Tagarchief: Robert Fritz

SAWUBONA, HANNAH ARENDT – DEEL VI

Over Willen

Willen is het tweede deel van Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) en ik plaats het na Denken (het eerste deel) en Oordelen het derde deel) omdat ik m’n Cruciale Dialoogmodel in deze serie columns volg:

De linkerlus van m’n vereenvoudigd Cruciale Dialoogmodel omvat het Denken dat uitmond in Oordelen (hier in het midden van het model gevisualiseerd als ‘inzicht’). Dit ‘inzich’t leidt door het afwegen ervan ten overstaan van de ‘behoeften’ tot ‘gevoelens ‘die uiteindelijk gestalte geven aan het Willen.

De vertalers Dirk De Schutter en Remi Peeters schrijven in de inleiding tot het deel Willen het volgende dat m’n stelling bekrachtigt (Arendt, 2021, p. 250):

Waar het denken de geest op het verleden richt [de linker lus van het Cruciale Dialoogmodel] en de gebeurtenissen in een noodzakelijk verloop plaatst, daar treedt de wil in het leven van de geest [het midden van het Cruciale Dialoogmodel] op als het orgaan van de toekomst [de rechter lus van het Cruciale Dialoogmodel] dat de openheid op het nieuw en het onvoorspelbare belichaamt en de mogelijkheid van een begin hoedt [terug in het midden van het Cruciale Dialoogmodel].

De wil is in oorsprong een christelijke problematiek. Apostel Paulus heeft die problematiek geïntroduceerd. Arendt beklemtoont het ontbreken van de wil in de Griekse filosofie. Aristoteles heeft het wel over keuzevrijheid, dit is de vrijheid om tussen twee of meer mogelijkheden te kiezen teneinde één van de mogelijkheden te realiseren. In het Cruciale Dialoogmodel vindt de keuzevrijheid z’n plaats tussen de derde en vierde fase, dus tussen ‘imagineren’ en ‘handelen’. Het is kiezen tussen alle mogelijke acties die het ‘imagineren’ heeft voortgebracht. De wil die zich doelen stelt bevindt zich in het midden van het model en die kwam het eerst aan bod in de Brief aan de Romeinen van apostel Paulus. Paulus zag het goddelijk gebod niet als “Gij zult doen” maar “Gij zult willen”. Een oogopener van het boek Het leven van de Geest is de verschillende interpretaties van de gespletenheid van de wil. Want mensen doen niet steeds het goede (dat ze willen) en wel het kwade (wat ze niet willen).  Paulus zag dit conflict als een strijd tussen de geest en het vlees, terwijl Augustinus het zag als een conflict in de geest zelf.  Het is dus Arendt die de theologische herkomst van de wil heeft ontdekt. Ook staat ze stil bij het samengaan van wil en vrijheid.

Hierbij put ze uit de filosofie van Nietzsche, die de wil tot macht (Wille zur Macht) centraal. Nietzsche’s weerlegging van de ‘vrijheid van de wil’ vindt men in zijn ‘gedachte van de eeuwige terugkeer’, de basisgedachte van Aldus sprak Zarathoustra. 

Een voor mij ogen-opende passage over de zogenaamde ‘vrije wil’ verhaalt de visie van Bergson:

Theoretisch gesproken is het probleem altijd geweest dat de vrije wil – of die nu begrepen wordt als de vrijheid om te kiezen dan wel als de vrijheid om iets onvoorspelbaar nieuws te beginnen – volkomen onverenigbaar lijkt, niet alleen met de goddelijke voorzienigheid, maar ook met het oorzakelijkheidsprincipe; men kan aannemen dat de wil vrij is, en zich hierbij beroepen op de innerlijke ervaring, hoe sterk of zwak die als grond ook moge zijn, maar men kan die vrijheid nooit bewijzen. De ongeloofwaardigheid van de aanname of van het postulaat van de vrijheid is te wijten aan onze uitwendige ervaringen in de wereld van de verschijnselen, waarin wij in feite – wat Kant ook moge beweren – zelden een nieuwe serie in gang zetten. Zelfs Bergson, wiens hele filosofie steunt op de overtuiging dat “ieder van ons onmiddellijke kennis heeft … van zijn vrije spontaneïteit”,geeft toe: “We zijn vrij telkens wanneer we in onszelf willen keren, maar het gebeurt zelden dat we dit willen.” Ook zegt hij: “Vrije daden zijn uitzonderlijk.” (Het merendeel van onze daden stellen we uit gewoonte, juist zoals we vaak oordelen op basis van vooroordelen.) (Arendt, 2021, p. 280-281)

De botsing tussen denken en willen

De wil wil altijd iets doen, dus dien je ‘willen’ te begrijpen als ‘willen doen’. Daardoor is willen iets heel anders dan Denken en volgt Willen in het beste geval Denken. Want zonder denken staat Willen gelijk aan een reflex en die reflex gaat vlug over in het doen. Uitgezonderd heel specifieke situaties, zoals in het geval van een imminent gevaar, geeft die reflex zelden positieve resultaten.

Idealiter wordt over de huidige situatie nagedacht (denken is dus meestal nadenken) en komt men tot een inzicht. Bij afweging van dat inzicht ten overstaan van de behoeften worden – bij grote delta tussen die twee – gevoelens gegenereerd. Die gevoelens leiden tot het willen iets aan de situatie te doen. Dit komt neer op de actuele realiteit dichter brengen bij de gewenste realiteit. Arendt (2021, p. 285-286) verwoordt het zo:

