vanbinnen uit beleven worden onze ervaringen als ‘spirituele’ oefeningen. Voor mij is een van de belangrijkste toepassingen van Creative Interchange, als spirituele oefening, het weer opstaan nadat men zwaar ten gronde is gegaan. Want dit opstaan vereist een diepgeworteld geloof in de kracht van Creatieve wisselwerking door verbondenheid, een worsteling met jezelf en, in de meeste gevallen, het terugwinnen van betekenis en zingeving. 

Wat ik ook geleerd heb, Eloïse, Edward en Elvire, is dat zonder het beleven van Creatieve wisselwerking het uiterst moeilijk is om terug op te staan. Die levensles leerde ik in m’n meest donkere periode tot nog toe (mijn massieve depressie: 2008- 2010). Toen kwam de weerbaarheid rijkelijk laat, wat ik mij later maar met heel veel moeite heb vergeven. Ik had m’n kennis toen al in praktijk moeten brengen, want ik had jaren ervoor het boek ‘Creatieve wisselwerking’ geschreven. M’n kennis was toen nog geen wijsheid geworden. Uiteindelijk verbond ik mij terug met het levensproces. Ook dacht ik in die donkere periode veel aan de song “Don’t cry for me, Argentina”, uit ‘Evita’ waarbij ik ‘Argentina’ verving door ‘Creative Interchange’

I had to let it happen, I had to change Couldn’t stay all my life down at heel  Looking out of the window, staying out of the sun
So I chose freedom
Running around trying everything new  But nothing impressed me at all
I never expected it to
Don’t cry for me Argentina
The truth is I never left you
All through my wild days
My mad existence
I kept my promise
Don’t keep your distance
But nothing impressed me at all
I never expected it to
Don’t cry for me Argentina
The truth is I never left you
All through my wild days
My mad existence
I kept my promise
Don’t keep your distance 

And as for fortune, and as for fame
I never invited them in
Though it seemed to the world they were all I desired
They are illusions
They’re not the solutions they promised to be 
The answer was here all the time
I love you and hope you love me
….
Have I said too much?
There’s nothing more I can think of to say to you  But all you have to do is look at me to know that Every word is true! 

Bij m’n volgende dreun – darmkanker 2013 – deed ik het stukken beter en was ik de dreun eigenlijk voor. Door proactief, dus wendbaar, Creatieve wisselwerking vanbinnen uit te beleven, met mezelf én mijn omgeving, zag ik die dreun ‘aankomen’. Spijtig genoeg geloofde m’n huisdokter mijn ‘innerlijke zekerheid’ toen helemaal niet; hij wist het beter. Darmkanker kon helemaal niet, gezien m’n voorgeschiedenis – hij was m’n derde huisarts in een serie grootvader-vader-zoon. Ik had nogal wat moeite om van onder mijn loyaliteit uit te komen, wat dan weer een levensles was. Bij darmkanker is ontwijken echt geen optie, direct rechtveren en doorgaan wel! En dat laatste heb ik dan ook gedaan! Als puntje bij paaltje komt, waren jullie Eloïse, Edward en Elvire, mijn grootste reden om ‘door te gaan zoals ik door ga’. Aldus het ‘oorzaak en gevolg’ model op z’n kop zettend. 

In volgende delen bespreek ik het ‘sterk-weer-opstaan’ proces meer in detail. Onderstaande figuur is een mogelijke voorstelling van dit proces: 

Je eigen verhaal onder ogen zien

Brené Brown: “Je eigen verhaal onder ogen zien en, terwijl je dit doet, van jezelf houden is het moedigste wat je ooit kan doen.[iv]” Het gaat dus over in verbinding komen met je miskleun en je falen en toch van jezelf blijven houden. Het is niet alleen het moedigste, het is ook het wijste dat je kunt doen, wil je de befaamde quote van voetballer-filosoof Johan Cruijff “Elk nadeel heb z’n voordeel” bewaarheid zien door bewust naar het potentieel voordeel op zoek te gaan en dit voordeel ook effectief te realiseren. 

Eloïse, Edward en Elvire, het ‘sterk-weer-opstaan’ proces begint met de feiten van het verhaal op een rijtje te zetten. Daartoe is het beleven van de eerste karakteristiek van Creatieve wisselwerkingAuthentieke Interactie,nodig. Niet alleen authentieke interactie met zichzelf; ook authentieke interactie met mensen uit de eigen omgeving die getuige waren van het falen. Vervolgens dient men nieuwsgierig genoeg te zijn om de juiste vragen te stellen en op die vragen correcte antwoorden te vinden. Daardoor begrijpt men uiteindelijk waarderend de miskleun, wat dan uitmondt in min of meer heftige gevoelens. Daarbij trekt men niet de eerste de beste conclusie en gaat men niet over tot actie (het zo verfoeilijke ‘jump to conclusion’ gedrag). Integendeel, men blijft lang genoeg het eigen verhaal onder ogen zien totdat men ten volle de complexe ‘oorzaken en gevolgen’ keten waarderend begrijpt. 

Als we in de arena op ons gezicht gegaan zijn, is de eerste reactie vaak ‘rond kijken of niemand het gezien heeft’. Wij voelen direct schaamte opwellen en indien we leven volgens de ‘mainstream’ filosofie gaan we aansluitend op zoek naar de ‘schuldige’. Uiteraard zoeken we die, conform de ‘heersende’ mindset, buiten onszelf. De combinatie schaamte/verwijt is zo gebruikelijk omdat we, uit wanhoop van onder de pijn uit te komen, verwijten als een snelle oplossing zien. Voor de meesten van ons, die hun toevlucht nemen tot het maken van verwijten, is de behoefte aan controle zo sterk dat ze schuld willen toewijzen. Ze denken dat ze zich beter gaan voelen nadat ze met de vinger naar iets of iemand gewezen hebben, maar er verandert niets. Verwijten maken is juist dodelijk in relaties. Het is giftig. Maar het blijft de voorkeursreactie van de meesten onder ons. Dit mede omdat het een onderdeel is van onze Vicieuze Cirkel.

Indien we ‘tegendraads’ zijn, bekijken we ons verhaal eerst afstandelijk, alsof het een verhaal van iemand anders is. Anders gesteld, we observeren de feiten van ons verhaal met ons ‘helder’ bewustzijn. Dit wordt zoals we reeds zagen, aangeduid met het begrip Awareness. Met andere woorden, we leggen eerst ons verhaal vast met ons helder bewustzijn en observeren de ‘naakte’ waarheid. 

Pas daarna kleuren wij het verhaal met ons gekleurd bewustzijn (Consciousness). Bij dit interpreteren dragen wij er zorg voor ook, en vooral, onze eigen inbreng in het verhaal te begrijpen. We beleven ten volle de tweede karakteristiek van Creatieve wisselwerkingWaarderend Begrijpen. Dit betekent ook dat, indien we toch een andere actor identificeren dan onszelf, we ons eerst afvragen welke rol we daarbij zelf gespeeld hebben. “Hebben wij het gedrag van de ander gedoogd of getriggerd?” is een van de pertinente vragen die wij ons gedurende deze analyse dienen te stellen. Wij kijken oprecht in de spiegel en slaan hem niet stuk! We hoeden ons er voor onszelf verwijten te maken die ondermijnend zijn en weinig opleveren. 

Ook zijn we er van overtuigd dat indien we onze miskleun verhalen ontkennen of ons losmaken van die moeilijke verhalen, deze niet weggaan. Integendeel, we begrijpen ten volle dat ze ons dan bezitten en ons daardoor bepalen. We kiezen er bewust voor dit niet te laten gebeuren. We laten ons niet ‘vanbuiten naar binnen’ beheersen! 

Eloïse, Edward en Elvire, een van de redenen dat we soms geen rekenschap durven afleggen van onze miskleun verhalen is angst. Daarbij spelen volgende vragen: “Wat als ik iets vind met betrekking tot mijn gedrag dat niet zo prettig is?” of “Wat gaan anderen daarvan denken?” Angst zorgt ervoor dat we onze verhalen in de doofpot willen steken, goed wetende dat die doofpot niet bestaat. Angst leidt naar struisvogel gedrag. Het is niet omdat wij onze kop in het zand steken dat onze medemensen ziende blind zijn. 

Wat nodig is om zich rekenschap te kunnen geven van het volledige eigen verhaal is nieuwsgierigheid, niet toevallig een van de basiscondities van de tweede karakteristiek Waarderend Begrijpen van Creatieve wisselwerking. Nieuwe informatie ‘as such’ verandert onze manier van denken, en daardoor ook ons leven, niet. Pater Paul de Blot SJ leerde mij dat wanneer iets je toevalt, je het niet alleen dient op te rapen. Je dient er vooral iets uit te leren door er iets mee te doen. Het echte leren is actie leren, niet het verzamelen van informatie. Paul de Blot heeft het hier eigenlijk over het creatief wisselwerkingsproces. Informatie alleen zorgt niet voor transformatie! 

De ‘kinderlijke’ nieuwsgierigheid bewaren betekent voor mij te aanvaarden dat ‘niets voor niks is’ en dat ik die kennis dien te beleven totdat het wijsheid wordt. Nieuwsgierigheid bewaren is een daad van kwetsbaarheid en moed. Je moet dapper zijn om meer te willen weten, omdat je nooit op voorhand weet of je iets gaat vinden waardoor er jou echt iets te verwijten valt of blijkt dat je geen gelijk had. Nieuwsgierigheid is onaangenaam omdat het naast kwetsbaarheid ook onzekerheid betekent. Nieuwsgierigheid is daardoor een tegendraadse eigenschap die afwijkt van de ‘mainstream’ norm. 

Naast nieuwsgierigheid is kunnen omgaan met onzekerheid een basisconditie van deze fase van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces. De reden waardoor beiden cruciaal zijn voor dit proces is dat de gevarieerde en soms excentrieke koers van sterk weer opstaan ook tegendraads is. Het omarmen van kwetsbaarheid, nieuwsgierigheid en onzekerheid, dat nodig is om op te staan na een val, is ook een beetje gevaarlijk, vooral voor onze omgeving. Mensen die niet blijven liggen na een dreun, maar – zoals de bokser uit Paul Simon’s gelijknamige song – opstaan, zijn vaak onruststokers. Lastig in bedwang te houden want “the fighter still remains!” Ze stellen de juiste moeilijke vragen en dat is tegendraads, dat kan gevaarlijk zijn. 

We dienen een bepaalde mate van kennis of bewustzijn te hebben om nieuwsgierig te kunnen zijn. Het verhaal dat we onder ogen zagen met ons helder bewustzijn (awareness) heeft onze nieuwsgierigheid gewekt. “Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat mij dit overkomen is?” Onze nieuwsgierigheid, die leidt naar het inkleuren van ons verhaal (consciousness), is echt vastgehaakt aan onze awareness met betrekking tot ons miskleun-verhaal. Dit doen we door nederig pertinente vragen te stellen van (cf. ‘Humble Inquiry’ van Edgar Schein[v]), die toch gevaarlijk in de oren kunnen klinken. 

Het vastleggen van ons miskleun-verhaal is een cruciaal onderdeel om het waarderend te kunnen begrijpen. Wel dienen we bewust te zijn dat onze eerste versie in de meeste gevallen een verzonnen verhaal is, dat nadien dient verfijnd te worden. Het voordeel van dit ongecensureerde verhaal is dat er antwoorden verscholen liggen op drie uiterst belangrijke vragen; vragen die leiden tot meer zelfkennis en innerlijke integratie en die zorgen dan weer voor meer moed, empathie, mededogen en verbinding in ons leven: 

Wat moet ik nog meer leren en begrijpen over de actuele situatie?
• Welke van m’n beweringen zijn objectief?
• Welke van m’n beweringen zijn gebaseerd op aannames?

2. Wat moet ik nog meer leren en begrijpen over de andere spelers in m’n verhaal? 

  • Heb ik nog andere informatie nodig? 
  • Welke nederige vragen dien ik dienaangaande te stellen? 

3. Wat moet ik nog meer leren en begrijpen over mezelf?
• Welke rol speelde ik echt?
• Wat staat er in m’n linker kolom (cf. Oefening Argyris[vi])?

Dienen we (iets) te veranderen ?!?

Eloïse, Edward en Elvire, de cruciale vraag hierbij is: “Wil ik terug en meer vanuit m’n volle mens-zijn leven?” Het antwoord op deze vraag zal ons leiden naar wat er dient te veranderen om een nieuw en nu hopelijk succesvol verhaal te schrijven. 

In deze column rond het ‘sterk-weer-opstaan’ proces ben ik gekomen aan het middendeel. Gezien dit proces op de keper beschouwd het vanbinnen uit beleven van Creatieve wisselwerking is, kan dit deel gevisualiseerd worden door het midden van het vlindermodel. 

In dat midden komen we eerst de ‘delta’ tegen: 

Delta (del-ta) zelfstandig naamwoord: de vierde letter van het Griekse alfabet – het wiskundig symbool voor verschil. De hoofdletter delta is een driehoek. 

Het is het verschil – de delta – tussen (a) wat we hebben nu we ons verhaal correct onder ogen hebben gezien, ontdaan van alle verzinsels en franjes en b) wat je jezelf toewenst om terug vanuit je volle mens-zijn te kunnen leven. Anders gesteld, de delta is het verschil tussen ons inzicht (in de realiteit) en onze behoeften. 

Ik hou eigenlijk meer van het begrip delta dan van het begrip ‘verschil’ hoewel de twee begrippen synoniemen zijn. Het driehoek symbool neemt me terug mee naar het drieluik waar het om gaat en dat door de liggende acht wordt gevisualiseerd: Denken  – Verbinden/Voelen – Doen.

Verbinden/Voelen

Denken                                                Doen

Wanneer we ons val-verhaal ten volle waarderend begrepen hebben, voelen we, uitgerekend door ‘de delta’, emoties en gevoelens. Die kunnen voor ‘knee-jerk’ reacties zorgen. We kunnen er echter vanbinnen uit voor zorgen dat dit soort reacties geen kans krijgen. 

We reageren onze emoties en gevoelens niet direct af door te vechten (naar de ander slaan), te vluchten (de ander ‘de schuld’ geven) of te verstijven (dichtklappen – ‘shit happens’). Zelfs indien we de fout aan onszelf toewijzen, voelen we ons vooral geen mislukkeling, we erkennen de emoties en gaan die vanbinnen uit beheersen. Wij verwijten ons niets, wij voelen ons, indien nodig, wel aansprakelijk. Aansprakelijkheid is jezelf verantwoordelijk stellen voor jouw daden en de gevolgen ervan. Aansprakelijkheid is een voorwaarde voor sterke relaties en een dito bedrijfscultuur. Voor aansprakelijkheid is authenticiteit, moed en actie nodig teneinde je excuses aan te bieden en het goed te maken. Het vraagt om kwetsbaarheid. We moeten onze eigen gevoelens onder ogen zien en ons gedrag en onze keuzes zien te verzoenen met onze waarden en normen. Wij weigeren dat onze emoties ons ‘vanbuiten naar binnen’ beheersen. Met andere woorden: onze emoties controleren ons niet. Of nog: wij weigeren de slachtofferrol! Zelfs als de val of miskleun ons overkomt zonder dat we in enige mate aansprakelijk zijn, weigeren we de slachtofferrol op te nemen en krabbelen recht… “the fighter still remains!” We werken van uit het ‘inside-out’ betrokkenheid paradigma, niet vanuit het ‘outside-in’ controle paradigma. 

Eloïse, Edward en Elvire, uiteraard hangt de kwaliteit van deze emoties en gevoelens af van het miskleun-verhaal en de context. Ik ga er verder van uit dat je die emoties niet laat afketsen of uithaalt naar iemand uit jullie omgeving. “You may not control all the events that happen to you, but you can decide not to be reduced by them.” schreef Maya Angelou in “Letter to my Daughter’[vii]. Wat jullie niet mogen laten gebeuren, is dat jullie zelfvertrouwen sneuvelt door het falen. Zelfvertrouwen en fouten maken kunnen perfect naast elkaar bestaan, als we het maar goed blijven maken, blijven handelen naar eigen waarden en normen, en schaamte en verwijten meteen ten goede ombuigen. 