In dit opzicht – laat me het de “tonaliteit” van mentale activiteiten noemen – is het vermogen van de wil om wat er nog niet is aanwezig te stellen exact het tegenovergestelde van de herinnering. De herinnering heeft een natuurlijke affiniteit met het denken; zoals ik al heb gezegd: elk denken is een na-denken. Gedachtegangen ontspringen op een natuurlijke wijze, haast automatisch en zonder enige onderbreking, aan de herinnering. Dat is de reden waarom de anamnêsis bij Plato een aannemelijke hypothese voor het menselijk leervermogen kon worden en waarom de gelijkstelling van geest en memoria bij Augustinus zo aannemelijk klinkt. De herinnering kan in de ziel een verlangen naar het verleden doen ontstaan. Deze nostalgie, ook al gaat ze soms gepaard met verdriet en smart, verstoort echter de gemoedsrust van de geest niet, omdat ze dingen betreft die we niet meer kunnen veranderen. Het willende ego daarentegen kijkt niet achteruit, maar vooruit. Het richt zich op dingen die in onze macht liggen, ook al is het helemaal niet zeker dat we die dingen ooit zullen bereiken. De spanning die hieruit resulteert, verschilt van de eerder stimulerende opwinding waarmee probleem-oplossende activiteiten gepaard kunnen gaan. Ze veroorzaakt een soort onrust in de ziel, die vaak aan ontsteltenis grenst – een mengeling van vrees en hoop die ondraaglijk wordt wanneer men ontdekt dat, met de woorden van Augustinus, willen en in staat zijn om uit te voeren, velle en posse, niet hetzelfde zijn. Men kan deze spanning alleen te boven komen door te handelen, dit wil zeggen door de mentale activiteit helemaal op te geven; de ommezwaai van willen naar denken heeft alleen een tijdelijke verlamming van de wil tot gevolg, juist zoals de ommezwaai van denken naar willen door het denkende ego wordt aangevoeld als een tijdelijke verlamming van de denkactiviteit. 

Het valt op dat deze passage heel precies verwoordt wat Peter M. Senge, gebruik makend van het gedachtegoed van Fritz, in z’n boek De Vijfde Dicipline als volgt neerschreef:

Het tegenover elkaar plaatsen van een visie (wat we willen) en een helder beeld van de werkelijkheid (waar we onbevinden met betrekking tot wat we willen) geneneert wat we noemen ‘creatieve spanning’: een kracht om ze bij elkaar te brengen, die veroorzaakt wordt door de natuurlijke neiging van spanning om zich te ontladen. (Senge, 1992, p. 139)

In het Cruciale Dialoogmodel is de tonaliteit van het denken iets anders weergegeven dan in het boek van Arendt. Het nadenken gebeurt in de tweede fase en daarin wordt nagedacht over het verleden en heden. De uitkomst is een helder beeld van de werkelijkheid (cf. Peter Senge). Dit helder beeld genereert door toedoen van de vergelijking ervan met de behoefte aan een toekomstige werkelijkheid voor een ‘creatieve spanning’. De grootte van de zogenaamde ‘delta’ tussen de twee (huidige en gewenste werkelijkheid) hangt uiteraard af van het verschil tussen de twee. Indien het verschil een zekere grens overschrijdt komt met tot het willen veranderen van die huidige realiteit. Dit alles – het cristaliseren van het inzicht, vormen van de delta en het uitmonden in het willen – gebeurt in het midden van het Cruciale Dialoogmodel. Het willen is het omslagpunt tussen de linker lus en de rechter lus. De rechterlus start met de derde fase van het model: het imagineren van mogelijke acties. Dit is ook nadenken, in dit geval wel niet over het verleden en het heden maar over de toekomst.

Peter Senge (1992, p. 148) ziet in die fase twee soorten fundamenteel van elkaar verschillende spanningen: de creatieve en emotionele spanning:

Maar de creatieve spanning voel je niet speciaal.  Het is de kracht die ontstaaat op het moment dat wij een visie als de onze beschouwen die niet overeenkomt met de actuele werkelijkheid.

Toch leidt creatieve spanning vaak tot gevoelens of emoties die geassocieerd worden met nervositeit, zoals verdrietigheid, moedeloosheid, teneergeslagenheid of ongerustheid. Dit gebeurt zo vaak dat men deze emoties verwart met creatieve spanning. Men begint te denken dat creatief zijn een kwestie is van permanent onder grote druk staan. Het is belangrijk te beseffen dat die ‘negatieve’ emoties die kunnen ontstaan niet de creatieve spanning zelf zijn. Die emoties noemen we dan de emotionele spanning.

Als we emotionele spanning niet van creatieve spanning weten te onderscheiden, zuullen we er gemakkelijk toe komen onze visie wat te laten zakken. […]

[…] Het verlichten van de emotionele spannig is verradelijk, omdat het ongemerkt een proces in werking kan stellen. Emotionele spanning kan altijd verminderd worden door de ene pool van de creatieve spanning die we helemaal in de hand hebben, de visie, bij te stellen. De gevoelens die we niet willen, verdwijnen, omdat de creatieve spanning die de bron van die gevoelens was, verminderd is. […]

Door ‘water in de wijn’ van de gewenste realiteit te doen vermindert de creatieve spanning en wordt die naar beneden gehaalde gewenste realiteit haalbaarder. Inderdaad de huidige realiteit kunnen we niet veranderen. Het willende ego richt zich op een gewenste toekomst. “Op dingen die in onze macht liggen ook al is het helemaal niet zeker dat we die dingen ooit zullen bereiken” stelt Arendt. De spanning die daaruit voorkomt noemt Senge emotionele spanning en ook Arendt ziet een verschil met  “de eerder stimulerende opwinding waarmee probleem-oplossende activiteiten gepaard kunnen gaan”, die Senge de creatieve spanning noemt.

In alle geval leidt de tweede nadenkfase tot een set mogelijke acties. Het willen is een willen tot  handelen. Na die derde fase dient echter wel gekozen worden welke van de geimagineerde acties werkelijk uitgevoerd zullen worden.

De uitdaging die het Cruciule Dialoogmodel voor ons in petto heeft is het er voor kan zorgen dat de denkactiviteit nooit verlamd wordt. Ook tijdens het kiezen van de mogelijke acties dient nagedacht te worden. Dit nadenken wordt gevisualiseerd door de staande acht in de rechter lus van de liggende acht. Er wordt daarbij nagegaan of er wel voldoende middelen (geld, tijd, mankracht, …) voor handen zijn om de mogelijke acties überhaupt uit te voeren. En zelfs tijdens het handelen mag de denkactiviteit niet tijdelijk verlamt te worden. Zelfs met ‘de neus in de guidon’ dient continu nagedacht te worden: zijn we wel op de juiste weg? Maken we wel de voorziene vooruitgang? Dienen we niet bij te schakelen? Enzovoort

Het keuzevermogen: proairêsis, de voorloper van de wil 

Proairêsis is een term die gesmeed werd door Aristoteles om de keuze tussen alternatieven te benoemen waarbij de voorkeur voor het ene gekozen wordt voor het andere. Arendt (2021, p. 308) schrijft daarover 

Proairêsis is de uitweg uit deze tegenspraak. Indien de rede en de begeerte het in hun ruw antagonisme zonder bemiddeling zouden moeten stellen, dan zouden we moeten concluderen dat een mens die belegerd wordt door de strijdige impulsen van beide vermogens “zichzelf dwingt afstand te nemen van zijn begeerte” in het geval hij zich beheerst, en “zichzelf dwingt afstand te nemen van zijn rede” wanneer de begeerte hem overweldigt. Maar in geen van beide gevallen speelt een dergelijke dwang; beide handelingen worden doelbewust gesteld, en “wanneer het principe van binnen uit werkt, is er geen dwang”.Wat er in feite gebeurt, is dat er in de strijd tussen rede en begeerte een beslissing valt: die is een zaak van “voorkeur”, van weloverwogen keuze. Het is de rede die tussenkomt, niet de nous, die zich richt op dingen die er voor altijd zijn en die niet anders kunnen zijn dan ze zijn, maar wel de dianoia of phronêsis, die zich inlaat met dingen die binnen onze macht liggen, in tegenstelling tot begeerten en verbeelding, die zich soms aangetrokken voelen tot dingen die we nooit kunnen bereiken, zoals wanneer we goddelijk of onsterfelijk wensen te zijn. 

Proairêsis wordt door Arendt de voorloper van de wil genoemd. Ik begrijp haar standpunt als de ruimte tussen de actuele werkelijkheid, waar men niet omheen kan, en de gewenste werkelijkheid die gestalte gegeven wordt door onze behoeften. Een gekozen voor transformatie (van de actuele werkelijkheid in de richting van de gewenste) dienen er eerst acties daartoe gekozen worden. Nadien is er een tweede Proairêsis moment. De keuze van die acties die we werkelijk gaan uitvoeren. Het doel is gekend, de acties die ons naar dat doel kunnen leiden ook, want nog rest zijn de middelen. Volgens Arendt (2021, p. 308) had Aristoteles dit al door: “soms moeten we uitzoeken waarin ze [de middelen] gelegen zijn, en soms hoe ze gebruikt moeten worden of door wie ze verworven kunnen worden.” Dit is dus een ‘rationele’ selectie tussen de middelen, ook daarin proairêsis de scheidsrechter.

Arendt steekt de draak met Aristoteles’ keuzevermogen, dat in het Latijn vertaald werd als liberum atribium met de verwijzing naar ‘de ezel van Buridan’:

[…] tussen twee op gelijke afstand staande en even lekker ruikende hooibundels zou het arme beest van honger zijn omgekomen, aangezien beraadslaging geen enkele reden zou opleveren om de ene boven de andere bundel te verkiezen; het beest overleefde, omdat het slim genoeg was om aan de vrije keuze te verzaken, te vertrouwen op zijn begeerte en te grijpen wat binnen zijn bereik lag. (Arendt, 2021, p. 309)

De vrijheid is mogelijk wanneer ‘gij zult’ samenvalt met ‘ik kan’. Op het moment dat je daaraan twijfelt wordt de vrijheid een probleem en rijst de vraag: “Liggen de dingen die alleen mezelf aangaan, ook werkelijk binnen mijn macht?” (Arendt, 2021, p. 309). Indien men over de middelen beschikt heeft men de vrijheid te kiezen van binnenuit. Indien men niet over die middelen beschikt, en iemand zegt “gij zult’, dan is er geen ‘ik kan’ en is er geen vrijheid van binnenuit. Dan is er een beval van buiten naar binnen en dat heeft niets met liberum atribium te maken.

Apostel Paulus en de onmacht van de wil

Ik ben het eens met Arendt die stelt dat zich inlaten met ervaringen die relevant zijn voor de wil, zich inlaten is met ervaringen die mensen niet alleen met zichzelf maar ook in zichzelf opdoen (2021,  p. 310).

In zijn Brief aan de Romeinen beschrijft apostel Paulus een twee-in-één die niet zoals bij Socrates partners zijn een voortdurend gevecht met elkaar voeren:

Juist wanneer “ik het goede (to kalon) wil doen, dringt het kwade zich aan mij op (7,21)”, want “indien de wet niet gezegd had: ‘gij zult niet begeren’”, dan “zou ik van de begeerte geen weet hebben”. Het is dus het gebod van de wet dat “alle soorten van begeerte” opwekt. “Zonder de wet is de zonde dood” (7,7- 8). 

De wet speelt een dubbelzinnige rol: de wet is “goed, omdat hij de zonde als zonde toont” (7,13), maar aangezien de wet spreekt met de stem van het gebod, “wekt hij de passies op” en “brengt hij de zonde weer tot leven”. “Zo bleek het gebod, dat bedoeld was ten leven, mij juist de dood te bezorgen” (7,10). Het resultaat is dat “ik mijn eigen daden niet begrijp. [‘Ik ben een vraag geworden voor mezelf.’] Ik doe immers niet wat ik wil, maar wat ik verafschuw” (7,15). En de kern van de zaak is dat dit innerlijk conflict nooit beëindigd kan worden door ofwel aan de wet te gehoorzamen ofwel zich aan de zonde te onderwerpen; alleen genade, die om niets gegeven wordt, kan volgens Paulus deze innerlijke “ellende” helen. Het is dit inzicht dat als een “bliksemflits” insloeg op de man uit Tarsus, Saül genaamd, die, naar eigen zeggen, een “overdreven ijverige” farizeeër was (Galaten 1,14), behorend tot de “strengste richting van onze godsdienst” (De handelingen van de apostelen 26,5). Wat hij wilde was “rechtschapenheid” (dikaiosynê), maar rechtschapenheid, d.i. “zich metterdaad houden aan alle voorschriften in het boek der wet” (Galaten 3,10), is onmogelijk; dit is de “vloek van de wet”, en “als we door de wet rechtschapen zouden kunnen worden, zou Christus voor niets gestorven zijn” (Galaten 2,21). (Arendt, 2021, p. 311)