Persoonlijk Macht

Wat de context of de omvang ervan ook was, falen gaat gepaard met het gevoel dat we een deel van onze persoonlijke macht zijn kwijtgespeeld. Ik hou in dit verband enorm van Martin Luther King’s quote: 

Power, properly understood, is the ability to achieve purpose.

Eloïse, Edward en Elvire, wij hebben het vermogen om ons persoonlijk doel te bereiken. Het gaat over het uitoefenen van persoonlijke macht vanbinnen uit teneinde ons doel te bereiken. Vandaar dat in ons ‘Cruciale dialoogmodel’ in het midden de persoonlijke eigenschappen – Intrinsieke Waarde, Kernwaarden, Kernkwaliteiten, Persoonlijk Doel, Positieve Intentie en Persoonlijk Engagement – verenigd zijn. 

Door ons terug te verbinden met onze Intrinsieke Waarde en onze persoonlijke Vicieuze Cirkel niet alleen te stoppen maar ‘terug te draaien’, door het beleven van Creatieve wisselwerking, komen we ook terug in verbinding met ons persoonlijk doel en geven we onszelf terug de macht om dit doel te bereiken. We smoren de opwellende machteloosheid in de kiem, want we weten dat machteloosheid leidt tot angst en wanhoop. 

Wanhoop is niet meer vertrouwen in het creatief wisselwerkingsproces. Men bevindt zich in een spirituele woestijn waarin men gelooft dat het morgen net zo zal zijn als vandaag. Het tegenovergestelde van wanhoop is hoop. Hoop die verankerd is in het creatief wisselwerkingsproces. Met name, dat men het morgen beter kan hebben door doelen te stellen, wegen te creëren naar die doelen toe en de vasthoudendheid en het doorzettingsvermogen op te brengen om die wegen te bewandelen teneinde die doelen effectief te bereiken. Men gelooft in het persoonlijk vermogen (macht) om Creative Interchange van binnen uit te beleven:”You Believe In the Power of The Force!” 

Mindfulness says, “Feel the pain” and self- compassion says, “Cherish yourself in the midst of the pain”; two ways of embracing our lives more wholeheartedly[viii]

Men geeft zich ook rekenschap van emoties. Dat betekent zichzelf toestemming geven deze te voelen en er dus aandacht aan te besteden in ‘het hier en nu’. Wat men ook dient te doen, is tussen de actie en reactie letterlijk een pauze inlassen en ‘mindful’ de emoties evalueren. Tegenwoordig wordt hoe langer hoe meer een lans gebroken voor ‘self-compassion’. Dit is het vermogen om zichzelf met mildheid te aanvaarden wanneer men aan het lijden is. Huidige research toont aan dat zelf-medelijden sterk verbonden is aan emotionele weerbaarheid, inclusief het vermogen kalm te worden, miskleunen te (h)erkennen, er uit te leren en zich te motiveren teneinde te slagen[ix]. Wetenschappelijk is aangetoond dat zelf-medelijden potentieel een belangrijke factor is voor emotionele problemen zoals depressie. 

Marie R. Miyashiro[x] spreekt in dit verband van twee vaak verkeerd begrepen menselijke eigenschappen: 

  1. Onze vaardigheid om ons op een natuurlijke wijze bewust te zijn van onze gevoelens zonder die te veroordelen; 
  2. Ons vermogen om deze gevoelens te verbinden aan de daarbij behorende al dan niet vervulde behoeften. 

Indien deze behoeften niet vervuld spreken wij van een ‘delta’. 

Eloïse, Edward en Elvire, in deze fase voelen we het verschil tussen wat we hebben en wat we willen haarfijn aan. In het ‘sterk-weer opstaan’ proces is er geen sprake van tevreden zijn met de nu ten volle waarderend begrepen werkelijkheid van op het canvas neergeteld te liggen. Er is een groot verschil tussen die huidige werkelijkheid en de gewenste toekomst: die van ten volle als mens terug in het leven te staan en door te gaan.
De delta toont ons duidelijk het verschil tussen de geapprecieerde werkelijkheid en de werkelijkheid die men zichzelf op basis van eigen waarden toewenst. De delta zorgt voor emoties die ons kunnen leiden naar twee soorten spanningen: de creatiespanning en de emotionele spanning, waar we het al eerder over hadden.

Beide spanningen zijn steeds in zekere mate aanwezig. Als de ene spanning groter wordt, wordt de ander kleiner en omgekeerd. Het goede nieuws is dat we zelf de chauffeur zijn van het voertuig van ons leven; we kiezen zelf waar we aandacht aan besteden. We kunnen die emoties toelaten, onder ogen zien en er bewust voor kiezen de creatiespanning haar werk te laten doen. 

Ik hou ook van het begrip ‘delta’ omdat delta’s plekken zijn waar rivieren in contact komen met de zee. Het zijn moerassige plaatsen die vol sediment zitten. Het zijn ook rijke en vruchtbare gebieden van groei, zoals de Zeeuws Vlaamse polders die uitlopen tot het noorden van Eeklo, welbepaald tot Watervliet, waar ik ooit meer dan vijftig jaar geleden ‘ons’ Rita ontmoette. De delta is de plek waar we ons werk kunnen doen. Onze belangrijkste inzichten betreffende onze toekomst komen ‘boven water’ in de delta. Het is de plek waar we onze behoeften erkennen, ons doelen stellen en waar we de verwachting uitspreken om te groeien en te veranderen, om terug recht te staan en door te gaan. We houden van onszelf om wie we zijn, zelfs als we geveld zijn, en spreken ook onze verwachting uit over wie we zouden willen zijn! 

Op dat ogenblik is ‘integriteit’ van het grootste belang. Ik hou enorm van Brené Brown’s definitie van dit begrip in ‘Sterker dan ooit (Rising Strong)’[xi]:

Integriteit is kiezen voor moed boven gemak; kiezen voor wat juist is boven wat leuk is, snel of gemakkelijk is; en er voor kiezen om onze normen en waarden in praktijk te brengen in plaats van die alleen maar te belijden. 

Eloïse, Edward en Elvire, wij zijn bereid om de verantwoordelijkheid voor ons eigen leven te accepteren. Wij zijn bereid om niet te kiezen voor het gemak en aanvaarden niet de eerste beste oplossing. Integendeel wij kiezen moedig de zoektocht aan te vatten naar die oplossingen die er echt toe doen. Dit leidt ons naar het moeilijkste deel van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces. Het aartsmoeilijke derde luik waarin we terug onzekerheid dienen te omarmen totdat we genoeg goede potentiële oplossingen hebben gevonden teneinde een gefundeerde keuze te kunnen maken. 

We zijn er nu van overtuigd dat er iets moet veranderen. We hebben het waarom van die noodzaak tot verandering uitgeklaard. Het strookt bovendien niet met onze persoonlijke missie (De Why? van Simon Sinek) om geveld te blijven liggen. Ook is ondertussen de Who? duidelijk: ik dien samen met anderen uit m’n omgeving de queeste naar de oplossingen aan te vatten. De How? is en blijft het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking. De antwoorden op de What? vraag zal het moeilijkste deel van onze tocht duidelijk maken. Wij omarmen onze onzekerheid met één zekerheid: het creatief wisselwerkingsproces zorgt voor de noodzakelijke oplossingen. Welke, dat weten we (nog) niet. Nogmaals, we kunnen Creatieve wisselwerking niet sturen. We weten wel dat we uiteindelijk een keuze zullen moeten maken onder de potentiële oplossingen en deze daarna van binnen uit zullen dienen te beleven om tenslotte terug in volle sterkte recht te staan en door te gaan. 

Het creëren en kiezen van de noodzakelijke acties

Eloïse, Edward en Elvire, ik ben tot mezelf gekomen in stilte en me verbonden met de gewenste toekomst. Het is nu tijd om als volledige mens met anderen in verbinding te komen en samen met hen de acties – noodzakelijk om de gewenste toekomst te verwezenlijken – te creëren en te kiezen. Anders gesteld: de weg naar de gewenste toekomst, en sterker doorgaan dan voor de val, dient nu geplaveid worden; niet met goede voornemens, maar door het creëren én kiezen van de noodzakelijke acties. In het ‘sterk-weer- opstaan’ proces is de derde karakteristiek van Creatieve wisselwerking: Creatieve Integratie – aan zet. Het gaat hier niet om ons ‘zijn’ maar om ons ‘worden’. Ik dien mij letterlijk te overstijgen door nieuwe elementen in mezelf te integreren. Dit betekent vooral dat ik mijn mentaal model, dat ik had toen ik tegen de vlakte sloeg, dien uit te breiden. Mijn persoonlijke mindset is aan vernieuwing toe, want zoals het gezegde zegt: “als je blijft doen wat je altijd al deed, blijf je krijgen wat je kreeg.” Dit laatste strookt helemaal niet met de door mij gewenste toekomst. 

Deze vernieuwing veroorzaakt onzekerheid, ambiguïteit en, door het “nog niet weten wat exact te doen”, voor potentiële confusie. Het is een intermezzo tussen de oude manier van mens-zijn en het worden van de nieuwe wijze van mens-zijn. Alleen daarom is dit voor mij een moeilijk onderdeel van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces. Ik hou helemaal niet van die fase van onzekerheid die steevast resulteert in een zeker onbehagen. Ik heb dus moeten leren om mij over te geven aan deze kritische karakteristiek van het creatief wisselwerkingsproces. Men moet bereid zijn om de oude ‘zekerheden’ los te laten en onzekerheid niet alleen te tolereren, meer nog, te omarmen. Ik heb moeten leren om in deze fase alle basiscondities van de vorige karakteristieken van Creatieve wisselwerking blijvend vanbinnen uit te beleven. 

Ik dien dus blijvend te vertrouwen, open en nieuwsgierig te zijn en bovendien onzekerheid te omarmen zoals een heel jong kind dat doet. Ik moet het vertrouwen, dat ik als kind onbewust in Creatieve wisselwerking had, als volwassene bewust herwinnen. Volgens Jan Bommerez stelde Stephen Covey ooit: “Vertrouwen is zekerheid over de universele principes”[xii]. Een van die universele principes is Creatieve wisselwerking. Daardoor is Stephen Covey’s definitie van vertrouwen eigenlijk mijn levensopdracht: innerlijke zekerheid blijvend hebben in Creatieve wisselwerking. “Vertrouwen komt te voet en gaat te paard” is een universele wijsheid die ook ik aan de lijve heb ondervonden. Wat ik daardoor geleerd heb, is het vertrouwen ‘up front’ te geven en dat vertrouwen meestal groeit in de loop van een relatie. Indien in een relatie het vertrouwen niet groeit, is de relatie de moeite niet waard. 

In die zoektocht naar acties, die mij niet alleen toe laten weer op te staan maar – ook en vooral – helpen door te gaan, dien ik samen met m’n reisgenoten elementen, die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben, op een creatieve manier met elkaar te verbinden. Daardoor ontstaat een ‘aha!’ moment waardoor een mogelijke oplossing plots ‘in zicht’ komt. In dit onderdeel van m’n queeste worden nieuwe zaken, die mij aangereikt worden, geïntegreerd in m’n oud denkpatroon, waardoor een nieuwe, vollere mindset wordt gecreëerd. 

Synergetisch Bewustzijn

Charlie Palmgren noemt het soort bewustzijn dat aan zet is in dit onderdeel van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces het ‘synergetisch bewustzijn’[xiii]

Synergie betekent dat de oplossing die gecreëerd wordt door elementen met elkaar op unieke manier te verbinden ‘verschillend en meer is’ dan werd verwacht. Het resultaat is meer dan de ‘mathematische optelling’van de eigenschappen van de elementen die worden geïntegreerd. Het gaat met andere woorden niet over een menging. Er wordt eerder een nieuwe legering gerealiseerd. Deze nieuwe legering heeft unieke, verrassende eigenschappen. Een unieke, nieuwe oplossing om na de val weer te kunnen recht krabbelen en door te gaan. 

Eloïse, Edward en Elvire, dat ik deze fase de moeilijkste vind komt ook omdat ik ze zelf nog te weinig heel bewust heb beleefd. Onder meer omdat ik in mijn opleiding tot burgerlijk ingenieur drastisch geconditioneerd werd in het lineair denken en ver gehouden werd van intuïtief denken. ‘Facts and figures” waren heilig in onze opleidingen en het inzetten van intuïtie werd niet onderwezen. Na mijn opleiding ging die indoctrinatie door op ‘den Kuhlmann’. Mijn aanvaringen met directeur Nicolas Kopylov staan nog in m’n geheugen gegrift: 

Monsieur Roels vous nêtes pas payé pour perdre votre temps à chercher des solutions créatives, vous êtes payé comme ingénieur, et un ingénieur sait! 

Ik heb hem toen gevraagd of hij “la chanson, monologue parlé plus que chanté, ‘Maintenant Je sais’ de Jean Gabin” kende; maar het bleek niet het juiste moment om naar Nicolas Kopylov’s kennis van het Franse chanson te vragen. Het lineair denken geeft aanleiding tot een ‘cause-and-effect’ reflex en voor elke oorzaak dient een tastbaar bewijs te bestaan. 

Ook gedurende m’n tweede Professionele leven bleef het ‘in-the-cause-and-effect-box’ denken preferentieel. Het ISRS audit gebeuren gaf weinig ruimte voor creativiteit, hoewel ik zowat de meest creatieve Accredited Safety Auditor was dat ILCI ooit heeft gekend. Dit werd me overigens me niet steeds in dank afgenomen door de puristen. Puristen die ik op den duur ‘ayatollah’s’ noemde. Zelf was ik langzaam aan het transformeren. Ik ging een stuk verder dan het puur lineair 5 Why denken door dit te verbeteren met m’n eigen versie van de sterk vertakte Feitenboom. Toch bleef ik grotendeels vast zitten in “het één of het ander” denken. Zelfs later, toen Charlie Palmgren mij initieerde in het ‘niet lineaire’ en zelfs ‘holistisch’ denken, bleef het lineaire denken mij sterk beïnvloeden. ‘Indoctrinatie’ heeft zo z’n langdurige neveneffecten. 

Ook vertoonde ik gedurende mijn eerste drie Professionele Levens te veel ‘jump to conclusion’ gedrag. Daardoor kwam ik heel vlug tot mogelijke oplossingen die ik dan zonder veel gedraal toepaste. Dit kwam er op neer dat ik te weinig tijd nam om die derde fase – het creëren van unieke oplossingen – ten volle te beleven. Mijn kernkwaliteit ‘Gedrevenheid’ met z’n valkuil ‘Doordrammen’ is naar niet vreemd aan. 

In mijn boek ‘Cruciale dialogen’ beschreef ik later vier vaardigheden die, door ze echt te beleven, de basiscondities van ‘verbinden’ en ‘creativiteit’ kunnen verstevigen. Inderdaad, ik beschrijf in elke fase naast de twee basiscondities, die de karakteriek van de bewuste fase ondersteunen, ook vier vaardigheden. Een belangrijk gegeven van het Cruciale dialoogmodel is dat door het werkelijk beoefenen van de vier vaardigheden, de twee basiscondities worden versterkt en door dat versterken van de twee basiscondities krijgen dan weer de vier vaardigheden een ruggensteun. Die vaardigheden zijn (1) herkaderen van het probleem, gebruik maken van (2) analogieën en (3) metaforen en (4) het krachtig gereedschap: “4+ en 1 wens”. Voor de beschrijving van deze vaardigheden verwijs ik graag naar eerdere columns. 