De oorsprong ligt in “Ik doe niet het goede dat ik wil, maar het kwade dat ik niet wil” (Romeinen 7,19). Het is het gevecht tussen ik-wil en ik-nil waarbij alleen de daad uitkomst kan brengen. Als de werken niet meetellen is de wil hulpeloos, stelt Arendt (2021, p. 316). Ze verheldert dit als volgt (Arendt, 2021, pp. 316-317):

De wil is gespleten en brengt automatisch zijn eigen tegenwil voort. Daarom heeft hij nood aan heling, zodat hij opnieuw één wordt. Zoals het denken splijt ook het willen de ene mens in een twee-in-één, maar voor het denkende ego zou een “heling” van die splijting het ergste zijn wat zou kunnen gebeuren; ze zou zonder meer een einde maken aan het denken. Welnu, het is erg verleidelijk om te concluderen dat de goddelijke genade – Paulus’ oplossing voor de ellende van de wil – de wil op een miraculeuze wijze berooft van zijn tegenwil en zo in feite de wil vernietigt. Maar dit is geen zaak meer van wilsbesluiten, aangezien genade niet kan worden nagestreefd; de verlossing “hangt niet af van de wil of de inspanning van de mens, maar van Gods ontferming”, en “Hij ontfermt zich over wie Hij wil en maakt halsstarrig wie Hij wil” (Romeinen 9,16; 18). Bovendien, juist zoals de wet niet louter “intrad” om de zonde herkenbaar te maken maar om “de wetsovertreding te doen toenemen”, zo werd de genade “overvloedig” wanneer de “zonde toenam” – felix culpa inderdaad, want hoe zouden de mensen de glorie kennen als ze niet vertrouwd waren met de vervloeking; hoe zouden ze weten wat dag is, als er geen nacht was? 

Samengevat: de wil is machteloos, niet omwille van een uitwendige reden die de wil verhindert te slagen, maar omdat de wil zichzelf hindert. En waar hij zichzelf niet hindert, zoals bij Jezus, bestaat hij nog niet. Voor Paulus is de uitleg relatief eenvoudig: het vlees en de geest zijn met elkaar in conflict, en het probleem is dat mensen beide zijn, zowel vlees als geest. Het vlees zal sterven, en daarom leidt een leven volgens het vlees tot een gewisse dood. De voornaamste taak van de geest is niet alleen maar heersen over de begeerten en het vlees doen gehoorzamen, maar het versterven – het vlees “met zijn hartstochten en begeerten” kruisigen (Galaten 5,24). En dit gaat in feite de menselijke macht te boven. We hebben gezien dat het in de aard van het denkende ego ligt een zekere argwaan tegenover het lichaam te koesteren. De lichamelijkheid van de mens is dan wel niet noodzakelijk de bron van zonde, maar ze onderbreekt de denkende activiteit van de geest en biedt weerstand aan de geluidloze, snelle dialoog die de geest met zichzelf voert – een gedachtewisseling waarvan het “behaaglijke” juist ligt in een spiritualiteit waar geen materiële factor bij komt kijken. Dit ligt veraf van de agressieve vijandigheid jegens het lichaam die we bij Paulus vinden. Naast de vooroordelen tegen het vlees wordt deze vijandigheid bovendien veroorzaakt door de essentie van de wil. Afgezien van zijn mentale oorsprong krijgt de wil slechts besef van zichzelf door weerstand te overwinnen, en het “vlees” in Paulus’ redenering (maar ook in de latere vermomming van de “neiging”) wordt de metafoor voor een innerlijke weerstand. Zodoende heeft de ontdekking van de wil, zelfs in dit simplistische schema, van meet af aan een ware doos van Pandora met onbeantwoordbare vragen geopend – vragen waar Paulus zich terdege bewust van was en die vanaf dat moment elke strikt christelijke filosofie met absurditeiten hebben geteisterd. 

Bibliografie

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Bos, A.H. (1974). Oordeelsvorming in Groepen, Scriptie (74-6). Wageningen: Med. Landbouwhogeschool. 

Palmgren, C. (2008). Ascent of the Eagle. Being and Becoming Your Best. Dayton: Innovative Interchange Press.

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Schein, E.H. (2013). Humble Inquiry. The Gentle Art of Asking instead of Telling. San Francisco: Berrett- Koehler Publishers.

Penge, P.M. (1992). De vijfde discipline. De Kunst & Praktijk van de Lerende Organisatie. Tielt: Lannoo

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

SAWUBONA, HANNAH ARENDT – DEEL IV

Waar zijn we wanneer we denken?

In haar boek Het Leven van de Geest (Arendt, 2021) stelt Hannah Arendt na het beantwoorden van de vraag “Wat zet ons aan het denken?” volgende bijkomende vraag: “Waar zijn we wanneer we denken?”

We leerden al dat het denken een activiteit is die zichzelf tot doel heeft en dat de enig passende metafoor ervoor het gevoel is ‘in leven te zijn’. “Ik denk, dus ben ik in leven” wat het vertrekpunt was van de filosofie van Descartes.

Maar, waar vertoeven we als we aan het denken zijn, vraagt Hannah Arendt zich af.

Zoals in vorige columns aangetoond, wordt het denken gevisualiseerd door de linker lus van m’n Cruciale Dialoogmodel:

Dus zou ik Hannah’s vraag kunnen beantwoorden met: “We bevinden ons in de linker lus van het Cruciale Dialoogmodel.” Dit antwoord leidt dan automatisch naar volgende vraag: “Maar waar bevindt die linker lus zich?”

Tantôt je pense et tantôt je suis (Valéry): het nergens

De dichter Paul Valéry verdraaide de beroemde formule van Descartes en zette daarmee de Franse nationale trots een dot van een neus. Terzelfdertijd zet die uitspraak de filosofische kwestie van het Denken en het Zijn op scherp. Het is alsof denken en werkelijk zijn elkaars tegengestelde zouden zijn. Descartes leidt het bestaan van zichzelf (en dus van mensen) af uit hun vermogen om te redeneren. Valéry nuanceert de conclusie van Descartes met een vermakelijke elegantie: natuurlijk denk ik soms, en laten we wel wezen… ik denk alleen maar soms! Hannah Arendt gebruikt die oneliner van Paul Valéry meesterlijk om haar punt te maken. 

Hannah Arendt (2021, pp. 218-220) formuleert drie stellingen:

1. Het denken gebeurt altijd wanneer men in rust is. Het denken onderbreekt alle gewone activiteiten en wordt door die activiteiten onderbroken;

2. Het denken lijkt ‘werkelijk’, terwijl al wat enkel ‘is’, zo vluchtig lijkt dat het net is alsof het niet bestaat. Arendt citeert daarbij Hegel’s stelling: “Was gedacht ist, ist; und was ist, ist nur, insofern es Gedanke ist.” (Wat gedacht wordt, is; en wat isis alleen maar voor zover het gedacht wordt);

3. Deze vreemde kenmerken van het denken komen voort uit de terugtrekking die inherent is aan alle mentale activiteiten; het denken laat zich altijd in met dingen die afwezig zijn; het verwijdert zich uit wat aanwezig en dicht bij de hand is. 

Uiteindelijk komt ze tot het besluit dat het denkende ego ‘nergens’ is:

Het denkende ego, dat zich in het universele beweegt, tussen onzichtbare essenties, is strikt genomen nergens: het is in een nadrukkelijke zin ontheemd – wat het vroege ontstaan van een kosmopolitische geest onder filosofen zou kunnen verklaren. (Arendt, 2021, p. 220)

Volgens haar was Aristoteles zowat de enige grote denker die dat besef had. Deze prijst in Protreptikos de bios theôrêtikos, omdat “die noch middelen noch plaatsen nodig heeft om te worden beoefend; wie zich, waar op aarde ook, aan het denken wijdt, zal overal de waarheid bereiken alsof ze daar aanwezig is”. (Arendt, 2021, p. 221)

Om nadien te stellen dat haar vraag naar de plaats van het denkende ego een misplaatste vraag is en dat omdat:

Het denkende ego is “overal” – het verzamelt in zijn aanwezigheid al wat het belieft, vanuit gelijk welke afstand in tijd en ruimte, want die doorkruist het met een snelheid, groter dan die van het licht. Maar bekeken vanuit het perspectief van de alledaagse wereld van de verschijnselen, is dit “overal” een “nergens”. (Arendt, 2021, p. 221)

En gezien we bestaan, want we denken, is dit ‘nergens’ niet het tweevoudig nergens van voor en na ons bestaan. Wat Arendt (2021, p.222) dan weer aanzet om na te denken over onze eindigheid:

De eindigheid van de mens is onherroepelijk, krachtens zijn eigen korte tijdsspanne in de tijd, die zich zowel in het verleden als in de toekomst oneindig uitstrekt. Deze eindigheid is als het ware de infrastructuur van alle mentale activiteiten: ze manifesteert zich als de enige werkelijkheid waarvan het denken als denken besef heeft, wanneer het denkende ego zich uit de wereld van de verschijnselen heeft teruggetrokken en het gevoel van werkelijk-zijn, inherent aan de sensus communis waarmee we ons in de wereld oriënteren, verloren heeft. 

Daaruit besluit Arendt dat Valéry’s opmerking – die ze interpreteert als wanneer we denken, zijn we niet – juist zou zijn indien ons gevoel van werkelijk te bestaan enkel zou bepaald worden door ons ruimtelijk bestaan. Wij zijn echter niet enkel in de ruimte, we zijn ook in de tijd, merkt Arendt (2021, p. 222) fijntjes op. Tijdens het denken herinneren we ons zaken, plukken die uit het geheugen en met de wil anticiperen we tijdens het denken op (en plannen we) wat nog niet is. De conventionele tijdlijn is dwingend in haar opvolging, vandaar dat in m’n Cruciale Dialoogmodel de linker lus het verleden, het midden het heden en de rechter lus de toekomst is.

De bres tussen verleden en toekomst: het nunc stans

Arendt stelt dat tijdens het denken over ‘wat niet meer is’ gaat over wat achter ons ligt en denken over ‘wat nog niet is’ ons van voren nadert (en duidt dat laatste met het Duitse ‘zukunft’ en het Franse ‘avenir’, als “wat toekomt”). Daarmee wordt het tijdscontinuüm verdeeld in drie tijdsdimensies: verleden, heden en toekomst. Arendt (2021, p. 224) ziet verleden en heden als elkaar tegenstanders en begrijpt ze als antagonistische krachten. Die krachten grijpen aan in het heden, dat ze ziet als de bres tussen verleden en toekomst. Die visie is ook gesymboliseerd in de tegenstrijdige krachten tussen de gewenste realiteit (de toekomst) en de huidig realiteit, die gecreëerd werd door het verleden. Deze spanning tussen verleden en toekomst werd door Fritz (1989) ‘structurele spanning’ genoemd:

Origineel concept is van Robert Fritz. Figuur uit Senge, P.M. (1992) De vijfde discipline, p. 153

De bres tussen verleden en toekomst wordt gezien als de arena van de vechter. Die vechter, de mens, is continu gevangen tussen zijn verleden (links) en de toekomst (rechts) en de spanning grijpt in op diegene die zijn heden beleeft. Dit heden is zowat het vluchtigste wat er is, terwijl je het aanwijst is het reeds verleden. De mens leeft in dit ‘tussen’ tijdsgewrocht en vecht een levenslange strijd tegen het dode gewicht van het verleden dat hem tegen wil houden en de hoop op de toekomst die hem voortstuwt, of anders gesteld, de hoop die hem vooruit stuwt naar een betere toekomst en een vrees voor die toekomst (met als enige zekerheid de dood) die hem terugdrijft naar de zekerheid van het verleden. Met nostalgie naar en herinnering aan de enige werkelijkheid waar de mens zeker van kan zijn, schrijft Arendt (2021, p. 226). 