Het was pas tijdens m’n vierde Professionele Leven dat ik van onder het juk van het preferentieel lineair denken uitkwam en dat ik de tijd nam om de vaardigheden van deze fase zelf te beoefenen. De massieve depressie die ik in de periode 2008-2010 doorworstelde, had er voor gezorgd dat ik voor mezelf tijd gecreëerd had. Ik begreep in die periode de diepere betekenis van het Franse gezegde, dat ik geleerd had van m’n vriend Guy Bérat, “Il faut donner le temps au temps”. Niet toevallig was het ook Guy die mij in die periode hielp om terug vertrouwen te krijgen in Creatieve wisselwerking

Gedurende dit vierde professionele leven kreeg ik een nieuwe tegenslag: darmkanker. Dit is een probleem waar verstijven, vluchten of zelfs vechten niet aan de orde is. “Wat niet weet, wat niet deert” is een oud Nederlands gezegde dat zeker in het geval van kanker één grote leugen is. Het is niet omdat je niet weet dat je kanker hebt, dat deze stopt met verder woekeren in je lichaam. Het probleem met darmkanker is niet hoe je deze bestrijdt eens (tijdig) geïdentificeerd. De geneeskunde is goed gevorderd en de protocollen liggen klaar. In mijn geval werden die direct uitgetekend: beginnen met een dubbele aanpak van chemo en bestraling, vervolgens een chirurgische ingreep om de tumor te verwijderen en nadien nazorg chemo. De oplossing was in mijn geval reeds gevonden. Althans voor de puur lichamelijke kant van het probleem. 

De geestelijke kant was een ander paar mouwen. “Hoe ga ik met mijn kanker om?” werd de cruciale vraag. En op die vraag diende ik zelf het antwoord te geven. In mijn geval heb ik de vraag herkadert in “Hoe wil ik door m’n kleinkinderen herinnerd worden?” en onder meer die herkadering, een toepassing van de gelijknamige  vaardigheid (1), leidde mij tot een deel van de oplossing. Je kunt kiezen om cynisch en verbitterd te worden, en die houdingen hebben bij m’n weten nog weinig succesvolle transformaties teweeg gebracht. Uiteraard weet je niet hoeveel dagen je nog tegoed hebt; men weet wel dat men met dat gebrek aan kennis niet alleen is. 

Dus ik leerde door het beleven van de derde karakteristiek dat het tegenovergestelde van cynisme en verbittering me wel tot de oplossing zou leiden. In de periode na het ‘slechte nieuws’ gesprek met m’n dokter-specialist, doorliep ik de vorige fasen in heel korte tijd. Ik koos ten volle voor het vanbinnen uit beleven van Creatieve wisselwerking. Ik zag m’n eigen kankerverhaal ten volle onder ogen en koos uiteindelijk voor de gewenste toekomst: dat ik met mijn kleinkinderen – zolang het nog kon, veelvuldig en met plezier (ook en vooral van hun kant) – zou samen-zijn. Daartoe diende ik opgewekt te zijn en niet chagrijnig, dat wist ik door de vaardigheid gebruik maken van analogieën. Analogieën vinden was niet moeilijk. Zo moest ik mij enkel herinneren hoe dochter Daphne reageerde, toen haar grootvader Lionel korzelig, verbitterd en nijdig geworden was nadat bij hem een kwaadaardige hersentumor was geconstateerd. Uiteindelijk konden we haar nog heel zelden overtuigen ons te vergezellen voor een bezoekje aan haar opa. Ik wist daardoor wat ik zeker niet moest doen indien m’n doel was m’n kleinkinderen en mezelf nog een leuke tijd te bezorgen. Een tweede analogie uit m’n eigen verleden bevestigde de oplossing. Een jeugdvriend, André De Decker kreeg, toen hij net aan de RU Gent was gestart, leukemie. Ik bezocht hem regelmatig in het Sint-Vincentius ziekenhuis in Gent. Op een keer kwam z’n oudere broer Edgard met diens vriend – de legendarische Eeklose grafische artiest, Romain Coemelck  de kamer binnen. De twee spitsbroeders waren op hun paasbest. Ik begreep dat ze op weg waren naar een huwelijksfeest toen bij het afscheid André hen toefluisterde Veel plezier hé op het feest! André was toen reeds heel verzwakt en ik realiseerde mij dat het een kwestie van weken was voordat het onvermijdelijke zou geschieden. André, die stukken intelligenter en begaafder was dan ik, heb ik in die periode nooit horen klagen, misnoegd of cynisch ervaren, in tegendeel. Hij was vol interesse hoe ik het er in m’n eerste jaar vanaf bracht in Gent. Ook die herinnering maakte mij wel heel duidelijk wat mij te doen stond, indien ik m’n doel wou bereiken. 

Tijdens de periode voor de operatie had ik wel de tijd om de mogelijke acties waren die mijn innerlijke rust en vreugde zouden kunnen doen uitstralen te kiezen. Toen heb ik ten volle de fase ‘het creëren en het kiezen van de noodzakelijke acties’ van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces beleefd. In het ‘sterk-weer-opstaan’ proces behoort die keuze jou toe. Dit omdat, als puntje bij paaltje komt, jij de enige bent die ‘accountable’ is met de betrekking tot de gevolgen van jouw keuze. 

Eloïse, Edward en Elvire, ik had met jullie moeder Daphne besloten dat jullie mij de eerste paar weken, toen ik in AZ St. Jan Brugge ‘met alle toeters en bellen’ lag, niet zouden bezoeken. ‘Met alle toeters en bellen’ was een kleurrijke uitspraak van m’n chirurg Tom Feryn. Diens beeldrijk taalgebruik duidde op het aantal buisjes en snoeren die m’n lichaam verbonden aan allerlei hulpmiddelen en toestellen die netjes rond m’n bed waren opgesteld. Toen jullie me na de ‘toeters en bellen’ periode, een bezoek brachten was de sfeer opgewekt en werd er veel gelachen. Vooral toen Elvire bij mij op bed zat en plots de lakens zodanig verschoof dat de 18cm lange naad met een serie ‘nietjes’ tevoorschijn kwam.

 “Wat is dat?, Opa” 

“Dat is een rits, Elvire”

 “Waarom? Opa”. 

“Wel Elvire, iedere morgen wordt de rits opgedaan om m’n buik eens goed te kunnen spoelen.” “Dat meen je niet, Opa!”

 “Jawel, Elvire” en we proesten het uit. 

Gedurende de tweede van mijn drie weken durend verblijf, in wat ik toen ‘m’n luxe kamer met mooi uitzicht in een vier sterren hotel’ noemde, stelde een van de verpleegsters mij plots de vraag: 

“Wat is jouw geheim Johan dat je elke dag zo vrolijk bent?”
“Dit komt omdat ik m’n eigen boek vanbinnen uit beleef, Christel” 

Ze keek mij aan met grote ogen en zei: “Jouw eigen boek !?!”
“Jawel, er ligt een exemplaar daar op de tafel aan het venster.” 

Er lag daar inderdaad een exemplaar van ‘Cruciale dialogen, want ik had, tot vijf minuten vòòr men mij naar het OK vervoerde, aan de vertaling van hoofdstuk 1 naar het Frans gewerkt. Ik had die Franse vertaling toen via e-mail naar Guy Bérat gestuurd: die zorgde namelijk voor de verbetering. Het boek was daar echter blijven liggen, want ik was m’n bed nog niet uit gekomen. De verpleegster ging naar m’n tafel en pikte het boek op. 

Hé, Johan, jouw naam staat op de cover!

Dat is de gewoonte hé, Christel. Men drukt steeds de naam van de schrijver op de cover.” 

Ondertussen gaf ik een summiere uitleg waarover het boek ging. Over moeilijke babbels die men in het leven meermaals had en gaf een paar voorbeelden in haar context: cruciale dialogen met eigenwijze artsen, een bazige hoofdverpleegster en eventueel lastige patiënten… Christel bladerde in het boek en zei: 

“Dit lijkt mij uiterst interessant, dat zou ik wel kunnen gebruiken!”
“Meen je dat, Christel?”
“Natuurlijk Johan”. 

“Dan krijg je een exemplaar van m’n boek” 

“Krijg ik dit?” En ze toonde het boek dat ze in haar handen had;
“Neen, dit exemplaar is te beduimeld. Ik vraag ‘ons Rita’ wel om deze middag een nieuw exemplaar mee te brengen.” 

De volgende anderhalve week heeft Rita minstens vijfentwintig exemplaren van m’n boek ‘Cruciale dialogen’ meegesleurd naar Sint Jan. 

Nadien heb ik meermaals verteld dat ik, door zelf ‘Cruciale dialogen’ vanbinnen uit te beleven, leerde dat het een uitzonderlijk goed boek is. Men moet het wel niet alleen lezen (wat al een hele klus is), men moet het vooral dagdagelijks van binnen uit beleven. En dat is een ander paar mouwen dan het begrijpen van het ‘vlindermodel’! 

Besluiten vs. Beslissen

Het is nu tijd om te beslissen wat effectief te doen om door te gaan. We zijn weer opgestaan en hebben verschillende opties voor het doorgaan gecreëerd en overwogen. Die verschillende opties kunnen gezien worden als besluiten. Besluiten betekent niet hetzelfde als beslissen, hoewel de twee begrippen soms (verkeerdelijk) als synoniemen door elkaar gebruikt worden. Besluiten is afwegingen maken, grondig over alternatieven nadenken en tot besluit een keuze maken. Beslissen legt de nadruk op het vastleggen van een afspraak, een antwoord gevend op de vragen serie betreffende het gekozen besluit: “Wie, doet wat, waar en wanneer?” 

Eloïse, Edward en Elvire, het onderscheid tussen besluiten en beslissen ziet men aan de gemoedsgesteldheid van diegenen die het ‘passieve’ gedeelte van de liggende acht afronden. Na een besluit is er geen creatiespanning. Er werd namelijk niet beslist iets daadwerkelijk te doen. Je kunt nu eenmaal niet aangesproken worden op wat er besloten is. Gezien er niets beslist is, heeft niemand zich tot iets verbonden. Wanneer er een beslissing is genomen en deze bovendien is vastgelegd, neemt men verantwoordelijkheid op. Er zal dus iets dienen te gebeuren, waardoor creatiespanning wel aanwezig is. Indien ik, in het kader van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces, bovendien anderen van m’n beslissing op de hoogte breng, weet ik dat ik op het al dan niet waarmaken van mijn beloftes kan aangesproken worden. Dit is dan ook de raad die ik meegeef. Zorg, tijdens jullie persoonlijk ‘sterk-weer-opstaan’ proces, ervoor dat de mensen, die jullie dierbaar zijn, op de hoogte zijn van de beslissing opdat deze door eerlijke feedback jullie zouden kunnen coachen. 

Omslagpunt 

Beslissen betreft het omslagpunt tussen het opstaan en het doorgaan. Beslissen heeft te maken met kiezen van oplossingen uit de set die tijdens de vorige fase werd gecreëerd. Die zullen in de laatste fase ‘Transformatie’ effectief worden uitgevoerd. 

Het omslagpunt kan gevisualiseerd worden met m’n Cruciale Dialoogmodel. 

Er bevindt zich als het ware een ‘staande’ lemniscaat in de ‘grote’ lemniscaat, die ik, in navolging van Lex Bos[xiv], gekozen heb als basisvorm voor het Cruciale Dialoog model. Het gaat als het ware om een dialoog rond de hamvraag “Welke van de mogelijke oplossingen kiezen we om daadwerkelijk uit te voeren?”. Deze ‘dialoog in de dialoog’, waarbij ook de voor de acties nodige middelen worden afgetoetst, dient de beslissing vooraf te gaan. 

De Transformatie

Dit onderdeel gaat over doorgaan door het effectief nakomen van de beloftes die je aan jezelf hebt gemaakt. Ik noem dit deel ook transformatie omdat ik gedurende die fase mezelf transformeer. Ik groei naar een nieuwe ‘gecreëerde zelf’ met een nieuwe mindset. De oude mindset wordt losgelaten, indien we niet terug afglijden in oud stereotype gedrag. Deze transformatiefase vergt ook de meeste energie. 

Wendbaar & Weerbaar

Zoals reeds gesteld hoort men tegenwoordig vaak dat de toekomst aan diegenen is die ‘wendbaar’ en ‘weerbaar’ zijn. Daarbij wordt het begrip wendbaar nogal eens ingewisseld met het synoniem ‘Agile’. Agile is voor mij dan weer een synoniem voor Creatieve wisselwerking en iemand die het Creatief wisselwerkingsproces vanbinnen uit beleeft, is per definitie ook ‘resilient’ (weerbaar). Een wendbare persoon heeft geen ‘updates’ nodig want hij verbetert continu. Vandaar een van mijn favoriete slagzinnen: (CI)2= Continuous Improvement through Creative Interchange! 

Mindset

De transformatie is op de keper beschouwd een transformatie van de mindset. Zien met nieuwe ogen is zien vanuit een nieuw denkkader, vanuit een nieuwe ‘mindset’ zou m’n derde vader Charlie Palmgren stellen. Diens mentor, Henry Nelson Wieman, zei ooit: “Creative Interchange is the process that changes the mind, since the mind cannot change itself.” 

Stephen Covey schreef al meer dan twintig jaar geleden in zijn nog steeds actueel boek: ‘The 7 Habits of Highly Effective People’: “Begin met het einde voor ogen![xv]” Die opdracht leidt naar de gegenereerde oplossingen, oplossingen die, met inzet van de daartoe nodige middelen, het gewenste doel, de gewenste toekomst creëren. 

Ook schuilt er waarheid in mijn parafrase van de befaamde Edison quote: “Transformatie is voor 1% inspiratie en voor 99% transpiratie”. De originele quote heeft het over genialiteit. Je moet inderdaad geniaal zijn om een transformatie ‘within time and whitin budget’ tot een goed einde te brengen. 

Een ander belangrijk element ligt besloten in de paradox van Henry Nelson Wiemans’ ‘two fold commitment’. Enerzijds dient men ten volle voor de beslissing te gaan, met gedrevenheid en hardnekkigheid, dus niet versagen is de boodschap. Anderzijds dient met voortdurend open te staan om te leren wat de veranderende werkelijkheid te bieden heeft en dus durven te wijzigen, indien die werkelijkheid daar om vraagt. 

Het ‘sterk-weer-opstaan’ proces 

Vasthoudendheid mag echter geen koppigheid worden. Vasthoudendheid helt over naar koppigheid wanneer doorgezet wordt zonder dat men met de realiteit rekening houdt. Dan is men ook niet deskundig. Ook dat is tenaciteit: het blijven observeren van de veranderende werkelijkheid. Wanneer het daardoor duidelijk wordt dat de gewenste realiteit op die manier onbereikbaar is of wanneer door nieuwe gegevens duidelijk wordt dat er betere oplossingen zijn, dient de aanpak grondig in vraag te worden gesteld. 

Koppig volharden, wordt bijna altijd volharden in koppigheid. Jean de Boisson (Pseudoniem van Cees Buddingh) 

Interafhankelijkheid

De andere basisconditie van dit onderdeel van het ‘sterk-weer-opstaan’ proces is interafhankelijkheid. Voor de werkelijke uitvoering van onze beloftes om door te gaan zijn we afhankelijk van anderen. Er is sprake van een wederzijdse afhankelijkheid. 

Interdependence is and ought to be as much the ideal of man as self-sufficiency. Man is a social being. Mahatma Gandhi 

In Stephen Covey’s reeds geciteerde boek ‘Seven Habits of Highly Effective People’ wordt gesteld: 

Our objective is to move progressively on a maturity continuum from dependence to independence to interdependence. Although independence is the current paradigm of our society, we can accomplish much more by cooperation and specialization. However, we must achieve independence before we can choose interdependence. 

Stephen Covey geeft daarbij de volgende betekenissen: 

  1. Afhankelijkheid: Jij moet voor mij zorgen; 
  2. Onafhankelijkheid; Ik zorg (eerst) voor mezelf; 
  3. Interafhankelijkheid: Wij leren van elkaar en kunnen samen grootse dingen bereiken door synergetische samenwerking. 

Na de beslissing start dus een ‘lange tocht’ die meestal niet vrijblijvend is. “When the Rubber meets the Road’ is een typisch Amerikaanse uitdrukking, die ik van Charlie Palmgren leerde. Zolang het besluit in de lucht hangt, ondervindt het relatief weinig hinder, uiteraard in de veronderstelling dat het niet uit de lucht wordt geschoten (cf. de afknalzinnen). Op het moment dat het ‘landt’ en dus een beslissing wordt, ontstaat een enorme wrijving, vergelijkbaar met de wrijving die de wielen van het landingsgestel ondervinden wanneer een vliegtuig na een vlucht opnieuw het tarmac raakt. Het moment dat men overgaat tot actie ondervindt de belofte plots grote hinder in zoverre dat veel beloftes uiteindelijk niet volledig gerealiseerd worden. Juist daarom is interafhankelijkheid tijdens transformatie zo belangrijk!