Zelf zie ik dat als een continu gevecht tussen het gecreëerde zelf, die door z’n Vicieuze Cirkel vastzit in z’n ‘gouden kooi’ en het Originele Zelf die het actuele zelf aantrekt in de richting van z’n hoogste niveau en hopelijk het (continu) evoluerend zelf wordt. Dus terug de twee raderen die in elkaar inwerken, niet af en toe, eerder quasi continu (Roels, 2012, p. 305). Dit gevecht wordt enig mooi beschreven door Henry Nelson Wieman (1990, p. 72):

Man is made for creative transformation as a bird is made for flight. To be sure he is in a cage much of the time. The bars of the cage are the resistances to creative transformation which are present in himself and in the world round about. Also, like most birds when long confined, he settles down in time and loses both the desire and the ability to undergo creative transformation. But in childhood creativity dominates. The mind expands its range of knowledge and power of control, its appreciative understanding of other minds and its participation in the cultural heritage. At no other time is there so much expansion and enrichment of the mind and of the world which the mind can appreciate. But resistances are encountered, which bring on anxiety, frustration, failure and misunderstanding. To avoid suffering, the mind becomes evasive and creativity dies down.  The bird ceases to beat against the bars of the cage.

Arendt (2021, p. 225) citeert een allegorie van Friedrich Nietzsche uit diens Aldus sprach Zarathoestra. De allegorie start wanneer Zarathoestra aankomt bij een doorritpoort, die kan gezien worden als het gemeenschappelijk punt van twee wegen. Een weg naar en een weg van de poort.  

Twee wegen komen hier te zamen; die wegen liep niemand nog ten einde. Deze lange weg terug: die duurt een eeuwigheid. En die lange weg rechtuit – dat is een andere eeuwigheid. Ze spreken elkander tegen, deze wegen; ze stoten elkaar recht voor het hoofd: – en hier bij deze wegpoort is het, dat zij elkander raken. De naam van de poort staat er boven geschreven: “ogenblik” (“Augenblick”). … Zie dit ogenblik! Vanuit deze doorrit-poort “Ogenblik” loopt een lange eeuwige weg terug: achter ons ligt een eeuwigheid. [En voorwaarts leidt een andere weg in een eeuwige toekomst.] 

De persoon die in die in de doorritpoort staat ziet dit als twee wegen, van op een afstand bekeken is er uiteraard enkel een doorlopende weg. De ‘botsing’ ervaart enkel diegene die op dat ogenblik op die bewuste plaats staat. Zij of hij staat dan in het ‘nu’. Enkel voor haar of hem is het alsof Verleden en Toekomst tegenelkaar knallen. De eeuwigheid (en dus Nietzsche’s eeuwige terugkeer) is het ‘nu’.

In het dagelijkse leven bestaat die bres omzeggens niet, de continuïteit van onze activiteiten zorgt voor een tijdscontinuüm: we doen vandaag verder met wat we gisteren begonnen en morgen hopen af te maken. De bres tussen verleden en toekomst opent zich alleen in reflectie. Tijdens die reflectie wordt wat afwezig is, want we zijn niet aanwezig in het heden, binnen de aanwezigheid van de geest getrokken. Arendt (2021, p. 227) ziet die denkactiviteit als een gevecht met de tijd zelf:

Alleen omdat “hij” denkt, en dus niet langer meegesleept wordt door de continuïteit van het dagelijkse leven in een wereld van verschijnselen, kunnen het verleden en de toekomst zich als pure entiteiten manifesteren, zodat “hij” een besef kan krijgen van een niet- meer dat hem vooruitduwt en van een nog-niet dat hem terugduwt. 

Die bres kan gezien worden vanuit het standpunt van het denkende ego als een onbeweeglijkheden, een nunc stans. Dit is de betekenis van de stop in ‘stop and think’ van reflectie. De tijd wordt bevroren tot het staande nu, het nunc stans. En gedurende dit staande nu wordt het Cruciale Dialoogmodel doorlopen en dat in alle richtingen en aan lichtsnelheid.

Arendt (2021, p. 232) zegt nog over het nunc stans het volgende:

De temporele dimensie van het nunc stans die in de denkactiviteit ervaren wordt, brengt de afwezige dimensies, het nog-niet en het niet-meer, samen in zijn eigen heden. Dit is Kants “land van het zuivere verstand” (Land des reinen Verstandes), “een eiland, dat door de natuur zelf met onveranderlijke grenzen is ingesloten” en “dat wordt omgeven door een wijde en stormachtige oceaan”, de zee van het alledaagse leven. Ik denk niet dat dit “het land van de waarheid” is, maar het is zeker het enige domein waar het betekenisvolle geheel van iemands leven zichzelf kan tonen. Voor sterfelijke mensen, wier bestaan, in tegenstelling tot alle andere dingen die pas echt beginnen te zijn wanneer ze voltooid zijn, eindigt wanneer het niet meer is, blijft dit betekenisvolle geheel ongrijpbaar (nemo ante mortem beatus esse dici potest). Alleen in de bres van het nunc stans kan dit ongrijpbare geheel van het menselijk bestaan zich tonen als de zuivere continuïteit van het ik-ben, een durende aanwezigheid te midden van de altijd veranderende vergankelijkheid van de wereld. 

Bij het begrip nunc stans denk ik steevast aan de tekst van Leonard Cohen’s lied ‘Anthem’ uit z’n album ‘The Future’ (1992), met de boodschap van hoop in donkere tijden. De eerste strofe maakt mij duidelijk dat je elke dag opnieuw het creatief wisselwerkingsproces dient te beleven; dus in het nu. Dat je bovendien niet langer achteruit mag kijken dan strikt nodig, en dan enkel om lessen uit dat verleden te trekken teneinde er effectief iets mee te doen in het nu. Je mag zich ook niet verliezen in dromen over de toekomst. Op zich is het hebben van een droom goed, het zich verliezen in dromerij is dat helemaal niet. Een droom is een richtsnoer, dat men nodig heeft om het in het nu te volgen. Je creëert de toekomst die je wil in het nu; niet in het verleden en ook niet in de toekomst! 