[i] Bruce Springsteen, Quote from The Rising, first song from his twelfth studio album The Rising, Columbia Records, 2002

[ii] Richard R. Rohr, Adam’s Return: The five promises of Male Initiation. New York, NY: Crossroad Publishing, 2004.

[iii] Paul de Sauvigny de Blot SJ, Vernieuwing van organisaties in een chaotische omgeving door vernieuwing van de mens. Breukelen: Nyenrode University Press, 2004.

[iv] Brené Brown, Rising Strong, New-York, NY: Spiegel & Grau, 2015.

[v] Edgar H. Schein, Humble Inquiry. The Gentle Art of Asking Instead of Telling, San Francisco, CA: Berret-Koehler Publishers, Inc., 2013.

[vi] Peter M. Senge, P.M. [et.al.], The Fifth Discipline Fieldbook. Strategies and tools for Building a Learning Organization. New York: Doubleday, 1994. Pp 246-252.

[vii] Maya Angelou, Letter to My Daughter, New-York: Random House, 2008. 

[viii] Christopher K. Germer, The mindful path to self-compassion. New York: Guilford, 2009 p 89

[ix] https://hbr.org/2017/01/to-recover-from-failure-try-some-self-compassion?

[x] Marie R. Miyashiro, De empathie factor, het concurrentie voordeel voor effectieve organisaties. Amsterdam: Uitgeverij Business Contact, 2012. 

[xi] Brené Brown, Sterker dan ooit, Amsterdam: A.W. Bruna Uitgevers B.V., 2015 pp 111-113. 

[xii] Jan Bommerez J. Quote van Stephen Covey, geciteerd door Jan Bommerez tijdens het gesprek ‘Jan Bommerez & Jan Rotmans’, in het InspiratieRijk: Arnhem, 8. 12.2016 https://youtu.be/5nouorkdKbo

[xiii] Charles Leroy ‘Charlie’ Palmgren,The Creative Interchange Proces – Part II http://www.creativeinterchange.org/?p=145

[xiv] Alexander H. Bos, Oordeelsvorming in Groepen. Proefschrift Landbouwhogeschool Wageningen, H. Veenman & Zonen: Wageningen, 1974. 

[xv] Stephen R. Covey, The seven habits of highly effective people, Fireside: New York, 1990. Habit 2, pp 95-144. 

BLIJF WAKKER ! DEEl xxxii

HOE BLIJVEND HERHALEN EN EVALUEREN VAN EEN ACTIVITEIT?

About the recording of Bruce Springsteen’s Born To Run (1975):

“The title track took nearly six months to complete with with Springsteen and the band — bassist Garry Tallent, saxophonist Clarence Clemons and drummer Ernest “Boom” Carter — working overtime to create an anthem. 

“My shot at the title,” the singer said years later of the song. “A 24-year-old kid aiming at the ‘greatest rock ’n’ roll record ever’.” Engineer Jimmy Iovine, who went on to co-found Interscope Records and is now at Apple Music, remembers Clarence Clemons working 16 hours on the sax solo for “Jungleland” to ensure it was what Springsteen wanted.[i]

There was a lot at stake for Bruce Springsteen with his 1975 release “Born to Run” and he was relying on Iovine, his engineer, to deliver on a sweet sound. “Sony was gonna drop him. It’s not a secret,” Jimmy said of Springsteen’s must-win predicament with what would be his third studio album. 

However, even with his back up against the wall, Jimmy revealed Bruce never faltered on sticking to his vision and putting out the album he wanted to put out. “Bruce is not for sale. He’s not even for rent,” Jimmy said. “There is nothing you have that he wants.” Bruce’s dedication led to long studio sessions spanning six to seven months. 

“He had a sound in his head and couldn’t get it,” Jimmy told Howard. But Bruce (and everyone working with him) stuck at it. “I learned my work ethic from this guy. This guy’s got the greatest work ethic, the most discipline, of anyone I’ve ever met in my life,” Jimmy said[ii].

Inleiding

Eloïse, Edward en Elvire, zoals jullie in m’n boeken ‘Creatieve wisselwerking’ en ‘Cruciale dialogen’ hebben kunnen lezen, omvat Creatieve wisselwerking vier karakteristieken, acht condities en zestien vaardigheden. In deze column zal ik het hebben over de eerste vaardigheid van de vierde karakteristiek: Continu Transformeren: Herhalen & Evalueren.

Daarom koos ik voor bovenstaande twee anekdotes omtrent de opnames van Bruce Springsteens derde album in 1975. Het bleek later z’n grote doorbraak te zijn. En deze doorbraak was niet in het minst te wijten aan de vaardigheid die Bruce Springsteen tijdens die opnames ten toon spreidde: Herhalen en Evalueren tot het goed zat en de songs ingesleten waren.

Wat betekent Herhalen en Evalueren?

Het eerste deel van dit tweespan, Herhalen, is simpelweg het herhalen van een activiteit, zoals voorzien in het actieplan. Daarin staat, bijvoorbeeld, dat men beslist heeft zich één van de zestien vaardigheden van deze columnserie eigen te maken, opdat die vaardigheid een gewoonte zou worden. In het deel dat daarover gaat – Deel VIII – hebben we al besproken dat dit gedrag herhaald dient te worden totdat het ingesleten raakt en daardoor een gewoonte is geworden.

De kwaliteit van de uitvoering van die activiteit dient bovendien geëvalueerd te worden om uiteindelijk een vlekkeloze uitvoering te bekomen. Dit was exact wat Bruce Springsteen en Clarence Clemons gedurende negen uur deden totdat de sax solo van Jungleland perfect was. Dat ze daarbij niet in elkaars haren gevlogen zijn, is een van de mysteries van de Rock & Roll geschiedenis. Hier kunnen jullie, Eloïse, Edward en Elvire, van die legendarische solo genieten:

Evalueren is het verzamelen van gegevens over de uitvoering van een activiteit op een betrouwbare en valide wijze teneinde er een waarde aan toe te kennen en zo beslissingen te nemen met betrekking tot de uitvoering van die activiteit. 

In deze context is Evalueren dus:

  • Het beoordelen, waarderen, doorlichten, nabespreken van de uitvoering van een activiteit;
  • Het proces van ‘meten’ wat bereikt is en hoe het werd bereikt en daarbij de kwaliteit van de uitvoering vergelijken met de kwaliteit die werd vooropgesteld. 

Evalueren houdt meer in dan nagaan of de resultaten van de activiteit behaald werden. Een goede evaluatie bezorgt ook inzicht in waarom de uitvoering van die activiteit al dan niet succesvol is. Het laat ook toe om de uitvoering bij te sturen en biedt daardoor leerpunten voor de toekomst. 

Vaak wordt de evaluatie ervaren als het minst leuke onderdeel van de uitvoering van een activiteit. Het is inderdaad lastig zichzelf, steeds maar weer, een spiegel voor te houden 

Evalueren is alles, behalve een passief gebeuren. Het eindproduct is geen rapport, maar een leermoment. Een degelijke evaluatie helpt de juiste beslissingen te nemen over de werkelijke uitvoering van de activiteit. En leidt zo tot een nieuwe actie! Wat ontstaat of verandert door de evaluatie: dat is cruciaal!

De vaardigheid Herhalen en Evalueren

Herhalen betreft het blijvend uitvoeren van activiteiten. Het uitvoeringsplan uitvoeren en dus de activiteiten ervan. Niet een keer, wel herhaaldelijk. Zeker indien het een aanleren van een nieuw gedragspatroon betreft, en wij ons dit echt eigen willen maken, is herhaling van dit gedragspatroon de boodschap. Het komt erop neer de in de vorige fasen opgedane kennis in praktijk om te zetten. Deze vaardigheid is overigens ook nodig om jullie de vaardigheden, die in deze columns beschreven zijn, en die nog niet tot jullie arsenaal vaardigheden behoren, eigen te maken. Zodra we ervoor gekozen hebben ons een vaardigheid eigen te maken, wordt herhaling belangrijk. Herhalen is dus een techniek bij het toepassen van het geleerde. 

Eloïse, Edward en Elvire, wanneer iets echt blijvend moet worden uitgevoerd, is naast actie ook evaluatie nodig. Deze dien elkaar bovendien op te volgen. Zoals de ‘Check’ op de ‘Do’ volgt in de PCDA-cyclus (of Deming wiel[iii]). In eerste instantie dienen jullie zelf voor de evaluatie, de reflectie op jullie actie, in te staan. Dit veronderstelt dat jullie, het eigen handelen observeren.

Hier komt eigenlijk ook de leercyclus van Kolb[iv] om de hoek kijken. Die cyclus geeft een beschrijving van het individuele leergedrag wanneer het om ervaringsleren gaat. Dit wil zeggen dat ervaring een bepalende rol speelt in het leerproces. Kolb onderscheidt vier fasen in het leerproces: 

  1. Concrete ervaring (door het uitvoeren, door de actie);
  2. Reflectie (bezinning over die ervaring);
  3. Abstracte conceptualisering (denken, plannen);
  4. Experimenteren met het ‘nieuwe’ plan (beslissen wat moet gedaan worden en het ook doen).

De laatste fase betreft het testen van deze abstracte concepten door het implementeren ervan in nieuwe concrete situaties. Om uit de opgedane ervaring te kunnen leren, dienen alle fasen van de leercyclus van Kolb doorlopen te worden en … dan is men klaar voor een volgende cyclus. Eloïse, Edward en Elvire, jullie hebben zeker al de gelijkenissen tussen de leercyclus van Kolb en het Cruciale Dialoogmodel ontdekt. Het volledige model komt dus in deze vaardigheid van het model terug. Dit geeft eens te meer duidelijk aan dat het Cruciale Dialoogmodel niet lineair is maar cyclisch. 

Een belangrijke conclusie die uit Kolbs leermodel, en dus ook uit het Cruciale Dialoogmodel, kan worden getrokken, is dat de wisselwerkingen tussen denken en doen, tussen reflectie en actief uitproberen, essentieel zijn om leren uit ervaring mogelijk te maken. Het leren voltrekt zich, zoals gesteld, cyclisch, en dit idee vind je ook in de leercyclus van de ‘System Thinkers’[v]. Mensen leren op een cyclische manier. Actie wordt afgewisseld met reflectie, activiteit met rust. Leidinggevenden dienen deze cyclus in de organisatie te internaliseren, zoals ze er ook volgens mij dienen voor te zorgen de Cruciale Dialogenmethodiek te internaliseren. Dit is noodzakelijk om effectieve veranderingen te verwezenlijken. Er dient tijd te worden ingeruimd voor reflectie en collectieve dialoog. De ‘System Thinkers’- leercyclus heeft twee versies: een voor het individu en een voor het team. 

Eloïse, Edward en Elvire, deze vaardigheid betreft een individuele vaardigheid, vandaar dat ik hier de individuele cyclus presenteer. Die ziet er als volgt uit:

Reflectie:        evaluatie door observatie van eigen denken en handelen.


Verbinden:    ideeën en actiemogelijkheden creëren en deze in nieuwe vormen gieten. Hierbij dienen ook mogelijke implicaties van die actiemogelijkheden op het bredere geheel te worden nagegaan. 

Beslissen:       bepalen welke acties effectief ondernomen zullen worden; deze worden uiteraard gekozen uit de opties die in de vorige fase tot stand kwamen; in deze fase wordt de aanpak gekozen en verfijnd; de keuze wordt bovendien verantwoord. 

Handelen:      tijdens de doe-fase wordt zoveel mogelijk geanticipeerd op de werkelijke afwikkeling; ‘Al doende leert men’ wordt hierbij werkelijk beleefd. 

Malcolm Gladwell heeft het in zijn boek ‘The Outliers’[vi] over de 10000 uur-regel. Hierin stelt hij dat uitblinkers vaak door toeval zo goed zijn geworden. Uiteraard was er sprake van talent en aanleg. Maar zeker ook van een behoorlijke portie toeval of, zo je wil, geluk. Het belangrijkste punt in dit stuk maakt Gladwell echter wanneer hij het heeft over ‘uren maken’. Op basis van diverse voorbeelden berekent hij dat men minimaal 10000 uur moet oefenen om echt heel erg goed in iets te worden. 

Een van de voorbeelden die Malcolm aanhaalt in zijn stuk in de Guardian[vii], is het verhaal van de Beatles. Zij worden in 1960, toen ze nog een obscuur schoolbandje waren, uitgenodigd om in Hamburg te spelen. Speciaal aan deze opdracht was het enorm groot aantal uur dat de groep diende te spelen. John Lennon zei later met betrekking tot hun prestaties in de Hamburgse clubs: “In Liverpool, we’d only ever done one-hour sessions, and we just used to do our best numbers, the same ones, at every one. In Hamburg we had to play for eight hours, so we really had to find a new way of playing.” 

De Beatles verbleven tussen 1960 en eind 1962 in totaal vijf periodes van een paar maand in Hamburg. Zij traden 270 nachten op in meerdere clubs (Indra, Kaiser Keller en Top Ten Club) over een tijdsspanne van iets meer dan anderhalf jaar. Op het moment van de echte start van hun succes – in Engeland eind 1962, in Zweden in 1963 en in de VS en de rest van de wereld in 1964) hadden zij ongeveer 1200 maal live opgetreden. De meeste groepen halen dit aantal zelfs niet in hun ganse carrière. 

“They were no good on stage when they went there [Hamburg] and they were very good when they came back,” vertelt Beatles biograaf Philip Norman. “They learned not only stamina, they had to learn an enormous amount of numbers — cover versions of everything you can think of, not just rock & roll, a bit of jazz, too. They weren’t disciplined on stage at all before that. But when they came back, they sounded like no one else. It was the making of the Beatles!” 

Vakmanschap is Meesterschap 

Gerard Brummer, Reklamedirecteur Grolsh 

Eloïse, Edward en Elvire, een echt bewijs van het spreekwoord: ‘Oefening baart kunst’. Het is het leren door ervaring, het inslijten van gedrag. Het is door het effectief uitvoeren van de gekozen acties dat de correctheid van de oplossing wordt ervaren. De succesformule is ook de ondertoon van dé actiefilm uit 1984 ‘The Karate Kid’. Daarin toont leermeester Mr. Miyagi zijn leerling Daniel de weg naar meesterschap met zijn toverformule: herhaling = meesterschap = succes. Dus wil men succes behalen, dan is meesterschap de sleutel. En de enige manier om meesterschap te verwerven is door herhaald oefenen: doen en blijven doen ‘over and over and over again’. 

Daarin ligt nu juist de moeilijkheid. Heel wat mensen haken af wanneer het moeilijk of langdradig wordt. Die krijgen nooit genoeg ervaring door herhaling en bereiken daardoor dus nooit het niveau van meesterschap. Hier verwijs ik graag naar Mr. Miyagi’s eerste ‘Karate les’: “Wax on, wax off!”:

Leren doet pijn en zeker het aanleren van vaardigheden. Je stuntelt, je wordt kwaad, het gaat van kwaad naar erger, …, je voelt je een grienende idioot, je maakt jezelf belachelijk… Wanneer men zich tijdens het leerproces niet onwennig voelt, zet men waarschijnlijk niet haar of zijn volle leercapaciteit in. 

Twee grote struikelblokken op de weg naar meesterschap zijn enerzijds de wens dat het makkelijk loopt en anderzijds het afhaken wanneer het herhalen te moeilijk wordt of men zich verveelt. Niet iedereen beschikt over een Mr. Miyagi, die je met keiharde liefde op het goede spoor houdt. Je beschikt enkel over een engagement ten overstaan van jezelf en de innerlijke zekerheid dat herhaling de sleutel tot blijvende verandering is. 

Wij hadden het in een vorig deel uitvoerig over onze intrinsieke waarde (Deel IV). Door in de praktijk de gevonden oplossingen en activiteiten oeverloos te herhalen bereikt men langzamerhand meesterschap en komt men dichter bij de uitzonderlijke kracht van die unieke waarde, die wij intrinsieke waarde noemen 

Eloïse, Edward en Elvire, Herhalen is een sleutelvaardigheid in de context van Creatieve wisselwerking omdat herhaling ons leren op twee niveaus uitdiept. 

Op het bewuste niveau verhoogt herhaling ons meesterschap in het gebruik van de nieuwe kennis en vaardigheden. Door verhoogd meesterschap worden de nieuwe taken vloeiender uitgevoerd, waardoor je energie spaart. Herhaling kan je zien als het smeermiddel het creatief proces, waardoor de nieuwe manier van werken langzamerhand een gewoonte wordt. Wanneer een bepaalde taak niet geïnternaliseerd wordt, omdat ze niet werd herhaald, is het de eerstvolgende keer dat men die taak moet uitvoeren, nog steeds erg lastig. Een gedeelte van de tijd wordt gespendeerd aan het terug aanleren van wat men ondertussen al vergeten is. Indien het je doel is om creatief te groeien, is meesterschap door herhaling essentieel. 

Door voldoende herhaling wordt het leren op een bewuste manier verdiept tot het internaliseren op het onbewuste niveau. Het gedrag wordt als het ware ingesleten. Het wordt een goede gewoonte. Inderdaad, herhaling van een op het eerste gezicht ongewone werkwijze zorgt ervoor dat deze meer en meer aanvaard wordt. Het oncomfortabel gevoel verdwijnt langzamerhand, zodat men de taak met een zeker gemak begint uit te voeren. Door continu herhalen wordt de uitvoering een automatisme. 

If you learn a technique and repeat it 1000 times, you are still learning. 

If you repeat it 10000 times, then you know it. 

If you want to own it, you have to repeat it 100,000 times. 

Masutatsu Oyama, Legendary Karate Master 

Cited in Ken Blanchard, Feedback is the breakfast of champions 

Eloïse, Edward en Elvire, het inslijten van een vaardigheid kan men ondersteunen met een app. Zelf gebruik ik Any.do om mij aan mijn belofte dagelijks te schaven aan deze columns te herinneren. En dit doet men totdat men de app niet meer nodig heeft. Om de eenvoudige reden dat de actie een gewoonte geworden is.

Deze vaardigheid beoogt een specifieke evaluatie

Eloïse, Edward en Elvire, Herhalen en Evalueren is jullie verre van onbekend. Jullie komen dit fenomeen tijdens het schooljaar praktisch wekelijks tegen. Bij elke toets herhalen jullie de leerstof waar de toets over gaat en de toets zelf is de evaluatie. In de literatuur wordt die evaluatie Productevaluatie genoemd, nl. de evaluatie waarbij wordt nagegaan of een student heeft bereikt wat van haar of hem wordt verwacht. Hier wordt dus enkel het uiteindelijke resultaat bekeken.

Bij deze vaardigheid gaat het echter over de Procesevaluatie. Die verwijst naar het systematisch inwinnen van informatie over het verloop van het leerproces met betrekking tot de beloofde activiteit. Hierbij gaat het dus niet alleen om het uiteindelijke resultaat van dit proces, maar wordt vooral gekeken naar de manier waarop de doelstellingen werden nagestreefd en gerealiseerd. Met andere woorden of het actieplan en de middelen worden ingezet en het creatief wisselwerkingsproces van binnenuit wordt beleefd.

Standaard wordt een onderwijsperiode in jullie leefwereld afgesloten met een eindevaluatie, met als doel te beslissen of iemand al dan niet ‘is geslaagd’; met andere woorden of de student de doelstellingen heeft bereikt. Voor deze vorm van evaluatie, die in het onderwijsjargon de summatieve evaluatie wordt genoemd, verzamelt men meestal informatie over langere periodes. Essentieel is dat het hier om een beoordeling van de student gaat. 

Onze vorm van evaluatie, die in het onderwijs formatieve evaluatie wordt genoemd, is niet zozeer bedoeld om te beslissen of iemand ‘geslaagd is’, maar wel om de leerling in te lichten over zijn eigen kennen en kunnen in vergelijking met de verwachtingen en eisen van het didactisch team of de opleiding. Cruciaal is dat de studenten feedback krijgen over hun sterke en zwakke kanten en de kans krijgen om te oefenen, fouten te maken, te remediëren,… Bovendien krijgt het didactisch team via formatieve evaluatie informatie over de noodzaak om op bepaalde leerinhouden terug te komen of eventueel de cursus bij te stellen. 

Uiteraard is er bij onze vaardigheid Herhalen en Evalueren geen didactisch team. Wel is het heel raadzaam om anderen in te lichten over de geplande uitvoering van activitieten, zodat deze feedback kunnen geven. Dit is praktisch altijd zo wanneer Creatieve wisselwerking van binnenuit beleefd wordt in teamverband. Vandaar ook dat deze vaardigheid gevolgd wordt door de vaardigheid Feedback krijgen en geven (Deel XXXIII). De laatste schooljaren heeft het persoonlijk didactisch team van Eloïse een naam: Opa Johan. Inderdaad, praktisch dagelijks ondersteun ik, via Facetime, Eloïse en evalueren wij samen haar kennis en kunde met betrekking tot haar studievakken.

Evalueren is hier een quasi permanente activiteit gedurende het ganse verloop van de continue transformatiefase. Wij onderscheiden drie soorten evaluaties, die alle drie kunnen voorkomen gedurende het beleven van deze vaardigheid.

Zelfevaluatie verwijst naar het evalueren door de uitvoerders zelf van hun attitude, inzet, uitvoering van de activiteiten en het leerproces. Hierbij richt men zich systematisch op de eigen prestaties, meestal met als doel de toekomstige prestaties te verbeteren. Zelfevaluatie is eigenlijk in de spiegel kijken, het beschrijven van de eigen prestaties en het zonodig bekritiseren onmiddellijk gevolgd door bijsturing. Zelfevaluatie als evaluatiemethode is veelal formatief van karakter. Niet enkel het beoordelen is immers belangrijk, ook reflectie speelt een belangrijke rol. Van dit reflectieproces verwacht men dat het leidt tot verandering in het denken, de houding en het gedrag van de uitvoerder van de activiteiten. 

Peerevaluatie. Een ‘peer’ is gewoonlijk een leeftijdsgenoot of iemand die in dezelfde groep zit. Leden van hetzelfde team zijn dus mekaars ‘peers’. Peerevaluatie kan dan ook eenvoudig gedefinieerd worden als het evalueren door teamleden van elkaars werk. 

Collaboratieve[viii] evaluatie (of co-evaluatie) is een tussenstadium tussen de traditionele eenzijdige evaluatie door de teamleider enerzijds en de zelf- en peerevaluatie anderzijds. In een collaboratieve evaluatiemethode komen de uitvoerder van een bepaalde taak, de mede teamleden en de teamleider samen om te evalueren. In een bepaald opzicht doen wij, Eloïse en ik, dit via Facetime. Collaboratieve evaluatie creëert aldus een dialoog tussen de teamleider en de teamleden tijdens het beoordelen. De uitvoerder is niet de eindverantwoordelijke voor de evaluatie maar collaboreert wel in het evaluatieproces. Het gebruik van het begrip ‘collaboratie’ wijst er op dat deze evaluatie, die ook een dialoog is, één van de vele toepassingen van het creatief wisselwerkingsproces is.


[i] https://www.irishtimes.com/blogs/ontherecord/2015/08/25/born-to-run-at-40/

[ii] https://www.howardstern.com/show/2017/6/26/jimmy-iovine-shares-stories-john-lennon-bruce-springsteen-dr-dre-and-why-he-hid-stevie-nicks-his-basement/

[iii] Erik Demeulemeester & Dominiek Callewier, Integrale Kwaliteitszorg, Concepten, methoden en technieken. Tielt: Lannoo Scriptum Management, 1997.


[iv] David A Kolb. Experimental Learning. Experience as the source of learning and development. Englewood Cliff NJ: Prentice-Hall, 1984. 

[v] Peter M. Senge, Art Kleiner, Charlotte Roberts, Richard B. Ross & Bryan J. Smith. The Fifth Discipline Fieldbook. New York: Doubleday, 1994. 

[vi] Malcolm Gladwell. Outliers. The story of success. New York NY: Little, Brown and Company, Hachette Book Group, 2008.


[vii] Malcolm Gladwell. Extract from Malcolm Gladwell’s Outliers: Is there such a thing as pure genius? The Guardian, November 15, 2008. Weekend Section, p.18.

[viii] Collaboratie is een woord dat in onbruik is geraakt door toedoen van de tweede wereldoorlog. Dit omdat, eerst in Frankrijk en nadien in België, het begrip bijna uitsluitend de betekenis van samenwerking met de vijand gekregen heeft. Het begrijp is afgeleid van het Franse werkwoord ‘collaborer’ dat oorspronkelijk samenwerken betekent. De negatieve betekenis kreeg het woord in Frankrijk tijdens de 2e wereldoorlog, toen een groot deel van Frankrijk bezet was door Duitse troepen.

Het begrip doelt echter een waardevol proces waarbij verschillende entiteiten informatie, middelen en verantwoordelijkheden delen om gezamenlijk een activiteitenprogramma te plannen, implementeren en evalueren om een ​​gemeenschappelijk doel te bereiken. Dit concept is eigenlijk afgeleid van het Latijnse ‘collaborare’, wat ‘samen werken’ betekent en kan worden gezien als een proces van gedeelde creatie. Een proces waardoor een groep entiteiten de mogelijkheden van elkaar verbetert. Het impliceert het delen van risico’s, middelen, verantwoordelijkheden en beloningen, die desgewenst door de groep ook aan een externe waarnemer het imago van een gezamenlijke identiteit kunnen geven. Samenwerking houdt wederzijdse betrokkenheid van deelnemers in om samen een probleem op te lossen, wat wederzijds vertrouwen inhoudt en dus tijd, moeite en toewijding kost. Bij collaboratie zijn partijen meer op elkaar afgestemd in de zin van ‘samenwerken’ om het gewenste resultaat te bereiken, in plaats van dat resultaat te bereiken door ‘individualistische’ participatie belemmerd door contextuele factoren zoals die opgelegd door klant-leverancier relaties.

BLIJF WAKKER I – DEEL XXX

HOE VASTHOUDENDHEID VERHOGEN?

If I have a good trait it’s probably relentlessness. I’m a hound dog on the prowl. I can’t be shook![i]

Bruce Springsteen

Thus the methodology by which Springsteen came to his music is perhaps less interesting than the tenacity with which he held to his ideals.

–  Bruce Springsteen: Two Hearts, the Story[ii]

Inleiding

Eloïse, Edward en Elvire, zoals jullie in m’n boeken ‘Creatieve wisselwerking’ en ‘Cruciale dialogen’ hebben kunnen lezen, omvat Creatieve wisselwerking vier karakteristieken, acht condities en zestien vaardigheden. In deze column zal ik het hebben een van de twee basiscondities van de vierde karakteristiek: Continu Transformeren, namelijk Vasthoudendheid.

Vasthoudendheid heeft veel synoniemen: tenaciteit, persistentie, perseveratie, doorzettingsvermogen, volharding, verbetenheid, determinatie, halsstarrigheid, weerbarstigheid en uithoudingsvermogen. Het kan beschreven worden als de verbazingwekkende bekwaamheid die sommigen hebben om door te gaan daar waar anderen het opgeven. Ik vind het opmerkelijk dat een begrip, dat zoveel synoniemen heeft, een bekwaamheid benoemt die zo weinig mensen werkelijk hebben.

Het is wel een bekwaamheid die cruciaal is om wendbaar en weerbaar, wat het onderliggend thema van deze columnreeks is (zie Deel I), te blijven! Dat ik zowat elke column start met een quote van, of met betrekking tot, Bruce Springsteen is niet toevallig. Ook deze keer niet. Bruce Springsteen heeft, hoewel men het niet zou zeggen wanneer men hem hoort en ziet, ook te maken gehad met tegenslagen. Deze hebben hem er tot nog toe niet van weerhouden door te zetten op de weg die hij ingeslagen is. Zijn tenaciteit is bijna spreekwoordelijk geworden. Dat hij niet te beroerd is om mee te delen dat ook hij te kampen heeft gehad met depressies, maakt dat hij voor mij een voorbeeld is van terug op staan en weer doorgaan met de verbetenheid nodig om te slagen. Iets wat Brené Brown ‘Rising Strong’ noemt naar haar gelijknamig boek[i]. Een zeer lezenswaardig boek waarover ik ooit een heus essay schreef, zowel in het Engels[ii] als in het Nederlands[iii]. Daarin toon ik aan dat het ‘sterk-weer-opstaan’ proces niets anders is dan het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking na een miskleun.

Een ander voorbeeld van Vasthoudendheid: Paul de Sauvigny de Blot SJ

Paul de Sauvigny de Blot SJ, kortweg Paul de Blot, noem ik vaak m’n vierde (‘spirituele’) vader. Ooit verklaarde hij mij, tijdens één van de twee retraites dat ik bij hem volgde in het najaar van 2011 en het voorjaar van 2012, het volgende: “Het succes dat ik in mijn leven heb gehad, was voornamelijk te wijten aan iets dat me gewoon, door omstandigheden en interacties met anderen, toeviel. Ik was niet op zoek naar succes, succes kwam op mijn weg, ik herkende het, raapte het op en maakte er gebruik van, met héél veel doorzettingsvermogen.” Paul de Blot SJ leerde mij aldus dat, wanneer iets je toevalt, men het niet alleen dient op te rapen. Men dient er vooral iets uit te leren en er iets mee te doen. Het echte leren is actie leren, niet het verzamelen van informatie. Paul de Blot heeft het daarbij over het creatief wisselwerkingsproces. Informatie alleen zorgt niet voor transformatie!

Paul de Blot en Victor Frankl[iv] denken langs dezelfde lijnen met betrekking tot het hebben van succes en de zin van het leven. Er zijn nog paralellen te ontdekken in de levens van Paul en Victor. Beiden overleefden in de tweede wereldoorlog een verschrikkelijk concentratiekamp. Een verhaal dat Paul vaak vertelt, betreft zijn overleven in een Japans concentratiekamp. Paul leefde daar meer dan één jaar in een isoleercel waar hij geen licht kon zien en dus na een tijdje niet meer wist of het nu dag of nacht was. Het is fundamenteel een verhaal over relatie en niet opgeven. Paul getuigt dat het niet de sterkste mannen waren die overleefden, maar die mannen die in interactie met elkaar bleven en elkaar blijvend ondersteunden.

Onder de stammen van Noordelijk Natal in Zuid-Afrika is de meeste voorkomende groet, gelijkwaardig aan ons “Hallo!”, de uitdrukking “Sawubona!”. Die betekent letterlijk, “Ik zie je”.  En daarmee wordt niet zo zeer het effectief ‘zien’ bedoeld.  Het betekent vooral – zoals de bekender uitdrukking “Namaste” – “De God in mij ziet de God in jou of “Ik zie mezelf door jouw ogen” of nog “Ik kom tot leven door jou heen.” Volgens Peter de Jager wordt deze Zoeloe groet meestal beantwoord met “Ngikona!”, wat betekent: “Ik ben hier”[v]. De volgorde van deze uitwisseling is belangrijk: totdat jij mij ziet, besta ik eigenlijk niet. Het is alsof, wanneer jij mij ziet, jij mij tot leven wekt. 

Deze betekenis, die inherent is aan de taal, maakt deel uit van het Ubuntu gedachtengoed, dat een overwegende levenswijze is van vele inheemse volkeren in zuidelijk Afrika. Het Ubunto concept vloeit voort uit het Zulu gezegde “unmunto numuntu nagabuntu” dat vertaald klinkt als “Een persoon is een persoon omwille van andere mensen.[vi]” Het tweespan “Sawubona” en “Ngikhona” vormen de basis voor een diepgaande dialoog: Sawubona is een uitnodiging om deel te nemen aan elkaars leven, Ngikhona is het positieve antwoord op die uitnodiging. 