Het helder bewust leven in het nu is verre van gemakkelijk. Dit is een van de weinige zekerheden die in het nieuwe paradigma overheid is gebleven. Het van binnenuit beleven van Creatieve wisselwerking (waarvoor in het lied de duif als metafoor wordt gebruikt) is en blijft vechten tegen de persoonlijke Vicieuze Cirkel

The birds they sang At the break of day   Start again
I heard them say
Don’t dwell on what  Has passed away
Or what is yet to be  Yeah the wars they will Be fought again
The holy dove
She will be caught again Bought and sold
And bought again
The dove is never free 

Het refrein herinnert mij er aan dat ik het beste van mezelf dien te geven en niet mag wachten tot wat ik doe perfect is. Imperfectie is geen probleem, want door elke imperfectie (‘the crack’) komt The Ligth (het licht) binnen. The Light is wat Yoda The Force noemt (Keshner, 1980) en ik Creatieve wisselwerking (Roels, 4 februari 2018). Leonard Cohen zei ooit, vertaald in het Nederlands, naar verluid over dat refrein het volgende (Werber; 11 november 2016): 

De toekomst is geen excuus om afstand te doen van je eigen persoonlijke verantwoordelijkheden ten opzichte van jezelf, je werk en jouw liefde. “Laat de klokken, die dat nog steeds, kunnen klinken.” Ze zijn met weinig, maar je kunt ze vinden. 

Het refrein gaat als volgt: 

Ring the bells (ring the bells) that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack in everything (there is a crack in everything)  That’s how the light gets in

Er bestaan verschillende verhalen over waarop Leonard Cohen zijn beroemd geworden quote – “There is a crack in everything. That’s how the light gets in” – baseerde . De meest geciteerde verklaring over de bron van die quote is een verhaal uit het boek van de Boeddhist Meditatie leraar, Jack Kornfield (2002), ‘A Path With Heart’. Reden voor die verklaring is waarschijnlijk dat Cohen zelf Boeddhist werd met de bedoeling ‘heel’ uit een zware depressie te komen. Dit lukte hem uiteindelijk na jaren verblijf in een Californisch Zen Boeddhistisch klooster (Abramović, 14 november 2016). 

Het bewuste verhaal gaat over een jonge man waarvan een been diende geamputeerd te worden teneinde hem te redden van een gewisse dood. Die jongen leed aan een agressieve beenkanker. De kanker werd effectief overwonnen. Om het trauma veroorzaakt door het verlies van een been te kunnen verwerken, werd hij intensief begeleid door een vrouwelijke dokter, Naomi Remen. Deze arts gebruikte onder meer kunst en meditatie om mensen, niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk, te genezen. In het begin van zijn therapie tekende de jongen op de rand van razernij zichzelf als een vaas met een lelijke barst. Wanneer hij, na jaren therapie en meditatie, de innerlijke vrede teruggevonden heeft, door de arts wordt hij confronteerd met een van z’n eerste tekeningen. Zijn directe reactie was: “Oh, deze tekening is niet afgewerkt.” De arts suggereerde om alsnog de tekening af te werken, wat hij deed. Hij bewoog een vinger over de dikke barst en zei tot de dokter: “Kijk eens naar die barst, daar komt het licht doorheen.” Hij nam een geel potlood en tekende het stromend licht doorheen de barst van het lichaam van de vaas en zei: “Onze harten kunnen sterk groeien op de gebroken plaatsen.” 

Hoe mooi deze verklaring ook is, ze is onmogelijk. Jack Kornfield’s boek werd voor het eerst gepubliceerd in 1993 en de song ‘Anthem’ werd uitgebracht in 1992. In een interview met singersongwriter Paul Zollo (Zollo, 1992) verklaarde Leonard Cohen dat “it took a decade to write Anthem” en met betrekking tot de quote: 

That’s old, that’s very old. That has been the background of much of my work. I had those lines in the works for a long time. I’ve been recycling them in many songs. I must not be able to nail it. (Zollo, 2003).  

Ook de tweede strofe is een ode aan die imperfectie. Direct perfect, de oude slogan van de kwaliteitsgedachte van de jaren tachtig, is een leugen. Imperfectie verbonden aan continue verbetering door transformatie is het nieuwe normaal. 

Het eigen commentaar van Leonard Cohen luidt als volgt (Werber; 11 november 2016): 

Deze situatie kent geen perfecte oplossing. Dit is ook niet de plaats weer men dingen pefect maakt; noch in je huwelijk, noch in je werk, noch in je liefde voor jouw familie of land. Het leven is onvolmaakt. 

De strofe zelf luidt: 

We asked for signs  The signs were sent  The birth betrayed  The marriage spent Yeah the widowhood  Of every government  Signs for all to see 

En terzelfdertijd dienen we er ons bewust te zijn van de hypocrisie van wat Leonard Cohen de “lawless crowed” en de “killers in high places” noemt. The Crack kan dus ook gezien worden als de scheur in de muren van corruptie, in regeringen en in de machtigen van deze aarde. Het gaat om structuren die ons omwikkelen, gevangen houden, van buiten naar binnen controleren en die mensen tot slaaf maken en de middelen van de wereld knechten. In mijn optiek gaat het om de Vicieuze Cirkel. Zoals Leonard Cohen heb ik besloten mij niet te laten knechten en dus niet tevreden te zijn met de status quo. Het gaat niet alleen om persoonlijke groei, het gaat ook om anderen te inspireren. 

I can’t run no more
With that lawless crowd
While the killers in high places
Say their prayers out loud
But they’ve summoned, they’ve summoned up  A thundercloud
And they’re going to hear from me 

Die laatste zin doet mij dan weer denken aan een uitspraak van Martin Luther King (1967): “We must speak with all the humility that is appropriate to our limited vision, but we must speak.” 

De strofe wordt gevolgd door het refrein, dat oproept om zowel wakker als authentiek te blijven. Leonard Cohen zegt daarover (Werber; 11 november 2016): 

Er is een scheur in alles wat je kunt samenstellen: fysieke objecten, mindsets, kortom constructies van welke aard dan ook, fysiek of mentaal. Er is echter hoop, want een scheur is waar het licht binnenkomt, waar de opstanding is, waar de terugkeer en de berouw is. Het is de confrontatie van de gebrokenheid der dingen. 

Door die gebrokenheid groeien we omdat we beseffen dat alles wat gebroken is op een of andere manier kan hersteld worden, terug ‘heel’ gemaakt worden. 