Volharden in die dialoog zorgt niet alleen voor Creatieve wisselwerking maar ook voor Continue Transformatie. Hoewel Paul de Blot in z’n isolatiecel zijn lotgenoten niet kon zien, bleven ze, via dialogen doorheen dikke gevangenismuren, in leven! Paul de Blot getuigde herhaaldelijk dat hij op punt stond het leven op te geven toen hij plots signalen hoorde en hij via morsetekens kon communiceren met een medegevangene aan de andere kant van de muur van zijn isolatiecel.

Een voorbeeld van gebrek aan Vasthoudendheid

Tijd voor een annekdote die aangeeft dat het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking en het opbrengen van de daartoe nodige Vasthoudendheid niet steeds lukt. Een goede kennis van mij, Bruno Chevolet, ingenieur bij het Gents staalbedrijf dat toen de naam Sidmar droeg, was, mede omdat Bruno in het Luikse geboren werd, terecht gekomen bij de joint venture SEGAL in Ivoz-Ramet (Flémalle). Hij was daar onder meer HR verantwoordelijke en Bruno kon z’n General Manager, Guido Detrez overhalen hun veiligheidssysteem te laten doorlichten met de veiligheidsaudit die ik had ontworpen. In mijn rapport parafraseerde ik ondermeer een hoofdstuk van Henry Nelson Wieman’s Man’s Ultimate Commitment: “From drift to direction.[vii]” De audit had duidelijk blootgelegd dat het bedrijf, ook wat veiligheid betrof, op drift was en dat er nood was aan een duidelijke richting. Het was mij ook zo klaar als een klontje geworden dat de neuzen van de directieleden, kaderleden van de drie moederbedrijven van SEGAL (Sidmar, Cocqueril en Hoogovens), verre van ‘aligned’ waren. Mijn audit rapport had de werkign van een ijskoude douche. Het pleitte voor hun weerbaarheid dat ik toch gevraagd werd hen te ondersteunen bij het opbouwen van hun veiligheidssysteem en het geven van ‘Beyond Loss Control’ trainingen.

Uiteindelijk zag Guido zelf in dat hij zijn gedrag – dat een uitzonderlijk hoog ‘command & control’ gehalte had – diende te transformeren. Hij vroeg mij hem te helpen bij dat persoonlijk transformatieproces. Guido had eindelijk waarderend begrepen dat een groot deel van het probleem binnen Segal bij hem zelf lag en was vol goede moed om een paar vaardigheden aan te leren, teneinde z’n medewerkers te tonen dat het hem menens was. Toen ik hem als opdracht gaf zich vier specifieke gedragingen eigen te maken, was zijn commentaar: “Die zullen vlug een gewoonte worden, want ze zijn zo ‘soft’, Johan”. We hadden een afspraak dat hij me wekelijks zou informeren over zijn vorderingen. De eerste week was hij enthousiast… , maar dat enthousiasme smolt weg als sneeuw voor de zon. We waren ook nog overeengekomen dat Guido binnen de vier maand zijn transformatie met succes zou hebben  afgerond. Hij beweerde tijdens ons eerste gesprek daaromtrent dat hij die vier maanden niet nodig zou hebben. Na twee maand vroeg hij mij om ‘langs te komen’. Zijn boodschap was dat hij onze samenwerking opblies, omdat wat ik hem vroeg te doen… te ‘hard’ voor hem was en dus onmogelijk. Als goede Waal en Bourgondiër, nodigde hij mij uit in een (h)eerlijk restaurant ‘La Ciboulette’, in de wijk Chokier tegenover z’n bedrijf, aan de andere oever van de Maas, voor een hartige lunch. Tijdens het aperitief van ons ‘afscheidsmaal’ vroeg ik hem wat hij zo in z’n weekends deed. Gedurende de ganse maaltijd onderhield hij mij over het edele golf spel. En hoe hij elke week, voor de start van zijn 18 holes tour, gedurende een vol uur z’n golfswing oefende op het oefenterrein. “Want, Johan, het geheim van golf ligt in het inslijpen van op zich eenvoudige bewegingen.” Tijdens het dessert gaf ik hem wel nog mee: “Toch spijtig, Guido, dat je het commitment en de tenaciteit kunt opbrengen voor jouw golf spel en niet voor vier eenvoudige basisgedragingen van Creatieve wisselwerking, die je naar mijn bescheiden mening meer nodig hebt, als mens én als manager, dan het meesterschap van uw golfswing”.

Hoewel ik een klant had kwijtgespeeld, leerde ik door die ervaring enorm veel bij. Een van de lessen was dat bij transformaties van gedrag, diegene die z’n gedrag wenst te veranderen dat best kenbaar maakt aan mensen die heel dicht bij haar of hem staan en die dan ook feedback kunnen geven. Daartoe dienen uiteraard de feedbackgevers te weten over welke veranderingen, in dit geval vaardigheden, het gaat en de moed te hebben die feedback ook daadwerkelijk te geven. We gaan op dit thema dieper in bij één van de volgende columns (Deel XXXIII). Dit gebeurde in het geval van de General Manager van Segal helemaal niet. Hij wou dat pertinent niet. Zijn medewerkers zouden wel vlug zien dat z’n gedrag grondig was veranderd. Het was een fluitje van een cent, toch?!? Niet dus!

Academische Vasthoudendheid[viii]

Dit is een term die gelanceerd werd door onder meer Carol Dweck, jawel, de professor waarover ik het al had in verband met de twee soorten mindsets: ‘growth mindset’ en ‘fixed mindset’ (Deel XIX). 

Eloïse, Edward en Elvire, academische vasthoudendheid is iets wat ik zie bij Eloïse, voor een groot stuk bij Elvire en wat ik Edward toewens. Academische vasthoudendheid is van uitzonderlijk belang voor jullie ontwikkeling, want het geeft een enorm verschil in jullie capaciteit om te leren en te transformeren.

Definitie

De niet-cognitieve factoren die langdurig leren en presteren bevorderen, kunnen worden samengebracht onder het label academische vasthoudendheid. Op het meest elementaire niveau gaat academische vasthoudendheid over, als student, langdurig en slim werken. 

Meer specifiek gaat academische vasthoudendheid over de denkwijzen en vaardigheden die studenten in staat stellen om:

  • verder te kijken dan korte termijn belangen, dus naar doelstellingen op de langere termijn en/of van een hogere orde, en 
  • niettegenstaande uitdagingen en tegenslagen, die onvermijdelijk gedurende een transformatie voorkomen, deze lange termijn doelstellingen blijven nastreven.

Uitdaging

Problemen met academische vasthoudendheid op de korte termijn kunnen te maken hebben met het zich zorgen maken over ‘niet slim genoeg’ zijn of buitengesloten worden op school. Die kunnen een onwil of onvermogen met zich meebrengen om onmiddellijke bevrediging uit te stellen ten gunste van resultaten op langere termijn. Daardoor streeft men vaak enkel succes na buiten de school.  Elk van deze factoren kan ervoor zorgen dat studenten minder met hun schooltaken bezig zijn, minder geneigd zijn om te profiteren van de mogelijkheden om te leren en minder toegerust zijn om uitdagingen en tegenslagen het hoofd te bieden.

Hoe ziet academische vasthoudendheid eruit?

Academisch vasthoudende studenten vertonen de volgende kenmerken en gedragingen: 

  • Ze geloven dat ze academisch en sociaal op school thuishoren. School is een deel van wie ze zijn en wordt gezien als een route naar toekomstige doelen, zoals het voorzien in hun toekomstig gezin of het bijdragen aan hun gemeenschap of samenleving;
  • Hun hoofdtaak is leren. Ze zien hun inspanningen positief en kunnen het korte termijn plezier opgeven omwille van hun schoolwerk, hetgeen uiteindelijk zal leiden naar lange termijn genoegdoening. Ze zoeken bijvoorbeeld uitdagende taken die hen helpen nieuwe dingen te leren, in plaats van taken die zich in hun comfortzone bevinden, die weinig moeite vergen en ook weinig gelegenheid bieden om te leren; 
  • Ze ontsporen niet door moeilijkheden, of die nu intellectueel of sociaal zijn. Ze liggen wel eens tegen het canvas en ze staan sterk weer op. Ze zien een tegenslag als een kans om te leren en een probleem als iets om op te lossen in plaats van deze te zien als een vernedering, een negatieve evaluatie van hun bekwaamheid of waarde, een symbool van toekomstige mislukkingen, of een bevestiging dat ze er niet bij horen. Dit geldt zowel voor een specifieke opdracht als voor hun studie in het algemeen; 
  • Ze weten hoe ze op de lange termijn niet alleen betrokken, maar ook geëngageerd dienen te blijven en hoe nieuwe strategieën kunnen worden ingezet om effectief vooruitgang te boeken;
  • Ze beleven daartoe tijdens hun persoonlijke Continue Transformatie van binnenuit het creatief wisselwerkingsproces.

Het zou nuttig zijn dat jullie, Eloïse, Edward en Elvire, bovenstaande kenmerken aftoetsen om te evalueren in welke mate jullie deze kenmerken bezitten. Het zijn uiteraard kenmerken van jullie ‘mindset’. En gezien elk van jullie m.i. een ‘growth’ mindset heeft, kan die individuele mindset getransformeerd worden. Totdat deze alle bovenstaande kenmerken omvat.

Over Mindsets en Doelen van Studenten

Mindsets van studenten met betrekking tot hun intelligentie

Studenten kunnen intelligentie zien als een vaste hoeveelheid die ze wel of niet bezitten (een vaste mindset) of als een transformeerbare hoeveelheid die kan worden verhoogd met inspanning en leren (een groei mindset). Eloïse, Edward en Elvire, jullie behoren tot die laatste groep. 

Studenten met een vaste mindset geloven dat hun intellectuele vermogen een bepaalde hoeveelheid is, en ze hebben de neiging zich meer zorgen te maken over het bewijs van die hoeveelheid, in plaats van hun zorgen te maken om die hoeveelheid op te krikken. Ze maken zich zorgen over hun vaardigheden, en dit kan, in het licht van uitdagingen en tegenslagen, leiden tot negatieve gedachten (bijv. “Ik faalde omdat ik dom ben”), gevoelens (zoals vernedering) en gedrag ( opgeven). 

Studenten met een groeimindset zullen daarentegen dezelfde uitdaging of tegenvaller vaak in een heel ander licht zien en als een kans om te leren. Als resultaat reageren ze met constructieve gedachten (bijv. “Misschien moet ik mijn strategie wijzigen of mij meer inzetten”), gevoelens (zoals de opwinding, dus positieve spanning die de uitdaging met zich meebrengt) en gedrag (doorzettingsvermogen). Deze mindset stelt studenten in staat tijdelijke tegenslagen te overstijgen en zich te concentreren op lange termijn leren. Veel onderzoek toont aan hoe belangrijk mindsets zijn voor academische vasthoudendheid en prestaties[ix].

Studenten met een groeimindset lieten in die studies een continue verbetering zien; degenen met een gefixeerde mindset deden dat niet. Hoe is dit mogelijk? Analyses toonden aan dat de studenten met de groeimindset hogere cijfers behalen omdat ze het leren hoger waarderen dan slim overkomen. Ze zien inspanning als een deugd, omdat inspanning helpt bekwaamheden te ontwikkelen. Ze hebben ook de neiging om academische tegenvallers te zien als een ‘wake-up call’ teneinde hun inspanningen te vergroten of om nieuwe strategieën uit te proberen. 

Daarentegen zijn studenten met een gefixeerde mindset minder geneigd om uitdagingen, die het potentieel hadden om tekortkomingen te onthullen, te verwelkomen. Ze zien deze inspanning vanuit een negatief daglicht, omdat velen geloven dat inspanning een factor is die wijst op een lage bekwaamheid in plaats van een factor die nodig is om die bekwaamheid uit te drukken of te vergroten. Ze hebben ook de neiging om academische tegenvallers te zien als bewijs dat ze vaardigheden ontberen.

Dus een groeimindset betreffende intelligentie bevordert vasthoudendheid – door studenten te inspireren om hun eigen efficiëntie te verhogen en niet toe te laten dat die efficiëntie onderuitgehaald wordt door een tegenslag. Het tegendeel gebeurt wanneer men behept is met een vaste mindset. Maar hoe worden deze twee totaal verschillende mindsets gevormd. Mueller en Dweck[x] toonden in hun studies aan hoe de ogenschijnlijk subtiele aspecten van een leerling lof toe te zwaaien dramatische effecten kan hebben op de mindsets en veerkracht van die leerling. Studenten lof toezwaaien voor hun bekwaamheid leerde hen een gefixeerde mindset en creëerde kwetsbaarheid. Dit terwijl studenten loven voor hun inspanningen of strategie bij deze studenten een groei mindset creëerde en hun veerkracht bevorderde.

Verassende resultaten, dat wel. Dus een leerling zeggen dat hij ‘slim’ is, vermindert de flexibiliteit van z’n mindset. Zij of hij begint te geloven slim geboren te zijn en dat hun intelligentie een gegeven is. Uiteindelijk zitten ze opgezadeld met een vaste mindset, ze zitten als het ware vastgeroest in hun eigen gelijk: “Ik ben intelligent en ik kan daar niets aan veranderen”. Een leerling anderzijds prijzen voor haar of zijn inzet, verhoogt de flexibiliteit van diens mindset. Zij of hij begint te geloven dat hun intelligentie naar hogere niveaus kan gestuwd worden door zich in te zetten bij het leren. Uiteindelijk verwerven ze een groei mindset. Ze weten dat ze die door inzet en doorzettingsvermogen steeds kunnen uitbreiden.

Kortom, mensen met een groei mindset zijn gemakkelijker te overtuigen, want ze voelen dit intuïtief aan, dat het van binnenuit beleven van Creative wisselwerking die mindset effectief zal doen groeien

De verschillende Doelstellingen van studenten 

“Prestatie” versus “Leer” doelen. Een manier waarop intelligentie-mindsets bijdragen ​​tot vasthoudendheid, is het vormgeven van de kerndoelstellingen van studenten. In algemene termen kunnen deze doelen zich richten op “prestaties” (als een manier om iemands bekwaamheid te bewijzen) of “leren” (als een manier om iemands bekwaamheid te verbeteren). Het onderschrijven door studenten van deze of gene doelstelling voorspelt vaak hun academische prestaties.

Zoals we reeds hebben gesteld, maken studenten met een vaste mindset inzake hun intelligentie zich vaak zorgen over de hoeveelheid intelligentie die ze hebben en willen ze die steeds maar weer bewijzen. Om deze reden hebben ze de neiging zich te concentreren op ‘prestatiedoelen’ – het doel om goed te presteren en daarbij doen ze alles om te voorkomen dat ze slecht presteren, dit teneinde hun bekwaamheid te bewijzen aan zichzelf en aan anderen. Ze hebben ook als doel zo min mogelijk moeite te doen, gezien ze geneigd zijn te geloven dat een hoge inspanning zal geïnterpreteerd worden als een teken van een lage bekwaamheid[xi]. Studenten met een groeimindset inzake hun intelligentie stellen zich vaak “leer” of “meesterschap” doelen – het doel om uitdagend academisch materiaal te leren en te beheersen.

Kortom,, studenten met een ‘fixed’ mindset zijn eerder geneigd om prestatiedoelen na te streven en daarbij kiezen ze taken binnen hun comfortzone, waar ze dus zeker goed kunnen presteren; terwijl studenten met een ‘growth’ mindset resoluut kiezen voor uitdagende leerdoelen en daarbij kiezen ze taken buiten hun comfortzone, waar ze van kunnen leren.

Zelfbeheersing

Zelfs als studenten de mindset en de doelstellingen hebben die vasthoudendheid bevorderen, kunnen ze nog steeds onder hun potentieel niveau presteren. Een verdere verhoging van hun academische vasthoudendheid, en daardoor de resultaten, is mogelijk door zelfregulerende vaardigheden, waardoor studenten boven de afleidingen en verleidingen van het moment kunnen uitstijgen, hun taak kunnen volbrengen en obstakels kunnen overwinnen voor prestaties op de lange termijn.

Een hoog niveau van academische prestaties vereist dat studenten afzien van activiteiten die hen op korte termijn kunnen afleiden of verleiden om taken, die belangrijk zijn voor hun academische succes op de lange termijn, niet uit te voeren. Bijvoorbeeld Edward, om goed te presteren op de wiskundetest van de volgende dag dien je te studeren voor de test en geen videogames te spelen. Zelfcontrole is blijkens een bepaalde studie zelfs een sterkere voorspeller van studiesucces dan de maatstaf bij uitstek voor het intellectuele vermogen van studenten – hun IQ score[xii]!

Zelfbeheersing zorgt voor meer tijd doorgebracht met studeren en minder tijd met televisie kijken. In een tijdperk waarin jullie, Eloïse, Edward en Elvire, steeds meer afgeleid worden, want Facebook, You Tube, WhatsApp, Messenger, Instagram, sms-berichten en videospelletjes zijn op jullie iPhone altijd beschikbaar, kan jullie vermogen om afleiding uit te schakelen, teneinde zich te concentreren op een moeilijke studietaak, hoe langer hoe meer belangrijker worden voor academisch succes.

Grinta (zich kunnen vastbijten)

Een andere belangrijke factor in academische vasthoudendheid is grinta, of ‘doorzettingsvermogen en passie voor lange termijn doelen’[xiii].  Terwijl zelfbeheersing het vermogen inhoudt om op korte termijn aan verleidingen te weerstaan, benadrukt grinta het doorzettingsvermogen bij het nastreven van lange termijn doelen. Voor zover hoge prestatieniveaus langdurige inspanningen vereisen bij moeilijke taken, zal grinta een belangrijke voorspeller zijn van het slagen op school. 

Hoe Academische Standvastigheid ten goede veranderen?

Eloïse, Edward en Elvire, wat kunnen jullie zelf doen om jullie academische standvastigheid op peil te houden? Het gaat hier om het cultiveren van een groei mindset, het ondersteunen van het geloof dat jullie thuishoren op school, het aanmoedigen van het zoeken naar specifieke doelen met betrekking tot die uitdaging, het bevorderen van jullie engagement tot leren, en het internaliseren van de vaardigheden die jullie in staat stellen deze doelen vasthoudend na te streven.

Mindsets

Zoals we hebben opgemerkt, is een kritisch aspect van academische vasthoudendheid het vermogen om directe zorgen te overstijgen en te reageren op leer tegenslagen met veerkracht. Nogmaals, het gaat dus om wendbaar en weerbaar te blijven, het hoofddoel van deze serie columns (zie ook Deel I). Studenten die een vaste mindset over intelligentie koesteren hebben, zoals we reeds zagen, de neiging om overdreven gefocust te zijn op zorgen over hun bekwaamheid op korte termijn en om leer tegenslagen te zien als bewijs van een gebrek aan bekwaamheid. Wanneer hun vermogen wordt bedreigd of ondermijnd, geven ze vaak hun leerinspanning op, wat uiteraard hun schoolprestaties schaadt.

Uit wetenschappelijke studies blijkt dat kennis omtrent hoe het brein werkt, nieuwe verbindingen vormt en slimmer wordt wanneer een student uitdagende taken uitvoert, positieve resultaten heeft op hun schoolresultaten. Die studenten zetten hun vaardigheden beter in! Een groei mindset begrijpt waarderend dat intelligentie groeit met moeite en hard werken, dat de hersenen gedurende het hele leven nieuwe neurale verbindingen kunnen vormen, en dat de geest, zoals een spier, sterker wordt bij gebruik. Over die neurale verbindingen heb ik al geschreven in een vorig deel, waar ik het had over het inslijten van gewoonten (Deel VIII). Uw mindset veranderen heeft daar veel mee te maken. Daarom ook is de eerste vaardigheid van deze vierde karakteristiek Continue Transformatie: Herhalen en Evalueren. Zie daarvoor een volgend deel (Deel XXXII).

Het veranderen van de manier van denken van studenten over intelligentie kan dus de manier veranderen waarop ze omgaan met uitdagingen en tegenslagen in hun schoolomgeving, waardoor ze vasthoudender leren en presteren.

Sociale samenhorigheid en waarde bevestigende interventies 

Jullie samenhorigheidsgevoel is een belangrijke factor bij het bepalen of jullie betrokken blijven en succes behalen op school. Het is dus belangrijk dat jullie zich op school opgenomen en gerespecteerd voelen. Dit gevoel van sociale samenhorigheid hebben jullie, samen met jullie mama Daphne, onder andere gecreëerd door jullie memorabele verjaardagsfeestjes en jullie Chiro kampen. En sociaal er bij horen verhoogt, volgens een studie van Walton & Cohen[xiv], jullie schoolmotivatie en schoolresultaten. 

Over samenhorigheid schreef Brené Brown ooit:

True belonging is the spiritual practice of believing in and belonging to yourself so deeply that you can share your most authentic self with the world and find sacredness in boty being a part of something and standing alone in the wilderness. True belonging doesn’t require you to change who you are; it requires you to be who you are[xv].

Brené Brown

Bovenstaande quote past dus naadloos in deze serie columns: Blijf Wakker! Ook daarin pleit ik voortdurend om jullie Originele Zelf te blijven (zie o.m. Deel III). Samenhorigheid betekent niet opgaan in de massa, het betekent jezelf blijven en Creatieve wisselwerking van binnenuit blijven beleven met je sociale groep. Dit ook op school!

In een ander onderzoek hebben Cohen en collega’s een waarden bevestigende interventie onderzocht[xvi]. Dit is een interventie die studenten in hun schoolomgeving herinnert aan de dingen die zij in zichzelf waarderen. Veel studenten, vooral diegenen die op een school worstelen met negatieve stereotypen, hebben misschien niet het gevoel dat de dingen die ze het meest waarderen – hun gevoel voor humor, hun relatie met hun familie, … – zaken zijn die hen waardevol maken in de schoolomgeving. Door na te denken en uit te weiden over de kwaliteiten die zij in zichzelf het meest waarderen, kunnen studenten deze waarden ‘brengen’ in de schoolomgeving en daarmee hun gevoel van verbondenheid vergroten. Inderdaad, de techniek van waarde bevestiging zorgt ervoor dat stress en bedreiging in schoolomgevingen verminderen voor studenten die op school negatief worden beïnvloed door stereotypen. Anders gesteld: wanneer jullie, Eloïse, Edward en Elvire, vanuit jullie Kernwaarden, Creatieve wisselwerking van binnenuit beleven, zal de Vicieuze Cirkel van de schoolomgeving worden afgeremd.

Mijn rol in het versterken van jullie Academische Standvastigheid

Eloïse, Edward en Elvire, mijn rol bevat onder meer het voortdurend versterken van de boodschap dat jullie “thuishoren” in de school die jullie met jullie mama gekozen hebben en dat jullie het potentieel hebben om te groeien en uit te blinken. Dat doe op een manier die consistent is met wat ik hier heb geschreven.

Ik doe dit binnen drie brede categorieën: ‘Uitdaging’, ‘Scaffolding’ en ‘Er bij horen’. Jullie zullen dit reeds ‘gevoeld’ hebben. 

Ik daag jullie continu uit om vast te houden aan hoge normen met betrekking tot het bevorderen van jullie groei mindset en het stellen van uitdagende leerdoelen), terwijl ik ondersteuning bied op kennis en motivatie vlak waardoor effectieve zelfregulering wordt bevorderd. Daardoor help ik jullie om jullie leer-doelstellingen te bereiken. Ik zorg er ook voor dat jullie zich verbonden en gesteund voelen net door het bevorderen van jullie gevoel van verbondenheid en bevestiging. Dat ik dit doe op de tonen van Creatieve wisselwerking is een evidentie.

De term ‘Scaffolding’ (steiger) werd geïntroduceerd in het baanbrekende werk van Jerome Bruner en zijn collega’s[xvii]. In het oorspronkelijke gebruik verwees het naar het bieden van ondersteuning, bijvoorbeeld door een mentor aan een student, dat ‘subtiel maar voldoende’ is, net genoeg om de student vooruit te helpen, schijnbaar op zijn of haar eigen manier. Ik ga hierna iets dieper in op twee vormen van ‘Scaffolding’: die van jullie ‘cognitief’ leren (Educatieve ‘Scaffolding’) en die van jullie motivatie om te leren (Motiverende‘Scaffolding’). Beide soorten ‘Scaffolding’ dragen bij tot academische vasthoudendheid.

Educatieve ‘Scaffolding’ is van groot belang onder uitdagende omstandigheden. Jullie dienen de cognitieve ondersteuning te krijgen die jullie nodig hebben om de hoge standaard te bereiken. En zeker bij Eloïse zijn de SUI omstandigheden uitdagend, vandaar dat ik mij momenteel ook leerling voel van het zesde middelbaar. En ik geef toe, ook ik leer bij! Daarbij gebruik ik de Feedback vaardigheid waar ik later (Deel XXXIII) nog uitvoerig op terug kom. Een deel van de effectiviteit van dergelijke feedback ligt in het bewijs dat ik hierdoor geef van mijn commitment naar Eloïse toe en in m’n geloof in haar groeicapaciteit. En ik mag met een gerust hart zeggen dat actueel (voorjaar 2020) de effecten al meer dan zichtbaar zijn! Daarbij neem ik voortdurend, zo goed als ik dit al kan, voortdurend het perspectief in van Eloïse. Daardoor is het gemakkelijker mijn feedback en hints naar Eloïse toe te personaliseren en bespreken we samen de lacunes in de kennis en hebben wij voortdurend oog voor haar behoeften op het vlak van motivatie. En de eerste bewijzen dat deze subtiele interpersoonlijke dynamiek van de interactie opa-kleinkind een grote bijdrage levert aan de vasthoudendheid van Eloïse zijn reeds zichtbaar. Niet dat het al optimaal is. Ik heb inderdaad nog veel te leren!

Motiverende ‘Scaffolding’ verwijst naar de ondersteuning die ik gebruik om de motiverende hulpmiddelen te promoten die Eloïse nodig heeft om uitdagingen in de klas (en daarbuiten) aan te gaan. Dergelijke motivatie-instrumenten omvatten (a) doelen stellen en zelfmanagementstrategieën, en (b) gezonde motivationele oriëntaties. Daarbij gebruik ik ondersteunende intrinsieke motivatie. Ik besprak hoger al de rol van leerdoelen en een gevoel van doelgerichtheid in de vasthoudendheid van studenten. Hier heb ik het over het motiveren van het leren van Eloïse om intrinsieke redenen in plaats van extrinsieke. Wanneer studenten intrinsieke motieven hebben, ondernemen ze taken voor zichzelf, voor het leren of voor doelen met intrinsieke inhoud, zoals groei, gemeenschap en gezondheid. Wanneer studenten daarentegen extrinsieke motieven hebben, ondernemen ze de taken om een ​​extrinsiek doel te bereiken, zoals geld of roem. Ik zeg niet dat extrinsieke motivatie per definitie verkeerd is, en Bonnie en ik gebruiken die ook wel. Dan wel enkel op het einde van de rit (schooljaar) en het bedrag van de prestatie gift wordt niet op voorhand meegedeeld. Intrinsieke motivatie pas ik bij wijze van spreken dagelijks toe. Het is veelzeggend dat veel studies aantonen hoe de vasthoudendheid van studenten meer wordt gevoed door intrinsieke doelen dan door extrinsieke doelen (zie onder meer Pink[xviii]).

Vansteenkiste en z’n collega’s stellen, wat Eloïse en ik dit jaar ondervonden:

 “If instructors help students see the long-term relevance [of an activity] to themselves in terms of intrinsic goals such as personal growth, meaningful relationships with others, becoming more healthy and fit, or contributing to their community . . . the students are likely to become more engaged with the learning activities and in turn to understand the material more fully and to perform better in demonstrating their competence.[xix]” 

Het derde element waar ik Eloïse ondersteun is ‘Er bij horen’. Ik heb al besproken dat ‘Er bij horen’ een cruciaal element is van standvastigheid. Ik waarschuw Eloïse echter herhaaldelijk dat ‘erbij horen’ niet hetzelfde is als ‘Er de slaaf van zijn’. In de laatste graad van het middelbaar kan het al eens gebeuren dat men vergeleken wordt met klasgenoten en dat daardoor soms wat wrevel ontstaat, wat kan leiden tot verstrikt geraken in het web van de Vicieuze Cirkel. Ik hou Eloïse voor zich slechts te vergelijken met anderen via de mediaan resultaten. Belangrijker nog is Eloïse leren zich te vergelijken met zichzelf om te zien of er zich een progressie in de resultaten aftekent. En indien er een toets of examen tegenvalt, niet in paniek te slaan. Integendeel de test op te vragen en de oorzaken van de fouten trachten vast te pinnen. En daaruit te leren. Dit is leren uit fouten; want fouten maken mag, indien er lessen uit getrokken worden. Iedere miskleun is namelijk een uitnodiging tot verbeteren!

Wat ik hierboven schrijf in verband met Eloïse is onlangs (schooljaar 2019-2020) ook gestart met Edward. Edward zit nog in de eerste graad van het SUI en … volgend jaar steken we een tandje bij, is het niet Edward ?!?

Wat Elvire betreft de toekomst zal uitwijzen welke rol ik kan spelen wanneer zij volgend jaar start aan het SUI.


[i] Brené Brown. Rising Strong. London, UK: Vermilion, Penguin Random House group. 2015.

[ii] https://www.slideshare.net/johanroels33/the-rising-strong-process

[iii] https://www.slideshare.net/johanroels33/het-sterkweeropstaan-proces

[iv] Viktor E. Frankl. Man’s Search for Meaning. The Classic Tribute to Hope from the Holocaust. London, Rider, an imprint of Ebury Publishing, a Random House Group company, 2011

[v] https://www.linkedin.com/pulse/parsing-personal-privacy-puzzle-peter-de- jager/

[vi] Peter M. Senge [et al.] The Fifth Discipline Fieldbook, strategies and tools for building a learning organization. Doubleday, New York, 1994.

[vii] Henry Nelson Wieman. Man’s Ultimate Commitment. Carbondale, IL.: Southern Illinois University Press, 1958. Bladzijden: 36-55.

[viii] http://www.howyouthlearn.org/pdf/Academic%20Tenacity,%20Dweck%20et%20al..pdf

[ix] Blackwell, L., Trzesniewski, K., & Dweck, C.S. Implicit theories of intelligence predict achievement across an adolescent transition: A longitudinal study and an intervention. Child Development, 78, 2007 Bladzijden 246–263.

[x] Mueller, C.M., & Dweck, C.S. (1998). Intelligence praise can undermine motivation and performance. Journal of Personality and Social Psychology, 75, 1998. Bladzijden: 33-52.


[xi] Blackwell, L., Trzesniewski, K., & Dweck, C.S.. Implicit theories of intelligence predict achievement across an adolescent transition: A longitudinal study and an intervention. Op. Cit.

[xii] Duckworth, A. L., & Seligman, M. E. P. (2005). Self-discipline outdoes IQ in predicting academic performance of adolescents. Psychological Science, 16, 2005, pp: 939-44.


[xiii] Duckworth, A.L., Peterson, C., Matthews, M.D., & Kelly, D.R. (2007). Grit: Perseverance and passion for long-term goals. Personality Processes and Individual Differences, 92, page 1087.

[xiv] Gregory M. Walton and Geoffrey L. Cohen. Brief Social-Belonging Intervention Improves Academic and Health Outcomes of Minority Students. Science. 18 March 2011: Vol. 331, issue 6023, pp. 1447-1451

[xv] Brené Brown. Braving The Wilderness. A Quest for True Belonging and the Courage to Stand Alone. New York, NY: Random House, a division of Penguin Random House, LLC. 2017.

[xvi] Cohen, G. L., Garcia, J., Apfel, N., & Master, A. (2006). Reducing the racial achievement gap: a social-psychological intervention. Science, 313, pp. 1307-1310. 

en

Cohen, G. L., Garcia, J., Purdie-Vaughns, V., Apfel, N., & Brzustoski, P. (2009). Recursive processes in self-affirmation: intervening to close the minority achievement gap. Science, 324, pp. 400-403. 