(Ring, ring, ring, ring)
Ring the bells that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in 

De laatste strofe is een oproep tot synergie. Hetgeen ik uiteraard interpreteer als een oproep tot het van binnenuit beleven van Creatieve wissselwerking, dat ook voor Leonard Cohen synoniem is van Liefde: 

You can add up the parts  You won’t have the sum  You can strike up the march There is no drum  Every heart, every heart to love will come  But like a refugee 

Om die laatste zin ‘But like a refugee’ waarderend te kunnen begrijpen dien je te overwegen dat Leonard Cohen sterk beïnvloed was door het Boedhisme. Dus kan die zin een specifieke Boedhistische betekenis hebben. Er bestaat een Boedhistische ceremonie, “Taking Refuge (Toevlucht zoeken)” genaamd. De uitgesproken geloften tijdens deze ceremonie zijn: “Ik zoek toevlucht bij de Boeddha (de leraar), ik zoek toevlucht bij de darhma (de leerstellingen), ik zoek toevlucht bij de sangha (de gemeenschap van Boeddhisten).” Je doet deze geloften om jou< toewijding aan het boeddhistisch pad te versterken. Het is niet verwonderlijk dat ik daarin Man’s Ultimate Commitment (Wieman, 1990) voor Creatieve wisselwerking zie. Ook Henry Nelson Wieman was beïnvloed door het Boeddhisme (Rice, 1017). 

De betekenis van ‘toevlucht zoeken’ is een ietwat complex en potentieel verwarrend. Maar is Creatieve wisselwerking ook niet ‘Kunnen omgaan met ambiguïteit’?!? Volgens mijn interpretatie betekent ‘toevlucht zoeken’ het tegenovergestelde van wat men zou kunnen denken. Men zoekt geen toevlucht om veilig te zijn, toevlucht zoeken is een verplichting die men zich oplegt om de realiteit van ongegrondheid te ervaren (i.e. het tegenovergestelde van veiligheid in de betekenis van ‘securitiy’). Die veiligheid is overigens een illusie gebleken. Toevlucht zoeken tot Creatieve wisselwerking is bereid zijn om het eigen denkkader (Mindset) in vraag te stellen en zich volledig open op te stellen en compleet wakker (i.e. helder bewust) te zijn. Het eigen referentiekader mordicus vasthouden komt neer op vasthouden wat een veilig en stabiel gevoel geeft. Dit is de identiteit van de gecreëeerde zelf. Meestal laat je jouw gecreëerde zelf maar los in tijden van wanhoop en wanneer je zekerheden uit elkaar ziet vallen. 

Er is ook een link met de vluchteling (refugee) in de gebruikelijke zin van het woord. Die vlucht voor vervolging of nare situatie in haar of zijn thuisland, in de hoop vrijheid en een betere situatie te vinden in een ander land. Het boeddhisme zegt, vertaalt in Creatieve wisselwerking taal, dat we in onze gecreëerde zelf vast zitten. Dat we gevangenen zijn van onze eigen Vicieuze Cirkel met z’n gehechtheden aan eigen concepten en denkkaders. We zitten gevangen in onze Mindset en dienen toevlucht zoeken in het creatief wisselwerkingsproces teneinde onszelf te bevrijden van die boeien. Daartoe dienen we op elk ogenblik open en wakker te zijn. 

(Ring, ring, ring, ring)
Ring the bells that still can ring
Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in
Ring the bells that still can ring (ring the bells that still can ring) Forget your perfect offering
There is a crack, a crack in everything (there is a crack in everything)
That’s how the light gets in (3x)

En tot slot nog een ‘wijze gedachte’ in de vorm van volgende quote: 

The real act of discovery consists not in finding new lands, But in seeing with new eyes. – Marcel Proust

Bibliografie

Abramović, M. (24 november 2016). My Dinner Date With Leonard Cohen. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://time.com/4570605/marina-abramovic-leonard-cohen/  

Arendt, H. (2021). Het leven van de Geest. Utrecht: Ten Have. Nederlandse vertaling: Dirk De Schutter en Remi Peeters/Uitgeverij Ten Have, 2021 

Cohen, L. (1992). Anthem lied uit studio album The Future, Columbia Records.

Fritz, R. (1989). The Path of Least Resistance. New York: Fawcett-Columbine.

Keshner, I. (Regisseur). (1980). Star Wars Episode V – The Empire Strikes Back [Film], Lucasfilm, Ltd./20th Century Fox Home Entertainment.

King, M.L. (4 April, 1967). Excerpts of Dr. Martin Luther King Jr’s speech on war on April 4, 1967. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://www.soundvision.com/article/excerpts-of-dr-martin-luther-king-jrs-speech-on-war-on-april-4-1967

Kornfield, J. (2002). A Path With Heart. The Classic Guide Trhrough the Perils and promisses of Spiritual Life. London: Rider, an imprint of Ebury Press, Random House. p. 48

Rice, D. F. (2017). Henry Nelson Wieman on Religion and Reinhold Niebuhr. https://doi.org/10.1111/zygo.12333

Roels, J. (2012). Cruciale dialogen. Dagelijks beleven van ‘Creatieve wisselwerking’. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.

Roels, J. (4 februari 2018). The Force (i.e. Creative Interchange). Geraadpleegd op 22 juni 2021 via http://www.creativeinterchange.be/?p=822 

Penge, P.M. (1992). De vijfde discipline. De Kunst & Praktijk van de Lerende Organisatie. Tielt: Lannoo.

Werber, M. C. (11 november 2016). “There is a crack in everything, that’s how the light gets in”: The story of Leonard Cohen’s “Anthem”. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via https://qz.com/835076/leonard-cohens-anthem-the-story-of-the-line-there-is-a-crack-in-everything-thats-how-the-light-gets-in/

Wieman, H.N. (1990). Man’s Ultimate Commitment. Lanham: University Press of America Reprint, with new pref. and introd. Originally published Carbondale: Southern Illinois University Press, 1958.

Zollo, P. (1992). Leonard Cohen. Los Angeles 1992. Geraadpleegd op 22 juni ’21 via https://www.leonardcohenfiles.com/zollo.html

Zollo, P. (2003). Songwriters on Songwriting. New York: Hachette Books (vierde druk).