[xvii] Wood, D., Bruner, J., & Ross, G. The role of tutoring in problem solving. Journal of child psychology and psychiatry, 17,1976. Pp. 89-100. 

[xviii] Dan H. Pink Drive: The surprising truth about what motivates us. New York, NY: Riverhead Books. 2009.

[xix] Vansteenkiste, M., Lens, W., & Deci, E. L. Intrinsic versus extrinsic goal contents in self-determination theory: Another look at the quality of academic motivation. Educational Psychologist, 41, 2006. pp. 19-31; Bladzijde 28


[i] Josh Tyrangiel. Reborn in the USA. Time Magazine, Saturday, July 27, 2002.

[ii] Dave March. Two Hearts, the Story. New York, NY: Routledge, Taylor&Francis group. 2004. Blz. 88.

BLIJF WAKKER ! – DEEL XVIII

HOE VERSCHILLENDE INZICHTEN INTEGREREN

Landau fed Springsteen’s curiosity about the world beyond music.  He gave Springsteen books to read – Steinbeck, Flannery O’Conner – and movies to see, particularly John Ford and Howard Hawks Westerns. Springsteen started tot think in lager terms than cars and highways; he began to look at his own story, his family’s story, in terms of American archetypes. The imagery, the story telling, and the sense of place in those novels and films helped fuel his songs.[i]

– David Remnick 

We are Alive – Bruce Springsteen at sixty-two – The New Yorker – 2012 

Eloïse, Edward en Elvire, deze column gaat over het integreren van verschillende inzichten. Meer bepaald gaat het hier over het integreren van een oud inzicht en een nieuw, pas waarderend begrepen, inzicht. Inzichten die, op het eerste gezicht, haaks op elkaar staan. Zoals in de quote hierboven, uit een lang artikel over Bruce Springsteen, waarin de journalist schrijft hoe Jon Landau, de manager van Bruce, deze laatste hielp om twee ogenschijnlijk verschillende wereldbeelden in zich te verenigen.

Integreren van verschillende inzichten houdt het begrip ‘synthese’ in en betekent dat een conclusie wordt uitgewerkt; conclusie die de verschillende inzichten integreert.

Om tot een goede integratie te komen, dient men, dat hebben jullie wel al begrepen, een stapje verder te gaan dan het simpelweg opsommen van info of het tegenover elkaar plaatsen van argumenten. Men dient de informatie en de argumenten ‘kritisch’ te beoordelen. Dan pas kan men gezamenlijk tot een goede conclusie komen. Die conclusie is dan in feite de gedeelde mening betreffende de ‘werkelijkheid’ waar het op dat moment over gaat.

Hoe kan men de verschillende inzichten nu integreren in een gedeelde mening? Dit zijn enkele tips die jullie op weg kunnen helpen:

  • Met welke argumenten ben ik het eens? Met welke ben ik het oneens? En waarom?
  • Welke argumenten wegen het zwaarst door? Welke zijn de belangrijkste argumenten?
  • Kan ik er zelf nog iets aan toevoegen? Eigen argumenten, bedenkingen, ideeën?
  • Wat kunnen we nu concluderen op basis van al deze argumenten?

Na het afwegen van alle argumenten kunnen jullie met jullie gesprekspartner(s) dus een gezamenlijk standpunt innemen dat dan de gedeelde mening vertegenwoordigd.

De synthese die we hier voor ogen hebben, gaat verder dan een toelichtende synthese. 
Die presenteert de informatie op een vrij objectieve manier. Anders gesteld, in een toelichtende synthese geeft men een overzicht van de info die nodig is om een bepaald thema waarderend te kunnen begrijpen. De synthese vormt als het ware een dialoog tussen de verschillende bronnen.

In tegenstelling tot de zuiver toelichtende synthese bevat een argumentatieve synthese bijkomde eigen standpunten. In dit soort synthese ondersteunt men eigen ideeën met argumenten die men haalt uit de inzichten van anderen. Inzichten die op het eerste zicht verrassend waren. Het is in feite een dialoog tussen de inzichten van anderen en eigen inzichten.

Eloïse, Edward en Elvire, een van de eigenschappen van een persoon die goed is in het correct voeren van wat ik Cruciale Dialogen noem, en die er bovendien voor zorgt dat zij of hij daar goed in blijft, is het vermogen om met anderen samen te werken aan een gedeelde mening of visie. Het vormen van een gedeelde mening gebeurt door het integreren van de verschillen, in de onderscheiden visies, in een nieuwe, unieke mening. 

Pour bien saisir les différences, 

il faut refroidir la tête, 

et ralentir le mouvement de la pensée. 

Marie-Jean Hérault de Séchelles 

Dat mensen dezelfde werkelijkheid op een verschillende manier zien, komt volgens Peter Senge omdat mensen verschillende distincties hebben[ii]. Mensen zijn gelukkig verschillend en die diversiteit maakt creativiteit mogelijk. Het vormen van een gedeelde mening is een wezenlijk onderdeel van de dialoog. De Griekse oorsprong van het woord ‘Dialogos’ betekent “doorheen mening”. Dus betekent dialoog eigenlijk het creëren van mening door(heen) de deelnemers aan de dialoog. Dit impliceert het elkaar ten volle begrijpen. Zoals we reeds gezien hebben, is er een groot verschil tussen een dialoog en een discussie. De Latijnse oorsprong van het woord discussie betekent fragmenteren. Je vindt dezelfde ‘roots’ in de woorden contusie (kneuzing) en percussie (slagwerk). Wat we doen bij een discussie is elkaar trachten te overtuigen met ‘slaande’ argumenten. Daarbij worden vaak dingen stukgeslagen. Beide gesprekpartners nemen een verschillend standpunt in, dat ze dan met slagkracht verdedigen. Dit leidt tot polarisatie van de standpunten, niet tot de integratie van inzichten. Men graaft zich in en dan nog in het eigen gelijk, het eigen denkkader. Bij een dialoog streven we naar een gedeelde mening. Deze wordt op een ‘synergetische’ wijze gecreëerd uit beide standpunten. Daardoor bouwen we beiden aan een groter geheel en zien we meer van de werkelijkheid. Anders gesteld, we bouwen aan een gedeelde visie: het beeld in mijn hoofd komt uiteindelijk overeen met het beeld in jouw hoofd. Kortom, het doel van deze fase is te komen tot een gedeelde visie van de werkelijkheid. 

Een korte typering van het begrip dialoog zou kunnen zijn dat het een uitstekend hulpmiddel is om een collectieve mening te creëren over wat er werkelijk in het hier en nu aan het gebeuren is. In een dialoog is het niet een kwestie van informeren of overtuigen. De intentie van een dialoog is de werkelijkheid waarderend begrijpen. Dit is iets heel anders dan informeren of overtuigen. 

In de dialoog zijn er geen hiërarchische niveaus. In de dialoog is de relatie er een van gelijken. Bovendien heeft niemand van die ‘gelijken’ de waarheid in pacht. Dit inzien maakt het gemakkelijk om het eigen oordeel op te schorten. Wij creëren de waarheid door een dubbele lus. Door het aanleren en gebruiken van de Creatieve wisselwerkingvaardigheden worden dialogen op een hoger niveau getild en creëren we bovendien een nieuwe cultuur. 

Om tot een gedeelde mening te komen, mogen we er niet van uitgaan dat het zenden van een boodschap automatisch een gedeelde mening creëert. Wanneer we de ander iets meedelen, gaan we er te veel van uit dat de ander de boodschap begrijpt zoals we deze hebben bedoeld. We vergeten daarbij dat meningen door mensen gedragen worden, niet door woorden. Hetzelfde woord kan heel verschillende betekenissen hebben voor de verschillende deelnemers aan de dialoog. Ook de intentie van diegene die boodschap brengt, is initieel van ondergeschikt belang. Het belangrijkste is wat diegene die de boodschap krijgt ervan begrijpt. Hij moet als het ware de boodschap correct decoderen. Daarom laat men de ander eerst uitspreken en valt men deze dus niet in de rede. Terwijl de ander spreekt, luistert men en is men niet bezig met een tegenargument te zoeken. Echt luisteren wil niet zeggen dat men met wat de ander zegt, akkoord gaat. Zelfs Waarderend Begrijpen, betekent niet dat men per se akkoord gaat met wat de ander zegt. Dit kan uiteraard wel en is wel geen conditio sine qua non voor het Waarderend Begrijpen. Nogmaals Waarderend Begrijpenvergt een open geest, en betekent niet per se akkoord gaan met alles wat de ander zegt. Men kan perfect het standpunt van de ander begrijpen, waarderen waar het op is gebaseerd en er toch niet volledig mee eens zijn. Men heeft de ander ‘kritisch’ begrepen. Men heeft ook de ander ten volle begrepen. Men heeft begrepen dat men, indien men in haar of zijn schoenen zou staan, denkelijk hetzelfde standpunt zou huldigen. 

Eloïse, Edward en Elvire, de kracht van de vaardigheid ‘integreren van de verschillende inzichten’ is dat uit die verschillende inzichten uiteindelijk een gedeelde mening wordt gevormd met betrekking tot de cruciale vraag, of het probleem, dat aan de orde is. Later zullen we zien dat dezelfde vaardigheid er ook voor zorgt dat er een gedeelde mening wordt gecreëerd inzake de mogelijke oplossing(en). 

De 2dekarakteristiek van Creatieve Wisselwerking gaat bij een dialoog over het tezamen denken. Door onze opinies met elkaar te delen, zonder angst om aangevallen te worden, kunnen we gezamenlijk die opinies naar waarde schatten, we denken gezamenlijk. Dit kunnen we niet als we onze aan eigen opinies mordicus vasthouden. 

Door de creatie van de gedeelde mening hebben we elkaar ten volle begrepen. Misschien ten overvloede, gedeelde mening wil niet zeggen dat iedereen in de dialoog alles op dezelfde manier ziet. Gedeelde mening betekent dat elkeen, die betrokken is in de dialoog, uiteindelijk een gedeelde mening heeft betreffende de cruciale vraag. Gedeelde mening wordt werkelijkheid wanneer de deelnemers aan de dialoog elkaars perspectieven goed genoeg begrijpen teneinde deze als legitiem te kunnen aanvaarden. Dit alles in de context van het waarderend begrijpen en (later) het oplossen van het gestelde probleem. 

Kortom, het creëren van de gedeelde mening is een conditio sine qua non voor het uiteindelijk correct kunnen evalueren van de vraag of het probleem en voor het uiteindelijk vinden van de broodnodige oplossingen. 

Gedeelde Mening

Nogmaals, het integreren van de verschillende inzichten (meningen) komt overeen met het vormen van een Gedeelde Mening. Er zijn verschillende aspecten aan het begrip Gedeelde Mening

Gedeelde Mening betekent dat de woorden die we gebruiken voor elk van ons dezelfde betekenis hebben of dat we waarderend begrijpen hoe elk van ons die woorden verschillend gebruikt en dat we daar rekening mee houden in onze dialoog. Op een dieper niveau betekent dit dat we de onderlinge distincties – op gebied van de waarden, overtuigingen en emoties die we geven en verbinden aan deze woorden – begrijpen. Het betekent ook dat we de concepten waar we over praten op een gelijkaardige manier begrijpen.

Gedeelde Mening betekent echt niet dat iedereen in het gesprek de zaken op dezelfde manier ziet, integendeel zou ik durven beweren. In eerste instantie is er een groot verschil in de inzichten van de deelnemers aan het gesprek. 

De eerste voorwaarde om te komen tot een Gedeelde Mening is dat, waar het gaat om het creëren van de gewenste toekomst, elke deelnemer in het gesprek datgene met de ander deelt wat zinvol voor haar of hem is. Het betreft de toekomst die diegenen, die betrokken zijn in het gesprek, willen creëren. Dit komt overeen met, zoals jullie weten, de eerste karakteristiek van Creatieve wisselwerking: Authentieke Interactie.

De tweede voorwaarde is dat de deelnemers aan het gesprek elkaars perspectieven voldoende waarderend begrijpen om deze als legitiem te aanvaarden in de kader van het zoeken en realiseren van een gezamenlijke toekomst. Dit komt overeen met de tweede karakteristiek van Creatieve wisselwerking: Waarderend Begrijpen.

Gedeelde Meningspeelt zich ook af in een bepaalde context. De betekenis die we geven aan een standpunt hangt af van het referentiekader waarin dit standpunt of inzicht waarderend wordt begrepen. En er is altijd een referentiekader of denkkader. De sleutel om tot een Gedeelde Mening te komen ligt in het creëren van een gedeeld denkkader om de inzichten waarderend te begrijpen. Dit denkkader dient relatief simpel en duurzaam te zijn. Het creëren van een Gedeelte Mening vergt dus de transformatie van de aan zet zijnde denkkaders of mindsets.

David  Bohm[iii]

Ook voor David Bohm was de rol van dialoog het creëren van Gedeelde Mening. Vanuit de ‘stroom van mening’, onder de deelnemers aan de dialoog, diende een gedeeld gekleurd bewustzijn te ontspruiten: de Gedeelde Mening. Daarbij zouden de deelnemers zich bewust dienen te zijn van het feit dat deze mening door hen wordt gecreëerd en dat die continu zou dienen bijgeschaafd worden, want nieuwe inzichten zullen steeds naar voor komen. Bohm stelde ook dat deze Gedeelde Mening het cement (de lijm) was dat (die) de verschillende elementen van een team, groep of zelfs een gemeenschap bij elkaar houdt. Uiteindelijk zag hij in dat, op het niveau van een organisatie of gemeenschap, de Gedeelde Mening overeenkwam met de cultuur van die organisatie of gemeenschap. Op het niveau van het individu zag hij de Gedeelde Mening als het voortschrijdend scheppingsproces van het Zelf. Wat ik dan weer het transformatieproces van de gecreëerde zelf naar de Originele Zelf toe noem.

Eloïse, Edward en Elvire, ook Bohm was ervan overtuigd dat, om een Gedeelde Meningte kunnen vormen, diverse verschillende inzichten nodig zijn. Dit komt dus overeen met de noodzaak aan diversiteit, het durven uitkomen voor de eigen mening en het ver weg blijven van het groepsdenken (GroupThink[iv]). Een tweede voorwaarde, nog steeds volgens David Bohm, was dat om een Gedeelde Mening te kunnen vormen, de deelnemers aan de dialoog hetgeen volgt dienden toe te laten: “words of the other have to penetrate deep inside them.” Daartoe dienen de deelnemers hun eigen (be)oordelende gedachten een halt toe te roepen teneinde de transformerende kracht van de inzichten van de ander niet weg te nemen. Anders gesteld, de deelnemers aan de dialoog dienen het risico om door de dialoog getransformeerd te worden te omarmen.

Wat Bohm voorstelt is dat wij door dialoog collectief helder bewust worden van, en verantwoordelijk reageren op, de gevormde Gedeelde Mening. Het is verwonderlijk, Eloïse, Edward en Elvire, hoe gelijklopend de ideeën van David Bohm (1917 – 1992), een Brits Kwantum-Natuurkundige, Neurowetenschapper en Filosoof, zijn met die van Henry Nelson Wieman (1884 – 1975), een Amerikaans Religieuze Filosoof. Henry Nelson schreef z’n dissertatie, waar voor het eerst z’n denkbeelden over Creatieve wisselwerking naar voorkwamen, in het jaar dat David geboren werd.


[i]David Remnick, Quote uit We Are Alive, Bruce Springsteen sixty-two, The New Yorker, 2012 (https://www.newyorker.com/magazine/2012/07/30/we-are-alive)

[ii]Fred Kofman and Peter M. Senge. Communities of Commitment: The heart of learning organizations.Elsevier: Organizational Dynamics, Volume 22, Issue 2, Autumn 1993, bladzijden 5-23

[iii]David Bohm, On Dialogue, (Edited by Lee Nichol), London: Routledge, first published 1996

http://files.meetup.com/13700432/%5BDavid_Bohm%5D_On_Dialogue%28BookZZ.org%29.pdf(edition published in the Taylor & Francis e-Library, 2003)

[iv]Paul ‘tHart, Irving L. Janis’ Victims of Groupthink. Political Psychologie, Vol. N° 2 (June 1991), bladzijden 247-278